Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-04-16
ECLI:NL:GHSHE:2026:1006
Strafrecht
Hoger beroep
48,574 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1006 text/xml public 2026-04-17T15:32:23 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-16 20-003060-21 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1006 text/html public 2026-04-17T15:30:40 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1006 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-04-2026 / 20-003060-21 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijke leidinggeven aan (het medeplegen van) witwassen (feiten 1 en 2), valsheid in geschrift (feit 3) en het doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting (feit 5). Parketnummer : 20-003060-21 Uitspraak : 16 april 2026 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 23 december 2021 in de strafzaak met parketnummer 01/997519-16 tegen: [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1936, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, doch wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van: het medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 1, primair), witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven (feit 2, primair), valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 3, primair), valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 4, primair) en het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 5, primair), veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van voorarrest. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 oktober 2024, 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025, 15 januari 2026, 5 maart 2026 en 16 april 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaten-generaal (hierna gezamenlijk: de advocaat-generaal) hebben gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, waarvan 611 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. De verdediging heeft primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde. Subsidiair is bewijsuitsluiting en integrale vrijspraak van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde bepleit. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging De verdediging heeft ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde primair betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte. Subsidiair is betoogd dat het onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie moet leiden tot bewijsuitsluiting. Meer subsidiair is verzocht om vanwege de hieronder genoemde onrechtmatigheden strafvermindering toe te passen. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd. A. De start van het strafrechtelijk onderzoek is onrechtmatig geweest, omdat het proces-verbaal van aanvang onderzoek d.d. 17 december 2015, proces-verbaalnummer: 26 (hierna: PV26) onvoldoende grond biedt om de verdachte aan te merken als verdachte in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dit betekent dat het Openbaar Ministerie op oneigenlijke gronden een veelvoud aan vervolgingsmaatregelen, opsporingsmiddelen en dwangmiddelen heeft ingezet, waaronder de heimelijke doorzoeking in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] (hierna: [verdachte rechtspersoon 1] ) op 19 maart 2017. Naast het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld, was deze heimelijke doorzoeking tevens onrechtmatig omdat: (a) [verdachte rechtspersoon 1] ten tijde van de heimelijke doorzoeking (nog) niet als verdachte was aangemerkt, (b) het bevel ex artikel 126k Sv op basis waarvan de heimelijke doorzoeking heeft plaatsgevonden niet de bevoegdheid geeft om in een besloten plaats stukken te kopiëren en te scannen, (c) het beginsel van zuiverheid van oogmerk is geschonden doordat de bevoegdheid met een ander doel is gebruikt dan waarvoor zij was verleend en (d) artikel 8 EVRM (het recht op privacy) is geschonden doordat geen voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, dan wel dat de op basis van de bij de heimelijke doorzoeking verzamelde informatie opgemaakte processen-verbaal van verdenking witwassen [verdachte rechtspersoon 1] , [verdachte rechtspersoon 2] , [verdachte rechtspersoon 3] , [verdachte rechtspersoon 4] d.d. 16 mei 2017, proces-verbaalnummer 1023 (hierna: PV1023) en van verdenking fiscale fraude en valsheid in geschrift door [verdachte rechtspersoon 1] d.d. 13 juni 2017, proces-verbaalnummer: 1033 (hierna: PV1033) van het bewijs moeten worden uitgesloten. Het Anti Money Laundering Centre (hierna: AMLC ), een samenwerkingsverband zonder zelfstandige opsporingsbevoegdheid, heeft voorafgaand aan PV26 onrechtmatig de grens naar opsporing overschreden door stelselmatig gegevens te verzamelen, observaties te doen en informatie te raadplegen uit niet-openbare bronnen. Dit is strijdig met artikel 27 Sv en artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM). De “Case Synopsis” (D82, pg. 30026) die zogenaamd spontaan uit [plaats 1] is ontvangen is buiten elke wettelijke procedure verkregen en had niet als bewijs of startindicatie in de onderhavige strafzaak mogen worden gebruikt. De verdediging is niet in staat de herkomst en rechtmatigheid van dit document te toetsen, omdat het ongedateerd, ongetekend en zonder enige authenticatie is. De informatie is via een oncontroleerbare omweg in het strafdossier gebracht. Gelet op het [naam] -arrest van het EHRM heeft het hof door het afwijzen van de getuigenverzoeken van de verdediging het recht op een eerlijk proces (het beginsel van equality of arms) geschonden. Vooraf Algemeen kader Bij de beoordeling van de namens de verdachte gevoerde ontvankelijkheidsverweren stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge artikel 359a, lid 1, Sv kan de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de hoogte van de straf zal worden verlaagd, de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging. De Hoge Raad heeft in onder meer zijn arresten van 30 maart 2004 en 19 februari 2013 uiteengezet wanneer sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en aan welke (wettelijke) voorwaarden moet worden voldaan voordat toepassing kan worden gegeven aan één van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1006 text/xml public 2026-04-17T15:32:23 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-16 20-003060-21 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1006 text/html public 2026-04-17T15:30:40 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1006 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-04-2026 / 20-003060-21 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijke leidinggeven aan (het medeplegen van) witwassen (feiten 1 en 2), valsheid in geschrift (feit 3) en het doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting (feit 5). Parketnummer : 20-003060-21 Uitspraak : 16 april 2026 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 23 december 2021 in de strafzaak met parketnummer 01/997519-16 tegen: [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1936, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, doch wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van: het medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 1, primair), witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven (feit 2, primair), valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 3, primair), valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 4, primair) en het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 5, primair), veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van voorarrest. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 oktober 2024, 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025, 15 januari 2026, 5 maart 2026 en 16 april 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaten-generaal (hierna gezamenlijk: de advocaat-generaal) hebben gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, waarvan 611 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. De verdediging heeft primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde. Subsidiair is bewijsuitsluiting en integrale vrijspraak van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde bepleit. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging De verdediging heeft ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde primair betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte. Subsidiair is betoogd dat het onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie moet leiden tot bewijsuitsluiting. Meer subsidiair is verzocht om vanwege de hieronder genoemde onrechtmatigheden strafvermindering toe te passen. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd. A. De start van het strafrechtelijk onderzoek is onrechtmatig geweest, omdat het proces-verbaal van aanvang onderzoek d.d. 17 december 2015, proces-verbaalnummer: 26 (hierna: PV26) onvoldoende grond biedt om de verdachte aan te merken als verdachte in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dit betekent dat het Openbaar Ministerie op oneigenlijke gronden een veelvoud aan vervolgingsmaatregelen, opsporingsmiddelen en dwangmiddelen heeft ingezet, waaronder de heimelijke doorzoeking in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] (hierna: [verdachte rechtspersoon 1] ) op 19 maart 2017. Naast het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld, was deze heimelijke doorzoeking tevens onrechtmatig omdat: (a) [verdachte rechtspersoon 1] ten tijde van de heimelijke doorzoeking (nog) niet als verdachte was aangemerkt, (b) het bevel ex artikel 126k Sv op basis waarvan de heimelijke doorzoeking heeft plaatsgevonden niet de bevoegdheid geeft om in een besloten plaats stukken te kopiëren en te scannen, (c) het beginsel van zuiverheid van oogmerk is geschonden doordat de bevoegdheid met een ander doel is gebruikt dan waarvoor zij was verleend en (d) artikel 8 EVRM (het recht op privacy) is geschonden doordat geen voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, dan wel dat de op basis van de bij de heimelijke doorzoeking verzamelde informatie opgemaakte processen-verbaal van verdenking witwassen [verdachte rechtspersoon 1] , [verdachte rechtspersoon 2] , [verdachte rechtspersoon 3] , [verdachte rechtspersoon 4] d.d. 16 mei 2017, proces-verbaalnummer 1023 (hierna: PV1023) en van verdenking fiscale fraude en valsheid in geschrift door [verdachte rechtspersoon 1] d.d. 13 juni 2017, proces-verbaalnummer: 1033 (hierna: PV1033) van het bewijs moeten worden uitgesloten. Het Anti Money Laundering Centre (hierna: AMLC ), een samenwerkingsverband zonder zelfstandige opsporingsbevoegdheid, heeft voorafgaand aan PV26 onrechtmatig de grens naar opsporing overschreden door stelselmatig gegevens te verzamelen, observaties te doen en informatie te raadplegen uit niet-openbare bronnen. Dit is strijdig met artikel 27 Sv en artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM). De “Case Synopsis” (D82, pg. 30026) die zogenaamd spontaan uit [plaats 1] is ontvangen is buiten elke wettelijke procedure verkregen en had niet als bewijs of startindicatie in de onderhavige strafzaak mogen worden gebruikt. De verdediging is niet in staat de herkomst en rechtmatigheid van dit document te toetsen, omdat het ongedateerd, ongetekend en zonder enige authenticatie is. De informatie is via een oncontroleerbare omweg in het strafdossier gebracht. Gelet op het [naam] -arrest van het EHRM heeft het hof door het afwijzen van de getuigenverzoeken van de verdediging het recht op een eerlijk proces (het beginsel van equality of arms) geschonden. Vooraf Algemeen kader Bij de beoordeling van de namens de verdachte gevoerde ontvankelijkheidsverweren stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge artikel 359a, lid 1, Sv kan de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de hoogte van de straf zal worden verlaagd, de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging. De Hoge Raad heeft in onder meer zijn arresten van 30 maart 2004 en 19 februari 2013 uiteengezet wanneer sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en aan welke (wettelijke) voorwaarden moet worden voldaan voordat toepassing kan worden gegeven aan één van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen.
Volledig
In zijn overzichtsarrest van 1 december 2020 overwoog de Hoge Raad onder meer als volgt. In het strafproces staat centraal dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Op de strafrechter rust niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat. Toepassing van artikel 359a Sv kan ertoe strekken dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek. Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie: “Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.” De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – ‘the proceedings as a whole were not fair’ . In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelde de Hoge Raad in 2020 de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Bewijsuitsluiting De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013 drie categorieën van gevallen onderscheiden waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim. In zijn arrest van 1 december 2020 heeft de Hoge Raad dit teruggebracht tot twee categorieën, te weten: i) gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen en ii) gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In het tweede geval geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a, lid 2, Sv genoemde beoordelingsfactoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, en met inachtneming van het uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan. Naast de gevallen als voornoemd kan bewijsuitsluiting tevens aan de orde komen indien zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt. Strafvermindering als strafprocessuele sanctie De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 met betrekking tot strafvermindering als aan een vormverzuim te verbinden rechtsgevolg onder meer het volgende overwogen: “Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt (...) slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.” Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.
Volledig
In zijn overzichtsarrest van 1 december 2020 overwoog de Hoge Raad onder meer als volgt. In het strafproces staat centraal dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Op de strafrechter rust niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat. Toepassing van artikel 359a Sv kan ertoe strekken dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek. Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie: “Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.” De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – ‘the proceedings as a whole were not fair’ . In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelde de Hoge Raad in 2020 de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Bewijsuitsluiting De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013 drie categorieën van gevallen onderscheiden waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim. In zijn arrest van 1 december 2020 heeft de Hoge Raad dit teruggebracht tot twee categorieën, te weten: i) gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen en ii) gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In het tweede geval geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a, lid 2, Sv genoemde beoordelingsfactoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, en met inachtneming van het uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan. Naast de gevallen als voornoemd kan bewijsuitsluiting tevens aan de orde komen indien zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt. Strafvermindering als strafprocessuele sanctie De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 met betrekking tot strafvermindering als aan een vormverzuim te verbinden rechtsgevolg onder meer het volgende overwogen: “Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt (...) slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.” Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.
Volledig
Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit het uitgangspunt dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek. Door het verbinden van strafvermindering als rechtsgevolg aan een vormverzuim, brengt de rechter tot uitdrukking dat het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. In de toepassing van strafvermindering ligt dan ook een krachtiger, in de mate van strafvermindering tot uitdrukking te brengen afkeuring van het vormverzuim besloten dan in die enkele constatering. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg, dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. Gelet op het uitgangspunt van subsidiariteit is het aangewezen dat indien grond bestaat voor het verbinden van een rechtsgevolg aan het vormverzuim en het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel zich laat compenseren door strafvermindering, daarmee wordt volstaan. De toepassing van strafvermindering heeft immers in het licht van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen aanmerkelijk minder verstrekkende of willekeurige consequenties dan niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging of – onder omstandigheden, afhankelijk van het resterende bewijsmateriaal en de redengevendheid daarvan voor een eventuele bewezenverklaring – de toepassing van bewijsuitsluiting. Aan een verweer te stellen eisen Van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv wordt verlangd, dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren genoemd in artikel 359a, lid 2, Sv – te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt – wordt aangegeven tot welk in artikel 359a, lid 1, Sv omschreven rechtsgevolg het vermeende vormverzuim dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. Beoordeling van de feitelijke grondslag van verweren Indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot een van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen, moet de rechter beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Bij dat onderzoek naar de feitelijke grondslag kan de rechter zich beperken tot die vaststellingen die in verband met de beslissing over het in het verweer genoemde rechtsgevolg noodzakelijk zijn. De rechter kan echter een dergelijk verweer zonder onderzoek naar de feitelijke grondslag daarvan verwerpen indien hij tot het oordeel komt dat wat is aangevoerd – ware het juist – niet noopt tot één van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen, bijvoorbeeld omdat het aangevoerde hooguit kan leiden tot de enkele constatering van een vormverzuim. Beoordeling Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader oordeelt het hof als volgt. A.1. Start strafrechtelijk onderzoek en PV26 Het hof stelt aan de hand van het dossier vast dat de aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is gelegen in het feit dat de vennootschap [verdachte rechtspersoon 5] (hierna: [verdachte rechtspersoon 5] ) bij een onderzoek door het Regionale Informatie- en Expertisecentrum (hierna: RIEC) Midden Nederland naar de aankoop van een jachthaven in Loosdrecht in 2014 in beeld kwam als financier van deze aankoop. Tijdens het onderzoek naar de aankoop van deze jachthaven is vastgesteld dat [verdachte rechtspersoon 5] voor kwam in een strafrechtelijk onderzoek van de politie Midden-Nederland waarin er sprake was van een financiering van een 4-tal recreatieparken voor een bedrag van € 4.500.000,- door [verdachte rechtspersoon 5] ( feit 2 ). Het vorenstaande is de aanleiding geweest om nader onderzoek te doen naar [verdachte rechtspersoon 5] en de verantwoordelijke personen binnen deze onderneming. Het doel van dit onderzoek was om na te gaan of [verdachte rechtspersoon 5] in Nederland en in het buitenland meer financieringen had uitstaan en of deze financieringen mogelijk met uit enig misdrijf verkregen gelden zouden zijn gefinancierd. Uit dat onderzoek zijn onder meer de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen: [verdachte] is vanaf de oprichting van [verdachte rechtspersoon 5] in 1997 als directeur en aandeelhouder betrokken; Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) is vanaf 2013 als aandeelhouder betrokken bij [verdachte rechtspersoon 5] ; [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn betrokken bij een groot aantal buitenlandse rechtspersonen, met name offshore companies; [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn beiden al jaren geleden uitgeschreven uit Nederland. Het is onbekend wat zij sinds dat moment hebben gedaan c.q. wat de herkomst van hun vermogen is; [verdachte rechtspersoon 5] is niet terug te vinden (behoudens bij de Kamer van Koophandel in [plaats 2] ) in openbare bronnen als zijnde een investeerder en financier van onroerend goed; Het bedrijf heeft geen website en maakt geen reclame voor haar activiteiten; Het vestigingsadres van [verdachte rechtspersoon 5] is een Secretary (trustkantoor) in een bedrijfsverzamelgebouw in [plaats 2] ; [verdachte rechtspersoon 5] is een offshore company uit [plaats 2] , waar de jaarstukken niet hoeven te worden gedeponeerd; Er is geen duidelijkheid over waar de daadwerkelijke administratie gevoerd wordt van [verdachte rechtspersoon 5] en/of de andere aan [verdachte] en [medeverdachte 1] gelieerde buitenlandse ondernemingen; Op een drietal facturen van [verdachte rechtspersoon 5] is een Nederlands mobiel telefoonnummer vermeld als contact; er is geen telefoonnummer van [verdachte rechtspersoon 5] in [plaats 2] vermeld; Op deze facturen van [verdachte rechtspersoon 5] is als contact email adres vermeld: [e-mailadres] , dit bedrijf heeft zichtbaar geen enkele relatie met [verdachte rechtspersoon 5] . Kennelijk beschikt [verdachte rechtspersoon 5] niet over een eigen e-mailadres en/of internetdomein; Op deze drie facturen van [verdachte rechtspersoon 5] is een postadres vermeld in [plaats 3] , Nederland. Dit adres in [plaats 3] is tevens het vestigingsadres van een drietal ondernemingen, die direct of indirect zijn gelieerd aan [verdachte] en [medeverdachte 1] ; De financiële betrokkenheid van [verdachte rechtspersoon 5] in onroerend goed in Nederland en in het buitenland bedroeg in 2015 tenminste € 35.348.000,-; De leningen worden verstrekt aan ondernemingen/personen die op een reguliere wijze (in Nederland geregistreerde financiers) geen dan wel zeer moeilijk financieringen kunnen verkrijgen omdat zij reeds in een niet rooskleurige financiële positie verkeren en/of in onderzoek zijn bij de justitiële autoriteiten; De overeengekomen rentepercentages liggen tussen de 7% en 10%. Dit is opmerkelijk hoger dan het reguliere percentage dat Nederlandse financiële instellingen rekenen; Een van de personen waaraan een lening wordt verstrekt is [betrokkene 1] .
