Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-04-28
ECLI:NL:GHSHE:2026:1161
Strafrecht
Hoger beroep
7,451 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1161 text/xml public 2026-05-18T17:20:43 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-28 20-001774-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Roermond Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1161 text/html public 2026-05-18T17:13:13 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1161 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 28-04-2026 / 20-001774-25 - tweede (inhaal)dagvaarding terwijl eerste betekende dagvaarding niet is ingetrokken. Het hof overweegt dat op grond van artikel 258, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering het rechtsgeding aanvangt op het moment dat de officier van justitie de inleidende dagvaarding aan de verdachte betekent. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het uitbrengen van een tweede (inhaal)dagvaarding ter zake van hetzelfde feit in strijd is met het wettelijk systeem, indien op grondslag van de inleidende dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist. Op grond van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie de (in dit geval: eerste) dagvaarding intrekken, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen. Uit het dossier volgt niet dat de eerste dagvaarding door de officier van justitie is ingetrokken. Het hof is daarom van oordeel dat op grondslag van de eerste dagvaarding beslist dient te worden. Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd, heeft het in de eerste dagvaarding tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Parketnummer : 20-001774-25 Uitspraak : 28 april 2026 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 24 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-112249-25 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals is, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Het hof stelt vast dat er onder hetzelfde parketnummer twee verschillende dagvaardingen zijn betekend voor de zitting van de politierechter op 24 juni 2025. De eerste dagvaarding heeft als aanmaakdatum 12 april 2025 en daarin wordt de verdachte verweten – kort gezegd – het voorhanden hebben van een vals Pools rijbewijs. Deze dagvaarding is op 12 april 2025 in persoon aan de verdachte uitgereikt en door een tolk vertaald. De tweede dagvaarding heeft als aanmaakdatum 14 april 2025. Deze dagvaarding is op 14 april 2025 met een vertaling per post naar het adres van de verdachte in Polen verstuurd. In die dagvaarding wordt de verdachte verweten – kort gezegd – het voorhanden hebben van een vals Pools rijbewijs én een vals Pools identiteitsbewijs. Uit het dossier volgt niet dat de eerste dagvaarding door de officier van justitie is ingetrokken. Gelet op de door de politierechter in de aantekening van het mondeling vonnis gehanteerde kwalificatie (‘meermalen gepleegd’) is de politierechter uitgegaan van de tweede dagvaarding. Het hof overweegt dat op grond van artikel 258, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering het rechtsgeding aanvangt op het moment dat de officier van justitie de inleidende dagvaarding aan de verdachte betekent. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het uitbrengen van een tweede (inhaal)dagvaarding ter zake van hetzelfde feit in strijd is met het wettelijk systeem, indien op grondslag van de inleidende dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist. Op grond van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie de (in dit geval: eerste) dagvaarding intrekken, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat op grondslag van de eerste dagvaarding, daterend van 12 april 2025, beslist dient te worden. Daarop is alleen het– kort gezegd – voorhanden hebben van het vals Pools rijbewijs aan de verdachte ten laste gelegd. De verdachte is hierdoor dan ook niet in de verdediging geschaad. Aan de verdachte is derhalve, met inachtneming van het hiervoor overwogene, tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 11 april 2025 te Venlo een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een vals Pools rijbewijs (documentnummer 87012611730), waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 11 april 2025 te Venlo een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een vals Pools rijbewijs, waarvan hij, verdachte, wist dat deze vals was, voorhanden heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit. De in de opsomming vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor zover zij het bewezenverklaarde ondersteunen. Het bewezenverklaarde berust op de navolgende bewijsmiddelen: het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2025 (pg. 5-6 van het dossier), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , wachtmeester der Koninklijke Marechaussee district Zuid, brigade Brabant-Noord/Limburg-Noord en [verbalisant 2] , wachtmeester der 1e klasse der Koninklijke Marechaussee, district Zuid, brigade Brabant-Noord/Limburg-Noord; het proces-verbaal van verhoor d.d. 11 april 2025 (pg. 23-24 van het dossier), voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte; het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2025 (pg. 27-28 van het dossier), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] , wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee, documentdeskundige, en [verbalisant 4] , wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee, documentdeskundige.