Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-12
ECLI:NL:GHSHE:2026:1215
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.352.539/01 arrest van 12 mei 2026 in de zaak van 1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [appellante sub 2] , wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna aan te duiden als [appellanten] , advocaat: mr. H. Knotter te 's-Hertogenbosch, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde sub 2] , wonende te [woonplaats] , 3. [geïntimeerde sub 3] , wonende te [woonplaats] , 4. [geïntimeerde sub 4] , wonende te [woonplaats] , 5. [geïntimeerde sub 5] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna aan te duiden als [geïntimeerden] , advocaat: mr. R. Janssen te Helmond, op het bij exploot van dagvaarding van 11 maart 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 januari 2025, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden gewezen en aangevuld bij vonnis van 9 juli 2025. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/390613/ HA ZA 23-144) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties 33 tot en met 48 en productie 50, tevens houdende vermeerdering van eis; de memorie van antwoord met productie 2; de akte uitlaten van [appellanten] ; de antwoordakte van [geïntimeerden] ; de akte van [appellanten] van 6 maart 2026 met producties 51 tot en met 54, tevens houdende een wijziging van eis, ontvangen door het hof op 9 maart 2026; de antwoord-akte van [geïntimeerden] , ontvangen door het hof op 12 maart 2026; de op verzoek van het hof toegestuurde documenten te weten: o een e-mail van 12 maart 2026 van [geïntimeerden] waarbij zij correspondentie tussen de vorige raadsman van [geïntimeerden] en de curator mr. P.M.C. Brouns hebben toegezonden, te weten (i) een e-mail van 11 september 2024 van mr. F.G.J. van der Kruis aan mr. Brouns en (ii) een e-mail van 23 september 2024 van mr. Brouns aan mr. Van der Kruis; o een e-mail van 12 maart 2026 van [appellanten] waarbij hij de bij producties 42 van de memorie van grieven behorende producties 35, 36, 43 en 44 alsmede het Addendum I behorend bij de akte van cessie van 17 december 2015 heeft overgelegd; en - de mondelinge behandeling die op 16 maart 2026 heeft plaatsgevonden, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. 2.2. [geïntimeerden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de in de memorie van grieven geformuleerde eiswijzigingen en in hun antwoordakte hebben zij aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de eiswijziging van [appellanten] in zijn akte van 6 maart 2026. Wel hebben zij bezwaar gemaakt tegen de producties 51-54 gevoegd bij die akte van 6 maart 2026. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling al medegedeeld dit bezwaar te passeren nu het om voor [geïntimeerden] bekende processtukken gaat die eenvoudig te doorgronden zijn en zij voldoende gelegenheid hebben gehad zich op een verweer daartegen voor te bereiden. De akte van 6 maart 2026 met eiswijzigingen en de producties 51-54 maken dus deel uit van de processtukken. 2.3. Partijen hebben geen bezwaren geuit tegen de hiervoor genoemde, op verzoek van het hof toegestuurde, producties, zodat ook deze deel uitmaken van de processtukken. 2.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Knotter verzocht de nog niet eerder overgelegde productie 49 bij memorie van grieven alsnog in het geding te mogen brengen, zijnde een overzicht van de tot dan gemaakte reële (proces)kosten. Daartegen heeft mr. Janssen namens [geïntimeerden] bezwaar gemaakt. Het hof heeft deze productie geweigerd, omdat deze te laat is ingediend, terwijl een overzicht van de in deze procedure gemaakte (proces)kosten – in ieder geval tot en met de antwoord-akte aan de zijde van [appellanten] – eerder had kunnen worden overgelegd. Door voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling deze productie over te legge De volgende vorderingen van [appellanten] liggen na twee eiswijzigingen in hoger beroep, waartegen geen bezwaren zijn geuit ter beoordeling voor: de vernietiging van het vonnis van de rechtbank van 29 januari 2025; de vordering tot veroordeling van iedere individuele [geïntimeerden] tot betaling aan [appellanten] van de navolgende bedragen: [geïntimeerde sub 2] : € 9.392,52 [geïntimeerde sub 3] : € 21.782,96 [geïntimeerde sub 1] : € 3.999,31 [geïntimeerde sub 4] : € 19.421,16 [geïntimeerde sub 5] : € 12.030,03 elk bedrag te vermeerderen met de contractuele rente van 1% als bedoeld in de franchiseovereenkomsten, te rekenen vanaf de vervaldata van de facturen, althans vanaf het moment dat de betreffende [geïntimeerden] in verzuim is komen te verkeren tot de datum van ontbinding en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans met de wettelijke rente over de genoemde bedragen, vanaf het moment dat de franchiseovereenkomsten op 1 augustus 2013 rechtsgeldig zijn ontbonden tot de dag van volledige betaling. Daarbij verwijst [appellanten] voor de grondslag van de contractuele rente naar artikel 8 lid 2 van de franchiseovereenkomsten tussen Bridge enerzijds en respectievelijk [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 4] anderzijds, alsmede naar artikel 11 lid 2 van de franchiseovereenkomst met [geïntimeerde sub 5] ; [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.576,28 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag; [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de reële (dat willen zeggen: de daadwerkelijk gemaakte) kosten van deze procedure in hoger beroep en in de (proces)kosten van de procedure in eerste aanleg, althans de (proces)kosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden, en het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4.2.2. In eerste aanleg waarin – afgezien van de gevorderde rente die in eerste aanleg iets anders opgebouwd was – dezelfde vorderingen voorlagen, heeft de rechtbank in het bestreden vonnis van 29 januari 2025, aangevuld bij vonnis van 9 juli 2025, geoordeeld dat de vorderingen tot betaling van de fees zijn verjaard en de vorderingen en de nevenvorderingen van [appellanten] afgewezen. De rechtbank heeft [appellanten] veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4.2.3. [appellanten] is hiertegen met vijf grieven in hoger beroep gekomen. [geïntimeerden] zijn het eens met het bestreden vonnis. In hoger beroep liggen, gelet op de vorderingen van [appellanten] , de grieven en met inachtneming van de devolutieve werking de volgende beslispunten ter beoordeling voor. i) Zijn de vorderingen tot betaling van de fees en de daarover gevorderde rente rechtsgeldig gecedeerd aan [appellanten] ? ii) Zijn de vorderingen tot betaling van de fees verjaard? iii) Zijn de vorderingen tot betaling van de fees teniet gegaan door het beroep van [geïntimeerden] op verrekening? iv) Is de vordering tot betaling van contractuele rente dan wel de wettelijke (handels)rente verjaard? v) Zijn de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd? vi) Is er aanleiding voor een veroordeling tot betaling van de reële proceskosten? 4.3. Eerder tussen partijen gevoerde procedures 4.3.1. Voor een goed begrip van deze zaak zal het hof – voor zover relevant – een overzicht geven van eerder tussen partijen gevoerde procedures en het oordeel van de betreffende gerechtelijke instantie. Procedure bij rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht - vonnis 13 mei 2015 4.3.2. In deze door [geïntimeerden] aanhangig gemaakte zaak tussen [geïntimeerden] en Bridge, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang: in de hoofdzaak in conventie: i) de franchiseovereenkomsten vernietigd weg Het hof had de grieven tegen de toewijzing van de vorderingen van de [geïntimeerden] op Bridge in verband met dwaling