Volledig
Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit het uitgangspunt dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek. Door het verbinden van strafvermindering als rechtsgevolg aan een vormverzuim, brengt de rechter tot uitdrukking dat het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. In de toepassing van strafvermindering ligt dan ook een krachtiger, in de mate van strafvermindering tot uitdrukking te brengen afkeuring van het vormverzuim besloten dan in die enkele constatering. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg, dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. Gelet op het uitgangspunt van subsidiariteit is het aangewezen dat indien grond bestaat voor het verbinden van een rechtsgevolg aan het vormverzuim en het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel zich laat compenseren door strafvermindering, daarmee wordt volstaan. De toepassing van strafvermindering heeft immers in het licht van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen aanmerkelijk minder verstrekkende of willekeurige consequenties dan niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging of – onder omstandigheden, afhankelijk van het resterende bewijsmateriaal en de redengevendheid daarvan voor een eventuele bewezenverklaring – de toepassing van bewijsuitsluiting. Aan een verweer te stellen eisen Van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv wordt verlangd, dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren genoemd in artikel 359a, lid 2, Sv – te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt – wordt aangegeven tot welk in artikel 359a, lid 1, Sv omschreven rechtsgevolg het vermeende vormverzuim dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. Beoordeling van de feitelijke grondslag van verweren Indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot een van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen, moet de rechter beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Bij dat onderzoek naar de feitelijke grondslag kan de rechter zich beperken tot die vaststellingen die in verband met de beslissing over het in het verweer genoemde rechtsgevolg noodzakelijk zijn. De rechter kan echter een dergelijk verweer zonder onderzoek naar de feitelijke grondslag daarvan verwerpen indien hij tot het oordeel komt dat wat is aangevoerd – ware het juist – niet noopt tot één van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen, bijvoorbeeld omdat het aangevoerde hooguit kan leiden tot de enkele constatering van een vormverzuim. Beoordeling Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader oordeelt het hof als volgt. A.1. Start strafrechtelijk onderzoek en PV26 Het hof stelt aan de hand van het dossier vast dat de aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is gelegen in het feit dat de vennootschap [verdachte rechtspersoon 5] (hierna: [verdachte rechtspersoon 5] ) bij een onderzoek door het Regionale Informatie- en Expertisecentrum (hierna: RIEC) Midden Nederland naar de aankoop van een jachthaven in Loosdrecht in 2014 in beeld kwam als financier van deze aankoop. Tijdens het onderzoek naar de aankoop van deze jachthaven is vastgesteld dat [verdachte rechtspersoon 5] voor kwam in een strafrechtelijk onderzoek van de politie Midden-Nederland waarin er sprake was van een financiering van een 4-tal recreatieparken voor een bedrag van € 4.500.000,- door [verdachte rechtspersoon 5] ( feit 2 ). Het vorenstaande is de aanleiding geweest om nader onderzoek te doen naar [verdachte rechtspersoon 5] en de verantwoordelijke personen binnen deze onderneming. Het doel van dit onderzoek was om na te gaan of [verdachte rechtspersoon 5] in Nederland en in het buitenland meer financieringen had uitstaan en of deze financieringen mogelijk met uit enig misdrijf verkregen gelden zouden zijn gefinancierd. Uit dat onderzoek zijn onder meer de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen: [verdachte] is vanaf de oprichting van [verdachte rechtspersoon 5] in 1997 als directeur en aandeelhouder betrokken; Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) is vanaf 2013 als aandeelhouder betrokken bij [verdachte rechtspersoon 5] ; [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn betrokken bij een groot aantal buitenlandse rechtspersonen, met name offshore companies; [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn beiden al jaren geleden uitgeschreven uit Nederland. Het is onbekend wat zij sinds dat moment hebben gedaan c.q. wat de herkomst van hun vermogen is; [verdachte rechtspersoon 5] is niet terug te vinden (behoudens bij de Kamer van Koophandel in [plaats 2] ) in openbare bronnen als zijnde een investeerder en financier van onroerend goed; Het bedrijf heeft geen website en maakt geen reclame voor haar activiteiten; Het vestigingsadres van [verdachte rechtspersoon 5] is een Secretary (trustkantoor) in een bedrijfsverzamelgebouw in [plaats 2] ; [verdachte rechtspersoon 5] is een offshore company uit [plaats 2] , waar de jaarstukken niet hoeven te worden gedeponeerd; Er is geen duidelijkheid over waar de daadwerkelijke administratie gevoerd wordt van [verdachte rechtspersoon 5] en/of de andere aan [verdachte] en [medeverdachte 1] gelieerde buitenlandse ondernemingen; Op een drietal facturen van [verdachte rechtspersoon 5] is een Nederlands mobiel telefoonnummer vermeld als contact; er is geen telefoonnummer van [verdachte rechtspersoon 5] in [plaats 2] vermeld; Op deze facturen van [verdachte rechtspersoon 5] is als contact email adres vermeld: [e-mailadres] , dit bedrijf heeft zichtbaar geen enkele relatie met [verdachte rechtspersoon 5] . Kennelijk beschikt [verdachte rechtspersoon 5] niet over een eigen e-mailadres en/of internetdomein; Op deze drie facturen van [verdachte rechtspersoon 5] is een postadres vermeld in [plaats 3] , Nederland. Dit adres in [plaats 3] is tevens het vestigingsadres van een drietal ondernemingen, die direct of indirect zijn gelieerd aan [verdachte] en [medeverdachte 1] ; De financiële betrokkenheid van [verdachte rechtspersoon 5] in onroerend goed in Nederland en in het buitenland bedroeg in 2015 tenminste € 35.348.000,-; De leningen worden verstrekt aan ondernemingen/personen die op een reguliere wijze (in Nederland geregistreerde financiers) geen dan wel zeer moeilijk financieringen kunnen verkrijgen omdat zij reeds in een niet rooskleurige financiële positie verkeren en/of in onderzoek zijn bij de justitiële autoriteiten; De overeengekomen rentepercentages liggen tussen de 7% en 10%. Dit is opmerkelijk hoger dan het reguliere percentage dat Nederlandse financiële instellingen rekenen; Een van de personen waaraan een lening wordt verstrekt is [betrokkene 1] .
Volledig
[betrokkene 1] zegt in een tapgesprek uit 2014 dat hij besprekingen over de financiering door [verdachte rechtspersoon 5] heeft gevoerd met [verdachte] en [medeverdachte 1] in [plaats 3] , dat er een fonds zou zijn van 180 miljoen dat beschikbaar is om risicovol uitgeleend te worden. Het hof maakt hieruit op dat met betrekking tot [verdachte rechtspersoon 5] in ieder geval sprake is van de volgende – op grond van algemene ervaringsregels geldende – indicatoren voor witwassen (witwastypologieën): Buitenlandse rechtspersonen worden vaker gebruikt voor het witwassen van criminele inkomsten, omdat het moeilijk is om de herkomst van het geld te achterhalen; Een belangrijk instrument voor het verhullen van de uiteindelijk gerechtigde is het gebruik van trusts of offshore vennootschappen. Een offshore vennootschap kan snel worden opgericht en worden bestuurd door een lokaal trustkantoor, vaak vindt dit plaats in een belastingparadijs waar een strikt bankgeheim geldt en er geen verplichtingen zijn de jaarrekening te publiceren; Het gebruik van stromannen, een familielid, partner of een buitenlandse rechtspersoon, vaak offshore, die het vastgoed als juridische eigenaar op hun naam zetten. De crimineel kan dan anoniem blijven; De meest bekende witwasmethode bij financieringen is de loanback-constructie. Via een financieringsovereenkomst leent de crimineel zijn eigen criminele geld terug. Feitelijk bestaat deze uit niet meer dan een leningsovereenkomst tussen twee – ogenschijnlijk – onafhankelijke partijen. Als geldverstrekker wordt meestal een buitenlandse partij opgevoerd, bijvoorbeeld een buitenlandse rechtspersoon. Het gebruik van rechtspersonen is belangrijk bij witwassen, 93% van de criminele samenwerkingsverbanden met witwasactiviteiten maakt gebruik van rechtspersonen. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] , sprake was van voldoende concrete feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, rechtvaardigen. Het hof acht daarom de start van het strafrechtelijk onderzoek en PV26 ook niet onrechtmatig. De verdenking jegens de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte rechtspersoon 5] is op een later moment uitgebreid met een verdenking van overtreding van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Dit is vastgelegd in het proces-verbaal van verdenking overtreding Wet op het financieel toezicht d.d. 6 juli 2016, proces-verbaalnummer: 406 (hierna: PV406). Later is deze verdenking ook jegens de verdachte [verdachte] ontstaan. Dit is vastgelegd in het proces-verbaal van verdenking overtreding Wet op het financieel toezicht d.d. 22 september 2017, proces-verbaalnummer: 1136 (hierna: PV1136). Naar aanleiding van de inzet van diverse (bijzondere) opsporingsmiddelen is een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, jegens de verdachten [verdachte rechtspersoon 1] , [verdachte rechtspersoon 2] (hierna: [verdachte rechtspersoon 2] ), [verdachte rechtspersoon 3] (hierna: [verdachte rechtspersoon 3] ) en [verdachte rechtspersoon 4] (hierna: [verdachte rechtspersoon 4] ) ontstaan. Dit is geverbaliseerd in PV1023. Daarnaast is jegens de verdachte [verdachte rechtspersoon 1] tevens een verdenking van fiscale fraude en valsheid in geschrift ontstaan, zie PV1033. Ook ten aanzien van het voornoemde is van onrechtmatigheid geen sprake. A.2. De heimelijke doorzoeking, PV1023 en PV1033 Het hof stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat het van oordeel is dat er met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] sprake was van voldoende concrete feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, rechtvaardigen. Vervolgens zijn diverse (bijzondere) opsporingsmiddelen ingezet, waaronder de doorzoeking van het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] op 19 maart 2017. Zoals reeds overwogen is de verdenking van witwassen jegens de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte rechtspersoon 5] in 2016 uitgebreid met een verdenking van overtreding van de Wft. Dit is vastgelegd in PV406. Het hof acht de inzet van (bijzondere) opsporingsmiddelen, gelet op de aanwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld aan een of meer strafbare feiten, niet onrechtmatig. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, doet de omstandigheid dat in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] administratie is gekopieerd van – de op dat moment nog niet verdachte rechtspersoon – [verdachte rechtspersoon 1] , aan de rechtmatigheid van de doorzoeking niet af. De inzet van de (bijzondere) opsporingsmiddelen was gericht op [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] en uit feiten en omstandigheden was gebleken dat [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken waren bij [verdachte rechtspersoon 1] en regelmatig in het bedrijfspand in [plaats 3] verbleven. Hierdoor bestond het vermoeden dat relevante administratie rondom de financieringen van [verdachte rechtspersoon 5] en de bedrijven van [medeverdachte 1] en [verdachte] aanwezig was in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] . Het hof is verder van oordeel dat aan de inzet het opsporingsmiddel van de heimelijke doorzoeking geen gebreken zijn gebleken. In dat kader stelt het hof aan de hand van het dossier het volgende vast: In het proces-verbaal aanvraag uitoefenen bevoegdheden in een besloten plaats d.d. 16 januari 2017, procesverbaalnummer: 743D, wordt onder meer de start van het strafrechtelijk onderzoek en de verdenkingen jegens de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] beschreven. Dit betreft, zoals eerder genoemd, de verdenking van witwassen (PV26) en overtreding van de Wft (PV403). Daarnaast is beschreven dat uit onderzoek is gebleken dat verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken zijn bij [verdachte rechtspersoon 1] en dat het vermoeden bestaat dat de relevante (fysieke en digitale) administratie rondom de financieringen van [verdachte rechtspersoon 5] en de bedrijven van [medeverdachte 1] en [verdachte] aanwezig is in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] . Gelet hierop wordt voorgesteld om een heimelijke doorzoeking uit te voeren in dit bedrijfspand. Om de heimelijke doorzoeking uit te kunnen voeren is een intensieve voorbereiding nodig. Hiervoor is nodig dat de aangewezen opsporingsambtenaren (heimelijk) het bedrijfspand kunnen betreden en opnemen. Deze bevoegdheid wordt ingezet op grond van artikel 126k Sv. De heimelijke doorzoeking zal uiteindelijk plaatsvinden onder leiding van de officier van justitie op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv. Door de officier van justitie wordt jegens de verdachte op 17 januari 2017 ex artikel 125k Sv schriftelijk bevel gegeven de besloten plaats, te weten het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] , heimelijk te betreden teneinde die plaats op te nemen (743A) met verlengingen op 15 februari 2017 (906A) en 14 maart 2017 (935A). In het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 15 maart 2017, procesverbaalnummer: 934, zijn de beschrijvingen van de start van het strafrechtelijk onderzoek en de verdenkingen jegens de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] herhaald. Tevens is beschreven dat door de officier van justitie ex artikel 127k Sv schriftelijk bevel is gegeven het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] heimelijk te betreden en op te nemen in het kader van de intensieve voorbereiding van de heimelijke doorzoeking. Geconcludeerd wordt dat het in het belang van het opsporingsonderzoek dringend noodzakelijk is een doorzoeking te verrichten in het voornoemde bedrijfspand ter inbeslagneming conform artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv. In het proces-verbaal van bevindingen “Doorzoeking ter vastlegging van gegevens ex artikel 125i Wetboek van Strafvordering” d.d.
Volledig
[betrokkene 1] zegt in een tapgesprek uit 2014 dat hij besprekingen over de financiering door [verdachte rechtspersoon 5] heeft gevoerd met [verdachte] en [medeverdachte 1] in [plaats 3] , dat er een fonds zou zijn van 180 miljoen dat beschikbaar is om risicovol uitgeleend te worden. Het hof maakt hieruit op dat met betrekking tot [verdachte rechtspersoon 5] in ieder geval sprake is van de volgende – op grond van algemene ervaringsregels geldende – indicatoren voor witwassen (witwastypologieën): Buitenlandse rechtspersonen worden vaker gebruikt voor het witwassen van criminele inkomsten, omdat het moeilijk is om de herkomst van het geld te achterhalen; Een belangrijk instrument voor het verhullen van de uiteindelijk gerechtigde is het gebruik van trusts of offshore vennootschappen. Een offshore vennootschap kan snel worden opgericht en worden bestuurd door een lokaal trustkantoor, vaak vindt dit plaats in een belastingparadijs waar een strikt bankgeheim geldt en er geen verplichtingen zijn de jaarrekening te publiceren; Het gebruik van stromannen, een familielid, partner of een buitenlandse rechtspersoon, vaak offshore, die het vastgoed als juridische eigenaar op hun naam zetten. De crimineel kan dan anoniem blijven; De meest bekende witwasmethode bij financieringen is de loanback-constructie. Via een financieringsovereenkomst leent de crimineel zijn eigen criminele geld terug. Feitelijk bestaat deze uit niet meer dan een leningsovereenkomst tussen twee – ogenschijnlijk – onafhankelijke partijen. Als geldverstrekker wordt meestal een buitenlandse partij opgevoerd, bijvoorbeeld een buitenlandse rechtspersoon. Het gebruik van rechtspersonen is belangrijk bij witwassen, 93% van de criminele samenwerkingsverbanden met witwasactiviteiten maakt gebruik van rechtspersonen. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] , sprake was van voldoende concrete feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, rechtvaardigen. Het hof acht daarom de start van het strafrechtelijk onderzoek en PV26 ook niet onrechtmatig. De verdenking jegens de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte rechtspersoon 5] is op een later moment uitgebreid met een verdenking van overtreding van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Dit is vastgelegd in het proces-verbaal van verdenking overtreding Wet op het financieel toezicht d.d. 6 juli 2016, proces-verbaalnummer: 406 (hierna: PV406). Later is deze verdenking ook jegens de verdachte [verdachte] ontstaan. Dit is vastgelegd in het proces-verbaal van verdenking overtreding Wet op het financieel toezicht d.d. 22 september 2017, proces-verbaalnummer: 1136 (hierna: PV1136). Naar aanleiding van de inzet van diverse (bijzondere) opsporingsmiddelen is een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, jegens de verdachten [verdachte rechtspersoon 1] , [verdachte rechtspersoon 2] (hierna: [verdachte rechtspersoon 2] ), [verdachte rechtspersoon 3] (hierna: [verdachte rechtspersoon 3] ) en [verdachte rechtspersoon 4] (hierna: [verdachte rechtspersoon 4] ) ontstaan. Dit is geverbaliseerd in PV1023. Daarnaast is jegens de verdachte [verdachte rechtspersoon 1] tevens een verdenking van fiscale fraude en valsheid in geschrift ontstaan, zie PV1033. Ook ten aanzien van het voornoemde is van onrechtmatigheid geen sprake. A.2. De heimelijke doorzoeking, PV1023 en PV1033 Het hof stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat het van oordeel is dat er met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] sprake was van voldoende concrete feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, rechtvaardigen. Vervolgens zijn diverse (bijzondere) opsporingsmiddelen ingezet, waaronder de doorzoeking van het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] op 19 maart 2017. Zoals reeds overwogen is de verdenking van witwassen jegens de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte rechtspersoon 5] in 2016 uitgebreid met een verdenking van overtreding van de Wft. Dit is vastgelegd in PV406. Het hof acht de inzet van (bijzondere) opsporingsmiddelen, gelet op de aanwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld aan een of meer strafbare feiten, niet onrechtmatig. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, doet de omstandigheid dat in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] administratie is gekopieerd van – de op dat moment nog niet verdachte rechtspersoon – [verdachte rechtspersoon 1] , aan de rechtmatigheid van de doorzoeking niet af. De inzet van de (bijzondere) opsporingsmiddelen was gericht op [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] en uit feiten en omstandigheden was gebleken dat [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken waren bij [verdachte rechtspersoon 1] en regelmatig in het bedrijfspand in [plaats 3] verbleven. Hierdoor bestond het vermoeden dat relevante administratie rondom de financieringen van [verdachte rechtspersoon 5] en de bedrijven van [medeverdachte 1] en [verdachte] aanwezig was in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] . Het hof is verder van oordeel dat aan de inzet het opsporingsmiddel van de heimelijke doorzoeking geen gebreken zijn gebleken. In dat kader stelt het hof aan de hand van het dossier het volgende vast: In het proces-verbaal aanvraag uitoefenen bevoegdheden in een besloten plaats d.d. 16 januari 2017, procesverbaalnummer: 743D, wordt onder meer de start van het strafrechtelijk onderzoek en de verdenkingen jegens de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] beschreven. Dit betreft, zoals eerder genoemd, de verdenking van witwassen (PV26) en overtreding van de Wft (PV403). Daarnaast is beschreven dat uit onderzoek is gebleken dat verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken zijn bij [verdachte rechtspersoon 1] en dat het vermoeden bestaat dat de relevante (fysieke en digitale) administratie rondom de financieringen van [verdachte rechtspersoon 5] en de bedrijven van [medeverdachte 1] en [verdachte] aanwezig is in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] . Gelet hierop wordt voorgesteld om een heimelijke doorzoeking uit te voeren in dit bedrijfspand. Om de heimelijke doorzoeking uit te kunnen voeren is een intensieve voorbereiding nodig. Hiervoor is nodig dat de aangewezen opsporingsambtenaren (heimelijk) het bedrijfspand kunnen betreden en opnemen. Deze bevoegdheid wordt ingezet op grond van artikel 126k Sv. De heimelijke doorzoeking zal uiteindelijk plaatsvinden onder leiding van de officier van justitie op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv. Door de officier van justitie wordt jegens de verdachte op 17 januari 2017 ex artikel 125k Sv schriftelijk bevel gegeven de besloten plaats, te weten het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] , heimelijk te betreden teneinde die plaats op te nemen (743A) met verlengingen op 15 februari 2017 (906A) en 14 maart 2017 (935A). In het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 15 maart 2017, procesverbaalnummer: 934, zijn de beschrijvingen van de start van het strafrechtelijk onderzoek en de verdenkingen jegens de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] herhaald. Tevens is beschreven dat door de officier van justitie ex artikel 127k Sv schriftelijk bevel is gegeven het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] heimelijk te betreden en op te nemen in het kader van de intensieve voorbereiding van de heimelijke doorzoeking. Geconcludeerd wordt dat het in het belang van het opsporingsonderzoek dringend noodzakelijk is een doorzoeking te verrichten in het voornoemde bedrijfspand ter inbeslagneming conform artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv. In het proces-verbaal van bevindingen “Doorzoeking ter vastlegging van gegevens ex artikel 125i Wetboek van Strafvordering” d.d.
Volledig
23 maart 2017, proces-verbaalnummer: 743F, is het volgende geverbaliseerd: “(…) Op zondag 19 maart 2017 werd onder leiding van de officier van justitie mr. E.J.A. Melssen, in het strafrechtelijk onderzoek bekend onder parketnummer 011997520-16, ter vastlegging van gegevens overeenkomstig artikel 125i van het Wetboek van Strafvordering, een plaats doorzocht. Dit betrof het bedrijfspand van “ [verdachte rechtspersoon 1] ” gelegen aan [adres 2] . De betreding vond plaats zonder dat er iemand aanwezig was. Op zondag 19 maart 2017, te 00:20 uur, hoorde ik, verbalisant, dat officier van justitie mr. E.J.A. Melssen de doorzoeking opende op grond van artikel 125i van het Wetboek van Strafvordering. Op zondag 19 maart 2017, te 00:36 uur heb ik, verbalisant, te samen met 7 collega’s, tevens opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, het pand betreden. Eenmaal binnen is direct een beeld/spraakverbinding opgezet met officier van justitie mr. E.J.A. Melssen. Middels deze beeld/spraakverbinding had officier van justitie mr. E.J.A. Melssen voortdurend de leiding en voerde zij de regie uit over de doorzoeking. Doorzoeking artikel 125i Wetboek van Strafvordering Met toestemming van officier van justitie mr. E.J.A. Melssen werden 2 kantoorruimtes doorzocht ter vastlegging van gegevens. Deze kantoorruimtes bevonden zich op de begane grond direct na binnenkomst via de centrale toegangsdeur. Beide kantoorruimtes zijn direct naast elkaar gelegen. In beide kantoren zijn diverse gegevensdragers doorzocht en werden diverse gegevens vastgelegd middels scan/foto en video. (…)” Gelet op voorgaande vaststellingen op basis van het dossier, concludeert het hof als volgt: De doorzoeking op 19 maart 2017 is verricht onder leiding van de officier van justitie op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv. Artikel 125i Sv geeft aan de officier van justitie de bevoegdheid tot het doorzoeken van een plaats – anders dan een woning of een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning – ter vastlegging van gegevens. Het bevel ex artikel 125k Sv van de officier van justitie d.d. 17 januari 2017 ziet op het (heimelijk) betreden van het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] teneinde die plaats op te nemen en de latere doorzoeking op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv intensief voor te bereiden. Dit betekent dat het verweer van de verdediging, inhoudende dat het bevel ex artikel 126k Sv op basis waarvan de heimelijke doorzoeking heeft plaatsgevonden niet de bevoegdheid geeft om te doorzoeken, maar slechts om zoekend rond te kijken, faalt. Voor zover de raadsman van de verdachte heeft betoogd dat artikel 8 EVRM is geschonden omdat niet voorafgaand aan de doorzoeking op 19 maart 2017 een toetsing door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, faalt dat betoog eveneens. Artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv vereist namelijk niet een dergelijke voorafgaande toetsing indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is van het doorzoeken van een plaats, anders dan een woning of een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning. Uit het dossier blijkt niet dat de tot het bedrijfspand behorende woonruimtes op 19 maart 2017 zijn betreden. Gelet op het voorgaande acht het hof het ook niet onrechtmatig dat de bij de doorzoeking verzamelde informatie is gebruikt ten behoeve van het opmaken van PV1023 en PV1033. Het hof acht tot slot geen sprake van een schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Het is het hof ook niet gebleken dat aan de inzet van het opsporingsmiddel van de doorzoeking motieven ten grondslag hebben gelegen die ten doel hadden aan de verdachte het recht op een eerlijk proces te ontnemen, dan wel dat die inzet daartoe heeft geleid. A.3. Conclusie Het hof ziet gelet op hetgeen is overwogen onder A.1. en A.2. geen aanleiding om het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging van de verdachte, dan wel de op basis van de bij de heimelijke doorzoeking verzamelde informatie opgemaakte PV1023 en PV1033 van het bewijs uit te sluiten. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen. B. AMLC Het hof constateert dat in de aanhef van PV26 het volgende is vermeld: “Wij, [opsporingsambtenaar 1] , opsporingsambtenaar, werkzaam bij het FIOD/ AMLC ( Anti Money Laundering Centre ) en [opsporingsambtenaar 2] , opsporingsambtenaar, projectleider, werkzaam bij het Combiteam DLR/FIOD verklaren het volgende: (…)” Dit betekent dat de bij PV26 betrokken verbalisanten werkzaam waren bij de FIOD als opsporingsambtenaren. Ingevolge artikel 141, aanhef en onderdeel d, Sv in samenhang gelezen met artikel 2, aanhef en onderdeel a, Wet op de bijzondere opsporingsdiensten zijn opsporingsambtenaren van de FIOD belast met de opsporing van strafbare feiten. Dat de betrokken opsporingsambtenaar kennelijk tevens deel uitmaakte van het AMLC doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. In de hoedanigheid van opsporingsambtenaren hebben de verbalisanten de in PV26 vermelde informatie verzameld. Gelet hierop wordt het verweer van de verdediging door het hof verworpen. Ten overvloede merkt het hof op dat het zich op basis van de inhoud van PV26, PV1023 en PV1033 voldoende ingelicht acht omtrent de start van het strafrechtelijk onderzoek en de toegepaste (bijzondere) opsporingsmethoden en/of dwangmiddelen. Het hof verwijst naar hetgeen hierover is overwogen in de beslissing van 30 oktober 2024 naar aanleiding van de bij appelschriftuur gedane onderzoekswensen. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen. C. Case Synopsis De advocaat-generaal heeft toegelicht dat de “Case Synopsis” (D82, pg. 30026) medio 2015 vanuit [plaats 1] bekend is gemaakt aan de Nederlandse liaisonofficier van de FIOD. Deze informatie is op dat moment niet gedeeld met de opsporingsdienst van de FIOD. Pas op een later moment, in februari 2016, is deze informatie door de liaisonofficier van de FIOD overgedragen aan de opsporingsdienst van de FIOD/het onderzoeksteam Rockwood. In het dossier bevindt zich een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van [plaats 1] d.d. 5 juli 2016, bijlagenummer: 589A. Hierin is – voor zover relevant – het volgende vermeld: “(…) Het onderzoeksteam heeft door tussenkomst van het Anti Money Laundering Center in Nederland spontane politie-informatie verkregen over de “Case Synopsis”. Uit de verstrekte informatie komt naar voren dat er in [plaats 1] een strafrechtelijk onderzoek loopt of heeft gelopen, onder de naam Synopsis, tegen genoemde [medeverdachte 1] en/of [verdachte] . In het kader van dit onderzoek werd geconstateerd dat gelden afkomstig van het Taiwanese bedrijf [bedrijf 1] zouden zijn betaald aan een bedrijf in [plaats 2] dat eigendom zou zijn van [medeverdachte 1] en/of [verdachte] . Genoemde personen zouden zich hierbij naar Taiwanees recht onder andere schuldig hebben gemaakt aan witwassen en/of belastingfraude. Het onderzoeksteam in Nederland zou graag een afschrift ontvangen c.q. inzage willen krijgen in het onderzoeks- dan wel procesdossier van het Taiwanese strafrechtelijk onderzoek met de naam Synopsis. De aard en inhoud van de verstrekte informatie afgezet tegen de informatiepositie die wij op dit moment hebben geeft ons reden dit strafdossier op te vragen. De verwachting is dat de informatie uit het Taiwanees onderzoek van nut kan zijn in het onderzoek Rockwood. (…) Ik verzoek u om de volgende assistentie: 1 . Ik verzoek u om een afschrift ter beschikking te stellen c.q. inzage te verstrekken in het onderzoeks- dan wel procesdossier van het Taiwanees strafrechtelijk onderzoek met de naam Synopsis.” Op 26 juli 2017 heeft het onderzoeksteam Rockwood de uitvoeringsstukken vanuit [plaats 1] ontvangen. Dit is geverbaliseerd in het proces-verbaal uitvoeringsstukken RHW [plaats 1] d.d. 4 juni 2018, proces-verbaalnummer: 1465. Deze stukken bevatten het onderzoeksdossier ‘Synopsis’. Het onderzoeksteam Rockwood heeft deze stukken vervolgens bestudeerd. Het voorgaande betekent dat het document “Case Synopsis” nog niet bekend was c.q.
Volledig
23 maart 2017, proces-verbaalnummer: 743F, is het volgende geverbaliseerd: “(…) Op zondag 19 maart 2017 werd onder leiding van de officier van justitie mr. E.J.A. Melssen, in het strafrechtelijk onderzoek bekend onder parketnummer 011997520-16, ter vastlegging van gegevens overeenkomstig artikel 125i van het Wetboek van Strafvordering, een plaats doorzocht. Dit betrof het bedrijfspand van “ [verdachte rechtspersoon 1] ” gelegen aan [adres 2] . De betreding vond plaats zonder dat er iemand aanwezig was. Op zondag 19 maart 2017, te 00:20 uur, hoorde ik, verbalisant, dat officier van justitie mr. E.J.A. Melssen de doorzoeking opende op grond van artikel 125i van het Wetboek van Strafvordering. Op zondag 19 maart 2017, te 00:36 uur heb ik, verbalisant, te samen met 7 collega’s, tevens opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, het pand betreden. Eenmaal binnen is direct een beeld/spraakverbinding opgezet met officier van justitie mr. E.J.A. Melssen. Middels deze beeld/spraakverbinding had officier van justitie mr. E.J.A. Melssen voortdurend de leiding en voerde zij de regie uit over de doorzoeking. Doorzoeking artikel 125i Wetboek van Strafvordering Met toestemming van officier van justitie mr. E.J.A. Melssen werden 2 kantoorruimtes doorzocht ter vastlegging van gegevens. Deze kantoorruimtes bevonden zich op de begane grond direct na binnenkomst via de centrale toegangsdeur. Beide kantoorruimtes zijn direct naast elkaar gelegen. In beide kantoren zijn diverse gegevensdragers doorzocht en werden diverse gegevens vastgelegd middels scan/foto en video. (…)” Gelet op voorgaande vaststellingen op basis van het dossier, concludeert het hof als volgt: De doorzoeking op 19 maart 2017 is verricht onder leiding van de officier van justitie op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv. Artikel 125i Sv geeft aan de officier van justitie de bevoegdheid tot het doorzoeken van een plaats – anders dan een woning of een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning – ter vastlegging van gegevens. Het bevel ex artikel 125k Sv van de officier van justitie d.d. 17 januari 2017 ziet op het (heimelijk) betreden van het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] teneinde die plaats op te nemen en de latere doorzoeking op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv intensief voor te bereiden. Dit betekent dat het verweer van de verdediging, inhoudende dat het bevel ex artikel 126k Sv op basis waarvan de heimelijke doorzoeking heeft plaatsgevonden niet de bevoegdheid geeft om te doorzoeken, maar slechts om zoekend rond te kijken, faalt. Voor zover de raadsman van de verdachte heeft betoogd dat artikel 8 EVRM is geschonden omdat niet voorafgaand aan de doorzoeking op 19 maart 2017 een toetsing door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, faalt dat betoog eveneens. Artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv vereist namelijk niet een dergelijke voorafgaande toetsing indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is van het doorzoeken van een plaats, anders dan een woning of een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning. Uit het dossier blijkt niet dat de tot het bedrijfspand behorende woonruimtes op 19 maart 2017 zijn betreden. Gelet op het voorgaande acht het hof het ook niet onrechtmatig dat de bij de doorzoeking verzamelde informatie is gebruikt ten behoeve van het opmaken van PV1023 en PV1033. Het hof acht tot slot geen sprake van een schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Het is het hof ook niet gebleken dat aan de inzet van het opsporingsmiddel van de doorzoeking motieven ten grondslag hebben gelegen die ten doel hadden aan de verdachte het recht op een eerlijk proces te ontnemen, dan wel dat die inzet daartoe heeft geleid. A.3. Conclusie Het hof ziet gelet op hetgeen is overwogen onder A.1. en A.2. geen aanleiding om het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging van de verdachte, dan wel de op basis van de bij de heimelijke doorzoeking verzamelde informatie opgemaakte PV1023 en PV1033 van het bewijs uit te sluiten. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen. B. AMLC Het hof constateert dat in de aanhef van PV26 het volgende is vermeld: “Wij, [opsporingsambtenaar 1] , opsporingsambtenaar, werkzaam bij het FIOD/ AMLC ( Anti Money Laundering Centre ) en [opsporingsambtenaar 2] , opsporingsambtenaar, projectleider, werkzaam bij het Combiteam DLR/FIOD verklaren het volgende: (…)” Dit betekent dat de bij PV26 betrokken verbalisanten werkzaam waren bij de FIOD als opsporingsambtenaren. Ingevolge artikel 141, aanhef en onderdeel d, Sv in samenhang gelezen met artikel 2, aanhef en onderdeel a, Wet op de bijzondere opsporingsdiensten zijn opsporingsambtenaren van de FIOD belast met de opsporing van strafbare feiten. Dat de betrokken opsporingsambtenaar kennelijk tevens deel uitmaakte van het AMLC doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. In de hoedanigheid van opsporingsambtenaren hebben de verbalisanten de in PV26 vermelde informatie verzameld. Gelet hierop wordt het verweer van de verdediging door het hof verworpen. Ten overvloede merkt het hof op dat het zich op basis van de inhoud van PV26, PV1023 en PV1033 voldoende ingelicht acht omtrent de start van het strafrechtelijk onderzoek en de toegepaste (bijzondere) opsporingsmethoden en/of dwangmiddelen. Het hof verwijst naar hetgeen hierover is overwogen in de beslissing van 30 oktober 2024 naar aanleiding van de bij appelschriftuur gedane onderzoekswensen. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen. C. Case Synopsis De advocaat-generaal heeft toegelicht dat de “Case Synopsis” (D82, pg. 30026) medio 2015 vanuit [plaats 1] bekend is gemaakt aan de Nederlandse liaisonofficier van de FIOD. Deze informatie is op dat moment niet gedeeld met de opsporingsdienst van de FIOD. Pas op een later moment, in februari 2016, is deze informatie door de liaisonofficier van de FIOD overgedragen aan de opsporingsdienst van de FIOD/het onderzoeksteam Rockwood. In het dossier bevindt zich een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van [plaats 1] d.d. 5 juli 2016, bijlagenummer: 589A. Hierin is – voor zover relevant – het volgende vermeld: “(…) Het onderzoeksteam heeft door tussenkomst van het Anti Money Laundering Center in Nederland spontane politie-informatie verkregen over de “Case Synopsis”. Uit de verstrekte informatie komt naar voren dat er in [plaats 1] een strafrechtelijk onderzoek loopt of heeft gelopen, onder de naam Synopsis, tegen genoemde [medeverdachte 1] en/of [verdachte] . In het kader van dit onderzoek werd geconstateerd dat gelden afkomstig van het Taiwanese bedrijf [bedrijf 1] zouden zijn betaald aan een bedrijf in [plaats 2] dat eigendom zou zijn van [medeverdachte 1] en/of [verdachte] . Genoemde personen zouden zich hierbij naar Taiwanees recht onder andere schuldig hebben gemaakt aan witwassen en/of belastingfraude. Het onderzoeksteam in Nederland zou graag een afschrift ontvangen c.q. inzage willen krijgen in het onderzoeks- dan wel procesdossier van het Taiwanese strafrechtelijk onderzoek met de naam Synopsis. De aard en inhoud van de verstrekte informatie afgezet tegen de informatiepositie die wij op dit moment hebben geeft ons reden dit strafdossier op te vragen. De verwachting is dat de informatie uit het Taiwanees onderzoek van nut kan zijn in het onderzoek Rockwood. (…) Ik verzoek u om de volgende assistentie: 1 . Ik verzoek u om een afschrift ter beschikking te stellen c.q. inzage te verstrekken in het onderzoeks- dan wel procesdossier van het Taiwanees strafrechtelijk onderzoek met de naam Synopsis.” Op 26 juli 2017 heeft het onderzoeksteam Rockwood de uitvoeringsstukken vanuit [plaats 1] ontvangen. Dit is geverbaliseerd in het proces-verbaal uitvoeringsstukken RHW [plaats 1] d.d. 4 juni 2018, proces-verbaalnummer: 1465. Deze stukken bevatten het onderzoeksdossier ‘Synopsis’. Het onderzoeksteam Rockwood heeft deze stukken vervolgens bestudeerd. Het voorgaande betekent dat het document “Case Synopsis” nog niet bekend was c.q.
Volledig
had kunnen zijn bij het onderzoeksteam Rockwood ten tijde van het opmaken van PV26 en dat het verweer van de verdediging in zoverre faalt. Uit de reactie van de Taiwanese autoriteiten op het rechtshulpverzoek blijkt bovendien de authenticiteit van het genoemde document. Van een niet legale, oncontroleerbare bron is geen sprake. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen. [naam] Het hof stelt vast dat namens de verdachte op 24 december 2021 hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De toenmalige raadsman van de verdachte heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 5 januari 2022, met aanvullingen op 7 januari 2022 en op 2 oktober 2024, verzocht een zestiental personen als getuigen te horen. Deze verzoeken zijn bij beslissing van 30 oktober 2024 door het hof afgewezen. Indien en voor zover het hof tot het oordeel komt dat aan de verdachte enig verwijt zou kunnen worden gemaakt, heeft de verdediging tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2025 – blijkens de bewoordingen in de pleitnota – gepersisteerd om de voornoemde getuigen te doen horen en met name de opsporingsambtenaren. Ter motivering daarvan heeft de raadsman gewezen op hetgeen deze getuigen – het hof begrijpt: de opsporingsambtenaren – kunnen verklaren over de start van het onderzoek, de rechtmatigheid van de doorzoeking en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de afwijzing van het verzoek van de in de appelschriftuur van 5 januari 2022 onder 1 tot en met 8 genoemde getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [opsporingsambtenaar 2] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] als volgt gemotiveerd: “B.3 Beoordeling hof B.3.1. Inleidende opmerkingen Bij de beoordeling van de verzoeken tot het horen van de door de verdediging genoemde getuigen stelt het hof het volgende voorop. De verdachte heeft het recht om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor zij in het belang van zijn verdediging acht en daartoe verzoeken kan doen. In bepaalde gevallen moet het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een getuige worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al eerder - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt [voetnoot 5: Hoge Raad 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.9.2.]. Het vorenstaande betekent evenwel niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Uit de ‘post- [naam] ’-arresten van de Hoge Raad volgt dat de omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken, of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om een verzoek te doen om een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, op zichzelf geen grond biedt voor de afwijzing van zo’n verzoek, maar dat het niet wegneemt dat een dergelijke inactiviteit van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen [voetnoot 6: Hoge Raad 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.11]. Het hof zal de verzoeken tot het horen van de in de appelschriftuur van 5 januari 2022 opgegeven getuigen (onder 1 tot en met 8) beoordelen aan de hand van het verdedigingsbelang. De verzoeken tot het horen van de overige getuigen (onder 9 tot en met 16) zal het hof beoordelen aan de hand van de gebleken noodzaak daartoe. B.3.2. Getuigen onder 1 t/m 8 Ten aanzien van de onder 1 tot en met 8 genoemde getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [opsporingsambtenaar 2] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] heeft de verdediging betoogd dat zij (onder meer) gehoord dienen te worden met het oog op de start van het (financieel) strafrechtelijk onderzoek, de verdenking(en) jegens de verdachte en de medeverdachten en de heimelijke doorzoeking. Het verzoek strekt er in zoverre toe dat de verdediging door middel van het horen van die getuigen de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen en betreft niet het horen van een getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring zoals die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. In deze situatie geldt dat het verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging moet worden onderbouwd [voetnoot 7: Hoge Raad 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1279, r.o. 2.4.3]. Het hof is van oordeel dat de verdediging onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom het horen van de genoemde getuigen van belang is voor de beantwoording van enige vraag van de artikelen 348 en 350 Sv. Het hof verwijst in dit verband op hetgeen onder A.3 is overwogen in het kader van de beoordeling van de informatieverzoeken en voegt hieraan toe dat de verdachte door het niet horen van deze personen ook niet in de verdediging wordt geschaad. Voor zover de verdediging dus heeft aangevoerd dat de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [opsporingsambtenaar 2] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] bevraagd dienen te worden over de start van het (financieel) strafrechtelijk onderzoek, de verdenking(en) jegens de verdachte en de medeverdachten en de heimelijke doorzoeking, worden die verzoeken aldus afgewezen. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de genoemde getuigen op andere onderdelen bevraagd dienen te worden, overweegt en beslist het hof als volgt. Ten aanzien van de getuige [getuige 1] is door de verdediging nog aangevoerd dat het van belang is om deze getuige te horen over - kort samengevat - de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof wijst dit verzoek van de verdediging af, omdat de door de verdediging geformuleerde vragen de juridische beoordeling van de zaak raken en geen feiten en omstandigheden waarover de getuige uit eigen wetenschap of waarneming kan verklaren. Het voorgaande sluit niet uit dat opsporingsambtenaren in het kader van hun onderzoek conclusies formuleren en stellingen innemen, maar het is aan het hof om de feiten en omstandigheden te selecteren en waarderen in het licht van de door het Openbaar Ministerie geformuleerde tenlastelegging en ontnemingsvordering. De verdediging kan zich hiertegen bij de inhoudelijke behandeling verweren. Het hof acht zich op basis van het voorliggende dossier op het onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende ingelicht. Door het niet horen van [getuige 1] op dit onderdeel wordt de verdachte dan ook niet in de verdediging geschaad. Hetzelfde heeft naar het oordeel van het hof te gelden ten aanzien van de verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [getuige 2] over zijn onderzoek naar de drie ABC-transacties waarbij [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] betrokken waren, het horen van de getuige [getuige 3] over zijn conclusie dat sprake is van ‘winstafroming vanwege persoonlijke relaties, aandeelhoudersrelaties en de betrokken zakelijke derde partijen’, het horen van de getuige [opsporingsambtenaar 2] over zijn conclusie dat sprake is van ‘wereldwijde zwarte handel’ en de berekening van de omvang daarvan, het horen van de getuige [getuige 4] over de berekening van het gehanteerde brutowinstpercentage en het horen van de getuige [getuige 5] over het persisteren bij het zes-stappenplan.
Volledig
had kunnen zijn bij het onderzoeksteam Rockwood ten tijde van het opmaken van PV26 en dat het verweer van de verdediging in zoverre faalt. Uit de reactie van de Taiwanese autoriteiten op het rechtshulpverzoek blijkt bovendien de authenticiteit van het genoemde document. Van een niet legale, oncontroleerbare bron is geen sprake. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen. [naam] Het hof stelt vast dat namens de verdachte op 24 december 2021 hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De toenmalige raadsman van de verdachte heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 5 januari 2022, met aanvullingen op 7 januari 2022 en op 2 oktober 2024, verzocht een zestiental personen als getuigen te horen. Deze verzoeken zijn bij beslissing van 30 oktober 2024 door het hof afgewezen. Indien en voor zover het hof tot het oordeel komt dat aan de verdachte enig verwijt zou kunnen worden gemaakt, heeft de verdediging tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2025 – blijkens de bewoordingen in de pleitnota – gepersisteerd om de voornoemde getuigen te doen horen en met name de opsporingsambtenaren. Ter motivering daarvan heeft de raadsman gewezen op hetgeen deze getuigen – het hof begrijpt: de opsporingsambtenaren – kunnen verklaren over de start van het onderzoek, de rechtmatigheid van de doorzoeking en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de afwijzing van het verzoek van de in de appelschriftuur van 5 januari 2022 onder 1 tot en met 8 genoemde getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [opsporingsambtenaar 2] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] als volgt gemotiveerd: “B.3 Beoordeling hof B.3.1. Inleidende opmerkingen Bij de beoordeling van de verzoeken tot het horen van de door de verdediging genoemde getuigen stelt het hof het volgende voorop. De verdachte heeft het recht om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor zij in het belang van zijn verdediging acht en daartoe verzoeken kan doen. In bepaalde gevallen moet het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een getuige worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al eerder - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt [voetnoot 5: Hoge Raad 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.9.2.]. Het vorenstaande betekent evenwel niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Uit de ‘post- [naam] ’-arresten van de Hoge Raad volgt dat de omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken, of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om een verzoek te doen om een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, op zichzelf geen grond biedt voor de afwijzing van zo’n verzoek, maar dat het niet wegneemt dat een dergelijke inactiviteit van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen [voetnoot 6: Hoge Raad 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.11]. Het hof zal de verzoeken tot het horen van de in de appelschriftuur van 5 januari 2022 opgegeven getuigen (onder 1 tot en met 8) beoordelen aan de hand van het verdedigingsbelang. De verzoeken tot het horen van de overige getuigen (onder 9 tot en met 16) zal het hof beoordelen aan de hand van de gebleken noodzaak daartoe. B.3.2. Getuigen onder 1 t/m 8 Ten aanzien van de onder 1 tot en met 8 genoemde getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [opsporingsambtenaar 2] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] heeft de verdediging betoogd dat zij (onder meer) gehoord dienen te worden met het oog op de start van het (financieel) strafrechtelijk onderzoek, de verdenking(en) jegens de verdachte en de medeverdachten en de heimelijke doorzoeking. Het verzoek strekt er in zoverre toe dat de verdediging door middel van het horen van die getuigen de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen en betreft niet het horen van een getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring zoals die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. In deze situatie geldt dat het verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging moet worden onderbouwd [voetnoot 7: Hoge Raad 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1279, r.o. 2.4.3]. Het hof is van oordeel dat de verdediging onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom het horen van de genoemde getuigen van belang is voor de beantwoording van enige vraag van de artikelen 348 en 350 Sv. Het hof verwijst in dit verband op hetgeen onder A.3 is overwogen in het kader van de beoordeling van de informatieverzoeken en voegt hieraan toe dat de verdachte door het niet horen van deze personen ook niet in de verdediging wordt geschaad. Voor zover de verdediging dus heeft aangevoerd dat de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [opsporingsambtenaar 2] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] bevraagd dienen te worden over de start van het (financieel) strafrechtelijk onderzoek, de verdenking(en) jegens de verdachte en de medeverdachten en de heimelijke doorzoeking, worden die verzoeken aldus afgewezen. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de genoemde getuigen op andere onderdelen bevraagd dienen te worden, overweegt en beslist het hof als volgt. Ten aanzien van de getuige [getuige 1] is door de verdediging nog aangevoerd dat het van belang is om deze getuige te horen over - kort samengevat - de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof wijst dit verzoek van de verdediging af, omdat de door de verdediging geformuleerde vragen de juridische beoordeling van de zaak raken en geen feiten en omstandigheden waarover de getuige uit eigen wetenschap of waarneming kan verklaren. Het voorgaande sluit niet uit dat opsporingsambtenaren in het kader van hun onderzoek conclusies formuleren en stellingen innemen, maar het is aan het hof om de feiten en omstandigheden te selecteren en waarderen in het licht van de door het Openbaar Ministerie geformuleerde tenlastelegging en ontnemingsvordering. De verdediging kan zich hiertegen bij de inhoudelijke behandeling verweren. Het hof acht zich op basis van het voorliggende dossier op het onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende ingelicht. Door het niet horen van [getuige 1] op dit onderdeel wordt de verdachte dan ook niet in de verdediging geschaad. Hetzelfde heeft naar het oordeel van het hof te gelden ten aanzien van de verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [getuige 2] over zijn onderzoek naar de drie ABC-transacties waarbij [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] betrokken waren, het horen van de getuige [getuige 3] over zijn conclusie dat sprake is van ‘winstafroming vanwege persoonlijke relaties, aandeelhoudersrelaties en de betrokken zakelijke derde partijen’, het horen van de getuige [opsporingsambtenaar 2] over zijn conclusie dat sprake is van ‘wereldwijde zwarte handel’ en de berekening van de omvang daarvan, het horen van de getuige [getuige 4] over de berekening van het gehanteerde brutowinstpercentage en het horen van de getuige [getuige 5] over het persisteren bij het zes-stappenplan.
Volledig
Het hof stelt vast dat die verzoeken niet tot doel hebben de getuigen te bevragen over feiten en omstandigheden waarover zij uit eigen wetenschap of waarneming kunnen verklaren, maar betrekking hebben op een interpretatie van de feiten en omstandigheden door de betreffende opsporings- of belastingambtenaar. De selectie en waardering daarvan is aan het hof voorbehouden. Het hof acht zich op basis van het voorliggende dossier op deze punten voldoende ingelicht. Verder is het hof van oordeel dat de verdachte door het niet op deze onderdelen horen van de genoemde getuigen niet in de verdediging wordt geschaad. Het hof wijst de verzoeken af. ” Het hof stelt vast dat de verdediging haar verzoek de genoemde opsporingsambtenaren als getuigen te doen horen over de start van het onderzoek, de rechtmatigheid van de doorzoeking en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel (voorwaardelijk) heeft herhaald. Zoals reeds is overwogen in de hiervoor geciteerde beslissing van het hof van 30 oktober 2024 strekt dit (voorwaardelijk) verzoek er dus toe dat de verdediging door middel van het horen van die getuigen het verloop en daarmee de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, en betreft het verzoek niet het horen van een getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring zoals die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. In deze situatie geldt de regel dat het verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. Nu het verzoek niet is gemotiveerd is, kan geen sprake zijn van schending van een belang aan de zijde van de verdediging. Gelet op de inhoud van het door de verdediging gedane (voorwaardelijk) verzoek is evenmin sprake van een verzoek dat betrekking heeft op een opsporingsonderzoek waarvoor een zekere mate van specifieke of bijzondere kennis is vereist. Van schending van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces acht het hof dus geen sprake. Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging De tekst van de tenlastelegging – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – is aan dit arrest gehecht (bijlage I). Hierbij merkt het hof op dat in het onder feit 5 (primair en subsidiair) tenlastegelegde is vermeld ‘1 januari 2010 tot en met 29 oktober 2016’ in plaats van ‘1 januari 2010 tot en met 29 november 2016’ . De rechtbank heeft deze omissie aangemerkt als een kennelijke schrijffout, deze kennelijke schrijffout hersteld en verbeterd gelezen. De advocaat-generaal heeft dit tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof van 6 november 2025 aan de orde gesteld en het hof verzocht deze omissie evenals de rechtbank op te vatten als een kennelijke schrijffout. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat geen sprake is van een kennelijke schrijffout, heeft de advocaat-generaal aangegeven voornemens te zijn om wijziging van de tenlastelegging te vorderen. Het hof is van oordeel dat de omissie zal worden aangemerkt als een kennelijke schrijffout. Deze in het onder feit 5 (primair en subsidiair) tenlastegelegde voorkomende schrijffout is, evenals andere in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies, verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzittingen is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. Vrijspraak van het onder feit 4 (primair en subsidiair) tenlastegelegde Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het onder feit 4, primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt. Onder feit 4 primair en subsidiair is – kort samengevat – aan de verdachte tenlastegelegd dat opzettelijk onjuiste facturen in de bedrijfsadministratie van [verdachte rechtspersoon 1] zijn opgenomen, waardoor deze bedrijfsadministratie als valselijk opgemaakt of vervalst moet worden aangemerkt. De verdachte zou daarvoor als opdrachtgever of feitelijk leidinggevende van [verdachte rechtspersoon 1] verantwoordelijk zijn (feit 4 primair), dan wel het feit zelf hebben gepleegd (feit 4 subsidiair). De onjuistheid van deze facturen zou uit het volgende bestaan: i) dat op de factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) een verkoop van goederen door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] is vermeld, zulks terwijl een verkoop van goederen zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, althans niet heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 2] (1e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 1] -transactie’); ii) dat op de facturen van [verdachte rechtspersoon 1] gericht aan derden een verkoop van goederen door [verdachte rechtspersoon 1] aan die derden is vermeld, zulks terwijl een verkoop tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, omdat in werkelijkheid sprake was van een hogere verkoopprijs (2e en 4e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 3] - en [bedrijf 4] -transacties’); iii) dat op de facturen van [bedrijf 2] aan [verdachte rechtspersoon 1] een verrekening van (een deel van) de verkoopprijs is vermeld, zulks terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een verkoop van die goederen door [verdachte rechtspersoon 1] , althans dat [verdachte rechtspersoon 1] in werkelijkheid geen te verrekenen schuld had aan [bedrijf 2] (3e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 5] -transacties’); iv) dat op de facturen van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] een deel van de inkoop- en/of verkoopprijs van de op die facturen vermelde goederen in rekening werd gebracht in verband met een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] , zulks terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] , althans dat [bedrijf 2] in werkelijkheid geen aandeel had in de inkoop en/of verkoop van de op die facturen vermelde goederen (5e en 6e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 6] -transacties’). (i) De ‘ [bedrijf 1] -transactie’ Het onder het 1e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op een factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] gedateerd 17 juli 2012. Volgens de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] is de feitelijke gang van zaken bij deze transactie als volgt. [verdachte rechtspersoon 1] heeft de betreffende goederen ingekocht bij [bedrijf 7] , waarna [verdachte rechtspersoon 1] deze goederen heeft doorgeleverd aan [bedrijf 2] en rechtstreeks heeft verscheept aan [bedrijf 8] te [plaats 1] (hierna: [bedrijf 8] ). [bedrijf 2] factureerde aan [bedrijf 8] , waarna [bedrijf 2] een deel van de betaling door [bedrijf 8] doorbetaalde aan [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 2] verrekende met [verdachte rechtspersoon 1] via rekening-courant. De gehele transactie was gedekt door een Letter of Credit ten gunste van [bedrijf 2] . Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Het hof stelt vast dat sprake is van een zogenaamde ABC-transactie waarbij goederen fysiek van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) naar [bedrijf 8] (partij C) werden geleverd, maar waarbij de juridische levering verliep van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) via [bedrijf 2] (partij B) naar [bedrijf 8] (partij C). [bedrijf 2] heeft van [verdachte rechtspersoon 1] ter zake van deze goederenlevering een factuur ontvangen en deze factuur betaald c.q. verrekend via rekening-courant. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de prijs die door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] is gefactureerd een onzakelijke prijs is en de winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – een verkoop van goederen door [verdachte rechtspersoon 1] zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, althans niet heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 2] .
Volledig
Het hof stelt vast dat die verzoeken niet tot doel hebben de getuigen te bevragen over feiten en omstandigheden waarover zij uit eigen wetenschap of waarneming kunnen verklaren, maar betrekking hebben op een interpretatie van de feiten en omstandigheden door de betreffende opsporings- of belastingambtenaar. De selectie en waardering daarvan is aan het hof voorbehouden. Het hof acht zich op basis van het voorliggende dossier op deze punten voldoende ingelicht. Verder is het hof van oordeel dat de verdachte door het niet op deze onderdelen horen van de genoemde getuigen niet in de verdediging wordt geschaad. Het hof wijst de verzoeken af. ” Het hof stelt vast dat de verdediging haar verzoek de genoemde opsporingsambtenaren als getuigen te doen horen over de start van het onderzoek, de rechtmatigheid van de doorzoeking en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel (voorwaardelijk) heeft herhaald. Zoals reeds is overwogen in de hiervoor geciteerde beslissing van het hof van 30 oktober 2024 strekt dit (voorwaardelijk) verzoek er dus toe dat de verdediging door middel van het horen van die getuigen het verloop en daarmee de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, en betreft het verzoek niet het horen van een getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring zoals die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. In deze situatie geldt de regel dat het verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. Nu het verzoek niet is gemotiveerd is, kan geen sprake zijn van schending van een belang aan de zijde van de verdediging. Gelet op de inhoud van het door de verdediging gedane (voorwaardelijk) verzoek is evenmin sprake van een verzoek dat betrekking heeft op een opsporingsonderzoek waarvoor een zekere mate van specifieke of bijzondere kennis is vereist. Van schending van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces acht het hof dus geen sprake. Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging De tekst van de tenlastelegging – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – is aan dit arrest gehecht (bijlage I). Hierbij merkt het hof op dat in het onder feit 5 (primair en subsidiair) tenlastegelegde is vermeld ‘1 januari 2010 tot en met 29 oktober 2016’ in plaats van ‘1 januari 2010 tot en met 29 november 2016’ . De rechtbank heeft deze omissie aangemerkt als een kennelijke schrijffout, deze kennelijke schrijffout hersteld en verbeterd gelezen. De advocaat-generaal heeft dit tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof van 6 november 2025 aan de orde gesteld en het hof verzocht deze omissie evenals de rechtbank op te vatten als een kennelijke schrijffout. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat geen sprake is van een kennelijke schrijffout, heeft de advocaat-generaal aangegeven voornemens te zijn om wijziging van de tenlastelegging te vorderen. Het hof is van oordeel dat de omissie zal worden aangemerkt als een kennelijke schrijffout. Deze in het onder feit 5 (primair en subsidiair) tenlastegelegde voorkomende schrijffout is, evenals andere in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies, verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzittingen is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. Vrijspraak van het onder feit 4 (primair en subsidiair) tenlastegelegde Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het onder feit 4, primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt. Onder feit 4 primair en subsidiair is – kort samengevat – aan de verdachte tenlastegelegd dat opzettelijk onjuiste facturen in de bedrijfsadministratie van [verdachte rechtspersoon 1] zijn opgenomen, waardoor deze bedrijfsadministratie als valselijk opgemaakt of vervalst moet worden aangemerkt. De verdachte zou daarvoor als opdrachtgever of feitelijk leidinggevende van [verdachte rechtspersoon 1] verantwoordelijk zijn (feit 4 primair), dan wel het feit zelf hebben gepleegd (feit 4 subsidiair). De onjuistheid van deze facturen zou uit het volgende bestaan: i) dat op de factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) een verkoop van goederen door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] is vermeld, zulks terwijl een verkoop van goederen zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, althans niet heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 2] (1e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 1] -transactie’); ii) dat op de facturen van [verdachte rechtspersoon 1] gericht aan derden een verkoop van goederen door [verdachte rechtspersoon 1] aan die derden is vermeld, zulks terwijl een verkoop tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, omdat in werkelijkheid sprake was van een hogere verkoopprijs (2e en 4e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 3] - en [bedrijf 4] -transacties’); iii) dat op de facturen van [bedrijf 2] aan [verdachte rechtspersoon 1] een verrekening van (een deel van) de verkoopprijs is vermeld, zulks terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een verkoop van die goederen door [verdachte rechtspersoon 1] , althans dat [verdachte rechtspersoon 1] in werkelijkheid geen te verrekenen schuld had aan [bedrijf 2] (3e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 5] -transacties’); iv) dat op de facturen van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] een deel van de inkoop- en/of verkoopprijs van de op die facturen vermelde goederen in rekening werd gebracht in verband met een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] , zulks terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] , althans dat [bedrijf 2] in werkelijkheid geen aandeel had in de inkoop en/of verkoop van de op die facturen vermelde goederen (5e en 6e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 6] -transacties’). (i) De ‘ [bedrijf 1] -transactie’ Het onder het 1e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op een factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] gedateerd 17 juli 2012. Volgens de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] is de feitelijke gang van zaken bij deze transactie als volgt. [verdachte rechtspersoon 1] heeft de betreffende goederen ingekocht bij [bedrijf 7] , waarna [verdachte rechtspersoon 1] deze goederen heeft doorgeleverd aan [bedrijf 2] en rechtstreeks heeft verscheept aan [bedrijf 8] te [plaats 1] (hierna: [bedrijf 8] ). [bedrijf 2] factureerde aan [bedrijf 8] , waarna [bedrijf 2] een deel van de betaling door [bedrijf 8] doorbetaalde aan [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 2] verrekende met [verdachte rechtspersoon 1] via rekening-courant. De gehele transactie was gedekt door een Letter of Credit ten gunste van [bedrijf 2] . Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Het hof stelt vast dat sprake is van een zogenaamde ABC-transactie waarbij goederen fysiek van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) naar [bedrijf 8] (partij C) werden geleverd, maar waarbij de juridische levering verliep van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) via [bedrijf 2] (partij B) naar [bedrijf 8] (partij C). [bedrijf 2] heeft van [verdachte rechtspersoon 1] ter zake van deze goederenlevering een factuur ontvangen en deze factuur betaald c.q. verrekend via rekening-courant. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de prijs die door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] is gefactureerd een onzakelijke prijs is en de winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – een verkoop van goederen door [verdachte rechtspersoon 1] zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, althans niet heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 2] .
Volledig
Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken. (ii) De ‘ [bedrijf 3] - en [bedrijf 4] -transacties’ Het onder het 2e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op een factuur van [verdachte rechtspersoon 1] gericht aan [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) gedateerd 14 maart 2012. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verklaard dat de factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 3] berust op een omissie van de heer [betrokkene 2] . Deze factuur had namelijk niet aan [bedrijf 3] , maar aan [bedrijf 2] gericht moeten worden. [verdachte rechtspersoon 1] heeft de goederen ingekocht en vervolgens doorgeleverd aan [bedrijf 2] . De goederen zijn door [verdachte rechtspersoon 1] rechtstreeks verscheept naar [bedrijf 3] . De uiteindelijke betaling door [bedrijf 3] heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 2] . [bedrijf 2] verrekende met [verdachte rechtspersoon 1] via rekening-courant. Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Het hof stelt vast dat sprake is van een zogenaamde ABC-transactie waarbij goederen fysiek van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) naar [bedrijf 3] (partij C) werden geleverd, maar waarbij de juridische levering verliep van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) via [bedrijf 2] (partij B) naar [bedrijf 3] (partij C). [bedrijf 2] heeft van [verdachte rechtspersoon 1] ter zake van deze goederenlevering een factuur ontvangen – welke factuur abusievelijk op naam van [bedrijf 3] was gezet – en deze factuur betaald c.q. verrekend via rekening-courant. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de prijs die door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] is gefactureerd een onzakelijke prijs is en de winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – een verkoop tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, omdat in werkelijkheid sprake was van een hogere verkoopprijs. Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken . Het onder het 4e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op een factuur van [verdachte rechtspersoon 1] gericht aan [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) gedateerd 16 januari 2013. Ook ten aanzien van deze factuur hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] verklaard dat de factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 4] berust op een omissie van de heer [betrokkene 2] . Deze factuur had namelijk niet aan [bedrijf 4] , maar aan [bedrijf 2] gericht moeten worden. Het hof komt ten aanzien van deze factuur gericht aan [bedrijf 4] tot hetzelfde oordeel als ten aanzien van de factuur gericht aan [bedrijf 3] en zal de verdachte in zoverre vrijspreken. (iii) De ‘ [bedrijf 5] -transacties’ Het onder het 3e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op twee facturen van [bedrijf 2] aan [verdachte rechtspersoon 1] gedateerd 15 april 2010 en 28 december 2010. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verklaard dat [verdachte rechtspersoon 1] de betreffende goederen had ingekocht en deze later via [bedrijf 2] aan [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ) had verkocht. [verdachte rechtspersoon 1] leverde de goederen rechtstreeks aan [bedrijf 5] en factureerde de volledige verkoopprijs direct aan [bedrijf 5] . [bedrijf 2] factureerde haar deel van de winst aan [verdachte rechtspersoon 1] . Dit is door [verdachte rechtspersoon 1] betaald c.q. verrekend via rekening-courant. Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de winst behaald bij de ‘ [bedrijf 5] -transactie’ op onzakelijke gronden is afgeroomd naar [bedrijf 2] en die winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – in werkelijkheid geen sprake was van een verkoop van die goederen door [verdachte rechtspersoon 1] , althans dat [verdachte rechtspersoon 1] in werkelijkheid geen te verrekenen schuld had aan [bedrijf 2] . Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken. (iv) De ‘ [bedrijf 6] -transacties’ Het onder het 5e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op drie inkoopfacturen van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] gedateerd 17 maart 2011, 14 april 2011 en 15 november 2011. Het onder het 6e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op drie verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [verdachte rechtspersoon 1] gedateerd 9 november 2011, 9 november 2011 en 16 december 2011. Volgens de omschrijvingen op de facturen zijn de op die facturen vermelde goederen in het kader van een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] verkocht aan [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ). De directeur van [bedrijf 6] heeft bevestigd dat sprake was van een ‘joint venture-deal’ tussen [bedrijf 6] , [verdachte rechtspersoon 1] en [verdachte] waarbij de goederen door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 6] zouden worden verscheept. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verklaard dat de afspraak was om gelijk te delen in de winsten en/of verliezen bij deze transacties. Gelet hierop heeft [verdachte rechtspersoon 1] de goederen ingekocht en de helft van de kosten doorberekend aan [bedrijf 2] (5e gedachtestreepje). Vervolgens heeft [verdachte rechtspersoon 1] de goederen rechtstreeks aan [bedrijf 6] geleverd en gefactureerd aan [bedrijf 6] . Conform de afspraak werd de nettowinst gelijkelijk verdeeld tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Hiervoor heeft [bedrijf 2] een drietal facturen aan [verdachte rechtspersoon 1] gestuurd (6e gedachtestreepje). Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de winst behaald bij de ‘ [bedrijf 6] -transactie’ op onzakelijke gronden is afgeroomd naar [bedrijf 2] en die winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – in werkelijkheid geen sprake was van een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] , althans dat [bedrijf 2] in werkelijkheid geen aandeel had in de inkoop en/of verkoop van de op die facturen vermelde goederen. Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 (primair), feit 2 (primair), feit 3 (primair) en feit 5 (primair) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1 (primair): [verdachte rechtspersoon 2] , verder te noemen ‘de BV’, op tijdstip(pen) in de periode vanaf 1 juli 2007 tot en met 29 september 2011, in Nederland en in [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, telkens van een voorwerp de werkelijke herkomst heeft verhuld en verhuld wie de rechthebbenden op dat voorwerp waren en telkens een voorwerp heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en van een voorwerp gebruik heeft gemaakt, immers hebben de BV en haar mededader - zakelijk weergegeven - = een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) EUR 6.150.000,- geleend van [verdachte rechtspersoon 5] ten behoeve van het verlenen van een financiering aan [bedrijf 9] (bijlage nr. 1391C 214/260, pag. 00032871, 00030177, 00032083, 00032089, SF0000028, SF0000029, SF0000034, SF0000035, SF0020046, SF0020047, SF0021269, SF0021270, SF0030017, SF0030018 proces-verbaal) en = een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot EUR 6.150.000,- uitgeleend aan [bedrijf 9] (bijlage nr. 308, pag. 00030177 proces-verbaal en bijlage nr. 1660 3/12, pag. 00036013 proces-verbaal) en = een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) USD 13.500.000,- geleend van [verdachte rechtspersoon 5] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 10] (bijlage nr. 1391C 209/260, pag. 00032866 proces-verbaal) en = een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot USD 13.500.000,- uitgeleend aan [bedrijf 10] (bijlage nr. 1659(A), pag.
Volledig
Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken. (ii) De ‘ [bedrijf 3] - en [bedrijf 4] -transacties’ Het onder het 2e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op een factuur van [verdachte rechtspersoon 1] gericht aan [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) gedateerd 14 maart 2012. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verklaard dat de factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 3] berust op een omissie van de heer [betrokkene 2] . Deze factuur had namelijk niet aan [bedrijf 3] , maar aan [bedrijf 2] gericht moeten worden. [verdachte rechtspersoon 1] heeft de goederen ingekocht en vervolgens doorgeleverd aan [bedrijf 2] . De goederen zijn door [verdachte rechtspersoon 1] rechtstreeks verscheept naar [bedrijf 3] . De uiteindelijke betaling door [bedrijf 3] heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 2] . [bedrijf 2] verrekende met [verdachte rechtspersoon 1] via rekening-courant. Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Het hof stelt vast dat sprake is van een zogenaamde ABC-transactie waarbij goederen fysiek van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) naar [bedrijf 3] (partij C) werden geleverd, maar waarbij de juridische levering verliep van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) via [bedrijf 2] (partij B) naar [bedrijf 3] (partij C). [bedrijf 2] heeft van [verdachte rechtspersoon 1] ter zake van deze goederenlevering een factuur ontvangen – welke factuur abusievelijk op naam van [bedrijf 3] was gezet – en deze factuur betaald c.q. verrekend via rekening-courant. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de prijs die door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] is gefactureerd een onzakelijke prijs is en de winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – een verkoop tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, omdat in werkelijkheid sprake was van een hogere verkoopprijs. Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken . Het onder het 4e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op een factuur van [verdachte rechtspersoon 1] gericht aan [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) gedateerd 16 januari 2013. Ook ten aanzien van deze factuur hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] verklaard dat de factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 4] berust op een omissie van de heer [betrokkene 2] . Deze factuur had namelijk niet aan [bedrijf 4] , maar aan [bedrijf 2] gericht moeten worden. Het hof komt ten aanzien van deze factuur gericht aan [bedrijf 4] tot hetzelfde oordeel als ten aanzien van de factuur gericht aan [bedrijf 3] en zal de verdachte in zoverre vrijspreken. (iii) De ‘ [bedrijf 5] -transacties’ Het onder het 3e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op twee facturen van [bedrijf 2] aan [verdachte rechtspersoon 1] gedateerd 15 april 2010 en 28 december 2010. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verklaard dat [verdachte rechtspersoon 1] de betreffende goederen had ingekocht en deze later via [bedrijf 2] aan [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ) had verkocht. [verdachte rechtspersoon 1] leverde de goederen rechtstreeks aan [bedrijf 5] en factureerde de volledige verkoopprijs direct aan [bedrijf 5] . [bedrijf 2] factureerde haar deel van de winst aan [verdachte rechtspersoon 1] . Dit is door [verdachte rechtspersoon 1] betaald c.q. verrekend via rekening-courant. Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de winst behaald bij de ‘ [bedrijf 5] -transactie’ op onzakelijke gronden is afgeroomd naar [bedrijf 2] en die winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – in werkelijkheid geen sprake was van een verkoop van die goederen door [verdachte rechtspersoon 1] , althans dat [verdachte rechtspersoon 1] in werkelijkheid geen te verrekenen schuld had aan [bedrijf 2] . Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken. (iv) De ‘ [bedrijf 6] -transacties’ Het onder het 5e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op drie inkoopfacturen van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] gedateerd 17 maart 2011, 14 april 2011 en 15 november 2011. Het onder het 6e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op drie verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [verdachte rechtspersoon 1] gedateerd 9 november 2011, 9 november 2011 en 16 december 2011. Volgens de omschrijvingen op de facturen zijn de op die facturen vermelde goederen in het kader van een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] verkocht aan [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ). De directeur van [bedrijf 6] heeft bevestigd dat sprake was van een ‘joint venture-deal’ tussen [bedrijf 6] , [verdachte rechtspersoon 1] en [verdachte] waarbij de goederen door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 6] zouden worden verscheept. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verklaard dat de afspraak was om gelijk te delen in de winsten en/of verliezen bij deze transacties. Gelet hierop heeft [verdachte rechtspersoon 1] de goederen ingekocht en de helft van de kosten doorberekend aan [bedrijf 2] (5e gedachtestreepje). Vervolgens heeft [verdachte rechtspersoon 1] de goederen rechtstreeks aan [bedrijf 6] geleverd en gefactureerd aan [bedrijf 6] . Conform de afspraak werd de nettowinst gelijkelijk verdeeld tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Hiervoor heeft [bedrijf 2] een drietal facturen aan [verdachte rechtspersoon 1] gestuurd (6e gedachtestreepje). Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de winst behaald bij de ‘ [bedrijf 6] -transactie’ op onzakelijke gronden is afgeroomd naar [bedrijf 2] en die winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – in werkelijkheid geen sprake was van een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] , althans dat [bedrijf 2] in werkelijkheid geen aandeel had in de inkoop en/of verkoop van de op die facturen vermelde goederen. Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 (primair), feit 2 (primair), feit 3 (primair) en feit 5 (primair) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1 (primair): [verdachte rechtspersoon 2] , verder te noemen ‘de BV’, op tijdstip(pen) in de periode vanaf 1 juli 2007 tot en met 29 september 2011, in Nederland en in [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, telkens van een voorwerp de werkelijke herkomst heeft verhuld en verhuld wie de rechthebbenden op dat voorwerp waren en telkens een voorwerp heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en van een voorwerp gebruik heeft gemaakt, immers hebben de BV en haar mededader - zakelijk weergegeven - = een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) EUR 6.150.000,- geleend van [verdachte rechtspersoon 5] ten behoeve van het verlenen van een financiering aan [bedrijf 9] (bijlage nr. 1391C 214/260, pag. 00032871, 00030177, 00032083, 00032089, SF0000028, SF0000029, SF0000034, SF0000035, SF0020046, SF0020047, SF0021269, SF0021270, SF0030017, SF0030018 proces-verbaal) en = een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot EUR 6.150.000,- uitgeleend aan [bedrijf 9] (bijlage nr. 308, pag. 00030177 proces-verbaal en bijlage nr. 1660 3/12, pag. 00036013 proces-verbaal) en = een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) USD 13.500.000,- geleend van [verdachte rechtspersoon 5] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 10] (bijlage nr. 1391C 209/260, pag. 00032866 proces-verbaal) en = een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot USD 13.500.000,- uitgeleend aan [bedrijf 10] (bijlage nr. 1659(A), pag.
Volledig
00036001 en 00036006 proces-verbaal) en = een bedrag aan geld groot EUR 17.699.994,56 door de BV ontvangen als terugbetaling van leningen, overgeboekt vanaf de bankrekening van de BV naar de bankrekening van [verdachte rechtspersoon 5] (bijlage nr. 1391AA 11/41, pag. 00032622 proces-verbaal), terwijl de BV en haar mededader telkens wisten dat dat voorwerp gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen; Feit 2 (primair): [verdachte rechtspersoon 5] , verder te noemen ‘de Limited’, in of omstreeks de periode vanaf 24 oktober 2014 tot en met 26 mei 2017 in Nederland en in [plaats 2] , van een voorwerp de werkelijke herkomst heeft verhuld en verhuld wie de rechthebbenden op dat voorwerp waren en een voorwerp heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en van een voorwerp gebruik heeft gemaakt , immers heeft zij - zakelijk weergegeven - = een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot EUR 4.500.000,- uitgeleend aan [bedrijf 11] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 11] (SF0022094, SF0022113, SF0022114, SF0022115, SRD00034067), terwijl zij wist dat dat voorwerp gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging; Feit 3 (primair): [verdachte rechtspersoon 5] , verder te noemen ‘de Limited’, in de periode vanaf de maand juli 2007 tot en met de maand november 2008 in [plaats 2] en te [plaats 1] en in Nederland en Duitsland, telkens = een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot EUR 6.150.000,- voor de financiering van [bedrijf 9] en/of haar hotelprojecten in Kalkar onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden, en = een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot USD 13.500,000,- voor de financiering van [bedrijf 10] , vestiging Meppen, haar hotelproject in Duitsland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden, en = een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 november 2007 en ondertekend 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot EUR 5.000.000,- voor de financiering van onroerend goed- en/of bouwprojecten in Duitsland en/of in Nederland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden, zijnde die leningsovereenkomsten voornoemd telkens geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk opgemaakt, immers heeft de Limited alstoen aldaar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid genoemde leningsovereenkomsten telkens namens de Limited laten ondertekenen door [betrokkene 5] , telkens ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde, terwijl in die leningsovereenkomsten voornoemd telkens valselijk en in strijd met de waarheid was opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de in die leningsovereenkomsten vermelde leningsbedragen verstrekt zouden worden door [medeverdachte 2] aan haar, zulks terwijl in werkelijkheid geen sprake was van door [medeverdachte 2] te verstrekken leningen aan haar, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken, hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen; Feit 5 (primair): [verdachte rechtspersoon 1] , verder te noemen ‘de BV’, in de periode van 9 december 2011 tot en met 29 november 2016 in Nederland, opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van de BV over de jaren 2010 en 2011 en 2012 en 2013 en 2015 (digitale bijlagen nrs. 1643E t/m 1643H, 1643J) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de BV telkens opzettelijk - zakelijk weergegeven - op de bij de bevoegde inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van de BV * over het jaar 2010 een negatieve belastbare winst groot EUR 163.746,- en een negatief belastbaar bedrag groot EUR 163.746,- (rubriek 585) vermeld en * over het jaar 2011 een negatieve belastbare winst groot EUR 2.237,- en een negatief belastbaar bedrag groot EUR 2.237,- (rubriek 585) vermeld en * over het jaar 2012 een negatieve belastbare winst groot EUR 286.941,- en een negatief belastbaar bedrag groot EUR 286.941,- (rubriek 585) vermeld en * over het jaar 2013 een belastbare winst groot EUR 204.617,- en een belastbaar bedrag groot nihil (rubriek 585) vermeld en * over het jaar 2015 een belastbare winst groot EUR 110.821,- en een belastbaar bedrag groot nihil (rubriek 585) vermeld, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen A. Witwassen (feit 1 en feit 2) A.1. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank –zowel wat betreft de beslissingen als de motivering daarvan – juist is. In de kern komt de motivering van de rechtbank voor wat betreft feit 1 en feit 2 en daarmee in zoverre het standpunt van de advocaat-generaal op het volgende neer. Op basis van de feiten en omstandigheden kan een bewijsvermoeden van witwassen worden geconstateerd. Dit volgt allereerst uit de witwasindicatoren in PV26 en bovendien uit het navolgende: [verdachte rechtspersoon 5] heeft niets om het lijf. [medeverdachte 1] en [verdachte] lenen via de opgetuigde constructie indirect aan en van zichzelf. [verdachte rechtspersoon 5] maakt winst die in [plaats 2] niet wordt belast – de rechtbank trekt een parallel met de feiten 4 en 5, de handel die in [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] wordt geadministreerd. Een volgbare en toetsbare stroom documenten die inzichtelijk maakt hoe [verdachte rechtspersoon 5] aan het uit te lenen geld komt, ontbreekt. Er is slechts een paper trail vanaf [verdachte rechtspersoon 5] naar de partijen die geld lenen, al bestaan daar soms wel verschillende versies van. De bron waar [verdachte rechtspersoon 5] daadwerkelijk uit put, blijft onzichtbaar. [medeverdachte 1] en [verdachte] gebruikten de bankrekeningen van hun rechtspersonen in [plaats 2] als hun persoonlijke portemonnee. Ze nemen wat ze nodig hebben. Er worden kunstgrepen toegepast waardoor [medeverdachte 1] en [verdachte] persoonlijk buiten beeld blijven voor de fiscus, zoals het zich uitschrijven als inwoner van Nederland, ondanks dat men verblijft en werkt in Nederland, het stallen van vermogen op een Zwitserse bankrekening en het opvoeren van een alternatieve vermogensbron voor [verdachte rechtspersoon 5] in de persoon van de niet-Nederlandse [medeverdachte 2] . Evenals de rechtbank ziet de advocaat-generaal een patroon. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij nog nooit belasting heeft betaald, waar dan ook ter wereld. [verdachte] heeft verklaard dat hij voor het laatst in 1979 belasting heeft betaald in Nederland. Ook de rechtspersonen waarmee [medeverdachte 1] en [verdachte] zich bedienen hebben tot op heden niet of nauwelijks belasting betaald.
Volledig
00036001 en 00036006 proces-verbaal) en = een bedrag aan geld groot EUR 17.699.994,56 door de BV ontvangen als terugbetaling van leningen, overgeboekt vanaf de bankrekening van de BV naar de bankrekening van [verdachte rechtspersoon 5] (bijlage nr. 1391AA 11/41, pag. 00032622 proces-verbaal), terwijl de BV en haar mededader telkens wisten dat dat voorwerp gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen; Feit 2 (primair): [verdachte rechtspersoon 5] , verder te noemen ‘de Limited’, in of omstreeks de periode vanaf 24 oktober 2014 tot en met 26 mei 2017 in Nederland en in [plaats 2] , van een voorwerp de werkelijke herkomst heeft verhuld en verhuld wie de rechthebbenden op dat voorwerp waren en een voorwerp heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en van een voorwerp gebruik heeft gemaakt , immers heeft zij - zakelijk weergegeven - = een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot EUR 4.500.000,- uitgeleend aan [bedrijf 11] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 11] (SF0022094, SF0022113, SF0022114, SF0022115, SRD00034067), terwijl zij wist dat dat voorwerp gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging; Feit 3 (primair): [verdachte rechtspersoon 5] , verder te noemen ‘de Limited’, in de periode vanaf de maand juli 2007 tot en met de maand november 2008 in [plaats 2] en te [plaats 1] en in Nederland en Duitsland, telkens = een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot EUR 6.150.000,- voor de financiering van [bedrijf 9] en/of haar hotelprojecten in Kalkar onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden, en = een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot USD 13.500,000,- voor de financiering van [bedrijf 10] , vestiging Meppen, haar hotelproject in Duitsland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden, en = een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 november 2007 en ondertekend 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot EUR 5.000.000,- voor de financiering van onroerend goed- en/of bouwprojecten in Duitsland en/of in Nederland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden, zijnde die leningsovereenkomsten voornoemd telkens geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk opgemaakt, immers heeft de Limited alstoen aldaar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid genoemde leningsovereenkomsten telkens namens de Limited laten ondertekenen door [betrokkene 5] , telkens ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde, terwijl in die leningsovereenkomsten voornoemd telkens valselijk en in strijd met de waarheid was opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de in die leningsovereenkomsten vermelde leningsbedragen verstrekt zouden worden door [medeverdachte 2] aan haar, zulks terwijl in werkelijkheid geen sprake was van door [medeverdachte 2] te verstrekken leningen aan haar, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken, hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen; Feit 5 (primair): [verdachte rechtspersoon 1] , verder te noemen ‘de BV’, in de periode van 9 december 2011 tot en met 29 november 2016 in Nederland, opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van de BV over de jaren 2010 en 2011 en 2012 en 2013 en 2015 (digitale bijlagen nrs. 1643E t/m 1643H, 1643J) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de BV telkens opzettelijk - zakelijk weergegeven - op de bij de bevoegde inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van de BV * over het jaar 2010 een negatieve belastbare winst groot EUR 163.746,- en een negatief belastbaar bedrag groot EUR 163.746,- (rubriek 585) vermeld en * over het jaar 2011 een negatieve belastbare winst groot EUR 2.237,- en een negatief belastbaar bedrag groot EUR 2.237,- (rubriek 585) vermeld en * over het jaar 2012 een negatieve belastbare winst groot EUR 286.941,- en een negatief belastbaar bedrag groot EUR 286.941,- (rubriek 585) vermeld en * over het jaar 2013 een belastbare winst groot EUR 204.617,- en een belastbaar bedrag groot nihil (rubriek 585) vermeld en * over het jaar 2015 een belastbare winst groot EUR 110.821,- en een belastbaar bedrag groot nihil (rubriek 585) vermeld, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen A. Witwassen (feit 1 en feit 2) A.1. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank –zowel wat betreft de beslissingen als de motivering daarvan – juist is. In de kern komt de motivering van de rechtbank voor wat betreft feit 1 en feit 2 en daarmee in zoverre het standpunt van de advocaat-generaal op het volgende neer. Op basis van de feiten en omstandigheden kan een bewijsvermoeden van witwassen worden geconstateerd. Dit volgt allereerst uit de witwasindicatoren in PV26 en bovendien uit het navolgende: [verdachte rechtspersoon 5] heeft niets om het lijf. [medeverdachte 1] en [verdachte] lenen via de opgetuigde constructie indirect aan en van zichzelf. [verdachte rechtspersoon 5] maakt winst die in [plaats 2] niet wordt belast – de rechtbank trekt een parallel met de feiten 4 en 5, de handel die in [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] wordt geadministreerd. Een volgbare en toetsbare stroom documenten die inzichtelijk maakt hoe [verdachte rechtspersoon 5] aan het uit te lenen geld komt, ontbreekt. Er is slechts een paper trail vanaf [verdachte rechtspersoon 5] naar de partijen die geld lenen, al bestaan daar soms wel verschillende versies van. De bron waar [verdachte rechtspersoon 5] daadwerkelijk uit put, blijft onzichtbaar. [medeverdachte 1] en [verdachte] gebruikten de bankrekeningen van hun rechtspersonen in [plaats 2] als hun persoonlijke portemonnee. Ze nemen wat ze nodig hebben. Er worden kunstgrepen toegepast waardoor [medeverdachte 1] en [verdachte] persoonlijk buiten beeld blijven voor de fiscus, zoals het zich uitschrijven als inwoner van Nederland, ondanks dat men verblijft en werkt in Nederland, het stallen van vermogen op een Zwitserse bankrekening en het opvoeren van een alternatieve vermogensbron voor [verdachte rechtspersoon 5] in de persoon van de niet-Nederlandse [medeverdachte 2] . Evenals de rechtbank ziet de advocaat-generaal een patroon. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij nog nooit belasting heeft betaald, waar dan ook ter wereld. [verdachte] heeft verklaard dat hij voor het laatst in 1979 belasting heeft betaald in Nederland. Ook de rechtspersonen waarmee [medeverdachte 1] en [verdachte] zich bedienen hebben tot op heden niet of nauwelijks belasting betaald.
Volledig
Daarnaast is gebleken dat [verdachte rechtspersoon 5] niet de eerste rechtspersoon uit [plaats 2] is met een sleutelfunctie in de financieringsactiviteiten van [medeverdachte 1] en [verdachte] . In het verleden vervulde [bedrijf 12] (hierna: [bedrijf 12] ) die rol. Tevens is gewezen op het verplaatsen van de winsten uit de handel in legeronderdelen naar [plaats 2] via [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Het hiervoor geschetste patroon leidt tot de tussenconclusie dat in elk geval belastingfraude ten grondslag ligt aan de aanwas van het vermogen dat [verdachte rechtspersoon 5] – al dan niet via [verdachte rechtspersoon 2] – in de tenlastegelegde periode kon uitlenen. Het kan niet anders dan dat de niet afgedragen belasting, vermeerderd met het vervolgprofijt dat met de financieringsactiviteiten is behaald, over een periode van 10 tot 20 jaar voorafgaand aan de tenlastegelegde periode een zo groot deel is gaan uitmaken van het totaalvermogen, dat dit niet meer te isoleren is. Dat betekent dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte rechtspersoon 5] vermogen voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat dit vermogen afkomstig was van enig misdrijf, te weten belastingfraude. Tevens heeft [verdachte rechtspersoon 5] verhuld wat de herkomst van dit vermogen was en wie de rechthebbenden tot dit vermogen waren. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben aan deze gedragingen feitelijke leiding gegeven. A.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verweer gevoerd tegen het tenlastegelegde witwassen (feit 1 en feit 2) en daarbij vrijspraak bepleit. Het hof zal het verweer van de verdediging zakelijk weergeven. Deze weergave is gebaseerd op de pleitnota zoals voorgedragen tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 11 november 2025. A.2.1. Geen sprake van ‘voorwerp afkomstig uit enig misdrijf’ Volgens de verdediging ontbreekt het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1, onder a en b, Sr opgenomen bestanddeel voorwerp “afkomstig (…) van enig misdrijf” volledig. Het Openbaar Ministerie heeft ten onrechte geen gronddelict vastgesteld. Zonder een criminele bron is artikel 420bis Sr niet toepasbaar, aldus de verdediging. A.2.2. Geen sprake van verhullen en/of omzetten De verdediging heeft aangevoerd dat de geldstromen via traceerbare bankrekeningen liepen. De contracten zijn geregistreerd en voorzien van hypotheken. De Belastingdienst was in het geheel op de hoogte. Van “verhullen” en/of “omzetten” is volgens de verdediging geen sprake. A.2.3. Geen sprake van subjectief opzet of wetenschap De verdediging heeft aangevoerd dat op geen enkele manier vastgesteld kan worden dat de verdachte de intentie heeft gehad om geld te verbergen. Uit de verklaringen van de verdachte in het dossier en ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt immers dat de verdachte voortdurend heeft verklaard over de wijze waarop hij zijn geld heeft verdiend, namelijk met de wereldwijde handel in (met name) legerdump. Er zijn geen valse namen, contante betalingen of off-shore afschermingen gebruikt. Daarnaast heeft de verdachte consistent verklaard dat de financiering aan [bedrijf 9] (hierna: [bedrijf 9] ) en [bedrijf 10] (hierna: [bedrijf 10] ) (feit 1) en [bedrijf 11] (feit 2) bedoeld was voor renovatie en exploitatie van bestaande parken. De voor een bewezenverklaring vereiste opzet ontbreekt, aldus de verdediging. A.2.4. Geen sprake van geven van feitelijke leiding De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte rechtspersoon 2] een zelfstandig juridisch persoon was. De verdachte verbleef grotendeels in het buitenland. [medeverdachte 1] en de lokale Duitse partners ( [bedrijf 10] en [betrokkene 3] ) voerden de transacties uit. Ten aanzien van [verdachte rechtspersoon 5] heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte na 2011 geen directeur meer was en slechts handelde als informele investeerder. Er is aldus geen bewijs voorhanden voor het oordeel dat de verdachte feitelijke leiding gaf aan een strafbaar feit. A.2.5. Geen valsheid in geschrift (feit 3), dan ook geen witwassen door [verdachte rechtspersoon 2] (feit 1) Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat nu het onder feit 3 tenlastegelegde valsheid in geschrift niet bewezen kan worden, de feitelijke basis aan de veronderstelling dat sprake is van witwassen door [verdachte rechtspersoon 2] (feit 1) is komen te ontvallen. A.3. Bewijsoverwegingen van het hof Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde verweren. A.3.1. Juridisch kader “afkomstig uit enig misdrijf” Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1, onder a en b, Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat deze een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat een zodanige verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht aan de verdenking heeft geboden of dat deze pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. Gelet op voornoemd toetsingskader kan ook zonder concreet gronddelict een criminele herkomst van vermogensbestanddelen worden vastgesteld, maar dan moet met voldoende mate van zekerheid een legale herkomst kunnen worden uitgesloten. Het belang hiervan wordt nog versterkt doordat een veroordeling voor witwassen de weg kan openen naar ontneming van het gestelde witgewassen vermogen, zoals in dit geval ook door het Openbaar Ministerie is geëist. A.3.2. De toepassing van het ‘zes-stappenplan’ Het Combiteam FIOD-Landelijke Eenheid is in het voorbereidend onderzoek op basis van het ‘zes-stappenplan’ tot de conclusie gekomen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het vermogen van [medeverdachte 1] en [verdachte] een legale herkomst heeft. Derhalve kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring gelden. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van witwassen.
Volledig
Daarnaast is gebleken dat [verdachte rechtspersoon 5] niet de eerste rechtspersoon uit [plaats 2] is met een sleutelfunctie in de financieringsactiviteiten van [medeverdachte 1] en [verdachte] . In het verleden vervulde [bedrijf 12] (hierna: [bedrijf 12] ) die rol. Tevens is gewezen op het verplaatsen van de winsten uit de handel in legeronderdelen naar [plaats 2] via [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Het hiervoor geschetste patroon leidt tot de tussenconclusie dat in elk geval belastingfraude ten grondslag ligt aan de aanwas van het vermogen dat [verdachte rechtspersoon 5] – al dan niet via [verdachte rechtspersoon 2] – in de tenlastegelegde periode kon uitlenen. Het kan niet anders dan dat de niet afgedragen belasting, vermeerderd met het vervolgprofijt dat met de financieringsactiviteiten is behaald, over een periode van 10 tot 20 jaar voorafgaand aan de tenlastegelegde periode een zo groot deel is gaan uitmaken van het totaalvermogen, dat dit niet meer te isoleren is. Dat betekent dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte rechtspersoon 5] vermogen voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat dit vermogen afkomstig was van enig misdrijf, te weten belastingfraude. Tevens heeft [verdachte rechtspersoon 5] verhuld wat de herkomst van dit vermogen was en wie de rechthebbenden tot dit vermogen waren. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben aan deze gedragingen feitelijke leiding gegeven. A.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verweer gevoerd tegen het tenlastegelegde witwassen (feit 1 en feit 2) en daarbij vrijspraak bepleit. Het hof zal het verweer van de verdediging zakelijk weergeven. Deze weergave is gebaseerd op de pleitnota zoals voorgedragen tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 11 november 2025. A.2.1. Geen sprake van ‘voorwerp afkomstig uit enig misdrijf’ Volgens de verdediging ontbreekt het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1, onder a en b, Sr opgenomen bestanddeel voorwerp “afkomstig (…) van enig misdrijf” volledig. Het Openbaar Ministerie heeft ten onrechte geen gronddelict vastgesteld. Zonder een criminele bron is artikel 420bis Sr niet toepasbaar, aldus de verdediging. A.2.2. Geen sprake van verhullen en/of omzetten De verdediging heeft aangevoerd dat de geldstromen via traceerbare bankrekeningen liepen. De contracten zijn geregistreerd en voorzien van hypotheken. De Belastingdienst was in het geheel op de hoogte. Van “verhullen” en/of “omzetten” is volgens de verdediging geen sprake. A.2.3. Geen sprake van subjectief opzet of wetenschap De verdediging heeft aangevoerd dat op geen enkele manier vastgesteld kan worden dat de verdachte de intentie heeft gehad om geld te verbergen. Uit de verklaringen van de verdachte in het dossier en ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt immers dat de verdachte voortdurend heeft verklaard over de wijze waarop hij zijn geld heeft verdiend, namelijk met de wereldwijde handel in (met name) legerdump. Er zijn geen valse namen, contante betalingen of off-shore afschermingen gebruikt. Daarnaast heeft de verdachte consistent verklaard dat de financiering aan [bedrijf 9] (hierna: [bedrijf 9] ) en [bedrijf 10] (hierna: [bedrijf 10] ) (feit 1) en [bedrijf 11] (feit 2) bedoeld was voor renovatie en exploitatie van bestaande parken. De voor een bewezenverklaring vereiste opzet ontbreekt, aldus de verdediging. A.2.4. Geen sprake van geven van feitelijke leiding De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte rechtspersoon 2] een zelfstandig juridisch persoon was. De verdachte verbleef grotendeels in het buitenland. [medeverdachte 1] en de lokale Duitse partners ( [bedrijf 10] en [betrokkene 3] ) voerden de transacties uit. Ten aanzien van [verdachte rechtspersoon 5] heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte na 2011 geen directeur meer was en slechts handelde als informele investeerder. Er is aldus geen bewijs voorhanden voor het oordeel dat de verdachte feitelijke leiding gaf aan een strafbaar feit. A.2.5. Geen valsheid in geschrift (feit 3), dan ook geen witwassen door [verdachte rechtspersoon 2] (feit 1) Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat nu het onder feit 3 tenlastegelegde valsheid in geschrift niet bewezen kan worden, de feitelijke basis aan de veronderstelling dat sprake is van witwassen door [verdachte rechtspersoon 2] (feit 1) is komen te ontvallen. A.3. Bewijsoverwegingen van het hof Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde verweren. A.3.1. Juridisch kader “afkomstig uit enig misdrijf” Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1, onder a en b, Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat deze een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat een zodanige verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht aan de verdenking heeft geboden of dat deze pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. Gelet op voornoemd toetsingskader kan ook zonder concreet gronddelict een criminele herkomst van vermogensbestanddelen worden vastgesteld, maar dan moet met voldoende mate van zekerheid een legale herkomst kunnen worden uitgesloten. Het belang hiervan wordt nog versterkt doordat een veroordeling voor witwassen de weg kan openen naar ontneming van het gestelde witgewassen vermogen, zoals in dit geval ook door het Openbaar Ministerie is geëist. A.3.2. De toepassing van het ‘zes-stappenplan’ Het Combiteam FIOD-Landelijke Eenheid is in het voorbereidend onderzoek op basis van het ‘zes-stappenplan’ tot de conclusie gekomen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het vermogen van [medeverdachte 1] en [verdachte] een legale herkomst heeft. Derhalve kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring gelden. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van witwassen.
Volledig
Ook de advocaat-generaal stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat op basis van de feiten en omstandigheden – de witwasindicatoren in PV26 en de aanvullende feiten en omstandigheden – sprake is van een bewijsvermoeden van witwassen en dat van de verdachte(n) een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het vermogen mag worden geëist. De advocaat-generaal acht de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] kennelijk ontoereikend. Vervolgens komt de advocaat-generaal tot de (tussen)conclusie dat ‘het niet anders kan zijn dan dat’ de tenlastegelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. In dat kader noemt de advocaat-generaal wél een specifiek gronddelict, namelijk belastingfraude. Daarmee lijkt de advocaat-generaal op twee gedachten te hinken. Het is echter het één of het ander: ófwel er wordt een concreet gronddelict opgevoerd, ófwel een concreet gronddelict is niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen en dan komt het zogenoemde ‘zes-stappenplan’ in beeld. In het laatste geval komt een grotere nadruk te liggen op de bewijsbaarheid dan wel aannemelijkheid van de overige feiten en omstandigheden die in onderlinge samenhang het ontbreken van een legale herkomst zouden kunnen onderbouwen. Indien wordt geredeneerd vanuit het ‘zes-stappenplan’, zoals het Openbaar Ministerie lijkt te doen, kan worden vastgesteld dat door [medeverdachte 1] en [verdachte] een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het vermogen is gegeven, te weten – kort samengevat – dat zij tot 1994 op legale wijze een startkapitaal van ongeveer ƒ 5 miljoen hebben verworven met onder meer de wereldwijde handel in legeronderdelen. Ook in de jaren na 1994 heeft die handel zich voortgezet. Daar komt nog bij dat [verdachte] aantoonbaar om en nabij ƒ 2,5 miljoen heeft verdiend met de verkoop van onroerend goed in de periode vanaf 1961 tot 1995. Dit geld is gebruikt voor het verstrekken van financieringen vanaf 1994 en uitgegroeid tot een aanzienlijk vermogen van ongeveer € 46 miljoen. Uit het dossier volgt dat [verdachte] reeds vanaf de jaren ’60 actief was in de handel in legeronderdelen. [medeverdachte 1] is vanaf de jaren ’80 actief geworden. Het is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk dat die handel (zeer) lucratief is geweest. Uit het dossier en met name uit getuigenverklaringen is inderdaad gebleken dat [verdachte] op grote schaal handelde in grote partijen legergoederen en daarmee ook behoorlijk succesvol was (‘goed boerde’). Het Openbaar Ministerie heeft de verklaring(en) van [medeverdachte 1] en [verdachte] naar het oordeel van het hof onvoldoende kunnen weerleggen. Daarbij geldt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] gelet op het lange tijdsverloop in een lastige bewijspositie zaten. Die omstandigheid mag naar het oordeel van het hof niet in het nadeel van [medeverdachte 1] en [verdachte] worden meegewogen. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het ‘zes-stappenplan’ in het onderhavige geval geen toepassing dient te vinden. Een bewezenverklaring ter zake van witwassen kan naar het oordeel van het hof dan alleen aan de orde zijn indien wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van een ander misdrijf, waardoor de uit de handel in legeronderdelen en – later – uit de financieringsactiviteiten afkomstige gelden zijn vermengd met uit een illegale bron afkomstige gelden, bijvoorbeeld doordat sprake is van belastingontduiking, gepleegd vóór de gewraakte handelingen. Dit brengt het hof ertoe om te beoordelen of belastingfraude in aanmerking komt als gronddelict voor het tenlastegelegde witwassen. A.3.3. Belastingfraude als gronddelict voor witwassen Het hof stelt voorop dat ook vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen “afkomstig (...) van enig misdrijf” in de zin van artikel 420bis Sr. [verdachte] heeft verklaard dat hij eind jaren ’70 ten onrechte uit zijn huis in Gendt is gezet en hij zich toen heeft voorgenomen om nooit meer belasting in Nederland te betalen. [verdachte] heeft zich na zijn vertrek uit Nederland in de Filipijnen gevestigd en was gehouden daar belastingaangifte te doen. Feitelijk heeft [verdachte] echter geen belasting betaald in de Filipijnen, omdat hij naar eigen zeggen geen belasting hoefde te betalen over inkomen dat buiten de Filipijnen was verdiend. Dit komt er eigenlijk op neer dat [verdachte] sinds het einde van de jaren ’70 nergens ter wereld belasting over zijn inkomen en/of winsten heeft afgedragen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij zich in 1986 heeft laten uitschrijven in Nederland en vanaf dat moment officieel woonachtig is in [plaats 1] . Aangezien [medeverdachte 1] geen inkomen heeft in [plaats 1] , hoeft zij daar naar eigen zeggen geen (inkomsten)belasting te betalen en geen belastingaangifte te doen. Dit komt er feitelijk op neer dat ook [medeverdachte 1] vanaf het midden van de jaren ‘80 nergens ter wereld belasting over haar inkomen en/of winsten heeft afgedragen, evenals [verdachte] . Eenzelfde beeld is te onderkennen voor de vennootschappen [bedrijf 12] , [verdachte rechtspersoon 5] en [bedrijf 2] . Deze vennootschappen zijn opgericht naar het recht van [plaats 2] en officieel aldaar gevestigd. Volgens [verdachte] zijn deze vennootschappen gehouden om in [plaats 2] belastingaangifte te doen, maar hoeft er feitelijk geen belasting te worden betaald omdat er geen winst wordt gemaakt in [plaats 2] . Tevens bevestigt [verdachte] dat deze vennootschappen in [plaats 2] zijn gevestigd puur uit fiscale overwegingen om geen belasting te hoeven betalen. Zoals reeds hiervoor is overwogen in het kader van het ‘zes-stappenplan’, hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] verklaard een aanzienlijk vermogen te hebben opgebouwd met de wereldwijde handel in legeronderdelen. Diverse getuigen bevestigen dat deze handel zeer lucratief was. Het ontduiken van belasting over aanzienlijke winsten, waar dat wel had gemoeten, levert belastingfraude op en het gebruiken van die ontdoken belasting om inkomen te genereren kan witwassen opleveren. Het hof acht bewezen (feit 5, primair) dat [medeverdachte 1] en [verdachte] feitelijke leiding hebben gegeven aan de door [verdachte rechtspersoon 1] gepleegde belastingfraude over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015. Deze belastingfraude bestaat eruit dat vennootschapsbelasting in Nederland is ontdoken door (handels-)winsten te verschuiven van [verdachte rechtspersoon 1] , gevestigd in Nederland, naar [bedrijf 2] , gevestigd in [plaats 2] . Voor de (bewijs)overwegingen die ten grondslag liggen aan dat oordeel, verwijst het hof naar hetgeen wordt overwogen onder C. In het verlengde hiervan acht het hof bewezen dat dit patroon van belastingfraude door [verdachte rechtspersoon 1] zich in ieder geval vanaf het jaar 1998 heeft voorgedaan. Hiertoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende. [verdachte rechtspersoon 1] heeft in de periode 1998 tot en met 2015 in totaliteit slechts fiscale verliezen gemaakt, zodanig dat in deze periode per saldo geen bedrag aan vennootschapsbelasting verschuldigd was. Volgens een cijfermatige analyse van de Belastingdienst van de gedane aangiften vennootschapsbelasting is in de periode 1998 tot en met 2015 in totaal een belastbare winst gerealiseerd van negatief € 185.798. Dit gevoegd bij het feit dat in de periode 2002 tot en met 2015 (over de periode 1998 tot en met 2001 is de omzet niet meer na te gaan) redelijk stabiele omzetten werden gegenereerd tot een totaalbedrag van € 24.235.390, bij een inkoopwaarde van per saldo € 17.347.782, rechtvaardigt na bestudering van de administratie, het vermoeden dat in de opbrengst- en/of kostenstructuur onzakelijke elementen zijn geslopen die de belastbare winst hebben beïnvloed. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn aanwijzingen voor fiscale fraude gepleegd door [verdachte rechtspersoon 1] naar voren gekomen.
Volledig
Ook de advocaat-generaal stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat op basis van de feiten en omstandigheden – de witwasindicatoren in PV26 en de aanvullende feiten en omstandigheden – sprake is van een bewijsvermoeden van witwassen en dat van de verdachte(n) een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het vermogen mag worden geëist. De advocaat-generaal acht de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] kennelijk ontoereikend. Vervolgens komt de advocaat-generaal tot de (tussen)conclusie dat ‘het niet anders kan zijn dan dat’ de tenlastegelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. In dat kader noemt de advocaat-generaal wél een specifiek gronddelict, namelijk belastingfraude. Daarmee lijkt de advocaat-generaal op twee gedachten te hinken. Het is echter het één of het ander: ófwel er wordt een concreet gronddelict opgevoerd, ófwel een concreet gronddelict is niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen en dan komt het zogenoemde ‘zes-stappenplan’ in beeld. In het laatste geval komt een grotere nadruk te liggen op de bewijsbaarheid dan wel aannemelijkheid van de overige feiten en omstandigheden die in onderlinge samenhang het ontbreken van een legale herkomst zouden kunnen onderbouwen. Indien wordt geredeneerd vanuit het ‘zes-stappenplan’, zoals het Openbaar Ministerie lijkt te doen, kan worden vastgesteld dat door [medeverdachte 1] en [verdachte] een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het vermogen is gegeven, te weten – kort samengevat – dat zij tot 1994 op legale wijze een startkapitaal van ongeveer ƒ 5 miljoen hebben verworven met onder meer de wereldwijde handel in legeronderdelen. Ook in de jaren na 1994 heeft die handel zich voortgezet. Daar komt nog bij dat [verdachte] aantoonbaar om en nabij ƒ 2,5 miljoen heeft verdiend met de verkoop van onroerend goed in de periode vanaf 1961 tot 1995. Dit geld is gebruikt voor het verstrekken van financieringen vanaf 1994 en uitgegroeid tot een aanzienlijk vermogen van ongeveer € 46 miljoen. Uit het dossier volgt dat [verdachte] reeds vanaf de jaren ’60 actief was in de handel in legeronderdelen. [medeverdachte 1] is vanaf de jaren ’80 actief geworden. Het is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk dat die handel (zeer) lucratief is geweest. Uit het dossier en met name uit getuigenverklaringen is inderdaad gebleken dat [verdachte] op grote schaal handelde in grote partijen legergoederen en daarmee ook behoorlijk succesvol was (‘goed boerde’). Het Openbaar Ministerie heeft de verklaring(en) van [medeverdachte 1] en [verdachte] naar het oordeel van het hof onvoldoende kunnen weerleggen. Daarbij geldt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] gelet op het lange tijdsverloop in een lastige bewijspositie zaten. Die omstandigheid mag naar het oordeel van het hof niet in het nadeel van [medeverdachte 1] en [verdachte] worden meegewogen. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het ‘zes-stappenplan’ in het onderhavige geval geen toepassing dient te vinden. Een bewezenverklaring ter zake van witwassen kan naar het oordeel van het hof dan alleen aan de orde zijn indien wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van een ander misdrijf, waardoor de uit de handel in legeronderdelen en – later – uit de financieringsactiviteiten afkomstige gelden zijn vermengd met uit een illegale bron afkomstige gelden, bijvoorbeeld doordat sprake is van belastingontduiking, gepleegd vóór de gewraakte handelingen. Dit brengt het hof ertoe om te beoordelen of belastingfraude in aanmerking komt als gronddelict voor het tenlastegelegde witwassen. A.3.3. Belastingfraude als gronddelict voor witwassen Het hof stelt voorop dat ook vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen “afkomstig (...) van enig misdrijf” in de zin van artikel 420bis Sr. [verdachte] heeft verklaard dat hij eind jaren ’70 ten onrechte uit zijn huis in Gendt is gezet en hij zich toen heeft voorgenomen om nooit meer belasting in Nederland te betalen. [verdachte] heeft zich na zijn vertrek uit Nederland in de Filipijnen gevestigd en was gehouden daar belastingaangifte te doen. Feitelijk heeft [verdachte] echter geen belasting betaald in de Filipijnen, omdat hij naar eigen zeggen geen belasting hoefde te betalen over inkomen dat buiten de Filipijnen was verdiend. Dit komt er eigenlijk op neer dat [verdachte] sinds het einde van de jaren ’70 nergens ter wereld belasting over zijn inkomen en/of winsten heeft afgedragen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij zich in 1986 heeft laten uitschrijven in Nederland en vanaf dat moment officieel woonachtig is in [plaats 1] . Aangezien [medeverdachte 1] geen inkomen heeft in [plaats 1] , hoeft zij daar naar eigen zeggen geen (inkomsten)belasting te betalen en geen belastingaangifte te doen. Dit komt er feitelijk op neer dat ook [medeverdachte 1] vanaf het midden van de jaren ‘80 nergens ter wereld belasting over haar inkomen en/of winsten heeft afgedragen, evenals [verdachte] . Eenzelfde beeld is te onderkennen voor de vennootschappen [bedrijf 12] , [verdachte rechtspersoon 5] en [bedrijf 2] . Deze vennootschappen zijn opgericht naar het recht van [plaats 2] en officieel aldaar gevestigd. Volgens [verdachte] zijn deze vennootschappen gehouden om in [plaats 2] belastingaangifte te doen, maar hoeft er feitelijk geen belasting te worden betaald omdat er geen winst wordt gemaakt in [plaats 2] . Tevens bevestigt [verdachte] dat deze vennootschappen in [plaats 2] zijn gevestigd puur uit fiscale overwegingen om geen belasting te hoeven betalen. Zoals reeds hiervoor is overwogen in het kader van het ‘zes-stappenplan’, hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] verklaard een aanzienlijk vermogen te hebben opgebouwd met de wereldwijde handel in legeronderdelen. Diverse getuigen bevestigen dat deze handel zeer lucratief was. Het ontduiken van belasting over aanzienlijke winsten, waar dat wel had gemoeten, levert belastingfraude op en het gebruiken van die ontdoken belasting om inkomen te genereren kan witwassen opleveren. Het hof acht bewezen (feit 5, primair) dat [medeverdachte 1] en [verdachte] feitelijke leiding hebben gegeven aan de door [verdachte rechtspersoon 1] gepleegde belastingfraude over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015. Deze belastingfraude bestaat eruit dat vennootschapsbelasting in Nederland is ontdoken door (handels-)winsten te verschuiven van [verdachte rechtspersoon 1] , gevestigd in Nederland, naar [bedrijf 2] , gevestigd in [plaats 2] . Voor de (bewijs)overwegingen die ten grondslag liggen aan dat oordeel, verwijst het hof naar hetgeen wordt overwogen onder C. In het verlengde hiervan acht het hof bewezen dat dit patroon van belastingfraude door [verdachte rechtspersoon 1] zich in ieder geval vanaf het jaar 1998 heeft voorgedaan. Hiertoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende. [verdachte rechtspersoon 1] heeft in de periode 1998 tot en met 2015 in totaliteit slechts fiscale verliezen gemaakt, zodanig dat in deze periode per saldo geen bedrag aan vennootschapsbelasting verschuldigd was. Volgens een cijfermatige analyse van de Belastingdienst van de gedane aangiften vennootschapsbelasting is in de periode 1998 tot en met 2015 in totaal een belastbare winst gerealiseerd van negatief € 185.798. Dit gevoegd bij het feit dat in de periode 2002 tot en met 2015 (over de periode 1998 tot en met 2001 is de omzet niet meer na te gaan) redelijk stabiele omzetten werden gegenereerd tot een totaalbedrag van € 24.235.390, bij een inkoopwaarde van per saldo € 17.347.782, rechtvaardigt na bestudering van de administratie, het vermoeden dat in de opbrengst- en/of kostenstructuur onzakelijke elementen zijn geslopen die de belastbare winst hebben beïnvloed. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn aanwijzingen voor fiscale fraude gepleegd door [verdachte rechtspersoon 1] naar voren gekomen.
Volledig
Zo is geconstateerd dat zeker vanaf het jaar 1998 sprake is van transacties tussen [verdachte rechtspersoon 1] (opgericht in 1989) en [bedrijf 2] (opgericht in 1994). Aannemelijk is dat ook vóór 1998 sprake was van transacties tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Uit de door [medeverdachte 1] en [verdachte] ondertekende “Partnership Agreement” d.d. 1 november 2012 volgt dat de ondernemingen van [medeverdachte 1] en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] ) reeds sinds 1994 een “agency, joint venture and partnership business relations of international trades in auto spare parts and others” hebben. Daarnaast heeft [verdachte] ter terechtzitting van de rechtbank van 15 november 2021 verklaard dat hij eerst handelde via [bedrijf 13] en daarna via [verdachte rechtspersoon 1] door aan afnemers een provisie bovenop de koopprijs in rekening te brengen. Na de oprichting van [bedrijf 2] in 1994 veranderde er feitelijk niets aan de werkzaamheden van [verdachte] , behoudens dat de in- en verkopen voortaan voor [bedrijf 2] waren en via [bedrijf 2] facturen werden verstuurd. Die facturen werden opgemaakt door [betrokkene 4] en later door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft bevestigd dat zij de laatste jaren de facturen voor [bedrijf 2] maakte. Uit het door de Belastingdienst/Douane verstrekte overzicht van de uitvoeraangiften van [verdachte rechtspersoon 1] volgt dat in ieder geval vanaf 2005 zogenoemde ABC-transacties plaatsvinden tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Dit houdt in dat [verdachte rechtspersoon 1] de goederen rechtstreeks aan de afnemers van [bedrijf 2] leverde. Er werden derhalve geen goederen fysiek aan [bedrijf 2] in [plaats 2] geleverd. Deze ABC-transacties werden gebruikt om winst die feitelijk aan [verdachte rechtspersoon 1] toekwam te verschuiven naar [bedrijf 2] in [plaats 2] . In tegenstelling tot wat [medeverdachte 1] en [verdachte] de buitenwereld hebben proberen voor te spiegelen, is [bedrijf 2] naar het oordeel van het hof géén onafhankelijke handelspartner van [verdachte rechtspersoon 1] . Het persoonlijke en zakelijke leven van [medeverdachte 1] en [verdachte] is dusdanig met elkaar verweven, dat zij feitelijk fungeren als één economische eenheid, te weten als “het concern” van [medeverdachte 1] en [verdachte] . [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn degenen die in de jaren 1998 tot en met 2015 de gang van zaken bij zowel [verdachte rechtspersoon 1] als [bedrijf 2] konden bepalen en daarmee het economische resultaat van die vennootschapen naar believen konden verdelen. De bij de ABC-transacties betrokken goederen werden door [verdachte rechtspersoon 1] ingekocht en in de loods in [plaats 3] opgeslagen. Na verkoop werden de goederen rechtstreeks door [verdachte rechtspersoon 1] aan de afnemer geleverd. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] actief betrokken was bij de inkoop en voorraadbepaling van [verdachte rechtspersoon 1] . Zo verklaart [betrokkene 2] dat [verdachte] degene was die de inkoopwaarde doorgaf van non licensed goederen op voorraad bij [verdachte rechtspersoon 1] , omdat hij – en hij alleen – de waarde van die goederen kende en wist waarvoor er werd ingekocht. [verdachte] bevestigt dat hij zich bemoeide met de in- en verkoop van [verdachte rechtspersoon 1] en dat “wat er staat” – het hof begrijpt: de voorraad van [verdachte rechtspersoon 1] in de loods in [plaats 3] – door hem is ingekocht. Ook [medeverdachte 1] verklaart dat [verdachte] inkocht voor [verdachte rechtspersoon 1] . Daarnaast was [verdachte] actief betrokken bij het bepalen van de verkoopprijzen van goederen bij [verdachte rechtspersoon 1] . In verschillende tapgesprekken informeert [medeverdachte 1] bij [verdachte] wat de prijs voor bepaalde onderdelen moet zijn. [medeverdachte 1] bevestigt dat [verdachte rechtspersoon 1] zich regelmatig laat adviseren over verkoopprijzen door [verdachte] . Zij vraagt altijd aan [verdachte] wat de prijs is om te verkopen. [verdachte] weet alles uit zijn hoofd, kent heel veel mensen en bepaalt de inkoop- en verkoopprijzen altijd zelf in de branche, aldus [medeverdachte 1] . Het voorgaande bevestigt dat [verdachte] beschikte over de kennis aangaande de voorraad van [verdachte rechtspersoon 1] en de in- en verkoopwaarde van de in die voorraad opgeslagen goederen. Tevens beschikte hij over het netwerk om de transacties tot stand te kunnen brengen. Hij is volgens [medeverdachte 1] immers “een legend” in de handel. Van een onafhankelijke partij in de vorm van [bedrijf 2] c.q. [verdachte] ten opzichte van [verdachte rechtspersoon 1] is in het geheel geen sprake. Een inkoop via [verdachte rechtspersoon 1] en een verkoop via [bedrijf 2] heeft gelet op het voorgaande dan ook geen enkele economische realiteit. [bedrijf 2] fungeerde feitelijk slechts als een bankrekening in [plaats 2] waarop een deel van de transactiewinst kon worden afgeroomd. Tot september 2014 beschikte [bedrijf 2] over twee op naam gestelde bankrekeningen bij de [bank 1] in [plaats 2] . [medeverdachte 1] en [verdachte] waren beiden gemachtigd tot deze bankrekeningen. In 1999 wordt het correspondentieadres van deze bankrekeningen gewijzigd in [medeverdachte 1] , [adres 1] . Volgens [verdachte] stonden de bankafschriften van [bedrijf 2] in [adres 1] in de kast. [medeverdachte 1] zou volgens [verdachte] de gehele administratie doen van [bedrijf 2] . [verdachte] kreeg die bankafschriften te zien als hij in [adres 1] was (het hof begrijpt: [adres 1] ). In 2012 wordt bij de [bank 2] in [plaats 2] een gezamenlijke rekening (en/of rekening) ten name van [medeverdachte 1] en [verdachte] geopend. Omdat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen zaken doen, hebben zij een gezamenlijke rekening geopend. Deze rekening wordt geopend ten behoeve van [bedrijf 2] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het betalingsverkeer van [bedrijf 2] eerst binnenkwam op de bankrekeningen bij [bank 1] en vanaf 2012 op de gezamenlijke rekening bij [bank 2] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij de bankrekeningen kon inzien en de bankafschriften ontving. [medeverdachte 1] deed ook betalingen namens [bedrijf 2] . Dit is bevestigd door [verdachte] . [medeverdachte 1] had als enige de toegang tot internetbankieren en deed ook daarmee betalingen. [verdachte] werd daarover door [medeverdachte 1] op de hoogte gehouden. [verdachte] heeft verklaard dat alle ontvangsten van de handel van [bedrijf 2] binnenkwamen op de gezamenlijke bankrekening en dat dit het gezamenlijk vermogen van [medeverdachte 1] en [verdachte] was. Zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] ontvingen bedragen op die bankrekening, maar zij hebben nooit een splitsing gemaakt van de inkomende en uitgaande bedragen. Zoals [medeverdachte 1] het verwoordde: “Iedereen neemt wat hij nodig heeft”. Zo is geconstateerd dat voor een totaal bedrag van USD 1.770.000 van de bankrekening van [bedrijf 2] , rekeningnummer [rekeningnummer] , is overgeschreven onder vermelding van “ [medeverdachte 1] ”. Deze overboekingen vonden plaats in een zevental mutaties in de periode september 2011 tot en met juli 2013. Over het motief om winsten in [plaats 2] te laten neerslaan, is [verdachte] zoals hiervoor is overwogen van meet af aan duidelijk geweest: dit is fiscaal ingegeven. In [plaats 2] vindt geen belastingheffing plaats over activiteiten die fysiek buiten [plaats 2] plaatsvinden en niet hun oorsprong in [plaats 2] hebben. Daarnaast zijn de informatieverplichtingen daarover jegens de lokale belastingautoriteiten relatief beperkt. De bij de doorzoeking in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] aangetroffen facturen bevestigen het beeld dat [verdachte rechtspersoon 1] een te lage winst heeft aangegeven in de aangiften vennootschapsbelasting doordat handelswinsten zijn verschoven naar [bedrijf 2] , gevestigd in [plaats 2] . Het totaalbedrag van de vanaf 1998 tot en met 2015 niet aangegeven winsten bedraagt volgens de Belastingdienst € 15.857.279. Het daarmee samenhangende bedrag aan vennootschapsbelasting is € 4.729.793. Van vóór 1998 zijn geen gegevens bekend.
Volledig
Zo is geconstateerd dat zeker vanaf het jaar 1998 sprake is van transacties tussen [verdachte rechtspersoon 1] (opgericht in 1989) en [bedrijf 2] (opgericht in 1994). Aannemelijk is dat ook vóór 1998 sprake was van transacties tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Uit de door [medeverdachte 1] en [verdachte] ondertekende “Partnership Agreement” d.d. 1 november 2012 volgt dat de ondernemingen van [medeverdachte 1] en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] ) reeds sinds 1994 een “agency, joint venture and partnership business relations of international trades in auto spare parts and others” hebben. Daarnaast heeft [verdachte] ter terechtzitting van de rechtbank van 15 november 2021 verklaard dat hij eerst handelde via [bedrijf 13] en daarna via [verdachte rechtspersoon 1] door aan afnemers een provisie bovenop de koopprijs in rekening te brengen. Na de oprichting van [bedrijf 2] in 1994 veranderde er feitelijk niets aan de werkzaamheden van [verdachte] , behoudens dat de in- en verkopen voortaan voor [bedrijf 2] waren en via [bedrijf 2] facturen werden verstuurd. Die facturen werden opgemaakt door [betrokkene 4] en later door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft bevestigd dat zij de laatste jaren de facturen voor [bedrijf 2] maakte. Uit het door de Belastingdienst/Douane verstrekte overzicht van de uitvoeraangiften van [verdachte rechtspersoon 1] volgt dat in ieder geval vanaf 2005 zogenoemde ABC-transacties plaatsvinden tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Dit houdt in dat [verdachte rechtspersoon 1] de goederen rechtstreeks aan de afnemers van [bedrijf 2] leverde. Er werden derhalve geen goederen fysiek aan [bedrijf 2] in [plaats 2] geleverd. Deze ABC-transacties werden gebruikt om winst die feitelijk aan [verdachte rechtspersoon 1] toekwam te verschuiven naar [bedrijf 2] in [plaats 2] . In tegenstelling tot wat [medeverdachte 1] en [verdachte] de buitenwereld hebben proberen voor te spiegelen, is [bedrijf 2] naar het oordeel van het hof géén onafhankelijke handelspartner van [verdachte rechtspersoon 1] . Het persoonlijke en zakelijke leven van [medeverdachte 1] en [verdachte] is dusdanig met elkaar verweven, dat zij feitelijk fungeren als één economische eenheid, te weten als “het concern” van [medeverdachte 1] en [verdachte] . [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn degenen die in de jaren 1998 tot en met 2015 de gang van zaken bij zowel [verdachte rechtspersoon 1] als [bedrijf 2] konden bepalen en daarmee het economische resultaat van die vennootschapen naar believen konden verdelen. De bij de ABC-transacties betrokken goederen werden door [verdachte rechtspersoon 1] ingekocht en in de loods in [plaats 3] opgeslagen. Na verkoop werden de goederen rechtstreeks door [verdachte rechtspersoon 1] aan de afnemer geleverd. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] actief betrokken was bij de inkoop en voorraadbepaling van [verdachte rechtspersoon 1] . Zo verklaart [betrokkene 2] dat [verdachte] degene was die de inkoopwaarde doorgaf van non licensed goederen op voorraad bij [verdachte rechtspersoon 1] , omdat hij – en hij alleen – de waarde van die goederen kende en wist waarvoor er werd ingekocht. [verdachte] bevestigt dat hij zich bemoeide met de in- en verkoop van [verdachte rechtspersoon 1] en dat “wat er staat” – het hof begrijpt: de voorraad van [verdachte rechtspersoon 1] in de loods in [plaats 3] – door hem is ingekocht. Ook [medeverdachte 1] verklaart dat [verdachte] inkocht voor [verdachte rechtspersoon 1] . Daarnaast was [verdachte] actief betrokken bij het bepalen van de verkoopprijzen van goederen bij [verdachte rechtspersoon 1] . In verschillende tapgesprekken informeert [medeverdachte 1] bij [verdachte] wat de prijs voor bepaalde onderdelen moet zijn. [medeverdachte 1] bevestigt dat [verdachte rechtspersoon 1] zich regelmatig laat adviseren over verkoopprijzen door [verdachte] . Zij vraagt altijd aan [verdachte] wat de prijs is om te verkopen. [verdachte] weet alles uit zijn hoofd, kent heel veel mensen en bepaalt de inkoop- en verkoopprijzen altijd zelf in de branche, aldus [medeverdachte 1] . Het voorgaande bevestigt dat [verdachte] beschikte over de kennis aangaande de voorraad van [verdachte rechtspersoon 1] en de in- en verkoopwaarde van de in die voorraad opgeslagen goederen. Tevens beschikte hij over het netwerk om de transacties tot stand te kunnen brengen. Hij is volgens [medeverdachte 1] immers “een legend” in de handel. Van een onafhankelijke partij in de vorm van [bedrijf 2] c.q. [verdachte] ten opzichte van [verdachte rechtspersoon 1] is in het geheel geen sprake. Een inkoop via [verdachte rechtspersoon 1] en een verkoop via [bedrijf 2] heeft gelet op het voorgaande dan ook geen enkele economische realiteit. [bedrijf 2] fungeerde feitelijk slechts als een bankrekening in [plaats 2] waarop een deel van de transactiewinst kon worden afgeroomd. Tot september 2014 beschikte [bedrijf 2] over twee op naam gestelde bankrekeningen bij de [bank 1] in [plaats 2] . [medeverdachte 1] en [verdachte] waren beiden gemachtigd tot deze bankrekeningen. In 1999 wordt het correspondentieadres van deze bankrekeningen gewijzigd in [medeverdachte 1] , [adres 1] . Volgens [verdachte] stonden de bankafschriften van [bedrijf 2] in [adres 1] in de kast. [medeverdachte 1] zou volgens [verdachte] de gehele administratie doen van [bedrijf 2] . [verdachte] kreeg die bankafschriften te zien als hij in [adres 1] was (het hof begrijpt: [adres 1] ). In 2012 wordt bij de [bank 2] in [plaats 2] een gezamenlijke rekening (en/of rekening) ten name van [medeverdachte 1] en [verdachte] geopend. Omdat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen zaken doen, hebben zij een gezamenlijke rekening geopend. Deze rekening wordt geopend ten behoeve van [bedrijf 2] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het betalingsverkeer van [bedrijf 2] eerst binnenkwam op de bankrekeningen bij [bank 1] en vanaf 2012 op de gezamenlijke rekening bij [bank 2] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij de bankrekeningen kon inzien en de bankafschriften ontving. [medeverdachte 1] deed ook betalingen namens [bedrijf 2] . Dit is bevestigd door [verdachte] . [medeverdachte 1] had als enige de toegang tot internetbankieren en deed ook daarmee betalingen. [verdachte] werd daarover door [medeverdachte 1] op de hoogte gehouden. [verdachte] heeft verklaard dat alle ontvangsten van de handel van [bedrijf 2] binnenkwamen op de gezamenlijke bankrekening en dat dit het gezamenlijk vermogen van [medeverdachte 1] en [verdachte] was. Zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] ontvingen bedragen op die bankrekening, maar zij hebben nooit een splitsing gemaakt van de inkomende en uitgaande bedragen. Zoals [medeverdachte 1] het verwoordde: “Iedereen neemt wat hij nodig heeft”. Zo is geconstateerd dat voor een totaal bedrag van USD 1.770.000 van de bankrekening van [bedrijf 2] , rekeningnummer [rekeningnummer] , is overgeschreven onder vermelding van “ [medeverdachte 1] ”. Deze overboekingen vonden plaats in een zevental mutaties in de periode september 2011 tot en met juli 2013. Over het motief om winsten in [plaats 2] te laten neerslaan, is [verdachte] zoals hiervoor is overwogen van meet af aan duidelijk geweest: dit is fiscaal ingegeven. In [plaats 2] vindt geen belastingheffing plaats over activiteiten die fysiek buiten [plaats 2] plaatsvinden en niet hun oorsprong in [plaats 2] hebben. Daarnaast zijn de informatieverplichtingen daarover jegens de lokale belastingautoriteiten relatief beperkt. De bij de doorzoeking in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] aangetroffen facturen bevestigen het beeld dat [verdachte rechtspersoon 1] een te lage winst heeft aangegeven in de aangiften vennootschapsbelasting doordat handelswinsten zijn verschoven naar [bedrijf 2] , gevestigd in [plaats 2] . Het totaalbedrag van de vanaf 1998 tot en met 2015 niet aangegeven winsten bedraagt volgens de Belastingdienst € 15.857.279. Het daarmee samenhangende bedrag aan vennootschapsbelasting is € 4.729.793. Van vóór 1998 zijn geen gegevens bekend.