Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-20
ECLI:NL:GHSHE:2026:1280
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 25/91 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 januari 2025, nummer BRE 23/11121, in het geding tussen de inspecteur en V.O.F. [belanghebbende] , gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de volgende naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting opgelegd: Tijdvak Kenmerk Naheffing Verzuimboete 15 mei 2022 tot en met 14 mei 2023 [kenmerk 1] € 1.735 € 1.735 15 mei 2023 tot en met 14 augustus 2023 [kenmerk 2] € 426 - Tevens is bij beschikking een verzuimboete (hierna: de boetebeschikking) opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de verzuimboete gegrond verklaard en deze verminderd naar € 867. De bezwaren tegen de naheffingsaanslagen zijn ongegrond verklaard 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gericht tegen de boetebeschikking gegrond verklaard en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende: [vennoot] (vennoot), [persoon] en de gemachtigde [gemachtigde] . Namens de inspecteur zijn verschenen: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende was vanaf 15 mei 2018 tot en met 9 november 2023 houder van een motorrijtuig van het merk en type Isuzu ATFS met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Op 13 april 2018 is de auto gekeurd door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: de RDW) en in het kentekenregister in Nederland geregistreerd als opleggertrekker. Belanghebbende heeft motorrijtuigenbelasting betaald naar het bestelautotarief. 2.2. Het dossier bevat een document ‘RDW voertuigbeeld’ met gegevens van de keuring van 13 april 2018. Dit document vermeldt onder meer: “Soort motorrijtuig: BESTELAUTO (…) Type: BC (Opleggertrekker)” 2.3. Op 2 mei 2023 is de auto naar aanleiding van een zichtwaarneming onderzocht. Bij de controle zijn foto’s gemaakt waarop te zien is dat op het chassis van de auto een laadbak zit. Ook is geconstateerd dat de auto niet voldeed aan de volgende fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto met een dubbele cabine : 40% eis: de lengte van de laadruimte is 150 cm. De lengte van de laadruimte die geplaatst is voor het hart van de achterste as is 47 cm en daarmee minder dan de minimaal vereiste 40% van 150 cm is 60 cm. De lengte van de laadruimte voldoet niet aan de inrichtingseis. De hoogte van de cabine is 120 cm. De gemeten lengte van de laadruimte is 150 cm. Dit moet minimaal tweemaal 158 cm is 316 cm zijn, omdat de cabine geen hoogte heeft van ten minste 130 cm. In dat geval moet de lengte van de laadruimte ten minste twee keer de lengte zijn van de cabine. 2.4. De inspecteur heeft de auto vervolgens fiscaal aangemerkt als een personenauto en het daarvoor geldende tarief voor de motorrijtuigenbelasting toegepast. Als gevolg daarvan zijn de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking met dagtekening 20 juli 2023 opgelegd (zie hiervoor onder 1.1). 2.5. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde naheffingsaanslagen en de gegeven boetebeschikking. De inspecteur heeft de verzuimboete in de uitspraak op bezwaar verminderd met 50% van de nageheven motorrijtuigenbelasting vanwege een wijziging van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De verzuimboete bedroeg na die vermindering € 867. Voor het overige heeft de inspecteur de bezwaren afgewezen en de naheffingsaanslagen in stand gelaten. 2.6. B Zij heeft daartoe ten tijde van de aankoop zowel informatie ingewonnen bij de autodealer, als bij de RDW, als bij de Belastingdienst (website en telefoon). Daarnaast blijkt nergens uit dat de auto tijdens de RDW-keuring niet de huidige vorm had. Dat de bak tijdens de keuring mogelijk even verwijderd is om de onderliggende koppelschotel te controleren, wil niet zeggen dat deze bak niet door de RDW is gezien. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto eerst na de keuring is aangepast, aldus belanghebbende. 4.6. Het hof neemt het volgende als uitgangspunt. Indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, kan de inspecteur een verzuimboete van minimaal € 50 en ten hoogste € 5.514 opleggen. 4.7. De boete is in overeenstemming met de wet opgelegd. Het beboetbare feit is begaan. De auto voldeed namelijk niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto, maar niettemin is de motorrijtuigenbelasting naar het bestelautotarief aangegeven en betaald. De boete is dus in beginsel terecht aan belanghebbende opgelegd. Opzet of schuld is geen vereiste en daarom niet van belang, noch de omstandigheid dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld. Een boete dient achterwege te blijven bij avas. In dat geval wordt belanghebbende geacht niet in verzuim te zijn geweest. Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan motorrijtuigenbelasting te voldoen. Op belanghebbende rust de bewijslast om de relevante feiten en omstandigheden, die een geslaagd beroep op avas rechtvaardigen, te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken. 4.8. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van avas. Het hof overweegt daartoe het volgende. 4.9. Belanghebbende stelt dat zij, in het kader van het verwerven van informatie voor het doen van de aangifte motorrijtuigenbelasting, heeft gebeld met de belastingtelefoon. De inspecteur weerspreekt gemotiveerd dat belanghebbende heeft gebeld met de belastingtelefoon en voert daartoe aan dat alle gesprekken met de belastingtelefoon worden geregistreerd. Het door belanghebbende genoemde telefoongesprek komt niet voor in de registratie van de belastingtelefoon, noch op naam van belanghebbende, noch op naam van een van de vennoten van belanghebbende. Belanghebbende heeft daarop haar stelling dat zij met de belastingtelefoon heeft gebeld niet onderbouwd met stukken of met een andere, verifieerbare onderbouwing. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende in het kader van het doen van de aangifte motorrijtuigenbelasting ook daadwerkelijk met de belastingtelefoon heeft gebeld. 4.10. Verder stelt belanghebbende zich voor het doen van de aangifte te hebben laten informeren door de autodealer, verwijst zij naar de gegevens van de RDW en naar raadpleging van de website van de Belastingdienst. De twee eerstgenoemde bronnen zijn ter zake van de motorrijtuigenbelasting geen bevoegde instanties. Ter zake van de stelling dat de website van de Belastingdienst is geraadpleegd, overweegt het hof dat dit door de inspecteur wordt betwist en dat niet concreet is geworden wat belanghebbende op de website van de Belastingdienst heeft opgezocht en hoe de betreffende informatie zich verhoudt tot de auto in kwestie. Niet is gebleken dat belanghebbende zich er op een andere manier van heeft vergewist dat zij een juiste aangifte motorijtuigenbelasting zou indienen. Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan motorrijtuigenbelasting te voldoen. Er is dan ook geen sprake van avas. 4.11. De inspecteur heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de boete verder gematigd moet worden tot een bedrag van € 433,75. Het hof volgt