Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-27
ECLI:NL:GHSHE:2026:1352
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/457 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 maart 2024, nummer BRE 22/4071, in het geding tussen belanghebbende, de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid), hierna: de minister. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ter zake van een Audi Q5 met VIN-nummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto). 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend en tevens een pleitnota met twee bijlagen toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze nadere stukken en de pleitnota met bijlagen doorgestuurd naar de inspecteur. De pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 3 september 2021 aangifte BPM gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q5 met VIN-nummer [nummer] naar een te betalen bedrag aan BPM van € 5.286. Belanghebbende heeft bij de aangifte een taxatierapport gevoegd van [kantoor] B.V. van [datum] 2021. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 20.750. Hij is daarbij uitgegaan van enkele verkoopadvertenties van vergelijkbare auto’s. De gemiddelde vraagprijs bedraagt € 52.500 en daarop heeft hij een winstmarge van 35% in mindering gebracht en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 34.000 vastgesteld. Daarop heeft hij vervolgens een bedrag van € 13.250 wegens waardevermindering in verband met schade in mindering gebracht. Volgens het taxatierapport gaf de koerslijst Autotelex een waarde in onbeschadigde staat van € 57.693. De datum eerste toelating was 16 april 2018 en de kilometerstand 79.222. De CO2-uitstoot bedraagt 195 gr/km. De auto is gekocht voor een bedrag van € 47.000 (excl. btw en BPM). 2.2. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De hertaxateur heeft geen koerslijst als uitgangspunt genomen, maar heeft verkoopadvertenties van vergelijkbare auto’s als uitgangspunt genomen, waarbij de taxateur de gemiddeld geadverteerde vraagprijs (€ 63.443) heeft verminderd met een gestelde verkoopmarge van 12,99% en een correctie in verband met de kilometerstand. De hertaxateur heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. Aldus is de handelsinkoopwaarde van de auto door DRZ getaxeerd op € 55.080. Naar aanleiding van de hertaxatie heeft de inspecteur op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 11.581. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 6.295. 2.3. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraken op bezwaar verminderd, waarbij alsnog de forfaitaire afschrijvingstabel is toegepast. De verschuldigde BPM is bepaald op € 10.528 en de naheffingsaanslag is verminderd De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijk gering verschil invloed heeft op de handelsinkoopwaarde. 4.5. De inspecteur heeft voorts gesteld dat de koerslijst onjuist is ingevuld. Hij heeft echter op geen enkele wijze concreet gemaakt op welke punten de koerslijst onjuist zou zijn ingevuld. Ook na vragen van het hof ter zitting, heeft de inspecteur niet nader toe kunnen lichten welke onjuistheden zouden zijn ingevuld. Hij heeft slechts verwezen naar het grote verschil tussen de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst X-Ray en de handelsinkoopwaarde die volgt uit de koerslijst AutotelexPro, alsmede naar het verschil ten opzichte van de aankoopprijs. Indien de belastingplichtige kiest voor de koerslijstmethode, dan is relevant of sprake is van eenin de handel algemeen toegepaste koerslijst. Daarvan is sprake bij de koerslijst X-Ray. De wetgever heeft onderkend dat de verschillende koerslijsten tot verschillende handelsinkoopwaarden kunnen leiden. De wetgever heeft uitdrukkelijk bevestigd dat de belastingplichtige uit mag gaan van de laagste koerslijstwaarde. Voorwaarde is uiteraard dat de koerslijst juist is ingevuld en dat de koerslijst is gebaseerd op daadwerkelijke handelstransacties en niet berust op een eigen inschatting van de koerslijstprovider. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de koerslijst onjuist is ingevuld. De inspecteur heeft voorts nog geen begin van bewijs geleverd dat de koerslijst X-Ray in dit geval niet is gebaseerd op daadwerkelijke handelstransacties. De inspecteur heeft aan het einde van de zitting nog een bewijsaanbod gedaan om navraag te doen bij X-Ray. Het hof is van oordeel dat dit bewijsaanbod te laat is. De inspecteur wist vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift dat belanghebbende zich alsnog beroept op de koerslijst X-Ray. De inspecteur heeft dan ook voldoende gelegenheid gehad om tijdig bij X-Ray nadere informatie in te winnen over deze koerslijstuitdraai. 4.6. De inspecteur heeft ter zitting met een beroep op artikel 10, lid 9, slotzin, Wet BPM gesteld dat de koerslijst X-Ray niet mag worden gebruikt, omdat deze niet is gebruikt of overgelegd bij het doen van aangifte. Het hof verwerpt dit standpunt en verwijst daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2016. De Hoge Raad overwoog in dit arrest: “2.4.3. (...) In het licht van de hiervoor bedoelde overwegingen staat het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet [hof: thans artikel 10, lid 9, slotzin, Wet BPM] evenwel niet eraan in de weg om door het aanwenden van rechtsmiddelen te kiezen voor een andere in of bij de Wet voorziene methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan of een beroep te doen op gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt voor de berekening van de bpm, mits voor het vaststellen van de juistheid ervan geen (tweede) controle van het voertuig nodig is zodat een vergelijking van de aangedragen gegevens en de bij de aangifte gebruikte gegevens volstaat om vast te stellen of het bij de aangifte gebezigde afschrijvingspercentage te laag is geweest. Aldus uitgelegd gaat het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet niet verder dan de wetgever voor de hiervoor in 2.4.2 omschreven doelen redelijkerwijs noodzakelijk kon achten. Daarmee is – naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is - het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet niet in strijd met het recht van de Unie, in het bijzonder het doeltreffendheidsbeginsel.” De inspecteur heeft niet gesteld dat door te wisselen naar de koerslijst X-Ray een tweede controle van het voertuig nodig zou zijn. 4.7. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende mag uitgaan van de koerslijst X-Ray en dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat kan worden vastgesteld op € 43.202. 1.b. Waardevermindering wegens schade 4.8. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd, omdat onvoldoende