Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-03-17
ECLI:NL:GHSHE:2026:788
Strafrecht
Hoger beroep
3,804 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:788 text/xml public 2026-04-01T14:51:02 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-17 20-002465-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:788 text/html public 2026-04-01T14:49:25 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:788 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 17-03-2026 / 20-002465-25 Belediging. De verdachte is inmiddels gedetineerd in het kader van een ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren. Op grond van deze omstandigheid is het hof van oordeel dat oplegging van een straf of maatregel in deze zaak geen redelijk strafdoel meer dient en thans niet opportuun is. Het hof zal daarom toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Parketnummer : 20-002465-25 Uitspraak : 17 maart 2026 TEGENSPRAAK (art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 17 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-223472-25 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984, thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – belediging van een ambtenaar in functie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen. De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] in zijn geheel toegewezen, bestaande uit € 200,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen met een proeftijd van 2 jaar. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] in zijn geheel zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast is ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij verzocht deze te matigen en geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te 's-Hertogenbosch opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde] (medewerker Veiligheid & Service), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door die [benadeelde] de woorden toe te voegen: "je bent kanker gek", "je bent kanker dom", "je bent kanker dik", "hoe veel weken ben je al zwanger?" en/of "je bent een kanker lesbi", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 2 augustus 2025 te 's-Hertogenbosch opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde] (medewerker Veiligheid & Service), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door die [benadeelde] de woorden toe te voegen: "je bent kanker gek", "je bent kanker dom", "je bent kanker dik", "hoe veel weken ben je al zwanger?" en "je bent een kanker lesbi". Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De raadsman van de verdachte heeft het hof primair verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, gelet op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) die onlangs bij onherroepelijk geworden vonnis aan de verdachte is opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman zich achter de vordering van de advocaat-generaal geschaard. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belediging van een ambtenaar in functie. De verdachte heeft een medewerkster van Veiligheid & Service gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, beledigd door haar de woorden voor te houden “je bent kanker gek", "je bent kanker dom", "je bent kanker dik", "hoe veel weken ben je al zwanger?" en "je bent een kanker lesbi”. Door aldus te handelen heeft de verdachte de ambtenaar in haar eer en goede naam aangetast. Personen met een publieke taak dienen – in het belang van de openbare orde en de veiligheid – te kunnen functioneren, zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk hinderlijk en strafbaar gedrag. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 februari 2026. Daaruit blijkt dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat aan de verdachte bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Amsterdam d.d. 19 december 2025 (parketnummer 13-250034-25) de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren is opgelegd.
Volledig
Blijkens bedoeld uittreksel liggen aan die beslissing onder meer soortgelijke strafbare feiten ten grondslag als het in deze zaak bewezenverklaarde. Het hof heeft tevens kennisgenomen van de reclasseringsrapporten van 16 juni 2025, 24 juni 2025 en 27 november 2025, die door de reclassering zijn opgemaakt in het kader van andere strafzaken jegens de verdachte. In deze rapporten concludeert de reclassering dat de verdachte problemen heeft op meerdere leefgebieden. Hij is dakloos geraakt, heeft geen werk, heeft schulden en er is sprake van overmatig alcoholgebruik. Het risico op recidive schat de reclassering dan ook als hoog in. In het rapport van 27 november 2025 adviseerde de reclassering om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Deze maatregel is bij voormelde onherroepelijke veroordeling van 19 december 2025 aan de verdachte opgelegd. Verder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Het hof is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte, op zichzelf de door de politierechter opgelegde straf rechtvaardigen. Uit het voorgaande volgt echter dat de verdachte inmiddels gedetineerd is in het kader van een ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren. Op grond van deze omstandigheid is het hof, anders dan de advocaat-generaal en met de raadsman, van oordeel dat oplegging van een straf of maatregel in deze zaak geen redelijk strafdoel meer dient en thans niet opportuun is. Het hof zal daarom toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 200,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij door de verdachte is beledigd en daarmee in haar eer en goede naam is aangetast. Het hof acht de gevorderde immateriële schadevergoeding, zijnde een bedrag van € 200,00, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk en billijk. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering in zijn geheel toewijsbaar is. Het toe te wijzen bedrag van € 200,00 zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025, zijnde het moment waarop de schade wordt geacht te zijn ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 200,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. De raadsman van de verdachte heeft bepleit aan de verdachte geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het hof ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen redenen om af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, dan wel af te wijken van de gebruikelijke manier waarop de duur van de gijzeling wordt bepaald. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd; vordering van de benadeelde partij [benadeelde] wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening ; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde, een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 augustus 2025. Aldus gewezen door: mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. C.A. van Roosmalen en mr. T. Farber, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt en mr. N.H.P. van der Linde, griffiers, en op 17 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. T. Farber is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.