Rechtspraak Hoge Raad 1910-06-10
ECLI:NL:HR:1910:1
De Hooge Raad der Nederlanden in de zaak (nº 3881) van:[eischeres] , zonder beroep, wonende te Zutphen, eischeres in cassatie van een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Zutphen van den veertienden October 1909, vertegenwoordigd door M r . J.J. Bergsma, advocaat bij den Hoogen Raad.Tegen:de Naamlooze Vennootschap Frankfurter Transport-Unfall und Glasversicherungs Actien Gesellschaft, assuradeur, gevestigd te Frankfurt aan den Main in Duitschland, zonder bekend verblijf binnen het Koninkrijk, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door M r . R.V. Bakker, advocaat bij den Hoogen Raad.Gehoord den eischeres; Gehoord den Procureur-Generaal in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de eischeres in de kosten;Gezien de stukken;Overwegende, dat tegen voormeld tusschen partijen gewezen vonnis als middel van cassatie is aangevoerd:Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1401, 1402, 1403, 1404, 1405 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de artikelen 48, 199, 200 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat de Rechtbank met vernietiging van het vonnis van den Kantonrechter heeft beslist, dat de begrippen onrechtmatige daad en onrechtmatige nalatigheid niet zoo beperkt moeten worden opgevat, dat daaronder alleen zouden vallen zulke daden of nalatigheden, welke inbreuk maken op eens anders recht of in strijd zijn met des daders rechtsplicht, maar dat er tevens onder vallen zoodanige, waarbij de noodige eerbied voor eens anders persoon, goederen of arbeid uit het oog wordt verloren en dien tengevolge, dat zoo inderdaad de nu requirante in cassatie gedurende geruimen tijd heeft geweigerd de hoofdkraan der waterleiding te sluiten na herhaald verzoek daartoe en zelfs na er mede in kennis te zijn gesteld, dat door de lekkage groote schade ontstond, zij eene nalatigheid heeft begaan, die het karakter draagt het welk haar, gelijk boven is overwogen onrechtmatig doet zijn;Overwegende, dat blijkens het bestreden vonnis de verweerster in cassatie als oorspronkelijk eischeres heeft gevraagd vergoeding van de door na te melden "onrechtmatige handelingen en verzuimen" van de eischeres in cassatie, oorspronkelijk gedaagde, aan [betrokkene 1] te Zutphen toegebrachte schade, welke schade zij verweerster dezen heeft vergoed, omdat zij hem daarvoor had verzekerd;Overwegende, dat alzoo de verweerster is opgetreden als krachtens artikel 284 van het Wetboek van Koophandel gesubrogeerde van [betrokkene 1], zoodat het geding beheerscht wordt door het bestaan van aanspraken van dezen;Overwegende, dat de verweerster in hare vordering bij vonnis van den Kantonrechter te Zutphen van 19 Maart 1909 is verklaard niet-ontvankelijk, doch dat dit vonnis bij het in cassatie bestreden vonnis der Rechtbank is vernietigd, en de Rechtbank aan de verweerster heeft toegestaan het hierna vermeld bewijs door getuigen te leveren;Overwegende, dat de Rechtbank als reeds vaststaande heeft aangenomen:dat eischeres in cassatie in den nacht van 4 op 5 Januari 1909 woonde en vertoefde in de bovenwoning van het pakhuis van [betrokkene 1] te Zutphen;dat in dien nacht door de vorst de waterleiding in dat perceel is gesprongen en de hoofdkraan dier leiding zich bevond in het door eischeres in cassatie gehuurde en bewoonde gedeelte van dat perceel en dat die kraan alleen toegankelijk was voor wie zich in haar woning bevond;dat het water uit de gesprongen leiding is gespoten op het leer, dat [betrokkene 1] in zijn bovenbedoeld pakhuis had en dat leer daardoor is beschadigd;Overwegende, dat de feiten, waarvan aan de verweerster de bewijslevering door getuigen is toegestaan, zijn de navolgende:"dat in den nacht van 4 op 5 Januari 1909 de geïntimeerde (eischeres in cassatie), opgebeld door [betrokkene 1], wel een raam harer woning opende, doch op de mededeeling, dat de waterleiding was gesprongen, en dat hij, [betrokkene 1], verzocht om de hoofdkraan af te draaien of hem te dien einde toe te laten, zulks pertinent weigerde,