en bedrog niet mogen beoordelen zonder eerst de [geïntimeerden] in de gelegenheid te stellen ten aanzien van die grieven voor antwoord te concluderen. De Hoge Raad overweegt dat na verwijzing opnieuw op de vorderingen van [geïntimeerden] in conventie, voor zover niet geschorst, zal moeten worden beslist. De Hoge Raad heeft: i) het arrest van het gerechtshof Den Bosch van 5 juni 2018 vernietigd, en ii) het geding verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing. Procedure bij het hof Arnhem-Leeuwarden – arrest van 10 mei 2022 4.3.5. Het hof heeft, voor zover van belang, in zijn arrest van 10 mei 2022: ( i) het vonnis van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015 vernietigd, en opnieuw rechtdoende inzake de vorderingen van [geïntimeerden] (in conventie) ( ii) verstaan dat de procedure ter zake het door de [geïntimeerden] onder 6 en 7 gevorderde (dat zijn de hiervoor in r.o. 4.3.2 genoemde geldvorderingen van [geïntimeerden] ad in totaal € 683.605,64 uit hoofde van onverschuldigde betaling vermeerderd met wettelijke rente daarover, ingesteld in de hoofdzaak in conventie en door de rechtbank Limburg toegewezen jegens Bridge) is geschorst op grond van artikel 29 Fw; inzake de vorderingen van [appellanten] (in reconventie): ( iii) voor recht verklaard dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst en hen veroordeeld tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat; in conventie en in reconventie ( iv) het arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4.3.6. In het lichaam van het arrest heeft het hof dit dictum gebaseerd op de volgende overwegingen/beslissingen: inzake de vorderingen van [geïntimeerden] (in conventie) i) Het hof Den Bosch had geoordeeld dat de procedure ten aanzien van het door de [geïntimeerden] onder 6 en 7 gevorderde (dat zijn de hiervoor in r.o. 4.3.2 genoemde geldvorderingen van [geïntimeerden] ad in totaal € 683.605,64 uit hoofde van onverschuldigde betaling vermeerderd met wettelijke rente daarover, ingesteld in de hoofdzaak in conventie en door de rechtbank Limburg toegewezen jegens Bridge) op grond van artikel 29 Fw van rechtswege is geschorst en dit oordeel is in cassatie niet bestreden. Dit betekent dat het hof Arnhem-Leeuwarden aan deze beslissing is gebonden. De procedure ten aanzien van deze vorderingen is dan ook van rechtswege geschorst, zodat het hof Arnhem-Leeuwarden aan een inhoudelijke beoordeling hiervan niet toekomt (r.o. 3.15 van het arrest van 10 mei 2022). ii) Het beroep van de [geïntimeerden] op dwaling faalt op inhoudelijke gronden (r.o. 4.18 van het arrest). iii) In het midden kan blijven of de [geïntimeerden] voldoende hebben gesteld om tot een toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatig handelen van Bridge te kunnen concluderen, omdat de vorderingen van [geïntimeerden] op deze grondslagen al stranden vanwege het feit dat Bridge niet in verzuim is geraakt (wegens het ontbreken van een adequate ingebrekestelling) en vanwege het feit dat de [geïntimeerden] niet tijdig hebben geklaagd. Dit betekent niet alleen dat de op wanprestatie of onrechtmatig handelen gebaseerde vorderingen (in conventie) van de [geïntimeerden] zullen worden afgewezen, maar ook dat de [geïntimeerden] tegen de vorderingen van de bestuurders van Bridge (in reconventie) niet de verweren kunnen voeren dat Bridge eerder in verzuim was dan zij dat waren en ook niet dat zij de franchiseovereenkomsten geldig tussentijds hebben opgezegd of buitengerechtelijk hebben ontbonden (r.o. 4.28 en 4.29 van het arrest van 10 mei 2022). iv) Ook de niet of nauwelijks uitgewerkte grondslagen bedrog, misleiding dan wel onvoorziene omstandigheden kunnen niet tot toewijzing van de vorderingen van de [geïntimeerden] leiden, omdat zij een beroep op deze gronds (…) Artikel 2 Wijziging Considerans, artikel 1, 2, 3.2 t/m 3.4 en artikel 4.2 Akte 2.1 Partijen wensen paragraaf I van de Considerans van de Akte aan te passen door aan deze paragraaf I toe te voegen: "Partijen hebben bij het sluiten van de Akte nadrukkelijk beoogd dat Cessionaris alle vorderingen van Bridge op de [geïntimeerden] uit hoofde van tussen Bridge en de [geïntimeerden] gesloten franchiseovereenkomsten van Cedent zou overnemen. Onder de Vorderingen zijn derhalve tevens begrepen: o Alle nakomingsvorderingen van Bridge op de [geïntimeerden] op grond van artikel 3:296 BW uit hoofde van de Franchiseovereenkomsten (o.a. contractuele fee verplichtingen vóór ontbinding en contractueel verschuldigde vergoeding wegens omzetderving - misgelopen minimum fees en vergoedingen – ná ontbinding); Artikel 3 Slotbepaling 3.1. Hetgeen is opgenomen in deze overeenkomst maakt onlosmakelijk deel uit van de Akte, waarvan de overige bepalingen onverkort van kracht blijven. 3.2. Dit Addendum II wordt tezamen met de Akte nadrukkelijk aangemerkt als de akte van cessie waarmee de Vorderingen (dus met inbegrip van de vorderingen voor zover nog niet overgedragen middels de Akte), worden overgedragen aan Cessionaris. Cessionaris zal de [geïntimeerden] mededeling doen van deze aanvullende cessie.” 4.4.7. Volgens artikel 3:84 lid 1 BW wordt voor overdracht van een goed vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken. 4.4.8. De levering van tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten (buiten de in artikel 3:93 BW bedoelde rechten die hier niet aan de orde zijn) vindt plaats door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger. Dat staat in artikel 3:94 lid 1 BW. 4.4.9. Ten aanzien van de levering van vorderingsrechten op naam geldt, evenals ten aanzien van de levering van andere goederen, het zogeheten bepaaldheidsvereiste. Dat komt tot uitdrukking in artikel 3:84 lid 2 BW, waarin staat dat bij de titel het goed met voldoende bepaaldheid moet zijn omschreven. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor het antwoord op de vraag of partijen hebben bedoeld een bepaald goed over te dragen, uitleg van de akte noodzakelijk. Bij die uitleg komt het aan op de zin die – in dit geval de cedent en cessionaris – in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een van die uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag is of is voldaan is aan het uit artikel 3:84 lid 2 BW in verbinding met artikel 3:98 BW voortvloeiende vereiste dat de akte van cessie het te cederen vorderingsrecht in voldoende mate bepaalt ten tijde van de cessie. Aan dit bepaaldheidsvereiste is volgens vaste rechtspraak voldaan als de akte van cessie zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk vorderingsrecht het gaat (zie onder andere Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590 en HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841). 4.4.10. Dit betekent, anders dan [appellanten] heeft gesteld, dat niet enkel gekeken moet worden naar de bedoeling die de curator en [appellanten] bij het ondertekenen van de akte van 17 december 2015 hebben gehad. Deze bedoeling is immers niet relevant voor het antwoord op de vraag of aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan. Alhoewel het begrip ‘Vorderingen’ in de akte van 17 december 2015 ruim geformuleerd is, moet het daarin blijkens de tekst wel gaan om vorderingen die zijn ‘ingesteld’ in een procedure tussen [appellanten] en [geïntimeerden] . Partijen verschillen van mening of de vorderingen die [appellanten] in de onderhavige procedure hebben ingesteld destijds ook zijn ingesteld door Bridge in de hiervoor genoemde procedures bij de rechtbank Limburg en de beide hoven zoals bedoeld in de akte van 17 december 2015. Bridge hee Ook het hof Arnhem-Leeuwarden heeft immers in de procedure tussen onder andere [appellanten] en [geïntimeerden] geoordeeld dat [geïntimeerden] de verschuldigdheid van de gefactureerde fees hebben erkend (zie r.o. 3.21 onder (i) in samenhang met r.o. 4.48 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022). Het hof gaat dus uit van 20 november 2013 als datum waarop een nieuwe verjaringstermijn is gestart. 4.5.2. Het antwoord op de vraag of de verjaring van de onderhavige vordering tijdig is gestuit moet – dit is ook niet in geschil – worden beantwoord aan de hand van artikel 3:317 lid 1 BW: de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). 4.5.3. Met [appellanten] is het hof van oordeel dat met de e-mail van 21 juni 2018 van mr. J. van Till (de toenmalige advocaat van [appellanten] ) gericht aan mr. J. van Gastel met cc aan mr. H. Loeffen en curator Brouns, de lopende verjaring tijdig is gestuit. In die e-mail heeft mr. Van Till, voor zover van belang, geschreven: “ Begrijp ik het goed dan heeft u bovenvermelde kwestie van mr. H. Loeffen overgenomen en behartigt u vanaf nu de belangen van de heren [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 5] . (…) In het arrest van 5 juni jl. heeft het hof vastgesteld dat aan mijn cliënten ( [appellanten] ) zijn overgedragen de vorderingsrechten van Bridge op de [geïntimeerden] die rechtvaardigen dat zij de in eerste aanleg door Bridge ingestelde rechtsvorderingen geldend maken (r.o. 3.4.3) (…). dat de vorderingen die betrekking hebben op onbetaalde franchise fees en contractueel verschuldigde boetes en vergoedingen niet kunnen worden verwezen naar een schadestaatprocedure. Het hof heeft met betrekking tot die vorderingen derhalve volstaan met verklaringen voor recht dat uw cliënten toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomsten. De op grond daarvan bestaande aanspraken van [appellanten] op voldoening van franchise fees, boetes, vergoedingen en rente zullen, indien afwikkeling buiten rechte niet mogelijk zou blijken, in een nieuw op te starten procedure jegens uw cliënten geldend worden gemaakt; Vooraleerst zij opgemerkt dat de gevolgen van de door uw cliënten in en buiten de procedure gevolgde gedragslijn van desastreuze omvang zijn (…) [appellanten] zijn evenwel in beginsel bereid de mogelijkheid van een algehele regeling in overweging te nemen onder de voorwaarde dat uw cliënten als blijk van hun daadwerkelijke wil daartoe in ieder geval de niet voor inhoudelijk serieuze discussie vatbare vorderingen van [appellanten] voldoen. Die vorderingen - en dus niet de overige vorderingen waarover nader zal moeten worden gesproken of, indien geen regeling kan worden bereikt, geprocedeerd - bedragen in totaal € 149.166,99 laten zich als volgt specificeren: [geïntimeerde sub 4] Openstaande facturen: € 26.856,- vermeerderd met de daarover verschuldigde contractuele boete van 12% p.a. (artikel 8 lid 2 franchiseovereenkomst) op heden € 23.149,83 = € 50.005,83 (incl BTW) (…) [geïntimeerde sub 1] Openstaande facturen: € 3.999,31,- vermeerderd met de daarover verschuldigde contractuele boete van 12% p.a. (artikel 8 lid 2 franchiseovereenkomst) op heden € 3.445,08 = € 7.444,39 (incl BTW) (…); [geïntimeerde sub 2] Openstaande facturen: € 11.224,52,- vermeerderd met de daarover verschuldigde contractuele boete van 12% p.a. (artikel 8 lid 2 franchiseovereenkomst) op heden € 9.669,02 = € 20.893,54 (incl BTW) (…); [geïntimeerde sub 3] Onbetaalde franchise fees: € 21.166,66,- vermeerderd met de daarover verschuldigde contractuele boete van 12% p.a. (artikel 8 lid 2 franchiseovereenkomst) op heden € 18.764,26 = € 40.547,22 (incl BTW) (…); [geïntimeerde sub 5] Onbetaalde franchise fees: € De [geïntimeerden] hebben tot slot nog aangevoerd dat enkel de curator had kunnen stuiten als rechthebbende, omdat het vorderingsrecht op 21 juni 2018 nog niet was overgedragen aan [appellanten] Het hof is van oordeel, dat ook als ervan moet worden uitgegaan dat de vorderingsrechten met de akte van 17 december 2015 niet zijn overgedragen aan [appellanten] omdat niet aan het bepaaldheidsvereiste uit artikel 3:84 lid 2 BW is voldaan, het betoog moet worden gepasseerd om de volgende redenen: Uit de akte van 17 december 2015 als het Addendum II bij die akte volgt duidelijk dat [appellanten] en de curator ervan uitingen dat de vordering tot betaling van door Bridge gefactureerde fees bij die akte van 17 december 2015 was overgedragen aan [appellanten] De e-mail van 21 juni 2021 van mr. Van Till waarin hij de verjaring heeft gestuit is gericht aan mr. Van Gastel met onder andere de curator in de cc. De curator was dus wel betrokken in de correspondentie. Dat de curator geen actieve taak voor zichzelf weggelegd zag is logisch, omdat de curator in de veronderstelling verkeerde dat deze vorderingsrechten waren overgedragen aan [appellanten] De curator ondersteunde de stuiting wel hetgeen blijkt uit het feit dat hij zich daartegen niet heeft verzet en ook daarna zijn medewerking heeft verleend aan het opstellen van het Addendum II om te verzekeren dat deze vorderingsrechten daadwerkelijk waren overgedragen aan [appellanten] en door hen konden worden geïnd. Dat ook mr. Van Gastel ervan uitging dat de curator in de correspondentie betrokken was ondanks dat de curator ‘slechts’ in de cc stond, volgt uit het feit dat hij zijn e-mail van 19 juni 2018 (die voorafging aan de e-mail van 21 juni 2018) weliswaar richtte aan mr. Van Till maar zich inhoudelijk primair richtte tot de curator: “ Geachte heren (…) Ik verzoek de curator te bezien in hoeverre met cliënten tot een deal te komen is”. Daarnaast richtte hij zich tot mr. Van Till: “ Ik zend deze mail tevens naar de heer van Till, omdat deze wellicht bij deze bespreking aanwezig zou willen zijn. Mogelijk is ook met hem voor de wel door het Hof aan [appellanten] toegewezen vorderingen te dealen en ook op dat punt derhalve af te zien van cassatie.”. Kortom: zowel de curator als mr. Van Till zijn in deze correspondentie geadresseerd en betrokken. Onder die omstandigheden moet de e-mail van mr. Van Till geacht worden te zijn uitgegaan namens zowel de curator als [appellanten] , althans moet deze stuitingshandeling, voor zover noodzakelijk, worden toegerekend aan de curator. De [geïntimeerden] hebben ook geen feiten aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat zij dit in redelijkheid niet zo hebben hoeven begrijpen. 4.5.8. Dit betekent dat de verjaring die op 20 november 2013 is gaan lopen, met de e-mail van 21 juni 2018 tijdig is gestuit, waarna een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen. 4.5.9. Vervolgens is binnen die nieuwe verjaringstermijn de dagvaarding in deze zaak op 10 februari 2023 ingesteld. 4.5.10. De conclusie is dat de verjaring tijdig is gestuit. 4.6. De vorderingen zijn niet door verrekening teniet gegaan. 4.6.1. De [geïntimeerden] hebben zich erop beroepen dat de vorderingen tot betaling van de fees al teniet zijn gegaan door hun beroep op verrekening met hun eigen vorderingen op Bridge van in totaal € 683.605,64, vermeerderd met de wettelijke rente, die door de rechtbank Limburg bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 13 mei 2015 in conventie zijn toegewezen (hiervoor weergegeven onder r.o. 4.3.2 onder (iii)). Deze veroordeling is niet aangetast, omdat de procedure ten aanzien van deze vorderingen is geschorst op grond van artikel 29 Fw. Deze schorsing geldt door het niet verschijnen van de curator nog steeds, waardoor de veroordeling uit het vonnis van 13 mei 2015 nog steeds een rechtsfeit is en voort duurt totdat de curator de procedure voortzet, aldus de [geïntimeerden] . Tot nu toe heeft de curator dit niet gedaan. De [geïntimeerden] hebben deze (tegen Dit betekent dat het hof in deze zaak de gegrondheid van de tegenvordering van [geïntimeerden] zal (moeten) beoordelen. 4.6.11. Naar het oordeel van het hof zijn de tegenvorderingen waarmee [geïntimeerden] zich op verrekening beroepen materieel inhoudsloos, ondanks de omstandigheid dat het vonnis van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015 anders dan [appellanten] betoogt formeel niet is vernietigd. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft weliswaar in het dictum van het arrest van 10 mei 2022 het vonnis van 13 mei 2015 vernietigd, zonder daarbij enig voorbehoud ten aanzien van de veroordelingen ten laste van [appellanten] te plaatsen, maar dit kan tegen de achtergrond van hetgeen dat hof in r.o. 3.15 van zijn arrest heeft overwogen en overigens in het dictum van dat arrest heeft verstaan, niet als vernietiging worden begrepen van mede de door de rechtbank toegewezen tegenvorderingen van [geïntimeerden] . Het hof heeft immers in r.o. 3.15 overwogen kort gezegd dat de procedure wat betreft de toegewezen tegenvorderingen is geschorst zodat het hof niet toekomt aan een beoordeling daarvan, hetgeen in het dictum tot uitdrukking zal komen. In het dictum heeft het hof kort gezegd verstaan dat de procedure inzake deze tegenvorderingen is geschorst. Dit alles laat echter onverlet dat uit het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden volgt dat de tegenvorderingen van [geïntimeerden] materieel gezien niet liquide zijn. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft immers de grondslagen waarop [geïntimeerden] die tegenvorderingen hebben gebaseerd wel beoordeeld. Ten aanzien van het beroep op dwaling heeft het hof geoordeeld dat dit op inhoudelijke gronden faalt (r.o. 4.18 van het arrest van 10 mei 2022). Ten aanzien van de door [geïntimeerden] gestelde tekortkoming in de nakoming heeft het hof geoordeeld dat in het midden kan blijven of de [geïntimeerden] voldoende hebben gesteld om tot een toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatig handelen van Bridge te kunnen concluderen, omdat Bridge niet in verzuim is geraakt (wegens het ontbreken van een adequate ingebrekestelling) en vanwege het feit dat de [geïntimeerden] niet tijdig hebben geklaagd (r.o. 4.28 van het arrest van 10 mei 2022). Het hof heeft het vonnis van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015 mede op het punt van dwaling/wanprestatie en onrechtmatig handelen vernietigd. Ook ten aanzien van de door de [geïntimeerden] niet of nauwelijks uitgewerkte grondslagen bedrog en misleiding heeft het hof geoordeeld dat deze niet slagen. Dat er sprake zou zijn van opzet bij Bridge om de [geïntimeerden] te bedriegen en te misleiden heeft Bridge gemotiveerd betwist en hebben de [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwd (r.o. 4.31). Hetzelfde lot was het beroep van de [geïntimeerden] op onvoorziene omstandigheden beschoren (r.o. 4.32). 4.6.12. De conclusie is daarom dat het dictum in het vonnis van 13 mei 2015, inhoudende de veroordeling van Bridge tot betaling van in totaal € 683.605,64, te vermeerderen met de wettelijke rente, weliswaar formeel nog niet is vernietigd, maar dat alle grondslagen die [geïntimeerden] hebben aangevoerd in die procedure door het hof inhoudelijk zijn verworpen. Nu dit arrest onherroepelijk is geworden, hebben deze oordelen gezag van gewijsde gekregen (artikel 236 Rv). De [geïntimeerden] hebben in hoger beroep gesteld dat zij in een procedure met de curator nieuwe bewijzen zullen aanleveren en rechtsfeiten zullen stellen, waardoor de veroordeling van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015 in stand blijft met verbetering van gronden. Zij zien daarbij echter over het hoofd dat het gezag van gewijsde er in beginsel aan in de weg staat dat zij nieuw bewijsmateriaal en nieuwe feiten aanvoeren (HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, r.o. 3.1.4.). Het gezag van gewijsde staat er op zich niet aan in de weg dat op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten, dezelfde vordering of een