Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-07-01
ECLI:NL:GHSHE:2026:1715
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 25/90 en 25/118 Uitspraak op het hoger beroep van De heer [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, en op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 januari 2025, nummer BRE 23/10043 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over de periode 14 november 2020 tot en met 13 november 2021 opgelegd van € 2.104. Tevens is bij beschikking een boete van € 2.104 opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij is de boete verminderd tot € 526. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 25/90. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 25/118. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [belanghebbende] , zijn schoonzoon en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende was vanaf 14 mei 2021 houder van een motorrijtuig van het merk en type Toyota Hilux met kenteken [kenteken] (hierna: het motorrijtuig). Op 15 januari 2021 is het motorrijtuig gekeurd door de RDW en heeft de RDW het motorrijtuig geregistreerd als 'opleggertrekker'. Op 14 mei 2021 is het motorrijtuig op naam van belanghebbende gesteld in het kentekenregister. De datum van eerste toelating is eveneens 14 mei 2021. Belanghebbende heeft motorrijtuigenbelasting betaald naar het bestelautotarief. 2.2. Op 7 september 2021 is het motorrijtuig naar aanleiding van een zichtmelding onderzocht. Bij de controle zijn foto’s gemaakt waarop is te zien dat er op het chassis van het motorrijtuig een laadbak is geplaatst. Ook is bij de controle geconstateerd dat het motorrijtuig niet voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto met een dubbele cabine: De laadruimte dient voor ten minste 40% van de lengte voor het hart van de achterste as geplaatst te zijn. Nu de lengte van het deel van de laadruimte voor het hart van de achterste as gemeten is op 59 cm en de lengte van de laadruimte 155 cm bedraagt, betekent dit dat minder dan 40% van de lengte van de laadruimte (40% van 155 cm = 62 cm) zich voor de achterste as bevindt. De laadruimte dient een lengte van ten minste tweemaal die van de cabine te hebben (minimaal 300 cm). Hieraan wordt niet voldaan, want de lengte van de cabine bedraagt 150 cm, terwijl de laadruimte 155 cm lang is. Omdat de hoogte van de cabine 115 cm is en dus lager dan 130 cm, dient aan deze eis te worden voldaan. 2.3. De inspecteur heeft het motorrijtuig aanmerkt als personenauto en heeft een naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 2.104. Daarbij heeft hij bij beschikking een boete van € 2.104 opgelegd. 2.4. De inspecteur heeft per e-mail van 20 maart 2024 verzocht om een toelichting over de status van het motorrijtuig ten tijde van de keuring door de RDW. Naar aanleiding daarvan heeft de RDW per e-mail van 25 maart 2024 (onder meer) het volgende verklaard: “Ik heb de vraag uitgezet bij een technische collega en die kwam met onderstaand antwoord: Als ik kijk naar de carrosseriecode dan zou ik zeggen dat dit voertuig aangeboden is als trekker, zonder laadbak, als dit voertuig met laadbak aangeboden was, dan zou dit voertuig 2codes moeten hebben.” 2.5. Dat is ook het relevante tijdstip voor de beoordeling van het tarief voor de motorrijtuigenbelasting over dat specifieke tijdvak. De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat het motorrijtuig op 15 januari 2021 zonder laadbak ter keuring is aangeboden aan de RDW. Belanghebbende kan geen vertrouwen ontlenen aan de keuring door de RDW, die was gebaseerd op een andere inrichting van het motorrijtuig. Bovendien geldt dat een uitlating van de RDW geen uitlating is die aan de inspecteur kan worden toegerekend. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt om die reden. 4.5. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt eveneens. Belanghebbende voert aan dat de naheffingsaanslag niet geschikt is om het doel te bereiken, te weten het misbruik van zakelijk gebruik tegengaan, omdat belanghebbende het voertuig slechts zakelijk gebruikt. Voor de toepassing van de motorrijtuigenbelasting is het van belang of een motorrijtuig al dan niet is ingericht voor personenvervoer. Of een motorrijtuig zakelijk of niet-zakelijk wordt gebruikt is daarbij niet relevant, ook personenvervoer kan zakelijk zijn. In zoverre is dus geen sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel. Voor zover het beroep van belanghebbende ziet op de evenredigheid van artikel 3 Wet MRB, geldt het volgende. Artikel 11 Wet algemene bepalingen, waarin tot uitdrukking is gebracht dat de rechter de redelijkheid en billijkheid van een wettelijke maatregel niet mag toetsen en het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet staan bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling in de weg aan toetsing van de Wet MRB aan het evenredigheidsbeginsel. Artikel 3 Wet MRB is immers dwingend geformuleerd en de tekst van die bepaling laat geen ruimte om daarvan af te wijken. Doordat de Wet MRB een wet in formele zin is kan niet worden getoetst aan artikel 3.4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en aan het evenredigheidsbeginsel. Voor een andere uitkomst dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, bestaat aanleiding indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarvan is hier geen sprake. Het hof ziet in dit geval geen onevenredige uitkomst die aanleiding zou kunnen geven tot een andere uitkomst dan waartoe toepassing van de wettelijke voorwaarden van de Wet MRB leidt. 4.6. Met betrekking tot de zorgvuldigheid van de meetmethode, heeft belanghebbende gesteld dat het gebruik van een meetlint niet nauwkeurig is. Hoe deze stelling zich vervolgens verhoudt tot de auto in kwestie heeft belanghebbende geheel niet onderbouwd. In zoverre heeft belanghebbende niet voldaan aan zijn stelplicht, laat staan dat belanghebbende de stelling aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft belanghebbende zelf geen nadere metingen verricht. Indien belanghebbende van mening is dat de meetmethode onjuist is geweest, had het op de weg van belanghebbende gelegen een nieuwe meting te vragen aan de inspecteur, of om zelf een dergelijke meting te (laten) doen. Het is het hof verder niet gebleken dat de metingen met het meetlint niet juist waren. Deze stelling geeft het hof daarom geen concrete aanleiding om te twijfelen aan de metingen in het controlerapport van de inspecteur. 4.7. Belanghebbendes beroep op de goedkeuring uit het Besluit op grond van de hardheidsclausule van artikel 63 Algemene wet rijksbelastingen (hierna: AWR) faalt eveneens. Voor deze goedkeuring uit het Besluit geldt dat wanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met koppelschotel wordt aangepast of omgebouwd, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een laadbak, het motorrijtuig moet voldoen aan alle inrichtingseisen die gelden voor een bestelauto. Als het motorrijtuig niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet, dan is sprake van een personenauto. Aangezien het motorrijtuig niet voldoet Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan motorrijtuigenbelasting te voldoen. Op belanghebbende rust de bewijslast om de relevante feiten en omstandigheden, die een geslaagd beroep op avas rechtvaardigen, te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken. 4.15. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van avas. Het hof overweegt daartoe het volgende. 4.16. Belanghebbende stelt zich voor het doen van de aangifte te hebben laten informeren door de autodealer en hij verwijst naar de gegevens van de RDW. Deze twee bronnen zijn ter zake van de motorrijtuigenbelasting geen bevoegde instanties. Niet is gebleken dat belanghebbende zich er op een andere manier van heeft vergewist dat hij een juiste aangifte motorijtuigenbelasting zou indienen. Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan motorrijtuigenbelasting te voldoen. Er is dan ook geen sprake van avas. 4.17. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de boete aan belanghebbende terecht is opgelegd en bovendien, na matiging tot een bedrag van € 263, passend en geboden is. Tussenconclusie 4.18. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en het hoger beroep van de inspecteur gegrond. Ten aanzien van het griffierecht 4.19. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.20. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond; verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank maar alleen voor de beslissing over de boete; vermindert de boetebeschikking tot € 263. De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, J. Wessels en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van V.J. Weekers, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De voorzitter, V.J. Weekers J.M. van der Vegt Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de an