Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-24
ECLI:NL:GHSHE:2026:1395
Parketnummer : 20-001987-25 Uitspraak : 24 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 22 juli 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-001858-25 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, wonende te [adres] . Hoger beroep Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot eenzelfde straf als door de politierechter is opgelegd met uitzondering van de vervangende hechtenis, te weten een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, en tot een geldboete ter hoogte van € 850,00, subsidiair 8 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de teruggave aan de verdachte zal gelasten van de onder hem inbeslaggenomen pillen. De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde primair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren en subsidiair dat het hof de verdachte hiervan zal vrijspreken. Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte eveneens zal vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Tot slot heeft de verdediging bepleit dat het hof de teruggave van de inbeslaggenomen pillen aan de verdachte zal gelasten. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 13 oktober 2024 tot en met 14 oktober 2024 te Roermond, althans in Nederland, eenmaal, althans meermalen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van in totaal 20 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Roermond, althans in Nederland, een voertuig, te weten een auto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 11,0 microgram per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd besluit, bij die stof vermelde grenswaarde. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De verdediging heeft bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaart. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – betoogd dat er sprake is van een vormverzuim, omdat Bewijsmiddelen Indien in onderstaande bewijsmiddelen wordt verwezen naar paginanummers dan betreffen dit pagina’s van het procesdossier van de politie Eenheid Limburg, zaakregistratienummer PL2300-2024168125, afgesloten d.d. 14 januari 2025 (doorgenummerde pagina's 1 tot en met 181), hierna te noemen: het politiedossier. Tenzij anders vermeld, zijn alle te noemen processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, het bewijs dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierna is bewezenverklaard. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 oktober 2024, p. 29 t/m 34 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] : Op 14 oktober 2024, waren wij bezig met een actie in Roermond. Actie was gericht op handel in verdovende middelen op straat. Wij hadden zicht in het centrum van Roermond.Ik, verbalisant [verbalisant 3] , bekeek de opgeslagen camerabeelden van 13 oktober 2024. Ik zag dat om 15.19 uur de personenauto met kenteken [kenteken] in de [straatnaam] parkeerde. Ik zag dat [betrokkene] op de [straatnaam] stond. Ik zag dat de personenauto stopte ter hoogte van [betrokkene] . Ik zag dat de bijrijder uitstapte. Ik zag dat de bijrijder een doorzichtig plasticzakje overhandigde aan [betrokkene] . Ik zag dat het zakje ongeveer zo groot was als een tennisbal. Ik zag dat de personenauto een stukje verderop in de straat parkeerde. Ik zag dat [betrokkene] naar binnenging bij [huisnummer] en de bijrijder in de personenauto stapte. Ik kan de bestuurder als volgt omschrijven: Man [signalement 1] Ik kan de bijrijder als volgt omschrijven:Man[signalement 2][signalement 2][signalement 2]Ik, verbalisant [verbalisant 3] , maakte foto's van deze personen en deelde deze met de collega die meewerkte aan de actie op 14 oktober 2024.Op 14 oktober 2024 om 17.24 uur zag ik, verbalisant [verbalisant 3] , de personenauto met het Nederlandse kenteken [kenteken] op de [straatnaam] in Roermond. Ik zag dat[betrokkene] naar het bijrijdersportier liep en in het raam ging hangen. Ik zag dat hij zijn rechterhand uit het voertuig haalde en dat hij een plasticzakje ter grootte van een tennisbal in zijn rechterjaszak deed. Ik zag dat de inhoud van het zakje donker van kleur was. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 oktober 2024, p. 26 t/m 28 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] : Op 14 oktober 2024 waren wij belast met een projectdag in verband met de sluiting van de coffeeshops in Roermond. Omstreeks 18.45 uur hoorden wij via onze portofoon dat een voertuig in beeld was die gisteren en eerder vandaag bij handel in verdovende middelen betrokken zou zijn. Net zoals gisteren zouden er twee personen in het voertuig zitten. Wij hoorden dat het ging om een [automerk] met Nederlands kenteken [kenteken] . Binnen de projectgroep werden foto's van het verdachte voertuig en de inzittenden gedeeld.Wij hoorden omstreeks 19.00 uur dat de auto ging rijden met in totaal twee inzittenden erin. Wij hoorden dat de auto naar de Koninginnelaan reed. Wij reden voor het voertuig en gaven een stopteken. Wij zagen dat de bestuurder hieraan voldeed. Wij zagen dat zowel de bestuurder als de bijrijder daadwerkelijk dezelfde personen betroffen als op de foto's die aan ons ter beschikking waren gesteld. De bestuurder werd later bekend als [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1996. Wij keken naar [verdachte] en zagen aan zijn pupillen en bloeddoorlopen ogen dat hij vermoedelijk onder invloed was van verdovende Bosch, ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog, voor zover inhoudende als relaas van rapporteur : Tabel Resultaten onderzoek in bloed van [verdachte] met sporen identificatienummer TACW2729NL Aangewezen stof Meetbare stof Grenswaarde indien enkelvoudig gebruikt Grenswaarde indien enkelvoudig gebruikt Eindresultaat in bloed TACW2729NL Rapportage eenheid Cannabis THC 3.0 1.0 11 microgram per liter Bewijsoverwegingen Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde vervoeren dan wel verkopen van hennep. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman – op gronden als verwoord in de pleitnota – betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de vaststelling dat de verdachte wist van en de beschikkingsmacht had over de in zijn auto aanwezige hennep kan dragen. Hierbij heeft de raadsman nog opgemerkt dat het enkele feit dat de verdachte in de auto zat, onvoldoende is om te kunnen komen tot medeplegen van het tenlastegelegde feit. Tot slot heeft de raadsman nog aangevoerd dat de verdachte een alternatief scenario heeft voor het feit dat hij in Roermond in de auto reed met [medeverdachte] : ze gingen naar meisjes in Roermond, hetgeen volgens de raadsman objectief wordt onderbouwd door de aangetroffen pillen (Viagra) die de verdachte op het moment van zijn aanhouding bij zich had. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof stelt voorop dat aan de verdachte de overtredingsvariant van artikel 3 onder B van de Opiumwet is tenlastegelegd (artikel 11, zesde lid, jo eerste lid, van de Opiumwet) en derhalve is niet het verwijt dat hij opzettelijk in strijd met dat artikel heeft gehandeld. Om deze reden volstaat de gedraging op zich, mits die gedraging verwijtbaar is aan de verdachte. Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, is het hof gebleken dat niet de verdachte, maar zijn bijrijder [medeverdachte] op 13 en 14 oktober 2024 in het totaal 20 gram hennep feitelijk aan [betrokkene] heeft verkocht. De vraag die voorligt, is of (ook) de verdachte als medepleger van die verkoop of door die hennep te vervoeren een strafbaar feit heeft gepleegd. Het hof stelt voorop dat het opzet van de medepleger zich bij een overtreding beperkt tot de bewuste samenwerking bij de delictshandeling. Te dien aanzien is voor het hof het volgende komen vast te staan. Het hof stelt op de eerste plaats vast dat de verdachte wist dat [medeverdachte] in hennep handelde. Immers, blijkens zijn eigen verklaring kocht de verdachte om de twee à drie dagen hennep bij [medeverdachte] . Voorts stelt het hof vast dat de verdachte twee dagen achter elkaar in Roermond in zijn auto heeft gereden met [medeverdachte] als bijrijder, terwijl de verdachte woonachtig was in [woonplaats] en [medeverdachte] in [woonplaats 2] . Uit de bewijsmiddelen blijkt daarnaast dat de verdachte op 13 oktober 2024 met [medeverdachte] als bijrijder naar de [straatnaam] te Roermond is gereden en is gestopt ter hoogte van [betrokkene] , waarna [medeverdachte] is uitgestapt en naar zeggen van [betrokkene] , 10 gram hennep in een doorzichtig zakje ter grote van een tennisbal aan [betrokkene] heeft overhandigd. Tijdens deze verkoop heeft de verdachte in zijn auto gewacht tot [medeverdachte] weer instapte. De volgende dag is de verdachte wederom met [medeverdachte] als bijrijder naar voornoemde [straatnaam] gereden waar opnieuw aan [betrokkene] een plastic zakje ter grootte van een tennisbal met daarin – naar zeggen van [betrokkene] – 10 gram hennep is verkocht, ditmaal terwijl [medeverdachte] in de auto bleef zitten en [betrokkene] zijn arm via het raam van het bijrijdersportier in het voertuig heeft gestoken. Zelfs als ervan wordt uitgegaan dat de verdachte, zoals hij stelt, geen weet heeft gehad van de exacte hoeveelheden hennep die in de buurt van de bijrijdersstoel in de auto zijn aangetroffen, is het hof van oordeel dat hij, gelet op voornoemde feiten e Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat afdoende uit de stukken van het dossier is gebleken dat er bij de verdachte voldoende bloed is afgenomen en dat is voldaan aan de waarborgen, genoemd in artikel 6, eerste lid, van de Regeling. De uitslag van het bloedonderzoek is bovendien te verenigen met hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard d.d. 15 oktober 2024 omtrent zijn drugsgebruik van de afgelopen 48 uur. Door een arts of verpleegkundige In het dossier bevindt zich een formulier ‘Opdracht ten behoeve van Toxicologisch bloedonderzoek, dat door de verbalisant [verbalisant 5] voor zijn deel is ingevuld en ondertekend. Ook het onderste gedeelte, dat dient te worden ingevuld door een arts of een verpleegkundige, is ingevuld, echter zonder aankruising van het vakje ‘arts’ of het vakje ‘verpleegkundige’. De naam van de betreffende persoon is met de hand ingevuld. Het hof is van oordeel dat enkel het ontbreken van het kruisje niet maakt dat er niet aan in de door het Besluit geregelde waarborgen is voldaan. Voor de betrouwbaarheid van de resultaten is, gelet op het besluit van belang, dat kan worden vastgesteld dat het bloed werd afgenomen door een arts of een verpleegkundige. Degene die het bloed heeft afgenomen, heeft wel zijn naam op het formulier geschreven. Kennelijk heeft de verbalisant deze met de hand geschreven naam gelezen als “ [voornaam] [achternaam] ”, maar het hof leest deze naam als ‘ [voornaam] [achternaam 2] ’. Voorts stelt het hof vast dat uit een openbare bron, het BIG-register, blijkt dat [initialen] [achternaam 2] als verpleegkundige geregistreerd staat. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldaan aan de waarborg van artikel 12 van het Besluit. Ten overvloede overweegt het hof nog dat het enkele feit dat de verbalisant de naam van de verpleegkundige verkeerd heeft gelezen en deze als arts en niet als verpleegkundige heeft bestempeld, niet met zich meebrengt dat daarmee het gehele proces-verbaal van rijden onder invloed onbetrouwbaar wordt. In kennis stellen uitslag bloedonderzoek Het hof stelt voorop dat de resultaten van het onderzoek, ondanks schending van waarborgen voor het bewijs kunnen worden gebruikt zo lang die schending niet leidt tot twijfel aan de betrouwbaarheid van het onderzoek, tenzij er een verdedigingsbelang is geschonden. Het in kennisstellen van de uitslag van het bloedonderzoek behoort tot deze categorie van waarborgen. Door de verdediging is niet gesteld dat en hoe de verdachte in een verdedigingsbelang is geschonden. Daarnaast blijkt uit het uit het proces-verbaal rijden onder invloed (p. 47-50) dat de uitslag van het bloedonderzoek aan de verdachte zal worden nagezonden. Nu zich in het politiedossier bovendien een brief d.d. 11 november 2024 met als onderwerp ‘Uitslag bloedonderzoek’ geadresseerd aan de verdachte (p. 51-52) bevindt, heeft het hof geen reden om te twijfelen dat de brief ook aan de verdachte is toegezonden. Gelet op het bovenstaande worden de ten aanzien van het bloedonderzoek opgeworpen verweren verworpen en kan de uitkomst van het bloedonderzoek naar het oordeel van het hof tot het bewijs worden gebezigd. Voorwaardelijke verzoeken Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van dr. T.M. Bosch (behandelaar van het Maasstad ziekenhuis) en [voornaam] [achternaam] als getuige, indien het hof van oordeel is dat er geen strikte waarborgen zijn geschonden. De vragen hebben betrekking op de hoeveelheid van het afgenomen bloed, het onderzochte bloed en door wie er bloed af is genomen van de verdachte. Gelet op het voorhanden zijnde dossier en het verhandelde ter terechtzitting, acht het hof zich voldoende voorgelicht omtrent het afgenomen en het onderzochte bloed en of de bloedafname plaats heeft gevonden door een arts of verpleegkundige. De noodzaak tot het horen van de door de verdediging verzochte getuigen ontbreekt derhalve. Om die reden wijst het hof het voorwaardelijk verzoek af. Tevens i Door cannabis te gebruiken en vervolgens aan het verkeer deel te nemen, heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straffen allereerst acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Ten aanzien van een overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet heeft het LOVS enkel een oriëntatiepunt met betrekking tot hennepkwekerijen geformuleerd. Het hof is echter van oordeel dat bij het bepalen van de op te leggen straf voor de overtreding van dit artikel voor wat betreft de verkoop van hennep aansluiting kan worden gezocht bij de voor de overtreding van artikel 3 onder C van de Opiumwet geformuleerde uitgangspunten en overweegt daartoe als volgt. Het hof heeft bij dit oordeel betrokken dat artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet zowel voor de overtreding van artikel 3 onder B als onder C van de Opiumwet een strafmaximum van gelijke hoogte bepaalt. Het LOVS heeft voor een overtreding van artikel 3 onder C van de Opiumwet, waarbij er sprake is van 31-100 gram softdrugs, als oriëntatiepunt geformuleerd een geldboete ter hoogte van € 260,00. Het LOVS geeft geen oriëntatiepunt voor minder dan 31 gram softdrugs. Nu er in onderhavig geval sprake is van 20 gram softdrugs, te weten hennep, zal het hof de geldboete iets matigen. Ten aanzien van een overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 zou volgens de oriëntatiepunten bij enkelvoudig gebruik van THC een geldboete ter hoogte van € 450,00 als passend kunnen worden beschouwd. Bij het bepalen van de op te leggen straffen, heeft het hof voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit niet onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Tot slot heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Al het vorenstaande afwegende acht het hof een oplegging van een geldboete ter hoogte van € 250,00, subsidiair 2 dagen hechtenis, ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde en een geldboete ter hoogte van € 450,00, subsidiair 4 dagen hechtenis, ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Beslag Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven pillen (4 groene pillen en 2 blauwe pillen), nu het hof met de advocaat-generaal en de verdediging geen aanleiding ziet om deze voorwerpen verbeurd te verklaren of te onttrekken aan het verkeer en deze onder de verdachte in beslag zijn genomen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafba