Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-03-20
ECLI:NL:GHSHE:2026:769
Strafrecht
Hoger beroep
1,969 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHSHE:2026:769 text/xml public 2026-03-20T14:00:22 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-20 20-000410-25 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:769 text/html public 2026-03-20T10:14:07 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:769 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-03-2026 / 20-000410-25 Vrijspraak verkrachting (primair) en ontucht (subsidiair) door zorgverlener. De de-auditu getuigenverklaringen leveren in dit geval onvoldoende steunbewijs op. Slachtoffer kon zelf niet worden gehoord door de politie. Parketnummer : 20-000410-25 Uitspraak : 20 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-040131-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van verkrachting (zoals primair tenlastegelegd) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Als bijkomende straf is de verdachte door de rechtbank ontzet van het recht het beroep van zorgverlener of een soortgelijke functie in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg uit te oefenen voor de duur van 5 jaren. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen primair aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden en ontzetting van het recht het beroep van zorgverlener of een soortgelijke functie in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg uit te oefenen voor de duur van 5 jaren. Feitelijk heeft de advocaat-generaal hiermee bevestiging van het vonnis van de rechtbank gevorderd. De verdediging heeft integrale vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. In het geval het hof toch mocht komen tot enige bewezenverklaring is primair verzocht te volstaan met oplegging van een taakstraf (van de maximale duur) in combinatie met een langere voorwaardelijke gevangenisstraf. Een bijkomend beroepsverbod is in dat geval evident, aldus de verdediging. Subsidiair is verzocht de duur van een eventueel op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aanzienlijk te matigen tot maximaal 3 maanden. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 12 september 2022 te [pleegplaats] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten misbruik te maken van de lichamelijke gezondheid en gesteldheid van de (hoogbejaarde) [slachtoffer] en/of een psychisch en een fysiek overwicht op die [slachtoffer] te hebben, mede gelet op het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] en/of aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie te doen ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken, die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het onverhoeds duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of het betasten en/of strelen van de billen en/of borsten en/of tepels van die [slachtoffer] en/of het vastpakken en/of vasthouden van de tepels van die [slachtoffer] ; subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 12 september 2022 te [pleegplaats] , althans in Nederland, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door het onverhoeds duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of het betasten en/of strelen van de billen en/of borsten en/of tepels van die [slachtoffer] en/of het vastpakken en/of vasthouden van de tepels van die [slachtoffer] . Integrale vrijspraak Wijlen mevrouw [slachtoffer] was op 12 september 2022 zo’n drie jaar woonachtig in verzorgingshuis [naam] in [pleegplaats] . Hoewel de toen 81-jarige [slachtoffer] een vaste eerste contactverzorgende had, werd zij ook geregeld verzorgd door anderen, waaronder flexwerkers. De dochter van [slachtoffer] heeft op 30 september 2022 namens haar moeder aangifte bij de politie gedaan tegen de flexwerker die op 12 september 2022 werkzaam was – naar later bleek: de verdachte – wegens het aanraken van de intieme delen van haar moeder en het bij haar naar binnen brengen van zijn vingers. [slachtoffer] is daarover zelf niet door de politie gehoord kunnen worden, omdat zij op [datum] is overleden. Wel heeft zij vóór haar overlijden tegenover meerdere personen verklaard over hetgeen volgens haar gebeurd zou zijn op 12 september 2022. Deze verklaringen bevinden zich in het dossier. De verdachte heeft het tenlastegelegde van meet af aan ontkend, in die zin dat hij heeft verklaard [slachtoffer] wel te hebben gewassen en daarbij haar billen, borsten en vagina te hebben aangeraakt, maar dat daarbij geen sprake was van overschrijding van de sociaal ethische norm. Deze aanrakingen hadden geen ontuchtig karakter. Met de rechtbank stelt het hof voorop dat, volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechter(s) verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden waarover het vermeende slachtoffer verklaart op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij zedenzaken – die zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen (het vermeende slachtoffer en de verdachte) – komt het veelal aan op de vraag in hoeverre de door één getuige verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van die getuige. Hiervoor is niet voldoende dat getuigen ‘de auditu’, ofwel van horen zeggen, verklaren over wat zij van het vermeende slachtoffer hebben gehoord. De bron van deze verklaringen blijft dan immers steeds het vermeende slachtoffer. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die een de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan, maar die weliswaar niet het kernverwijt (bijvoorbeeld de seksuele handelingen) bevestigen, voldoende zijn om een rol van betekenis te spelen als steunbewijs. Het is dus niet per se vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen. Met de rechtbank stelt het hof vast dat het dossier enkel verklaringen van de-auditu getuigen bevat.