soortgelijke vordering wordt ingesteld. De [geïntimeerden] hebben naar het Verder heeft [appellanten] gesteld dat de vorderingen in 2012 en 2013 zijn ontstaan, zonder dit in processtukken te concretiseren. Het hof zal daarom uitgaan van hetgeen de [geïntimeerden] in dit verband hebben aangevoerd, namelijk dat de rente uiterlijk vanaf 1 april 2013 opeisbaar was. [appellanten] heeft de contractuele rente over de openstaande facturen tot 1 augustus 2013 gevorderd. Naar het oordeel van het hof is de vordering tot betaling van contractuele rente niet eerder gestuit dan op 21 juni 2018. [appellanten] heeft weliswaar gesteld dat in diverse sommaties consequent verwezen is naar de artikelen 8 en 11 van de respectievelijke overeenkomsten, maar heeft niet gesteld welke sommaties dit dan zijn en bij welke producties deze zijn overgelegd. Voor zover [appellanten] het oog zou hebben op de ontbindingsbrieven (overgelegd als productie 26), geldt dat daarin niet wordt verwezen naar de artikelen 8 en/of 11 van de franchiseovereenkomsten. In die ontbindingsbrieven wordt, zoals [geïntimeerden] terecht hebben opgemerkt, alleen verwezen naar ‘ verbeurde boetes ’ en [appellanten] heeft niet (gemotiveerd) gesteld dat dit ziet op de contractuele rente en dat de [geïntimeerden] dit ook hadden moeten begrijpen. In de e-mail van 21 juni 2018, waarvan de tekst hiervoor in r.o. 4.5.3. is weergegeven, wordt wel expliciet verwezen naar rente en naar de contractuele boete van 12% p.a. (artikel 8 lid 2 / artikel 11 lid 2 franchiseovereenkomst). Hieruit volgt duidelijk dat aanspraak gemaakt zal worden op de in deze procedure gevorderde contractuele rente van 1% per maand. Dat betekent dat de vorderingen ter zake de contractuele rente die voor 21 juni 2013 opeisbaar zijn geworden zijn verjaard. Dit betekent dat het hof de contractuele rente zal toewijzen voor de periode vanaf 21 juni 2013 tot 1 augustus 2013 (nu [appellanten] de contractuele rente tot 1 augustus 2013 heeft gevorderd). Vanaf 1 augustus 2013 is de wettelijke handelsrente naar het oordeel van het hof toewijsbaar. Niet ter discussie staat dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, aangezien sprake is een overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen. De wettelijke handelsrente is naar het oordeel van het hof ook tijdig gestuit in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 13 mei 2015 bij conclusie van antwoord in reconventie van 28 augustus 2013 (in randnummer 372). Daarin staat: “ Bridge maakt daarnaast aanspraak op de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW met ingang van de dag der opeisbaarheid van de onderhavige facturen ”. Hierna is een nieuwe termijn van vijf jaar gaan lopen. Vervolgens is de verjaring bij e-mail van 21 juni 2018 gestuit, nu daarin eveneens aanspraak wordt gemaakt op de “ franchise fees (…) en rente ” en vervolgens bij de dagvaarding in deze zaak op 10 februari 2023. 4.8. Buitengerechtelijke incassokosten [appellanten] heeft gevorderd om [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten die hij na vermeerdering van eis in hoger beroep op € 1.576,28 heeft gesteld conform de staffel Buitengerechtelijke Incassokosten (BIK). [appellanten] heeft over dit bedrag de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW gevorderd vanaf de datum van de dagvaarding. Het hof zal deze vordering als onvoldoende gemotiveerd betwist toewijzen. 4.9. Slotsom De slotsom van het voorgaande is dat de grieven in zoverre slagen dat het hof de [geïntimeerden] zal veroordelen tot betaling van de gevorderde achterstallige fees, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand daarover vanaf 21 juni 2013 tot 1 augustus 2013 en de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 augustus 2013 tot aan de dag van volledige betaling. Verder zullen [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroord