Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-04-14
ECLI:NL:GHSHE:2026:1053
Strafrecht
Hoger beroep
26,413 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1053 text/xml public 2026-05-20T10:29:05 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-14 20-000484-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1053 text/html public 2026-05-20T09:55:35 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1053 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-04-2026 / 20-000484-25 Overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Diefstal. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd. Parketnummer : 20-000484-25 Uitspraak : 14 april 2026 TEGENSPRAAK (ex. art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 februari 2025, parketnummer 02-039416-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 96-266135-22, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde en bewezenverklaard wat aan de verdachte is tenlastegelegd onder de feiten 1, 2 subsidiair, 3 en 4. De politierechter heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als: ‘overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1), ‘diefstal’ (feit 2, subsidiair), ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III’ (feit 3) en ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’ (feit 4), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken met aftrek van de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] geheel toegewezen tot een bedrag van € 1700,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is door de politierechter veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij. De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96-266135-22 is door de politierechter afgewezen. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde, het onder feit 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van het voorarrest en de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging gevorderd van de eerder onder parketnummer 96-266135-22 voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof bepaalt dat de vordering niet-ontvankelijk is. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM, althans van een onmenselijke en vernederende behandeling van de verdachte door de politie, die ertoe moet leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Subsidiair is bepleit dat de verdachte: - ten aanzien van feit 1 dient te worden ontslagen van rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld; - van feit 2 dient te worden vrijgesproken; - van feit 4 dient te worden vrijgesproken dan wel dat ten aanzien van dit feit ontslag van rechtsvervolging moet volgen omdat de aan de politievoertuigen geconstateerde schade het gevolg is van de inboxprocedure die de politie heeft gevolgd. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Namens de verdachte is op 17 februari 2025 hoger beroep ingesteld tegen de bewezenverklaring van het onder feit 2 subsidiair en onder feit 4 tenlastegelegde. Artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) laat slechts een beperking van het hoger beroep toe tot een of meer ‘gevoegde zaken’. Het in onder 2 primair respectievelijk subsidiair tenlastegelegde valt niet aan te merken als ‘gevoegde zaken’. Daarom is sprake van een ontoelaatbare beperking van het hoger beroep die in beginsel moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Nu echter een door de verdachte op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en heeft verklaard het hoger beroep zonder de in de appelakte aangebrachte beperkingen te willen doorzetten, blijft niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep achterwege. Het gehele vonnis is daarmee aan het oordeel van het hof onderworpen. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto (een Seat Ibiza) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend; 2. primair hij op of omstreeks 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, althans in Nederland, - een personenauto (een Seat Ibiza) en/of - een of meerdere kentekenpla(a)t(en) met kenteken [kenteken 1] en/of - een of meerdere kentekenpla(a)t(en) met kenteken [kenteken 2] , althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; 2. subsidiair hij op één of meer tijdstippen in de periode van 7 januari tot en met 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, - een personenauto (een Seat Ibiza), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , - een of meerdere kentekenpla(a)t(en) met kenteken [kenteken 1] , in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of - een of meerdere kentekenpla(a)t(en) met kenteken [kenteken 2] , in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om deze/het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3. hij op of omstreeks 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool (merk Bruni), voorhanden heeft gehad; 4.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1053 text/xml public 2026-05-20T10:29:05 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-14 20-000484-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1053 text/html public 2026-05-20T09:55:35 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1053 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-04-2026 / 20-000484-25 Overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Diefstal. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd. Parketnummer : 20-000484-25 Uitspraak : 14 april 2026 TEGENSPRAAK (ex. art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 februari 2025, parketnummer 02-039416-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 96-266135-22, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde en bewezenverklaard wat aan de verdachte is tenlastegelegd onder de feiten 1, 2 subsidiair, 3 en 4. De politierechter heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als: ‘overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1), ‘diefstal’ (feit 2, subsidiair), ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III’ (feit 3) en ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’ (feit 4), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken met aftrek van de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] geheel toegewezen tot een bedrag van € 1700,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is door de politierechter veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij. De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96-266135-22 is door de politierechter afgewezen. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde, het onder feit 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van het voorarrest en de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging gevorderd van de eerder onder parketnummer 96-266135-22 voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof bepaalt dat de vordering niet-ontvankelijk is. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM, althans van een onmenselijke en vernederende behandeling van de verdachte door de politie, die ertoe moet leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Subsidiair is bepleit dat de verdachte: - ten aanzien van feit 1 dient te worden ontslagen van rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld; - van feit 2 dient te worden vrijgesproken; - van feit 4 dient te worden vrijgesproken dan wel dat ten aanzien van dit feit ontslag van rechtsvervolging moet volgen omdat de aan de politievoertuigen geconstateerde schade het gevolg is van de inboxprocedure die de politie heeft gevolgd. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Namens de verdachte is op 17 februari 2025 hoger beroep ingesteld tegen de bewezenverklaring van het onder feit 2 subsidiair en onder feit 4 tenlastegelegde. Artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) laat slechts een beperking van het hoger beroep toe tot een of meer ‘gevoegde zaken’. Het in onder 2 primair respectievelijk subsidiair tenlastegelegde valt niet aan te merken als ‘gevoegde zaken’. Daarom is sprake van een ontoelaatbare beperking van het hoger beroep die in beginsel moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Nu echter een door de verdachte op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en heeft verklaard het hoger beroep zonder de in de appelakte aangebrachte beperkingen te willen doorzetten, blijft niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep achterwege. Het gehele vonnis is daarmee aan het oordeel van het hof onderworpen. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto (een Seat Ibiza) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend; 2. primair hij op of omstreeks 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, althans in Nederland, - een personenauto (een Seat Ibiza) en/of - een of meerdere kentekenpla(a)t(en) met kenteken [kenteken 1] en/of - een of meerdere kentekenpla(a)t(en) met kenteken [kenteken 2] , althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; 2. subsidiair hij op één of meer tijdstippen in de periode van 7 januari tot en met 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, - een personenauto (een Seat Ibiza), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , - een of meerdere kentekenpla(a)t(en) met kenteken [kenteken 1] , in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of - een of meerdere kentekenpla(a)t(en) met kenteken [kenteken 2] , in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om deze/het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3. hij op of omstreeks 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool (merk Bruni), voorhanden heeft gehad; 4.
Volledig
hij op of omstreeks 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere dienstvoertuigen (te weten een Audi A6 ( [kenteken 5] ) en/of een BMW 120i ( [kenteken 4] )), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Politie Nederland, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Voor zover de raadsman overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota het verweer heeft gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging of strafvermindering dient te volgen omdat (1) verdachtes gezondheid door de politie ernstig in gevaar is gebracht als gevolg van de zogenaamde ‘inboxprocedure’ en (2) bij verdachtes aanhouding door de politie buitenproportioneel geweld is toegepast, overweegt het hof als volgt. Uit het dossier volgt dat de verdachte op 4 februari 2025 omstreeks 14.32 uur in een gestolen personenauto reed. Na een ANPR-melding heeft de politie het voertuig getraceerd en gevolgd. Vervolgens deed de verdachte er alles aan om aan de politie te ontkomen: hij heeft onder meer met hoge snelheid op de A29 gereden en maakte gebruik van de vluchtstrook op de A4 om een vrachtwagen in te halen. Voorts zagen de verbalisanten dat de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit het voertuig gooide. Dit voorwerp bleek later een alarmpistool te zijn. De achtervolging werd voortgezet in het centrum van Dinteloord , waar de verbalisanten de verdachte klemreden. Daarop reed de verdachte achteruit en stuurde hij zijn voertuig om het politievoertuig heen, om met hoge snelheid zijn weg te vervolgen. Tijdens de daaropvolgende achtervolging werden de snelheidslimieten meerdere malen ernstig overschreden. Tevens deed de verdachte meerdere keren een zogenaamde ‘brake check’ (hard remmen) terwijl een politievoertuig zich kort achter de verdachte bevond. Op de Steenbergseweg – een weg met wegversmallingen – hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich links naast het voertuig van de verdachte gepositioneerd. Daarop stuurde de verdachte links in op het politievoertuig, waarbij het politievoertuig werd geraakt. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben hierna hun voertuig aan de rechterzijde van de verdachte gepositioneerd. Het voertuig van de verdachte raakte vervolgens ook hun voertuig, waarna de verdachte met zijn voertuig tegen een boom tot stilstand kwam. Hierna zagen de verbalisanten hoe de verdachte uit zijn voertuig kroop, op zijn benen ging staan en opnieuw probeerde te vluchten. Gezien het gedrag dat de verdachte tijdens de achtervolging vertoonde – waaronder het wegwerpen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp – besloten de verbalisanten hun dienstwapen te trekken en dit op het onderlichaam van de verdachte te richten. Desondanks gaf de verdachte zich niet over. Hij kraamde wartaal uit en leek onder invloed van verdovende middelen. Zijn ogen waren bloeddoorlopen, zijn pupillen vergroot en hij had een ingevallen gezicht. Om de verdachte onder controle te krijgen heeft verbalisant [verbalisant 1] hem één trap gegeven. Nadat de verdachte was aangehouden is hij door een ambulance ter controle naar het ziekenhuis gebracht, waar geen letsel werd geconstateerd. De verdachte heeft verklaard onder invloed te zijn geweest van flakka en dat hij nooit had willen stoppen voor de politie. Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden – in samenhang met de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen – is het hof van oordeel dat de verdachte zelf de gevaarzetting heeft veroorzaakt. Het toegepaste geweld van de politieambtenaren nadat de verdachte tegen een boom tot stilstand was gekomen en opnieuw probeerde te vluchten was gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, niet buitenproportioneel. Het hof verwerpt daarom het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en daarmee ook het subsidiair gevoerde verweer strekkende tot strafvermindering. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof heeft op grond van wettige bewijsmiddelen evenmin de overtuiging bekomen dat de verdachte het oogmerk had op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de Nederlandse en Letse kentekenplaten genoemd onder feit 2 subsidiair. De verdachte zal in zoverre ook van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde (partieel) worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. hij op 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto (een Seat Ibiza) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend; 2. subsidiair hij in de periode van 7 januari tot en met 4 februari 2025 in Nederland, een personenauto (een Seat Ibiza) die aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3. hij op 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool (merk Bruni), voorhanden heeft gehad; 4. hij op 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere dienstvoertuigen (te weten een Audi A6 ( [kenteken 5] ) en een BMW 120i ( [kenteken 4] )), die aan Politie Nederland, toebehoorden heeft beschadigd; Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Landelijke Expertise En Operaties, registratienummer PL2000-2025030114, gesloten d.d. 8 februari 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] , aspirant van politie Eenheid Landelijke Expertise En Operaties (doorgenummerde dossierpagina’s 1-130). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. 1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 februari 2025 (pg. 78-82), nummer PL2000-2025030038-5, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Op dinsdag 4 februari 2025, waren wij, verbalisanten, belast met een surveillance in de Geografische Afdeling Zuid-West. Wij waren in politie-uniform gekleed en reden in een Snel interventie voertuig (SIV) met het roepnummer [eenheid 2] . Om 14.16 uur, zagen wij een melding in de Automatische Nummerplaatherkenning, hierna te noemen ANPR, van een voertuig met het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Wij zagen dat dit een gestolen voertuig betrof. Vlak voor onze locatie bevond er zich nog een ANPR-locatie. Wij zagen dat het voertuig om 14.32 uur daar een melding gaf. Kort hierna zagen wij een soortgelijk voertuig passeren. Wij zagen dat dit voertuig aan de voorzijde het Nederlandse kenteken [kenteken 3] had. Dit was niet het kenteken genoemd in de ANPR-melding. Toen het voertuig passeerde zagen wij dat het kenteken aan de achterzijde wel overeenkwam met het kenteken uit de ANPR-melding. Wij zagen het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Hierop concludeerden wij dat dit het genoemde voertuig was.
Volledig
hij op of omstreeks 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere dienstvoertuigen (te weten een Audi A6 ( [kenteken 5] ) en/of een BMW 120i ( [kenteken 4] )), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Politie Nederland, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Voor zover de raadsman overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota het verweer heeft gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging of strafvermindering dient te volgen omdat (1) verdachtes gezondheid door de politie ernstig in gevaar is gebracht als gevolg van de zogenaamde ‘inboxprocedure’ en (2) bij verdachtes aanhouding door de politie buitenproportioneel geweld is toegepast, overweegt het hof als volgt. Uit het dossier volgt dat de verdachte op 4 februari 2025 omstreeks 14.32 uur in een gestolen personenauto reed. Na een ANPR-melding heeft de politie het voertuig getraceerd en gevolgd. Vervolgens deed de verdachte er alles aan om aan de politie te ontkomen: hij heeft onder meer met hoge snelheid op de A29 gereden en maakte gebruik van de vluchtstrook op de A4 om een vrachtwagen in te halen. Voorts zagen de verbalisanten dat de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit het voertuig gooide. Dit voorwerp bleek later een alarmpistool te zijn. De achtervolging werd voortgezet in het centrum van Dinteloord , waar de verbalisanten de verdachte klemreden. Daarop reed de verdachte achteruit en stuurde hij zijn voertuig om het politievoertuig heen, om met hoge snelheid zijn weg te vervolgen. Tijdens de daaropvolgende achtervolging werden de snelheidslimieten meerdere malen ernstig overschreden. Tevens deed de verdachte meerdere keren een zogenaamde ‘brake check’ (hard remmen) terwijl een politievoertuig zich kort achter de verdachte bevond. Op de Steenbergseweg – een weg met wegversmallingen – hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich links naast het voertuig van de verdachte gepositioneerd. Daarop stuurde de verdachte links in op het politievoertuig, waarbij het politievoertuig werd geraakt. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben hierna hun voertuig aan de rechterzijde van de verdachte gepositioneerd. Het voertuig van de verdachte raakte vervolgens ook hun voertuig, waarna de verdachte met zijn voertuig tegen een boom tot stilstand kwam. Hierna zagen de verbalisanten hoe de verdachte uit zijn voertuig kroop, op zijn benen ging staan en opnieuw probeerde te vluchten. Gezien het gedrag dat de verdachte tijdens de achtervolging vertoonde – waaronder het wegwerpen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp – besloten de verbalisanten hun dienstwapen te trekken en dit op het onderlichaam van de verdachte te richten. Desondanks gaf de verdachte zich niet over. Hij kraamde wartaal uit en leek onder invloed van verdovende middelen. Zijn ogen waren bloeddoorlopen, zijn pupillen vergroot en hij had een ingevallen gezicht. Om de verdachte onder controle te krijgen heeft verbalisant [verbalisant 1] hem één trap gegeven. Nadat de verdachte was aangehouden is hij door een ambulance ter controle naar het ziekenhuis gebracht, waar geen letsel werd geconstateerd. De verdachte heeft verklaard onder invloed te zijn geweest van flakka en dat hij nooit had willen stoppen voor de politie. Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden – in samenhang met de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen – is het hof van oordeel dat de verdachte zelf de gevaarzetting heeft veroorzaakt. Het toegepaste geweld van de politieambtenaren nadat de verdachte tegen een boom tot stilstand was gekomen en opnieuw probeerde te vluchten was gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, niet buitenproportioneel. Het hof verwerpt daarom het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en daarmee ook het subsidiair gevoerde verweer strekkende tot strafvermindering. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof heeft op grond van wettige bewijsmiddelen evenmin de overtuiging bekomen dat de verdachte het oogmerk had op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de Nederlandse en Letse kentekenplaten genoemd onder feit 2 subsidiair. De verdachte zal in zoverre ook van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde (partieel) worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. hij op 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto (een Seat Ibiza) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend; 2. subsidiair hij in de periode van 7 januari tot en met 4 februari 2025 in Nederland, een personenauto (een Seat Ibiza) die aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3. hij op 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool (merk Bruni), voorhanden heeft gehad; 4. hij op 4 februari 2025 te Dinteloord , gemeente Steenbergen, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere dienstvoertuigen (te weten een Audi A6 ( [kenteken 5] ) en een BMW 120i ( [kenteken 4] )), die aan Politie Nederland, toebehoorden heeft beschadigd; Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Landelijke Expertise En Operaties, registratienummer PL2000-2025030114, gesloten d.d. 8 februari 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] , aspirant van politie Eenheid Landelijke Expertise En Operaties (doorgenummerde dossierpagina’s 1-130). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. 1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 februari 2025 (pg. 78-82), nummer PL2000-2025030038-5, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Op dinsdag 4 februari 2025, waren wij, verbalisanten, belast met een surveillance in de Geografische Afdeling Zuid-West. Wij waren in politie-uniform gekleed en reden in een Snel interventie voertuig (SIV) met het roepnummer [eenheid 2] . Om 14.16 uur, zagen wij een melding in de Automatische Nummerplaatherkenning, hierna te noemen ANPR, van een voertuig met het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Wij zagen dat dit een gestolen voertuig betrof. Vlak voor onze locatie bevond er zich nog een ANPR-locatie. Wij zagen dat het voertuig om 14.32 uur daar een melding gaf. Kort hierna zagen wij een soortgelijk voertuig passeren. Wij zagen dat dit voertuig aan de voorzijde het Nederlandse kenteken [kenteken 3] had. Dit was niet het kenteken genoemd in de ANPR-melding. Toen het voertuig passeerde zagen wij dat het kenteken aan de achterzijde wel overeenkwam met het kenteken uit de ANPR-melding. Wij zagen het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Hierop concludeerden wij dat dit het genoemde voertuig was.
Volledig
Hierop merkten wij, verbalisanten, de bestuurder aan als verdachte van heling, strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Nadat wij een aantal voertuigen expres aan ons voorbij lieten gaan om de verdachte in het voertuig niet direct het idee te geven dat hij gevolgd werd, voegden wij in achter het genoemde voertuig. Hierop kwamen wij achter het voertuig, op gepaste afstand. Wij zagen dat het voertuig op het moment van bijtrekken honderdvijftig kilometer per uur reed, waar honderd (100) is toegestaan. Hierop vervolgde wij onze weg in de richting waar de Autosnelweg A29 overgaat in de Autosnelweg A4. Vlak voor de afrit Dinteloord zagen wij dat twee vrachtwagens elkaar aan het inhalen waren. Wij zagen dat het voertuig dat wij volgden hierop ineens over de vluchtstrook de vrachtwagens in ging halen. Hierop zagen wij dat het voertuig snelheid verhoogde. Wij zagen dat de verdachte afrit 24 ' Dinteloord ' nam. Wij zagen dat de snelheid op de afrit circa honderdtien kilometer per uur was, waar honderd kilometer per uur is toegestaan. Wij zagen dat de bestuurder hierop naar rechts overhelde en iets aan het doen was in zijn middenconsole. Wij zagen dat de bestuurder bovenaan de afrit rechtsaf ging in de richting van Dinteloord . Wij zagen dat de verdachte zijn linkerraam opende. Wij zagen dat de verdachte naar het middenconsole greep. Wij zagen dat de bestuurder een zwart voorwerp uit het raam gooide. Wij zagen dat het voorwerp over de tegemoetkomende rijstrook heen vloog en daar in de berm belande. Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , herkenden dit voorwerp allebei als een zwart handvuurwapen, verpakt in een sok/holster. Zo zagen wij de greep van het vuurwapen uitsteken uit de sok dan wel holster. Wij gaven dit onmiddellijk door aan de meldkamer. Hierop merkten wij de verdachte ook aan als verdachte van bezit vuurwapens. Hierop volgde een achtervolging door het centrum van Dinteloord (het hof begrijpt: gemeente Steenbergen) , over het Jan Hazepad , De Marijkestraat , De Prins Willemstraat , De Steenbergseweg , terug richting het centrum, De Stellingmolen , De Molendijk , De Noordzeedijk , De Symbiose , De N268 , tegengesteld op De Noordlangeweg richting Dinteloord . Rijdend over de Steenbergseweg zagen wij kans het voertuig klem te rijden. Dit deden wij dan ook, waarop wij en de verdachte tot stilstand kwamen. Wij zagen dat de verdachte hierop zijn voertuig in zijn achteruit zette en een paar meter achteruitreed. Wij zagen dat hij hierop weer vooruit langs ons heen reed en zijn weg vervolgde richting het centrum. In de genoemde straten hebben meerdere mensen ruimte moeten maken voor het voertuig dat wij achtervolgden. Wij zagen dat mensen zichtbaar ontdaan waren door het rijgedrag van de bestuurder. Wij zagen dat meerdere mensen hun kind beethielden. Verdachte heeft meerdere keren de snelheid dusdanig overschreden dat een invordering van zijn rijbewijs van toepassing zou zijn. Tevens deed de verdachte meerdere keren een zogeheten brake check bij ons. Dit houdt in dat de verdachte meerdere keren, toen wij kort achter hem reden, hard op de rem ging. Wij hebben gedurende de gehele achtervolging ons stoptransparant aangehad. Deze hebben wij altijd in het zicht, omdat deze onder de zonneklep zit. Wij dan ook gezien dat hij naar behoren functioneerde en de juiste tekst toonde, namelijk "Stop Politie". Toen de verdachte voor de tweede keer de Steenbergseweg het Dorp Dinteloord in wilde rijden was het daar drukker dan de eerste keer. Wij zagen dat er meer verkeer tegemoet kwam. Op de Steenbergseweg bevinden zich twee wegversmallingen, deze wegversmallingen bepalen de voorrangssituatie. Ik zag dat het verkeer was tegemoetkwam reeds aan het rijden was. Dit maakte dat de snelheid eruit ging. Hierop zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , bestuurder van ons voertuig, kans om de verdachte in te halen. Ik zag hierop dat toen wij links naast het voertuig kwamen de verdachte middels een stuurbeweging naar links op ons instuurde. Ik voelde dat ik hierbij moest tegensturen. Doordat de verdachte tegen ons aanreed zagen wij dat hij begon te slingeren. Wij zagen dat de collega' s van de [eenheid 3] hierop naast de verdachte reden. Wij zagen dat verdachte de verhoging van het trottoir aan de linkerzijde van de Steenbergseweg raakte. Wij zagen dat de verdachte hierop tegen de [eenheid 3] aanreed. Hierop merkten wij de verdachte aan van vernieling van ons dienstvoertuig, strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Wij zagen dat de verdachte hierop een D2 bord op een wegafscheiding omverreed. Wij zagen dat de verdachte hierop los van de grond kwam en hierop tegen een boom met circa dertig (30) a veertig (40) kilometer per uur tot stilstand kwam. Wij zagen dat de gehele voorkant van het voertuig stuk was. Wij zagen dat alle airbags uitgeklapt waren. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , stapte onmiddellijk uit ons dienstvoertuig. Ik zag de verdachte aan de bestuurderszijde uit het raam klimmen. Ik zag dat dit hem lukte. Ik zag dat hij op zijn benen terechtkwam en om zich heen keek. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , kreeg de indruk dat hij wilde gaan rennen en naar een plek aan het zoeken was om heen te rennen. Daarnaast gingen wij ervanuit dat de verdachte misschien nog een vuurwapen bij zich zou hebben. Gezien het gedrag in de achtervolging wilde wij gebruik van dat mogelijk aanwezige vuurwapen voorkomen en hebben wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben hierop ter aanhouding ons dienstvuurwapen getrokken en opgelijnd op het onderlichaam van de verdachte. Op het moment van de aanhouding hielden wij er rekening mee dat de verdachte vuurwapengeweld richting ons niet zou schuwen. Wij zagen dat de verdachte onze kant op keek en dat hij hierop bleef staan. Wij zagen dat hij zich nog niet over gaf. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , kwam als eerste aan bij de verdachte en hoorde dat hij wartaal aan het uitkramen was. Ik kreeg het idee dat hij onder invloed was van verdovende middelen, gezien het gedrag en de uiterlijke kenmerken van verdachte. Ik zag namelijk dat hij bloeddoorlopen ogen had, een ingevallen gezicht had en grote pupillen. Ook zagen wij dat de verdachte een onverzorgd uiterlijk had. Op dinsdag 4 januari 2025, om 14.50 uur, hielden wij de verdachte aan. Verdachte Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] Geboren: [geboortedag] 1988 Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland Voertuig: Personenauto Merk/type: Seat Ibiza Kenteken: [kenteken 1] 2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2025 (pg. 70-72), nummer PL2000-2025030038-13, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] : Op dinsdag 4 februari 2025 omstreeks 14:00 uur waren wij, verbalisanten, [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , bezig met de uitvoering van onze politiewerkzaamheden. Wij, verbalisanten, reden in een onopvallend politievoertuig, een witte BMW 120i, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , met roepnummer [eenheid 5] . Ons voertuig was uitgerust met optische en geluidssignalen. Op 4 februari 2025 omstreeks 14:30 uur hoorden wij, verbalisanten, via de portofoon dat onze collega's van de eenheid [eenheid 4] achter een gestolen voertuig reden. Het voertuig betrof een witte Seat Ibiza met Nederlands kenteken [kenteken 1] . Wij, verbalisanten, hoorden dat de bestuurder van de Seat de afrit Dinteloord had genomen en richting Dinteloord reed. Hierop zijn wij richting Dinteloord gereden om de [eenheid 4] te ondersteunen. Wij zagen dat de witte Seat en de [eenheid 4] met optische en geluidssignalen aan onze kant opgereden kwamen. Hierop heb ik, [verbalisant 4] , ons voertuig op de weg gepositioneerd om de weg te blokkeren. Op dat moment voerden wij optische en geluidssignalen en was ons voertuig als politievoertuig herkenbaar. Ik, [verbalisant 3] , heb middels het verlichte transparant aan de voorzijde van ons voertuig een stopteken gegeven. Wij zagen dat de witte Seat met hoge snelheid op ons af kwam rijden. Wij, verbalisanten, kregen op dat moment het gevoel dat de bestuurder van de witte Seat onder geen beding zou stoppen voor de politie en er alles aan zou doen om te kunnen ontkomen.
Volledig
Hierop merkten wij, verbalisanten, de bestuurder aan als verdachte van heling, strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Nadat wij een aantal voertuigen expres aan ons voorbij lieten gaan om de verdachte in het voertuig niet direct het idee te geven dat hij gevolgd werd, voegden wij in achter het genoemde voertuig. Hierop kwamen wij achter het voertuig, op gepaste afstand. Wij zagen dat het voertuig op het moment van bijtrekken honderdvijftig kilometer per uur reed, waar honderd (100) is toegestaan. Hierop vervolgde wij onze weg in de richting waar de Autosnelweg A29 overgaat in de Autosnelweg A4. Vlak voor de afrit Dinteloord zagen wij dat twee vrachtwagens elkaar aan het inhalen waren. Wij zagen dat het voertuig dat wij volgden hierop ineens over de vluchtstrook de vrachtwagens in ging halen. Hierop zagen wij dat het voertuig snelheid verhoogde. Wij zagen dat de verdachte afrit 24 ' Dinteloord ' nam. Wij zagen dat de snelheid op de afrit circa honderdtien kilometer per uur was, waar honderd kilometer per uur is toegestaan. Wij zagen dat de bestuurder hierop naar rechts overhelde en iets aan het doen was in zijn middenconsole. Wij zagen dat de bestuurder bovenaan de afrit rechtsaf ging in de richting van Dinteloord . Wij zagen dat de verdachte zijn linkerraam opende. Wij zagen dat de verdachte naar het middenconsole greep. Wij zagen dat de bestuurder een zwart voorwerp uit het raam gooide. Wij zagen dat het voorwerp over de tegemoetkomende rijstrook heen vloog en daar in de berm belande. Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , herkenden dit voorwerp allebei als een zwart handvuurwapen, verpakt in een sok/holster. Zo zagen wij de greep van het vuurwapen uitsteken uit de sok dan wel holster. Wij gaven dit onmiddellijk door aan de meldkamer. Hierop merkten wij de verdachte ook aan als verdachte van bezit vuurwapens. Hierop volgde een achtervolging door het centrum van Dinteloord (het hof begrijpt: gemeente Steenbergen) , over het Jan Hazepad , De Marijkestraat , De Prins Willemstraat , De Steenbergseweg , terug richting het centrum, De Stellingmolen , De Molendijk , De Noordzeedijk , De Symbiose , De N268 , tegengesteld op De Noordlangeweg richting Dinteloord . Rijdend over de Steenbergseweg zagen wij kans het voertuig klem te rijden. Dit deden wij dan ook, waarop wij en de verdachte tot stilstand kwamen. Wij zagen dat de verdachte hierop zijn voertuig in zijn achteruit zette en een paar meter achteruitreed. Wij zagen dat hij hierop weer vooruit langs ons heen reed en zijn weg vervolgde richting het centrum. In de genoemde straten hebben meerdere mensen ruimte moeten maken voor het voertuig dat wij achtervolgden. Wij zagen dat mensen zichtbaar ontdaan waren door het rijgedrag van de bestuurder. Wij zagen dat meerdere mensen hun kind beethielden. Verdachte heeft meerdere keren de snelheid dusdanig overschreden dat een invordering van zijn rijbewijs van toepassing zou zijn. Tevens deed de verdachte meerdere keren een zogeheten brake check bij ons. Dit houdt in dat de verdachte meerdere keren, toen wij kort achter hem reden, hard op de rem ging. Wij hebben gedurende de gehele achtervolging ons stoptransparant aangehad. Deze hebben wij altijd in het zicht, omdat deze onder de zonneklep zit. Wij dan ook gezien dat hij naar behoren functioneerde en de juiste tekst toonde, namelijk "Stop Politie". Toen de verdachte voor de tweede keer de Steenbergseweg het Dorp Dinteloord in wilde rijden was het daar drukker dan de eerste keer. Wij zagen dat er meer verkeer tegemoet kwam. Op de Steenbergseweg bevinden zich twee wegversmallingen, deze wegversmallingen bepalen de voorrangssituatie. Ik zag dat het verkeer was tegemoetkwam reeds aan het rijden was. Dit maakte dat de snelheid eruit ging. Hierop zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , bestuurder van ons voertuig, kans om de verdachte in te halen. Ik zag hierop dat toen wij links naast het voertuig kwamen de verdachte middels een stuurbeweging naar links op ons instuurde. Ik voelde dat ik hierbij moest tegensturen. Doordat de verdachte tegen ons aanreed zagen wij dat hij begon te slingeren. Wij zagen dat de collega' s van de [eenheid 3] hierop naast de verdachte reden. Wij zagen dat verdachte de verhoging van het trottoir aan de linkerzijde van de Steenbergseweg raakte. Wij zagen dat de verdachte hierop tegen de [eenheid 3] aanreed. Hierop merkten wij de verdachte aan van vernieling van ons dienstvoertuig, strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Wij zagen dat de verdachte hierop een D2 bord op een wegafscheiding omverreed. Wij zagen dat de verdachte hierop los van de grond kwam en hierop tegen een boom met circa dertig (30) a veertig (40) kilometer per uur tot stilstand kwam. Wij zagen dat de gehele voorkant van het voertuig stuk was. Wij zagen dat alle airbags uitgeklapt waren. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , stapte onmiddellijk uit ons dienstvoertuig. Ik zag de verdachte aan de bestuurderszijde uit het raam klimmen. Ik zag dat dit hem lukte. Ik zag dat hij op zijn benen terechtkwam en om zich heen keek. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , kreeg de indruk dat hij wilde gaan rennen en naar een plek aan het zoeken was om heen te rennen. Daarnaast gingen wij ervanuit dat de verdachte misschien nog een vuurwapen bij zich zou hebben. Gezien het gedrag in de achtervolging wilde wij gebruik van dat mogelijk aanwezige vuurwapen voorkomen en hebben wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben hierop ter aanhouding ons dienstvuurwapen getrokken en opgelijnd op het onderlichaam van de verdachte. Op het moment van de aanhouding hielden wij er rekening mee dat de verdachte vuurwapengeweld richting ons niet zou schuwen. Wij zagen dat de verdachte onze kant op keek en dat hij hierop bleef staan. Wij zagen dat hij zich nog niet over gaf. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , kwam als eerste aan bij de verdachte en hoorde dat hij wartaal aan het uitkramen was. Ik kreeg het idee dat hij onder invloed was van verdovende middelen, gezien het gedrag en de uiterlijke kenmerken van verdachte. Ik zag namelijk dat hij bloeddoorlopen ogen had, een ingevallen gezicht had en grote pupillen. Ook zagen wij dat de verdachte een onverzorgd uiterlijk had. Op dinsdag 4 januari 2025, om 14.50 uur, hielden wij de verdachte aan. Verdachte Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] Geboren: [geboortedag] 1988 Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland Voertuig: Personenauto Merk/type: Seat Ibiza Kenteken: [kenteken 1] 2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2025 (pg. 70-72), nummer PL2000-2025030038-13, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] : Op dinsdag 4 februari 2025 omstreeks 14:00 uur waren wij, verbalisanten, [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , bezig met de uitvoering van onze politiewerkzaamheden. Wij, verbalisanten, reden in een onopvallend politievoertuig, een witte BMW 120i, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , met roepnummer [eenheid 5] . Ons voertuig was uitgerust met optische en geluidssignalen. Op 4 februari 2025 omstreeks 14:30 uur hoorden wij, verbalisanten, via de portofoon dat onze collega's van de eenheid [eenheid 4] achter een gestolen voertuig reden. Het voertuig betrof een witte Seat Ibiza met Nederlands kenteken [kenteken 1] . Wij, verbalisanten, hoorden dat de bestuurder van de Seat de afrit Dinteloord had genomen en richting Dinteloord reed. Hierop zijn wij richting Dinteloord gereden om de [eenheid 4] te ondersteunen. Wij zagen dat de witte Seat en de [eenheid 4] met optische en geluidssignalen aan onze kant opgereden kwamen. Hierop heb ik, [verbalisant 4] , ons voertuig op de weg gepositioneerd om de weg te blokkeren. Op dat moment voerden wij optische en geluidssignalen en was ons voertuig als politievoertuig herkenbaar. Ik, [verbalisant 3] , heb middels het verlichte transparant aan de voorzijde van ons voertuig een stopteken gegeven. Wij zagen dat de witte Seat met hoge snelheid op ons af kwam rijden. Wij, verbalisanten, kregen op dat moment het gevoel dat de bestuurder van de witte Seat onder geen beding zou stoppen voor de politie en er alles aan zou doen om te kunnen ontkomen.
Volledig
Op ruime afstand voor ons stuurde de bestuurder van de witte Seat de auto de berm in en reed over het gras om ons heen. Wij zijn hierop gedraaid en zijn achter de [eenheid 4] aangesloten als tweede voertuig. Wij, verbalisanten, zagen dat de bestuurder van de witte Seat over de Noordlangeweg met hoge snelheid reed richting Dinteloord . Wij zagen dat de bestuurder van de witte Seat een stuk tegengesteld reed over de Noordlangeweg en de middengeleider aan de verkeerde zijde passeerde. Wij zagen dat er verkeer van de andere zijde tegemoet kwam. Wij zagen dat de bestuurder van de witte Seat meerdere keren over de doorgetrokken streep inhaalde en daarbij gevaar veroorzaakte voor de overige weggebruikers. Wij zagen dat de bestuurder van de witte Seat verder reed over de Noordlangeweg wederom richting het centrum van Dinteloord . Bij de rotonde Noordlangeweg x Steenbergseweg sloeg de bestuurder van de witte Seat rechtsaf en ging richting het centrum van Dinteloord . Op de Steenbergseweg werd de bestuurder van de witte Seat afgeremd door het verkeer. Wij zagen dat de [eenheid 4] op het moment dat het tegemoetkomende verkeer voorbij was, hun voertuig oplijnde naast de witte Seat, aan de linkerzijde van de rijbaan. Wij zagen dat de witte Seat een stuurbeweging naar links maakte en de dienstauto van de [eenheid 4] raakte. Wij zagen dat de bestuurder van de witte Seat daardoor de macht over het stuur verloor en een slingerende beweging maakte. Ik, [verbalisant 4] , lijnde ons dienstvoertuig op aan de rechterzijde van de rijbaan, rechts naast de witte Seat. Wij zagen dat de witte Seat de verhoogde stoeprand aan de linkerzijde van de weg raakte. Wij zagen dat de witte Seat naar rechts kwam, vermoedelijk doordat hij de stoeprand had geraakt, en zagen dat de witte Seat ons dienstvoertuig aan de linkervoorzijde raakte. Wij voelden een klap in het voertuig. 3. Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 4 februari 2025 (pg. 90-93), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] : De verdachte gaf mij, [verbalisant 7] , op te zijn genaamd: Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] Geboren: [geboortedag] 1988, te [geboorteplaats] . Wij hoorden dat de verdachte telkens zei dat hij niet ging meewerken aan een speekseltest. Wij hoorde hem zeggen dat hij ook niet ging meewerken aan een bloedproef. Ik, [verbalisant 7] , hoorde dat de verdachte in de ambulance tegen het ambulancepersoneel zei dat hij flakka had gebruikt. Ik, [verbalisant 7] , vermoedde dat de verdachte uitsluitend onder invloed van een stof als bedoeld in artikel 8 lid 1 of 5 Wegenverkeerswet 1994 verkeerde. Ik, [verbalisant 7] , heb de verdachte op 4 februari 2025 gevraagd toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende daartoe geen toestemming. Op 4 februari 2025 om 15:32 uur, te Steenbergseweg, Dinteloord , heb ik, [verbalisant 7] , daartoe in de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen ambtenaar, de verdachte bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994, waarbij de verdachte is meegedeeld, dat een weigering een misdrijf oplevert. De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel. Ik, [verbalisant 7] , hoorde dat de verdachte zei: "Nee." 4. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 20 januari 2025 (pg. 53-56), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde 1] : Plaats delict: [adres 2] Ik doe aangifte van diefstal van mijn voertuig voorzien van het kenteken [kenteken 1] , van het merk Seat, type Ibiza. Op 17 januari 2025 omstreeks 21.00 uur heb ik het pand afgesloten en verlaten. Ik zag dat de Seat daar nog stond. Op zaterdag 18 januari 2025, in de ochtend, kwam ik aan bij mijn garage. Ik zag dat een andere medewerker ter plaatse was. Ik hoorde de andere medewerker zeggen dat er in de nacht een auto was gestolen. Ik keek naar de plek waar ik mijn auto had geparkeerd en ik zag dat het voertuig er niet meer stond. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. 5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2025 (pg. 86-88), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] : Op 4 februari 2025, omstreeks 14.30 uur, hoorde ik van de centralist van het operationeel centrum Bergen op Zoom, dat collega's van de [eenheid 1] een achtervolging hadden op een gestolen voertuig met mogelijk valse kentekenplaten. Ik hoorde vervolgens dat zij doorgaven dat de bestuurder een vuurwapen uit het voertuig had gegooid. Ik, verbalisant [verbalisant 8] , kwam ter plaatse aan de Steenbergseweg in Dinteloord . Ik zag dat de situatie hier onder controle was waarop ik mij direct heb gemeld bij de collega's van de [eenheid 1] . Hierop kwam collega [verbalisant 2] naar mij toe. Ik gaf aan dat ik wilde weten of hij kon vertellen waar het genoemde vuurwapen was weggegooid en dat ik hier mogelijk kon zoeken. Collega [verbalisant 2] stapte vervolgens bij mij in het dienstvoertuig waarna hij mij richting de Noordlangeweg in Dinteloord dirigeerde. [verbalisant 2] gaf aan dat ik moest stoppen ter hoogte van de carpoolplaats aan de Noordlangeweg . Aan de Noordlangeweg , komende vanaf de rijksweg A4, in de richting van Dinteloord , bestaat de Noordlangeweg uit drie weggedeeltes. De hoofdrijbaan Noordlangeweg N268 en aan de linker en richterzijde een ventweg. Gezien vanaf de Rijksweg A4, richting Dinteloord , moest ik van [verbalisant 2] de linker ventweg op. [verbalisant 2] vertelde mij dat vanaf dit punt, tot aan het perceel aan [adres 3] in de tussenberm tussen de ventweg en de hoofdrijbaan het vuurwapen terecht gekomen moest zijn. Ik, verbalisant [verbalisant 8] , besloot hierop om met mijn gecertificeerde diensthond [naam] aangelijnd aan een tienmeterlijn de berm af te speuren. Ik zag dat mijn hond naast een patroonhouder was gaan liggen. Ik vertelde hierop tegen [verbalisant 2] dat mijn hond een patroonhouder had gevonden. Ik, verbalisant [verbalisant 8] , liep hierop ongeveer 10 meter verder waarna ik op eigen zicht een vuurwapen in de berm zag liggen. Ik zag dat dit een zwart handvuurwapen betrof welke in een zwarte foedraal zat. 6. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 4 februari 2025 (pg. 12-13), voor zover inhoudende: Rapporteurts: [verbalisant 8] en [verbalisant 9] Plaats: Noordlangeweg , Dinteloord , binnen de gemeente Steenbergen Datum en tijd: 4 februari 2025 te 15:10 uur Omstandigheden: Naar aanleiding van een achtervolging van collega’s van de [eenheid 1] gespeurd met diensthond. Collega's hadden gezien dat inzittende een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit het voertuig een berm in gooide. Hier met diensthond gespeurd en een alarmpistool met knalpatronen aangetroffen. Deze in beslag genomen en veiliggesteld. Beslagene: [verdachte] Geboren: [geboortedag] 1988, [geboorteplaats] Goednummer: PL2000-2025030079-2823577 7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2025 (pg. 94-99), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10] : Naar aanleiding van het aangetroffen- en in beslag genomen voorwerp heb ik een onderzoek ingesteld met betrekking tot de vraag of dit een (vuur)wapen en/of munitie betreft ingevolge de Wet Wapens en Munitie. Ik heb tijdens mijn onderzoek het volgende waargenomen, uitgevoerd en bevonden. Op 4 februari 2025 ben ik, op verzoek van [verbalisant 8] van het Team Surveillance Honden Zeeland-West-Brabant, ter plaatse gegaan om het voorwerp veilig te stellen. Goednummer: PL2000-2025030079-2823577. Het voorwerp heeft de uiterlijke kenmerken, die ik ambtshave herken, van een alarmpistool van het merk Bruni, type GAP, bestemd voor kaliber 8 mm knalpatronen te verschieten. Het onderzochte alarmpistool heeft de volgende kenmerken: - het heeft een (gedeeltelijk) open loop, die binnenin door een metalen prop volledig is afgesloten; - het kan knalpatronen bevatten van een kaliber groter dan 6 mm, namelijk 8 mm knal; - de ligplaats van de patronen en de gasuitlaat staan niet loodrecht op de loop of de lengterichting van het wapen.
Volledig
Op ruime afstand voor ons stuurde de bestuurder van de witte Seat de auto de berm in en reed over het gras om ons heen. Wij zijn hierop gedraaid en zijn achter de [eenheid 4] aangesloten als tweede voertuig. Wij, verbalisanten, zagen dat de bestuurder van de witte Seat over de Noordlangeweg met hoge snelheid reed richting Dinteloord . Wij zagen dat de bestuurder van de witte Seat een stuk tegengesteld reed over de Noordlangeweg en de middengeleider aan de verkeerde zijde passeerde. Wij zagen dat er verkeer van de andere zijde tegemoet kwam. Wij zagen dat de bestuurder van de witte Seat meerdere keren over de doorgetrokken streep inhaalde en daarbij gevaar veroorzaakte voor de overige weggebruikers. Wij zagen dat de bestuurder van de witte Seat verder reed over de Noordlangeweg wederom richting het centrum van Dinteloord . Bij de rotonde Noordlangeweg x Steenbergseweg sloeg de bestuurder van de witte Seat rechtsaf en ging richting het centrum van Dinteloord . Op de Steenbergseweg werd de bestuurder van de witte Seat afgeremd door het verkeer. Wij zagen dat de [eenheid 4] op het moment dat het tegemoetkomende verkeer voorbij was, hun voertuig oplijnde naast de witte Seat, aan de linkerzijde van de rijbaan. Wij zagen dat de witte Seat een stuurbeweging naar links maakte en de dienstauto van de [eenheid 4] raakte. Wij zagen dat de bestuurder van de witte Seat daardoor de macht over het stuur verloor en een slingerende beweging maakte. Ik, [verbalisant 4] , lijnde ons dienstvoertuig op aan de rechterzijde van de rijbaan, rechts naast de witte Seat. Wij zagen dat de witte Seat de verhoogde stoeprand aan de linkerzijde van de weg raakte. Wij zagen dat de witte Seat naar rechts kwam, vermoedelijk doordat hij de stoeprand had geraakt, en zagen dat de witte Seat ons dienstvoertuig aan de linkervoorzijde raakte. Wij voelden een klap in het voertuig. 3. Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 4 februari 2025 (pg. 90-93), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] : De verdachte gaf mij, [verbalisant 7] , op te zijn genaamd: Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] Geboren: [geboortedag] 1988, te [geboorteplaats] . Wij hoorden dat de verdachte telkens zei dat hij niet ging meewerken aan een speekseltest. Wij hoorde hem zeggen dat hij ook niet ging meewerken aan een bloedproef. Ik, [verbalisant 7] , hoorde dat de verdachte in de ambulance tegen het ambulancepersoneel zei dat hij flakka had gebruikt. Ik, [verbalisant 7] , vermoedde dat de verdachte uitsluitend onder invloed van een stof als bedoeld in artikel 8 lid 1 of 5 Wegenverkeerswet 1994 verkeerde. Ik, [verbalisant 7] , heb de verdachte op 4 februari 2025 gevraagd toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende daartoe geen toestemming. Op 4 februari 2025 om 15:32 uur, te Steenbergseweg, Dinteloord , heb ik, [verbalisant 7] , daartoe in de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen ambtenaar, de verdachte bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994, waarbij de verdachte is meegedeeld, dat een weigering een misdrijf oplevert. De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel. Ik, [verbalisant 7] , hoorde dat de verdachte zei: "Nee." 4. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 20 januari 2025 (pg. 53-56), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde 1] : Plaats delict: [adres 2] Ik doe aangifte van diefstal van mijn voertuig voorzien van het kenteken [kenteken 1] , van het merk Seat, type Ibiza. Op 17 januari 2025 omstreeks 21.00 uur heb ik het pand afgesloten en verlaten. Ik zag dat de Seat daar nog stond. Op zaterdag 18 januari 2025, in de ochtend, kwam ik aan bij mijn garage. Ik zag dat een andere medewerker ter plaatse was. Ik hoorde de andere medewerker zeggen dat er in de nacht een auto was gestolen. Ik keek naar de plek waar ik mijn auto had geparkeerd en ik zag dat het voertuig er niet meer stond. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. 5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2025 (pg. 86-88), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] : Op 4 februari 2025, omstreeks 14.30 uur, hoorde ik van de centralist van het operationeel centrum Bergen op Zoom, dat collega's van de [eenheid 1] een achtervolging hadden op een gestolen voertuig met mogelijk valse kentekenplaten. Ik hoorde vervolgens dat zij doorgaven dat de bestuurder een vuurwapen uit het voertuig had gegooid. Ik, verbalisant [verbalisant 8] , kwam ter plaatse aan de Steenbergseweg in Dinteloord . Ik zag dat de situatie hier onder controle was waarop ik mij direct heb gemeld bij de collega's van de [eenheid 1] . Hierop kwam collega [verbalisant 2] naar mij toe. Ik gaf aan dat ik wilde weten of hij kon vertellen waar het genoemde vuurwapen was weggegooid en dat ik hier mogelijk kon zoeken. Collega [verbalisant 2] stapte vervolgens bij mij in het dienstvoertuig waarna hij mij richting de Noordlangeweg in Dinteloord dirigeerde. [verbalisant 2] gaf aan dat ik moest stoppen ter hoogte van de carpoolplaats aan de Noordlangeweg . Aan de Noordlangeweg , komende vanaf de rijksweg A4, in de richting van Dinteloord , bestaat de Noordlangeweg uit drie weggedeeltes. De hoofdrijbaan Noordlangeweg N268 en aan de linker en richterzijde een ventweg. Gezien vanaf de Rijksweg A4, richting Dinteloord , moest ik van [verbalisant 2] de linker ventweg op. [verbalisant 2] vertelde mij dat vanaf dit punt, tot aan het perceel aan [adres 3] in de tussenberm tussen de ventweg en de hoofdrijbaan het vuurwapen terecht gekomen moest zijn. Ik, verbalisant [verbalisant 8] , besloot hierop om met mijn gecertificeerde diensthond [naam] aangelijnd aan een tienmeterlijn de berm af te speuren. Ik zag dat mijn hond naast een patroonhouder was gaan liggen. Ik vertelde hierop tegen [verbalisant 2] dat mijn hond een patroonhouder had gevonden. Ik, verbalisant [verbalisant 8] , liep hierop ongeveer 10 meter verder waarna ik op eigen zicht een vuurwapen in de berm zag liggen. Ik zag dat dit een zwart handvuurwapen betrof welke in een zwarte foedraal zat. 6. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 4 februari 2025 (pg. 12-13), voor zover inhoudende: Rapporteurts: [verbalisant 8] en [verbalisant 9] Plaats: Noordlangeweg , Dinteloord , binnen de gemeente Steenbergen Datum en tijd: 4 februari 2025 te 15:10 uur Omstandigheden: Naar aanleiding van een achtervolging van collega’s van de [eenheid 1] gespeurd met diensthond. Collega's hadden gezien dat inzittende een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit het voertuig een berm in gooide. Hier met diensthond gespeurd en een alarmpistool met knalpatronen aangetroffen. Deze in beslag genomen en veiliggesteld. Beslagene: [verdachte] Geboren: [geboortedag] 1988, [geboorteplaats] Goednummer: PL2000-2025030079-2823577 7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2025 (pg. 94-99), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10] : Naar aanleiding van het aangetroffen- en in beslag genomen voorwerp heb ik een onderzoek ingesteld met betrekking tot de vraag of dit een (vuur)wapen en/of munitie betreft ingevolge de Wet Wapens en Munitie. Ik heb tijdens mijn onderzoek het volgende waargenomen, uitgevoerd en bevonden. Op 4 februari 2025 ben ik, op verzoek van [verbalisant 8] van het Team Surveillance Honden Zeeland-West-Brabant, ter plaatse gegaan om het voorwerp veilig te stellen. Goednummer: PL2000-2025030079-2823577. Het voorwerp heeft de uiterlijke kenmerken, die ik ambtshave herken, van een alarmpistool van het merk Bruni, type GAP, bestemd voor kaliber 8 mm knalpatronen te verschieten. Het onderzochte alarmpistool heeft de volgende kenmerken: - het heeft een (gedeeltelijk) open loop, die binnenin door een metalen prop volledig is afgesloten; - het kan knalpatronen bevatten van een kaliber groter dan 6 mm, namelijk 8 mm knal; - de ligplaats van de patronen en de gasuitlaat staan niet loodrecht op de loop of de lengterichting van het wapen.
Volledig
Derhalve is dit alarmpistool een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie III, onder 4 van de Wet Wapens en Munitie. 8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2025 met bijlagen (pg. 83-85), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] : Omstreeks 15.15 uur, kwamen wij ter plaatse bij de collega's op de Steenbergseweg in Dinteloord . Wij zagen de volgende voertuigen: - een Audi A6 met het kenteken [kenteken 5] , dit betreft een snel interventie voertuig van de [eenheid 1] en is voorzien van politie striping en optische- en geluidssignalen; - een BMW 1 serie met het kenteken [kenteken 4] , dit betreft een onopvallend dienstvoertuig van de [eenheid 1] en is voorzien van optische- en geluidssignalen; - een Seat Ibiza voorzien van het kenteken [kenteken 1] . De BMW had schade aan de linker voorzijde ter hoogte van het wiel, het voor spatscherm, bumper en linker voordeur. Daarnaast was zat er een gat in de linker koplamp en was de linker voorvelg beschadigd. De betrokken Audi had schade aan de rechtervoorzijde, ter hoogte van de bumper, voorspatscherm en het wiel. 9. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 6 februari 2025 met bijlagen (pg. 39-52), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] , namens Politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties: [aangever] deed aangifte namens het slachtoffer Politie Nederland, Hoofdstraat 54, 3972 LB Driebergen-Rijsenburg , Ik ben namens de Politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties gemachtigd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte van vernieling van de volgende dienstvoertuigen: - het opvallende Snelle Interventie Voertuig voorzien van het kenteken [kenteken 5] , te weten een Audi A6, en - het onopvallende dienstvoertuig, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , te weten een BMW 120i. Voor de omstandigheden van de vernieling van het opvallend dienstvoertuig, voorzien van kenteken [kenteken 5] , verwijs ik naar het volgende proces verbaal: PL2000-2025030038-5, de bevindingen van [eenheid 2] tijdens de vernieling. Voor de omstandigheden van de vernieling van het onopvallend dienstvoertuig, voorzien van kenteken [kenteken 4] , verwijs ik naar het volgende proces verbaal: PL2000-2025030038-15 (het hof begrijpt: PL2000-2025030038-13) , de bevindingen van [eenheid 3] tijdens de vernieling. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. 10. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 februari 2025 (pg. 116-124), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de verdachte [verdachte] : V: Vraag verbalisant A: Antwoord verdachte V: Gisteren op 4 februari 2025 reed je in een witte Seat Ibiza. Je hebt bij de collega's ook een zogenoemde ‘brake check’ gedaan (het onverwacht en onnodig hard op de rem trappen). Wat kan je hierover verklaren? A: Ik zal je eerlijk zeggen, ik had inderdaad drugs op en zal nooit willen stoppen. V: Op het moment dat de collega's jou wilden inhalen heb je op hen ingestuurd en hun opvallende dienstvoertuig geraakt. Vervolgens ben je tegen een onopvallend dienstvoertuig aangereden. Waarom deed je dit? A: Hun stopten gewoon midden op de weg waar ik sta, moet ik dan stoppen? Ze hadden mij er ook langs kunnen laten. V: Had je voordat je in de auto ging rijden verdovende middelen gebruikt? A: Ja. Ik had flakka op. V: Waarom weigerde je de bloedproef? A: Ik bepaal zelf wel of ik bloed afgeef ja of nee, mijn DNA. 11. Het proces-verbaal van verhoor verdachte toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring d.d. 6 februari 2025, los opgenomen in het dossier (pg. 1-3), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] : U vraagt mij hoe het zat met de witte Seat die gestolen blijkt te zijn. Die auto stond bij een kraakpand. Hij stond er met de sleutel erin. Ik nam de auto toen mee. Hij stond er al twee weken. U vraagt mij naar de vernieling van de politieauto’s. Ik zat aan de flakka. Het was een tunnelvisie. Ik wilde ook niet stoppen. Ik stopte zelf niet. We brachten mensen in gevaar. 12. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, d.d. 13 februari 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] : De Seat stond op een terrein bij ons gekraakt pand en stond daar al 2 weken. De sleutel zat er gewoon in en ik ben gewoon met die auto gaan rijden. Ik had flakka gebruikt en raakte in een tunnelvisie. Ze zaten achter mij aan en ik was paranoia door de flakka. Ik heb een paar keer op de rem getrapt. Het alarmpistool was van mij, dat had ik in België gekocht. Bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. II. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde Ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde is namens de verdachte bepleit dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is namens de verdachte aangevoerd dat in het dossier niet is vastgelegd dat de verdachte een van de personen was die door een medewerker op het terrein was gezien. Hierdoor kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte de Seat Ibiza heeft gestolen. Het hof overweegt hierover als volgt. Op 20 januari 2025 is aangifte gedaan van diefstal van de auto, gepleegd op 17 of 18 januari 2025 te Rotterdam. De verdachte is op 4 februari 2025 als bestuurder in het voertuig aangetroffen. Hij heeft vervolgens verklaard dat de auto twee weken bij een kraakpand stond, dat de sleutel in de auto zat en dat hij de auto heeft meegenomen. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af – in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen – dat de verdachte op een tijdstip gelegen in de bewezenverklaarde periode de auto heeft meegenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Het hof overweegt ten overvloede dat van een ‘res nullius’ geen sprake was. Dat de auto volgens de verdachte al enige tijd bij kraakpand stond geparkeerd doet daar niet aan af. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde is door de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is namens de verdachte aangevoerd dat opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging van de dienstvoertuigen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De aanrijding en de daaruit volgende schade was namelijk het gevolg van de ‘inboxprocedure’ die door de politie werd uitgevoerd. Daarnaast is namens de verdachte bepleit dat een van de dienstvoertuigen inreed op de verdachte, waardoor de verdachte tegen het andere dienstvoertuig aanbotste. Het hof overweegt hierover als volgt. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is het de verdachte geweest die heeft ingestuurd op het dienstvoertuig van de verbalisanten, waarna hij twee dienstvoertuigen heeft geraakt en heeft beschadigd. Het hof neemt daarbij in aanmerking het zeer gevaarlijke rijgedrag dat de verdachte heeft vertoond voorafgaand aan het veroorzaken van deze schades en zijn verklaring dat hij nooit voor de politie zou zijn gestopt. Het hof begrijpt hieruit dat de verdachte er alles aan deed om aan de politie te ontkomen en minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het tijdens deze vlucht veroorzaken van schades aan de hem achtervolgende politievoertuigen. Het verweer van de raadsman vindt voor het overige zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en wordt aldus verworpen.
Volledig
Derhalve is dit alarmpistool een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie III, onder 4 van de Wet Wapens en Munitie. 8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2025 met bijlagen (pg. 83-85), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] : Omstreeks 15.15 uur, kwamen wij ter plaatse bij de collega's op de Steenbergseweg in Dinteloord . Wij zagen de volgende voertuigen: - een Audi A6 met het kenteken [kenteken 5] , dit betreft een snel interventie voertuig van de [eenheid 1] en is voorzien van politie striping en optische- en geluidssignalen; - een BMW 1 serie met het kenteken [kenteken 4] , dit betreft een onopvallend dienstvoertuig van de [eenheid 1] en is voorzien van optische- en geluidssignalen; - een Seat Ibiza voorzien van het kenteken [kenteken 1] . De BMW had schade aan de linker voorzijde ter hoogte van het wiel, het voor spatscherm, bumper en linker voordeur. Daarnaast was zat er een gat in de linker koplamp en was de linker voorvelg beschadigd. De betrokken Audi had schade aan de rechtervoorzijde, ter hoogte van de bumper, voorspatscherm en het wiel. 9. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 6 februari 2025 met bijlagen (pg. 39-52), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] , namens Politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties: [aangever] deed aangifte namens het slachtoffer Politie Nederland, Hoofdstraat 54, 3972 LB Driebergen-Rijsenburg , Ik ben namens de Politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties gemachtigd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte van vernieling van de volgende dienstvoertuigen: - het opvallende Snelle Interventie Voertuig voorzien van het kenteken [kenteken 5] , te weten een Audi A6, en - het onopvallende dienstvoertuig, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , te weten een BMW 120i. Voor de omstandigheden van de vernieling van het opvallend dienstvoertuig, voorzien van kenteken [kenteken 5] , verwijs ik naar het volgende proces verbaal: PL2000-2025030038-5, de bevindingen van [eenheid 2] tijdens de vernieling. Voor de omstandigheden van de vernieling van het onopvallend dienstvoertuig, voorzien van kenteken [kenteken 4] , verwijs ik naar het volgende proces verbaal: PL2000-2025030038-15 (het hof begrijpt: PL2000-2025030038-13) , de bevindingen van [eenheid 3] tijdens de vernieling. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. 10. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 februari 2025 (pg. 116-124), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de verdachte [verdachte] : V: Vraag verbalisant A: Antwoord verdachte V: Gisteren op 4 februari 2025 reed je in een witte Seat Ibiza. Je hebt bij de collega's ook een zogenoemde ‘brake check’ gedaan (het onverwacht en onnodig hard op de rem trappen). Wat kan je hierover verklaren? A: Ik zal je eerlijk zeggen, ik had inderdaad drugs op en zal nooit willen stoppen. V: Op het moment dat de collega's jou wilden inhalen heb je op hen ingestuurd en hun opvallende dienstvoertuig geraakt. Vervolgens ben je tegen een onopvallend dienstvoertuig aangereden. Waarom deed je dit? A: Hun stopten gewoon midden op de weg waar ik sta, moet ik dan stoppen? Ze hadden mij er ook langs kunnen laten. V: Had je voordat je in de auto ging rijden verdovende middelen gebruikt? A: Ja. Ik had flakka op. V: Waarom weigerde je de bloedproef? A: Ik bepaal zelf wel of ik bloed afgeef ja of nee, mijn DNA. 11. Het proces-verbaal van verhoor verdachte toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring d.d. 6 februari 2025, los opgenomen in het dossier (pg. 1-3), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] : U vraagt mij hoe het zat met de witte Seat die gestolen blijkt te zijn. Die auto stond bij een kraakpand. Hij stond er met de sleutel erin. Ik nam de auto toen mee. Hij stond er al twee weken. U vraagt mij naar de vernieling van de politieauto’s. Ik zat aan de flakka. Het was een tunnelvisie. Ik wilde ook niet stoppen. Ik stopte zelf niet. We brachten mensen in gevaar. 12. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, d.d. 13 februari 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] : De Seat stond op een terrein bij ons gekraakt pand en stond daar al 2 weken. De sleutel zat er gewoon in en ik ben gewoon met die auto gaan rijden. Ik had flakka gebruikt en raakte in een tunnelvisie. Ze zaten achter mij aan en ik was paranoia door de flakka. Ik heb een paar keer op de rem getrapt. Het alarmpistool was van mij, dat had ik in België gekocht. Bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. II. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde Ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde is namens de verdachte bepleit dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is namens de verdachte aangevoerd dat in het dossier niet is vastgelegd dat de verdachte een van de personen was die door een medewerker op het terrein was gezien. Hierdoor kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte de Seat Ibiza heeft gestolen. Het hof overweegt hierover als volgt. Op 20 januari 2025 is aangifte gedaan van diefstal van de auto, gepleegd op 17 of 18 januari 2025 te Rotterdam. De verdachte is op 4 februari 2025 als bestuurder in het voertuig aangetroffen. Hij heeft vervolgens verklaard dat de auto twee weken bij een kraakpand stond, dat de sleutel in de auto zat en dat hij de auto heeft meegenomen. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af – in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen – dat de verdachte op een tijdstip gelegen in de bewezenverklaarde periode de auto heeft meegenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Het hof overweegt ten overvloede dat van een ‘res nullius’ geen sprake was. Dat de auto volgens de verdachte al enige tijd bij kraakpand stond geparkeerd doet daar niet aan af. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde is door de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is namens de verdachte aangevoerd dat opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging van de dienstvoertuigen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De aanrijding en de daaruit volgende schade was namelijk het gevolg van de ‘inboxprocedure’ die door de politie werd uitgevoerd. Daarnaast is namens de verdachte bepleit dat een van de dienstvoertuigen inreed op de verdachte, waardoor de verdachte tegen het andere dienstvoertuig aanbotste. Het hof overweegt hierover als volgt. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is het de verdachte geweest die heeft ingestuurd op het dienstvoertuig van de verbalisanten, waarna hij twee dienstvoertuigen heeft geraakt en heeft beschadigd. Het hof neemt daarbij in aanmerking het zeer gevaarlijke rijgedrag dat de verdachte heeft vertoond voorafgaand aan het veroorzaken van deze schades en zijn verklaring dat hij nooit voor de politie zou zijn gestopt. Het hof begrijpt hieruit dat de verdachte er alles aan deed om aan de politie te ontkomen en minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het tijdens deze vlucht veroorzaken van schades aan de hem achtervolgende politievoertuigen. Het verweer van de raadsman vindt voor het overige zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en wordt aldus verworpen.
Volledig
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, op wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: diefstal. Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Het onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde is door de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging omdat zonder meer aannemelijk is dat bij verdachte geen sprake was van ‘informed consent’ in verband met de weigering van medewerking aan het bloedonderzoek. Het hof overweegt hierover als volgt. Uit het proces-verbaal rijden onder invloed van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (pg. 90-93) volgt dat de verdachte op 4 februari 2025 om 15:07 uur werd gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. De verdachte heeft aan dit onderzoek zijn medewerking verleend. Vervolgens is hem om 15:08 uur gevorderd om mee te werken aan een speekseltest. De verdachte weigerde dit en heeft op dat moment ook gezegd dat hij niet ging meewerken aan een bloedproef. Uit het proces-verbaal leidt het hof af dat de verdachte tegen ambulancepersoneel had gezegd dat hij flakka had gebruikt en dat dit de directe aanleiding vormde om de verdachte te bevelen zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Verbalisant [verbalisant 7] beschrijft in het proces-verbaal dat hij om 15:32 uur – het hof begrijpt uit het voorgaande: nadat de verdachte door ambulancepersoneel is gezien – dit bevel gaf en dat hij daarbij ook heeft meegedeeld dat weigeren een misdrijf oplevert. Naar het oordeel van het hof volgt uit deze feiten en omstandigheden genoegzaam dat de verdachte is geïnformeerd over de gevolgen van het niet opvolgen van het bevel om medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek en dat de verdachte voldoende in staat was om dit te begrijpen, maar desondanks zijn medewerking heeft geweigerd. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt dan ook verworpen. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van twaalf maanden. Namens de verdachte is bepleit dat als het hof tot een bewezenverklaring komt, de verdachte schuldig dient te worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een personenauto. Door te handelen zoals bewezen is verklaard, heeft de verdachte blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Hij heeft kennelijk slechts gehandeld uit het oogpunt van zijn eigen gewin. Tevens is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een alarmpistool. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de maatschappij met zich. Dergelijke feiten dragen bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij, terwijl hij werd achtervolgd door de politie omdat hij in een gestolen voertuig reed en naar eigen zeggen onder invloed was van flakka, zich schuldig heeft gemaakt aan de beschadiging van twee dienstvoertuigen van de Politie Nederland. Door te handelen zoals bewezenverklaard heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Bovendien heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s genomen bij het plegen van dit feit. Door te handelen zoals bewezenverklaard heeft hij een gevaarlijke en beangstigende situatie gecreëerd die veel ernstiger had kunnen aflopen. Het hof neemt dit de verdachte bijzonder kwalijk. Ten laste van de verdachte is tot slot bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, door te weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek. Door aldus te handelen heeft hij verhinderd dat kon worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, hij onder invloed van alcohol en/of drugs verkeerde. De verplichting om aan dergelijke bevelen gevolg te geven bestaat mede ter bevordering van de verkeersveiligheid, die in gevaar wordt gebracht wanneer er onder invloed van alcohol en/of drugs aan het verkeer wordt deelgenomen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde al meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten, onder meer tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen. Bovendien liep de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf. Deze omstandigheden hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een soortgelijk strafbaar feit. Naar het oordeel van het hof kan in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het is begaan, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.700,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. Het hof heeft ter terechtzitting opgemerkt dat de vordering tot schadevergoeding op naam is gesteld van aangever [benadeelde 1] , maar is ondertekend door [betrokkene] .
Volledig
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, op wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: diefstal. Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Het onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde is door de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging omdat zonder meer aannemelijk is dat bij verdachte geen sprake was van ‘informed consent’ in verband met de weigering van medewerking aan het bloedonderzoek. Het hof overweegt hierover als volgt. Uit het proces-verbaal rijden onder invloed van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (pg. 90-93) volgt dat de verdachte op 4 februari 2025 om 15:07 uur werd gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. De verdachte heeft aan dit onderzoek zijn medewerking verleend. Vervolgens is hem om 15:08 uur gevorderd om mee te werken aan een speekseltest. De verdachte weigerde dit en heeft op dat moment ook gezegd dat hij niet ging meewerken aan een bloedproef. Uit het proces-verbaal leidt het hof af dat de verdachte tegen ambulancepersoneel had gezegd dat hij flakka had gebruikt en dat dit de directe aanleiding vormde om de verdachte te bevelen zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Verbalisant [verbalisant 7] beschrijft in het proces-verbaal dat hij om 15:32 uur – het hof begrijpt uit het voorgaande: nadat de verdachte door ambulancepersoneel is gezien – dit bevel gaf en dat hij daarbij ook heeft meegedeeld dat weigeren een misdrijf oplevert. Naar het oordeel van het hof volgt uit deze feiten en omstandigheden genoegzaam dat de verdachte is geïnformeerd over de gevolgen van het niet opvolgen van het bevel om medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek en dat de verdachte voldoende in staat was om dit te begrijpen, maar desondanks zijn medewerking heeft geweigerd. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt dan ook verworpen. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van twaalf maanden. Namens de verdachte is bepleit dat als het hof tot een bewezenverklaring komt, de verdachte schuldig dient te worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een personenauto. Door te handelen zoals bewezen is verklaard, heeft de verdachte blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Hij heeft kennelijk slechts gehandeld uit het oogpunt van zijn eigen gewin. Tevens is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een alarmpistool. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de maatschappij met zich. Dergelijke feiten dragen bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij, terwijl hij werd achtervolgd door de politie omdat hij in een gestolen voertuig reed en naar eigen zeggen onder invloed was van flakka, zich schuldig heeft gemaakt aan de beschadiging van twee dienstvoertuigen van de Politie Nederland. Door te handelen zoals bewezenverklaard heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Bovendien heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s genomen bij het plegen van dit feit. Door te handelen zoals bewezenverklaard heeft hij een gevaarlijke en beangstigende situatie gecreëerd die veel ernstiger had kunnen aflopen. Het hof neemt dit de verdachte bijzonder kwalijk. Ten laste van de verdachte is tot slot bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, door te weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek. Door aldus te handelen heeft hij verhinderd dat kon worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, hij onder invloed van alcohol en/of drugs verkeerde. De verplichting om aan dergelijke bevelen gevolg te geven bestaat mede ter bevordering van de verkeersveiligheid, die in gevaar wordt gebracht wanneer er onder invloed van alcohol en/of drugs aan het verkeer wordt deelgenomen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde al meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten, onder meer tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen. Bovendien liep de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf. Deze omstandigheden hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een soortgelijk strafbaar feit. Naar het oordeel van het hof kan in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het is begaan, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.700,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. Het hof heeft ter terechtzitting opgemerkt dat de vordering tot schadevergoeding op naam is gesteld van aangever [benadeelde 1] , maar is ondertekend door [betrokkene] .
Volledig
Bij de vordering is een factuur gevoegd van ‘ [bedrijf] ’ die betrekking heeft op de aankoop van een Seat Ibiza met kenteken [kenteken 1] (het hof begrijpt: de auto zoals tenlastegelegd onder feit 2 die betrokken is geweest bij de achtervolging die heeft geleid tot feit 4) . Dit betreft volgens de aangifte een garagebedrijf dat aan [benadeelde 1] toebehoort. Het is het hof niet duidelijk of deze auto toebehoort aan [benadeelde 1] of aan [bedrijf] . Bovendien blijkt niet uit het voegingsformulier dat [betrokkene] gemachtigd of bevoegd is om namens [benadeelde 1] of [bedrijf] een vordering tot schadevergoeding in te dienen. In hoger beroep is niet gebleken dat de benadeelde partij de vordering wenst te handhaven. De benadeelde partij zou de mogelijkheid geboden dienen te worden om de hiervoor genoemde gebreken desgewenst te herstellen. Daartoe zou het onderzoek ter terechtzitting moeten worden heropend. Het hof is van oordeel dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarom zal het hof bepalen dat de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een periode van 6 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zeeland-West-Brabant van 11 september 2023 onder parketnummer 96-266135-22. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een periode van 6 maanden dient te worden gelast. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden ; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden ; vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] : bepaalt dat de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij [benadeelde 1] deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil; vordering tenuitvoerlegging beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 september 2023, parketnummer 96-266135-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden . Aldus gewezen door: mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter, mr. A.C. Bosch en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap en mr. R.A.C.G. Heijse, griffiers, en op 14 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Volledig
Bij de vordering is een factuur gevoegd van ‘ [bedrijf] ’ die betrekking heeft op de aankoop van een Seat Ibiza met kenteken [kenteken 1] (het hof begrijpt: de auto zoals tenlastegelegd onder feit 2 die betrokken is geweest bij de achtervolging die heeft geleid tot feit 4) . Dit betreft volgens de aangifte een garagebedrijf dat aan [benadeelde 1] toebehoort. Het is het hof niet duidelijk of deze auto toebehoort aan [benadeelde 1] of aan [bedrijf] . Bovendien blijkt niet uit het voegingsformulier dat [betrokkene] gemachtigd of bevoegd is om namens [benadeelde 1] of [bedrijf] een vordering tot schadevergoeding in te dienen. In hoger beroep is niet gebleken dat de benadeelde partij de vordering wenst te handhaven. De benadeelde partij zou de mogelijkheid geboden dienen te worden om de hiervoor genoemde gebreken desgewenst te herstellen. Daartoe zou het onderzoek ter terechtzitting moeten worden heropend. Het hof is van oordeel dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarom zal het hof bepalen dat de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een periode van 6 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zeeland-West-Brabant van 11 september 2023 onder parketnummer 96-266135-22. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een periode van 6 maanden dient te worden gelast. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden ; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden ; vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] : bepaalt dat de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij [benadeelde 1] deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil; vordering tenuitvoerlegging beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 september 2023, parketnummer 96-266135-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden . Aldus gewezen door: mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter, mr. A.C. Bosch en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap en mr. R.A.C.G. Heijse, griffiers, en op 14 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.