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1161 text/xml public 2026-05-18T17:20:43 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-28 20-001774-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Roermond Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1161 text/html public 2026-05-18T17:13:13 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1161 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 28-04-2026 / 20-001774-25 - tweede (inhaal)dagvaarding terwijl eerste betekende dagvaarding niet is ingetrokken. Het hof overweegt dat op grond van artikel 258, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering het rechtsgeding aanvangt op het moment dat de officier van justitie de inleidende dagvaarding aan de verdachte betekent. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het uitbrengen van een tweede (inhaal)dagvaarding ter zake van hetzelfde feit in strijd is met het wettelijk systeem, indien op grondslag van de inleidende dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist. Op grond van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie de (in dit geval: eerste) dagvaarding intrekken, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen. Uit het dossier volgt niet dat de eerste dagvaarding door de officier van justitie is ingetrokken. Het hof is daarom van oordeel dat op grondslag van de eerste dagvaarding beslist dient te worden. Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd, heeft het in de eerste dagvaarding tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Parketnummer : 20-001774-25 Uitspraak : 28 april 2026 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 24 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-112249-25 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals is, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Het hof stelt vast dat er onder hetzelfde parketnummer twee verschillende dagvaardingen zijn betekend voor de zitting van de politierechter op 24 juni 2025. De eerste dagvaarding heeft als aanmaakdatum 12 april 2025 en daarin wordt de verdachte verweten – kort gezegd – het voorhanden hebben van een vals Pools rijbewijs. Deze dagvaarding is op 12 april 2025 in persoon aan de verdachte uitgereikt en door een tolk vertaald. De tweede dagvaarding heeft als aanmaakdatum 14 april 2025. Deze dagvaarding is op 14 april 2025 met een vertaling per post naar het adres van de verdachte in Polen verstuurd. In die dagvaarding wordt de verdachte verweten – kort gezegd – het voorhanden hebben van een vals Pools rijbewijs én een vals Pools identiteitsbewijs. Uit het dossier volgt niet dat de eerste dagvaarding door de officier van justitie is ingetrokken. Gelet op de door de politierechter in de aantekening van het mondeling vonnis gehanteerde kwalificatie (‘meermalen gepleegd’) is de politierechter uitgegaan van de tweede dagvaarding. Het hof overweegt dat op grond van artikel 258, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering het rechtsgeding aanvangt op het moment dat de officier van justitie de inleidende dagvaarding aan de verdachte betekent. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het uitbrengen van een tweede (inhaal)dagvaarding ter zake van hetzelfde feit in strijd is met het wettelijk systeem, indien op grondslag van de inleidende dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist. Op grond van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie de (in dit geval: eerste) dagvaarding intrekken, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat op grondslag van de eerste dagvaarding, daterend van 12 april 2025, beslist dient te worden. Daarop is alleen het– kort gezegd – voorhanden hebben van het vals Pools rijbewijs aan de verdachte ten laste gelegd. De verdachte is hierdoor dan ook niet in de verdediging geschaad. Aan de verdachte is derhalve, met inachtneming van het hiervoor overwogene, tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 11 april 2025 te Venlo een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een vals Pools rijbewijs (documentnummer 87012611730), waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 11 april 2025 te Venlo een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een vals Pools rijbewijs, waarvan hij, verdachte, wist dat deze vals was, voorhanden heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit. De in de opsomming vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor zover zij het bewezenverklaarde ondersteunen. Het bewezenverklaarde berust op de navolgende bewijsmiddelen: het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2025 (pg. 5-6 van het dossier), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , wachtmeester der Koninklijke Marechaussee district Zuid, brigade Brabant-Noord/Limburg-Noord en [verbalisant 2] , wachtmeester der 1e klasse der Koninklijke Marechaussee, district Zuid, brigade Brabant-Noord/Limburg-Noord; het proces-verbaal van verhoor d.d. 11 april 2025 (pg. 23-24 van het dossier), voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte; het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2025 (pg. 27-28 van het dossier), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] , wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee, documentdeskundige, en [verbalisant 4] , wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee, documentdeskundige.
Volledig
Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen maar te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke geldboete. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij een vals identiteitsbewijs, zijnde een vals Pools rijbewijs, voorhanden heeft gehad. Door zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen geschonden dat in de juistheid en authenticiteit van officiële documenten – met name indien deze van overheidswege zijn verstrekt – moet kunnen worden gesteld. Het hof heeft gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Zij gaan bij het bezit van een vals paspoort als vertrekpunt uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. De raadsman heeft het hof verzocht ten voordele van de verdachte rekening te houden met de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. De verdachte heeft het valse rijbewijs niet voorhanden gehad met criminele intenties. Hij heeft deze enkel aangeschaft omdat zijn rijbewijs was ingevorderd en hij anders zijn werkzaamheden niet meer kon verrichten, aldus de raadsman. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij daartoe niet bevoegd was. Voorts heeft de verdachte op het valse rijbewijs een valse naam aangenomen, hetgeen hij blijkens het dossier ook op een valse Poolse identiteitskaart heeft gedaan. Bovendien heeft de verdachte zich tegenover de verbalisanten ook herhaaldelijk geïdentificeerd onder een valse naam. Hoewel de valse Poolse identiteitskaart in hoger beroep niet aan de verdachte ten laste is gelegd, zoals hiervoor overwogen, rekent het hof het de verdachte wel aan dat hij op deze wijze heeft gehandeld. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld. Verder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte met zijn vrouw en kinderen in Polen woont. De verdachte heeft een eigen internationale transportonderneming. Hij is kostwinner waardoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf mogelijk grote gevolgen zal hebben voor zijn gezin. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof ziet noch in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte noch in hetgeen overigens ter terechtzitting is aangevoerd aanleiding om in dit geval van deze strafmodaliteit af te wijken. De politierechter heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘meermalen gepleegd’ en de verdachte tot twee maanden gevangenisstraf veroordeeld. Het hof gaat er daarbij van uit dat de politierechter de verdachte heeft veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vals rijbewijs en voor het voorhanden hebben van een vals identiteitsbewijs. Omdat het hof, zoals hiervoor is overwogen, alleen oordeelt over het voorhanden hebben van een vals rijbewijs, zal het hof volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, zoals gevorderd door de advocaat-generaal. In hetgeen door de raadsman omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand . Aldus gewezen door: mr. E.E.J. Boesten, voorzitter, mr. A.C. Bosch en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier, en op 28 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. R.G.A. Beaujean is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AQ8552, NJ 2005/228 en HR 7 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AB9796, NJ 1985/842 Onder dit kopje wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het dossier van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Limburg grenscontroles, met dossiernummer PL27QR/25-031184, gesloten d.d. 17 april 2025 door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , met doorgenummerde pagina's 1 tot en met 28. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.
Volledig
Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen maar te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke geldboete. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij een vals identiteitsbewijs, zijnde een vals Pools rijbewijs, voorhanden heeft gehad. Door zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen geschonden dat in de juistheid en authenticiteit van officiële documenten – met name indien deze van overheidswege zijn verstrekt – moet kunnen worden gesteld. Het hof heeft gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Zij gaan bij het bezit van een vals paspoort als vertrekpunt uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. De raadsman heeft het hof verzocht ten voordele van de verdachte rekening te houden met de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. De verdachte heeft het valse rijbewijs niet voorhanden gehad met criminele intenties. Hij heeft deze enkel aangeschaft omdat zijn rijbewijs was ingevorderd en hij anders zijn werkzaamheden niet meer kon verrichten, aldus de raadsman. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij daartoe niet bevoegd was. Voorts heeft de verdachte op het valse rijbewijs een valse naam aangenomen, hetgeen hij blijkens het dossier ook op een valse Poolse identiteitskaart heeft gedaan. Bovendien heeft de verdachte zich tegenover de verbalisanten ook herhaaldelijk geïdentificeerd onder een valse naam. Hoewel de valse Poolse identiteitskaart in hoger beroep niet aan de verdachte ten laste is gelegd, zoals hiervoor overwogen, rekent het hof het de verdachte wel aan dat hij op deze wijze heeft gehandeld. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld. Verder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte met zijn vrouw en kinderen in Polen woont. De verdachte heeft een eigen internationale transportonderneming. Hij is kostwinner waardoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf mogelijk grote gevolgen zal hebben voor zijn gezin. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof ziet noch in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte noch in hetgeen overigens ter terechtzitting is aangevoerd aanleiding om in dit geval van deze strafmodaliteit af te wijken. De politierechter heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘meermalen gepleegd’ en de verdachte tot twee maanden gevangenisstraf veroordeeld. Het hof gaat er daarbij van uit dat de politierechter de verdachte heeft veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vals rijbewijs en voor het voorhanden hebben van een vals identiteitsbewijs. Omdat het hof, zoals hiervoor is overwogen, alleen oordeelt over het voorhanden hebben van een vals rijbewijs, zal het hof volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, zoals gevorderd door de advocaat-generaal. In hetgeen door de raadsman omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand . Aldus gewezen door: mr. E.E.J. Boesten, voorzitter, mr. A.C. Bosch en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier, en op 28 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. R.G.A. Beaujean is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AQ8552, NJ 2005/228 en HR 7 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AB9796, NJ 1985/842 Onder dit kopje wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het dossier van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Limburg grenscontroles, met dossiernummer PL27QR/25-031184, gesloten d.d. 17 april 2025 door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , met doorgenummerde pagina's 1 tot en met 28. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.