Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-03-04
ECLI:NL:GHSHE:2026:595
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,083 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:595 text/xml public 2026-03-31T16:11:16 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-04 24/573 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:2172, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:595 text/html public 2026-03-31T13:59:09 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:595 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-03-2026 / 24/573 In geschil is of het toetsingsinkomen voor de zorgtoeslag te hoog is vastgesteld. Het hof oordeelt dat toetsingsinkomen in dit geval gelijk is aan het belastbare loon, dus inclusief nabetalingen van voorgaande jaren die zien op een uitkering in het kader van de Participatiewet. De uiteindelijke bepaling van de hoogte van de zorgtoeslag is aan de Belastingdienst/Toeslagen en niet aan de inspecteur. Hiervoor is bij een procedure bij de belastingrechter geen plaats. Ook het beroep op gelijkheidsbeginsel faalt. Beroep ongegrond. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/573 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 april 2024, nummer BRE 23/2628, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft in de beschikking zorgtoeslag 2020 de hoogte van het toetsingsinkomen van belanghebbende vastgesteld. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Limburg, sector bestuursrecht. De bestuursrechter van de rechtbank Limburg heeft zich bij uitspraak van 21 april 2023 onbevoegd verklaard en het beroepschrift van belanghebbende doorgezonden naar de rechtbank. 1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende en zijn moeder zijn in 2020 toeslagpartners. 2.2. Zij ontvangen beiden een uitkering van de gemeente Roermond op basis van de Participatiewet. De jaaropgave 2020 van de gemeente Roermond vermeldt voor belanghebbende een belastbaar loon van € 15.648,67 en voor zijn moeder een belastbaar loon van € 10.104,89. Het belastbaar loon van belanghebbende bestaat voor een deel uit nabetalingen over eerdere jaren. 2.3. Belanghebbende heeft voor het jaar 2020 geen aangifte inkomensbelasting en premie volksverzekeringen gedaan. 2.4. De beschikking zorgtoeslag 2020 gaat uit van een toetsingsinkomen van belanghebbende van € 15.648,67 en resulteert in een te betalen bedrag van € 588. 2.5. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan de moeder van belanghebbende een beschikking huurtoeslag 2020 gegeven. De moeder van belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Belastingdienst/Toeslagen is tegemoetgekomen aan dit bezwaar. De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 april 2024 geoordeeld dat het procesbelang aan de procedure van de moeder van belanghebbende is komen te ontvallen. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of de inspecteur het toetsingsinkomen te hoog heeft vastgesteld. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van het toetsingsinkomen met de nabetalingen die zien op de jaren vóór 2020 en toekenning van een proceskostenvergoeding. 3.3. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert belanghebbende in hoger beroep aan dat de inspecteur bij de moeder c.q. toeslagpartner van belanghebbende de nabetaling door de gemeente wel aanmerkt als bijzonder inkomen dat buiten beschouwing blijft voor de bepaling van het toetsingsinkomen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Voor zover de mogelijkheid tot het buiten beschouwing laten van de nabetalingen alleen zou hebben te gelden voor de huurtoeslag en niet voor de zorgtoeslag, is dit onderscheid in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast stelt belanghebbende dat het feit dat het toetsingsinkomen als bedoeld in artikel 8 Awir wordt afgeleid uit het belastbaar loon als bedoeld in artikel 9 Wet op de loonbelasting 1964, niet betekent dat het toetsingsinkomen volledig gelijk is te stellen aan het belastbaar loon voor de loonheffingen. Dit brengt mee dat het enkele feit dat loonheffing moet worden ingehouden over het tijdvak waarin de nabetalingen plaatsvinden, niet betekent dat die nabetalingen behoren tot het toetsingsinkomen van dat tijdvak. Het gelijkstellen van het toetsingsinkomen met het belastbaar loon is in strijd met doel en strekking van de wet. Ter zitting heeft belanghebbende zijn stelling ingetrokken dat geen sprake is geweest van enige nabetalingen en heeft hij aangegeven dat het hof er van uit kan gaan dat de jaaropgaaf, waarop het toetsingsinkomen is gebaseerd, juist is. 4.2. De inspecteur heeft gesteld dat bij de bepaling van de hoogte van de huurtoeslag onder bepaalde voorwaarden door de Belastingdienst/Toeslagen kan worden afgeweken van het toetsingsinkomen dat door de inspecteur is vastgesteld. Die mogelijkheid om af te wijken bestaat niet voor de zorgtoeslag. Voor zover belanghebbende het niet eens is met het ontbreken van een dergelijke mogelijkheid voor de zorgtoeslag dient deze discussie gevoerd te worden bij de Belastingdienst/Toeslagen, omdat dit niet de juistheid van het toetsingsinkomen betreft. Verder treft het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel geen doel. Het vraagstuk met betrekking tot de verschillende regels over de zorg- en huurtoeslag heeft geen plaats in de procedure over het toetsingsinkomen. Er is ook geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat voor de huurtoeslag en de zorgtoeslag verschillende regels gelden. Binnen de zorgtoeslag wordt iedereen gelijk behandeld voor wat betreft het toetsingsinkomen. En ten slotte is het inkomensgegeven in de Awir en de AWR gelijk aan het belastbaar loon als bedoeld in artikel 9 Wet op de loonbelasting 1964. Belanghebbende heeft de nabetalingen in 2020 ontvangen, zodat dit tot het belastbaar loon in 2020 behoort, aldus nog steeds de inspecteur. 4.3. De rechtbank heeft het volgende overwogen en geoordeeld: “4. Het toetsingsinkomen is in dit geval gelijk aan het belastbare loon, en dat is de bruto uitkering op grond van de Participatiewet die belanghebbende in 2020 heeft ontvangen, dus inclusief de nabetaling. Bij het bepalen van het belastbare loon zijn de regels van de loon- en inkomstenbelasting van toepassing [ voetnoot 2: Artikel 21c, tweede lid, van de AWR ] en die staan niet toe een betaling buiten aanmerking te laten, ook niet als het een nabetaling is van voorgaande jaren. Op basis van de regels van de loon- en inkomstenbelasting behoren tot het belastbare loon in 2020 dus zowel de uitkering als de nabetalingen van de gemeente Roermond (zie 3.1.) [ voetnoot 3: Artikel 3.80 en 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 13a van de Wet op de loonbelasting 1964 ]. Daar is de inspecteur ook van uitgegaan. Het toetsingsinkomen is dus niet te hoog vastgesteld. 4.1. Het is uiteindelijk aan Belastingdienst/Toeslagen, en niet aan de inspecteur, om de hoogte van de zorgtoeslag te bepalen. Ter zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat Belastingdienst/Toeslagen inmiddels op het bezwaar van belanghebbende tegen de hoogte van de zorgtoeslag in 2020 heeft beslist. Deze zaak gaat niet over die beslissing.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:595 text/xml public 2026-04-08T10:03:02 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-04 24/573 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:2172, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/665 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:595 text/html public 2026-03-31T13:59:09 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:595 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-03-2026 / 24/573 In geschil is of het toetsingsinkomen voor de zorgtoeslag te hoog is vastgesteld. Het hof oordeelt dat toetsingsinkomen in dit geval gelijk is aan het belastbare loon, dus inclusief nabetalingen van voorgaande jaren die zien op een uitkering in het kader van de Participatiewet. De uiteindelijke bepaling van de hoogte van de zorgtoeslag is aan de Belastingdienst/Toeslagen en niet aan de inspecteur. Hiervoor is bij een procedure bij de belastingrechter geen plaats. Ook het beroep op gelijkheidsbeginsel faalt. Beroep ongegrond. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/573 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 april 2024, nummer BRE 23/2628, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft in de beschikking zorgtoeslag 2020 de hoogte van het toetsingsinkomen van belanghebbende vastgesteld. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Limburg, sector bestuursrecht. De bestuursrechter van de rechtbank Limburg heeft zich bij uitspraak van 21 april 2023 onbevoegd verklaard en het beroepschrift van belanghebbende doorgezonden naar de rechtbank. 1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende en zijn moeder zijn in 2020 toeslagpartners. 2.2. Zij ontvangen beiden een uitkering van de gemeente Roermond op basis van de Participatiewet. De jaaropgave 2020 van de gemeente Roermond vermeldt voor belanghebbende een belastbaar loon van € 15.648,67 en voor zijn moeder een belastbaar loon van € 10.104,89. Het belastbaar loon van belanghebbende bestaat voor een deel uit nabetalingen over eerdere jaren. 2.3. Belanghebbende heeft voor het jaar 2020 geen aangifte inkomensbelasting en premie volksverzekeringen gedaan. 2.4. De beschikking zorgtoeslag 2020 gaat uit van een toetsingsinkomen van belanghebbende van € 15.648,67 en resulteert in een te betalen bedrag van € 588. 2.5. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan de moeder van belanghebbende een beschikking huurtoeslag 2020 gegeven. De moeder van belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Belastingdienst/Toeslagen is tegemoetgekomen aan dit bezwaar. De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 april 2024 geoordeeld dat het procesbelang aan de procedure van de moeder van belanghebbende is komen te ontvallen. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of de inspecteur het toetsingsinkomen te hoog heeft vastgesteld. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van het toetsingsinkomen met de nabetalingen die zien op de jaren vóór 2020 en toekenning van een proceskostenvergoeding. 3.3. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert belanghebbende in hoger beroep aan dat de inspecteur bij de moeder c.q. toeslagpartner van belanghebbende de nabetaling door de gemeente wel aanmerkt als bijzonder inkomen dat buiten beschouwing blijft voor de bepaling van het toetsingsinkomen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Voor zover de mogelijkheid tot het buiten beschouwing laten van de nabetalingen alleen zou hebben te gelden voor de huurtoeslag en niet voor de zorgtoeslag, is dit onderscheid in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast stelt belanghebbende dat het feit dat het toetsingsinkomen als bedoeld in artikel 8 Awir wordt afgeleid uit het belastbaar loon als bedoeld in artikel 9 Wet op de loonbelasting 1964, niet betekent dat het toetsingsinkomen volledig gelijk is te stellen aan het belastbaar loon voor de loonheffingen. Dit brengt mee dat het enkele feit dat loonheffing moet worden ingehouden over het tijdvak waarin de nabetalingen plaatsvinden, niet betekent dat die nabetalingen behoren tot het toetsingsinkomen van dat tijdvak. Het gelijkstellen van het toetsingsinkomen met het belastbaar loon is in strijd met doel en strekking van de wet. Ter zitting heeft belanghebbende zijn stelling ingetrokken dat geen sprake is geweest van enige nabetalingen en heeft hij aangegeven dat het hof er van uit kan gaan dat de jaaropgaaf, waarop het toetsingsinkomen is gebaseerd, juist is. 4.2. De inspecteur heeft gesteld dat bij de bepaling van de hoogte van de huurtoeslag onder bepaalde voorwaarden door de Belastingdienst/Toeslagen kan worden afgeweken van het toetsingsinkomen dat door de inspecteur is vastgesteld. Die mogelijkheid om af te wijken bestaat niet voor de zorgtoeslag. Voor zover belanghebbende het niet eens is met het ontbreken van een dergelijke mogelijkheid voor de zorgtoeslag dient deze discussie gevoerd te worden bij de Belastingdienst/Toeslagen, omdat dit niet de juistheid van het toetsingsinkomen betreft. Verder treft het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel geen doel. Het vraagstuk met betrekking tot de verschillende regels over de zorg- en huurtoeslag heeft geen plaats in de procedure over het toetsingsinkomen. Er is ook geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat voor de huurtoeslag en de zorgtoeslag verschillende regels gelden. Binnen de zorgtoeslag wordt iedereen gelijk behandeld voor wat betreft het toetsingsinkomen. En ten slotte is het inkomensgegeven in de Awir en de AWR gelijk aan het belastbaar loon als bedoeld in artikel 9 Wet op de loonbelasting 1964. Belanghebbende heeft de nabetalingen in 2020 ontvangen, zodat dit tot het belastbaar loon in 2020 behoort, aldus nog steeds de inspecteur. 4.3. De rechtbank heeft het volgende overwogen en geoordeeld: “4. Het toetsingsinkomen is in dit geval gelijk aan het belastbare loon, en dat is de bruto uitkering op grond van de Participatiewet die belanghebbende in 2020 heeft ontvangen, dus inclusief de nabetaling. Bij het bepalen van het belastbare loon zijn de regels van de loon- en inkomstenbelasting van toepassing [ voetnoot 2: Artikel 21c, tweede lid, van de AWR ] en die staan niet toe een betaling buiten aanmerking te laten, ook niet als het een nabetaling is van voorgaande jaren. Op basis van de regels van de loon- en inkomstenbelasting behoren tot het belastbare loon in 2020 dus zowel de uitkering als de nabetalingen van de gemeente Roermond (zie 3.1.) [ voetnoot 3: Artikel 3.80 en 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 13a van de Wet op de loonbelasting 1964 ]. Daar is de inspecteur ook van uitgegaan. Het toetsingsinkomen is dus niet te hoog vastgesteld. 4.1. Het is uiteindelijk aan Belastingdienst/Toeslagen, en niet aan de inspecteur, om de hoogte van de zorgtoeslag te bepalen. Ter zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat Belastingdienst/Toeslagen inmiddels op het bezwaar van belanghebbende tegen de hoogte van de zorgtoeslag in 2020 heeft beslist.