Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-01-27
ECLI:NL:GHSHE:2026:222
Parketnummer : 20-000677-24 Uitspraak : 27 januari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 februari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-237265-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’ (feit 1) en ‘belaging’ (feiten 2 en 3), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en haar veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf, naast de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan enig strafbaar feit, bijzondere voorwaarden verbonden in de vorm van een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met [benadeelde partij] en een locatieverbod voor de straat waar [benadeelde partij] woonachtig is. De rechtbank heeft deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de benadeelde partij daarbij veroordeeld in de proceskosten van de verdachte, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil. Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het Openbaar Ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren – telkens in de vorm van het alleen plegen van de feiten – en de verdachte te dien aanzien te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Aan deze voorwaardelijke straf dienen volgens de advocaat-generaal bijzondere voorwaarden te worden verbonden in de vorm van een meldplicht bij de reclassering, diagnostiek en ambulante behandeling. Voorts heeft de advocaat-generaal het hof verzocht een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen, te weten in de vorm van een contactverbod met [benadeelde partij] en een locatieverbod voor de straat waar [benadeelde partij] woonachtig is, voor de duur van 5 jaren en daarbij te bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat de verdachte het verbod overtreedt, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden. De advocaat-generaal heeft tevens gerekwireerd tot dadelijke uitvoerbaarheid van deze vrijheidsbeperkende maatregel. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, doch dat het hof ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 2.500,00 dient op te leggen. De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van het onder feit 3 tenlastegelegde. Voorts h De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte ter zake van dit feit, nu er door [benadeelde partij] aangifte is gedaan van belaging over één gehele periode die door het Openbaar Ministerie als twee afzonderlijke periodes en aldus afzonderlijke feiten ten laste zijn gelegd. [benadeelde partij] heeft daarbij uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij vervolging van de verdachte wenste. De advocaat-generaal heeft daarbij verwezen naar de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 24 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:667). Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Belaging ex artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is een absoluut klachtdelict, hetgeen betekent dat het Openbaar Ministerie alleen tot vervolging van de verdachte kan overgaan als door het slachtoffer (of de klachtgerechtigde) een klacht is ingediend tegen de verdachte. Een klacht moet hier begrepen worden als een verzoek tot het instellen van strafrechtelijke vervolging. Gelet op het bepaalde in artikel 66, eerste lid, Sr dient die klacht te worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde strafbare feit. Het hof overweegt dat bij het bepalen van het aanvangsmoment van de termijn waarbinnen de klachtgerechtigde een klacht moet indienen, gekeken dient te worden naar het moment dat de belaging tot een einde is gekomen (HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:13). Ook wanneer een kortere periode bewezen is verklaard dan in de aangiftes is vermeld, kan bij de beoordeling of de klacht tijdig is ingediend worden uitgegaan van de in de aangifte vermelde einddatum (HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:667). Het hof stelt op grond van het politiedossier vast dat aangever [benadeelde partij] op 31 januari 2019 melding heeft gedaan bij de politie van de berichten die zijn ontvangen vanaf 20 september 2018. Vervolgens heeft [benadeelde partij] op 6 september 2022 aangifte gedaan van bedreiging in de periode van 26 augustus 2022 tot en met 6 september 2022. Op 14 oktober 2022 heeft [benadeelde partij] in een aanvullend verhoor te kennen gegeven ook aangifte te willen doen van stalking door de verdachte in de periode van september 2018 tot en met september 2022. [benadeelde partij] wenste daarbij dat de verdachte hiervoor wordt vervolgd en heeft daartoe tevens op 14 oktober 2022 een klacht ingediend. Gelet op de datum van de aangifte en de daarin vermelde einddatum van de belaging, is het hof van oordeel dat ook ten aanzien van de belaging in de tenlastegelegde periode van 20 september 2018 tot en met 15 februari 2019 tijdig aan het klachtvereiste is voldaan. Het hof is dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde. Integrale vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof dat de partner van de verdachte, de heer [medeverdachte] , op 20 februari 2025 tijdens een politieverhoor heeft verklaard dat hij de berichten in 2022 naar [benadeelde partij] heeft gestuurd. Daarbij is [medeverdachte] tevens als verdachte aangemerkt in zaken die in diezelfde periode met betrekking tot aangever [benadeelde partij] hebben gespeeld en heeft [medeverdachte] tevens diverse latere op [benadeelde partij] betrekking hebbende feiten, welke niet aan de verdachte ten laste worden gelegd, bekend. Daaronder vallen onder meer het spuiten van graffiti op een verkeersremmer, het lek steken van de autobanden van de vader van [benadeelde partij] en het sturen van e-mails vanaf het e-mailadres [e-mailadres] . Ten slotte lijkt de inhoud van de berichten in de eerste drie gedachtestreepjes onder de