Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-08
ECLI:NL:GHSHE:2025:972
Civiel recht; Europees civiel recht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
5,971 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.332.613/01
arrest van 8 april 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. I.A.C. Cools te Tilburg,
tegen
[geïntimeerde] , tevens handelend onder de naam van eenmanszaak [---] Autoverhuur,
gevestigd te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S.P.H. Brinkman te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 mei 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, onder zaaknummer 10212592 \ CV EXPL 22-4306 gewezen vonnis van 9 augustus 2023.
5Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 14 mei 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft bepaald;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord;
de door de advocaat van [geïntimeerde] op 11 december 2024 toegezonden zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling in eerste aanleg.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg
Beoordeling
6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.1.1.
[geïntimeerde] drijft een eenmanszaak in autoverhuur. [persoon A] is de ex-partner van [appellante] .
6.1.2.
Op 4 april 2022 heeft [persoon A] [appellante] naar [geïntimeerde] gebracht. [appellante] heeft in aanwezigheid van [persoon A] een huurovereenkomst gesloten en een Volkswagen Polo (hierna: de auto) gehuurd. Namens [geïntimeerde] heeft zijn medewerker [persoon B] de huurovereenkomst (hierna: de eerste huurovereenkomst) gesloten. De afgesproken huurtermijn liep af op 11 april 2022 om 10.00 uur.
6.1.3.
[appellante] heeft de auto niet op 11 april 2022 geretourneerd. Op 12 april 2022 is [persoon A] met de auto teruggekeerd naar [geïntimeerde] . [persoon A] heeft zijn handtekening gezet onder een nieuwe huurovereenkomst voor dezelfde auto (hierna: de tweede huurovereenkomst). Ook deze overeenkomst stond op naam van [appellante] . Dit keer liep de huurtermijn van 11 april 2022 tot 18 april 2022 10.00 uur. [appellante] staat in deze tweede huurovereenkomst wederom als huurder en bestuurder vermeld. Naast [persoon B] was dit keer ook [geïntimeerde] zelf aanwezig bij de verhuur.
6.1.4.
In de beide overeenkomsten is opgenomen dat het standaard eigen risico € 1.500,00 bedraagt. Partijen zijn in de overeenkomst een verlaagd eigen risico overeengekomen ter grootte van € 650,00 (tegen betaling door [appellante] van € 9,99 per dag).
6.1.5.
Op beide huurovereenkomsten zijn de algemene huurvoorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing verklaard. Daarin staat onder meer het volgende:
“Artikel 2: Verlenging van de huurperiode
Huurder verplicht zich het voertuig uiterlijk op de dag en op het tijdstip dat de overeenkomst eindigt (...) terug te bezorgen (...)
(...)
Artikel 7: Gebruik van het voertuig
1. Huurder dient op zorgvuldige wijze met het voertuig om te gaan (…)2. Huurder is gehouden het voertuig in oorspronkelijke staat bij verhuurder terug te bezorgen.3. (…) Het is huurder niet toegestaan het voertuig ter beschikking te stellen aan een persoon die niet als bestuurder is vermeld op de voorzijde van het huurcontract. (…)7. Indien de auto uit de macht van huurder geraakt, dient hij verhuurder daarvan terstond in kennis te stellen. (…)
9. Het is huurder niet toegestaan het voertuig buiten de landsgrenzen van Nederland te brengen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen met verhuurder.
(...)
Artikel 8: Aansprakelijkheid van de huurder voor schade
(…)
2. Huurder is aansprakelijk voor alle schade die is ontstaan ten gevolge van enige gebeurtenis tijdens de huurperiode of anderszins verband houdende met de huur van het voertuig, met inachtneming van het navolgende.
3. Indien er een eigen risico (...) is overeengekomen, is de aansprakelijkheid (...) beperkt tot het bedrag van het eigen risico, tenzij:
- de schade is ontstaan tijdens of ten gevolge van handelen of nalaten in strijd met artikel 7;(...)
7. De schade ten gevolge van de onmogelijkheid het voertuig tijdens de periode van herstel of vervanging te verhuren, wordt op voorhand bepaald op het aantal dagen gemoeid met herstel of vervanging van het voertuig, vermenigvuldigd met de huurprijs per dag, verminderd met 10% in verband met besparing van variabele kosten.
(...)
Artikel 14: Aansprakelijkheid van de huurder voor gedragingen of nalatigheden van anderen
Huurder is aansprakelijk voor gedragingen en nalaten van de bestuurder (...) en andere gebruikers van het voertuig, ook indien deze niet de instemming van huurder hadden. (...)”
6.1.6.
Op 14 april 2022 is de auto betrokken geraakt bij een botsing met een Duitse auto in
[plaats] (Duitsland), met schade aan beide auto’s tot gevolg. Onbekend is wie de auto op dat
moment bestuurde. Het schadeaangifteformulier is alleen door de bestuurder van de
Duitse auto ingevuld.
6.1.7.
Na inbeslagname en vrijgave van de auto door de Duitse politie heeft [geïntimeerde] op 11 mei 2022 de auto met een autotrailer opgehaald, waarna hij de auto heeft laten repareren.
6.1.8.
Bij brief van 5 augustus 2022 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] [appellante] gesommeerd de identiteit van de onbekend gebleven bestuurder bekend te maken, het schadeaangifteformulier in te (laten) vullen en de schade van [geïntimeerde] te vergoeden. [appellante] heeft aan dit alles geen gevolg gegeven en haar aansprakelijkheid betwist.
Procesverloop
6.2.1.
In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] , samengevat, veroordeling van [appellante] gevorderd tot betaling van:
1. schadevergoeding van in totaal € 18.556,41, vermeerderd met wettelijke rente,
2. de buitengerechtelijke kosten van € 960,56,
een en ander met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, te vermeerderen met rente.
6.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] kort samengevat ten grondslag gelegd dat [appellante] de auto aan het einde van de huurperiode niet in de oorspronkelijke staat aan [geïntimeerde] heeft teruggegeven. Zij heeft de auto aan een derde ter beschikking gesteld, die daarmee in het buitenland schade heeft veroorzaakt. Zij heeft zich daarmee niet als goed huurder gedragen en is, zo stelt [geïntimeerde] primair, toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de tweede huurovereenkomst. Subsidiair stelt [geïntimeerde] dat [appellante] is tekortgeschoten in de nakoming van de eerste huurovereenkomst. Omdat de schade is ontstaan als gevolg van handelen in strijd met artikel 7 van de algemene voorwaarden komt [appellante] geen beroep toe op de beperking van aansprakelijkheid tot het bedrag van het eigen risico (artikel 8 lid 3 algemene voorwaarden) en is zij aansprakelijke voor de volledige schade.
6.2.3.
[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
6.2.4.
In het eindvonnis van 9 augustus 2023 heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] toegewezen tot een bedrag van € 11.306,41 en [appellante] in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat [geïntimeerde] redelijkerwijs mocht aannemen dat [persoon A] als gevolmachtigde van [appellante] handelde bij het sluiten van de tweede huurovereenkomst, waaraan [appellante] dus is gebonden. [appellante] is veroordeeld tot betaling van de herstelkosten van de auto (€ 9.715,21) en de gemiste huurinkomsten over de periode 18 april 2022 tot 20 juni 2022 (€ 1.591,20). Dit laatste bedrag is berekend op grond van het beding dat is opgenomen in artikel 8 lid 7 van de algemene voorwaarden (34 dagen maal € 52,00 minus 10%).
Procesverloop
6.3.
[appellante] heeft in hoger beroep tien grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] .
Beoordeling
6.4.
Met de grieven I tot en met en IV betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante] is gebonden aan de verplichtingen uit de tweede huurovereenkomst, omdat [geïntimeerde] mocht vertrouwen op de bevoegdheid van [persoon A] als gevolmachtigde van [appellante] . [appellante] vindt dat zij niet aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ongeval in de huurperiode van de tweede huurovereenkomst (grief V). [appellante] voert aan dat zij hooguit kan worden aangesproken tot betaling van het bedrag van het eigen risico (grief VI) en zij betwist (de hoogte van) de schade, ook die als gevolg van de onmogelijkheid de auto te verhuren (grief VII, VIII en IX).
Schijn van volmachtverlening
6.5.
Volgens geldende jurisprudentie is uitgangspunt dat voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde ook plaats kan zijn ingeval de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan de in werkelijkheid onbevoegde tussenpersoon op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Dit risicobeginsel gaat niet zo ver dat voor toepassing daarvan ook ruimte is in gevallen waarin het tegenover de wederpartij gewekte vertrouwen uitsluitend is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de onbevoegd handelende persoon. De rechter moet in zijn uitspraak mede feiten of omstandigheden vaststellen die de onbevoegd vertegenwoordigde betreffen en die rechtvaardigen dat laatstgenoemde in zijn verhouding tot de wederpartij het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt (zie onder meer HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142). Het hof acht bij zijn beoordeling het volgende van belang.
6.6.
[appellante] heeft erkend dat zij op 4 april 2022 door [persoon A] bij [geïntimeerde] is afgezet om daar een auto te huren. Als onbetwist staat ook vast dat [persoon A] aanwezig was toen [appellante] de eerste huurovereenkomst sloot. De auto diende op 11 april 2022 te worden geretourneerd maar dat is niet gebeurd. Bij de mondelinge behandeling ten overstaan van de kantonrechter heeft [appellante] verklaard dat zij op 11 april 2022 telefonisch contact heeft gehad met (een collega van) [geïntimeerde] en dat zij heeft gemeld dat ze de auto niet op die dag kon inleveren maar dat zij dit een dag later zou doen. [geïntimeerde] heeft dit betwist. Wat hier van zij, ook op 12 april 2022 heeft [appellante] de auto niet teruggebracht. Dat heeft [persoon A] gedaan. [appellante] heeft de auto immers feitelijk ter beschikking gesteld aan [persoon A] . Zij stelt dat zij met [persoon A] heeft afgesproken dat hij de auto voor haar zou terugbrengen naar [geïntimeerde] .
6.7.
Op 12 april 2022 heeft [persoon A] zich met de door [appellante] gehuurde auto gemeld bij [geïntimeerde] . Bij de mondelinge behandeling ten overstaan van de kantonrechter heeft [geïntimeerde] verklaard dat [persoon A] op dat moment heeft gezegd dat [appellante] de auto een week langer nodig had omdat haar eigen auto nog bij de garage stond. [persoon B], werknemer van [geïntimeerde] , herkende [persoon A] van het vorige bezoek op 4 april 2022. [appellante] heeft niet betwist dat [persoon A] , zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, heeft verklaard dat hij namens [appellante] de huur voor de auto kwam verlengen. Ook het hof gaat ook uit van de juistheid van die verklaring. Gezien die mededeling, in samenhang met het feit dat [persoon A] ook op 4 april 2022 aanwezig was bij het sluiten van de eerste huurovereenkomst, alsmede het feit dat [persoon A] op dat moment, met toestemming en kennelijk op verzoek van [appellante] , de feitelijke beschikking had over de door [appellante] gehuurde auto, heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd mogen vertrouwen op de schijn van volmachtverlening door [appellante] , die haar kan worden toegerekend. Het hoger beroep slaagt op dit punt dus niet.
6.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat [appellante] als contractspartij is gebonden aan de (tweede) huurovereenkomst. Onbetwist staat vast dat op de huurovereenkomst de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing zijn. [appellante] heeft in strijd met het bepaalde in artikel 7 lid 2 algemene voorwaarden de auto niet in de oorspronkelijke staat bij [geïntimeerde] terugbezorgd. Ingevolge artikel 8 lid 2 van de algemene voorwaarden is [appellante] aansprakelijk voor de schade aan de auto.
Aansprakelijkheid van [appellante] beperkt tot het bedrag van het eigen risico?
6.9.
Met grief VI komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de aansprakelijkheid van [appellante] niet is beperkt tot het bedrag van het eigen risico.
6.10.
Het hof stelt vast dat partijen een eigen risico zijn overeengekomen. In de algemene voorwaarden staat in artikel 8 lid 3 als uitgangspunt dat indien een eigen risico is overeengekomen, de schade per schadegeval is beperkt tot het bedrag van het eigen risico. [geïntimeerde] stelt dat aan [appellante] geen beroep toekomt op de beperking tot het eigen risico, omdat de schade het gevolg is van handelen of nalaten in strijd met artikel 7 van de algemene voorwaarden: huurder is ingevolge artikel 8 lid 3 aansprakelijk voor alle schade als de schade is ontstaan door handelen of nalaten in strijd met artikel 7 van de algemene voorwaarden.
6.11.
Het hof overweegt dat [appellante] is aan te merken als consument. Gesteld noch op grond van gebleken is dat partijen afzonderlijk hebben onderhandeld over de in de algemene voorwaarden opgenomen bedingen, waaronder het beding van artikel 8 lid 3, zodat het beding binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen (hierna de Richtlijn) valt.
6.12.
[appellante] heeft in dit kader (slechts) aangevoerd dat voor zover zij aansprakelijk is, de aansprakelijkheid zich beperkt tot het eigen risico in de zin van artikel 8 lid 3 van de algemene voorwaarden. Het hof stelt vast dat [appellante] in de door haar aangevoerde grief niet heeft aangevoerd dat het beding ongeldig is. De als recht van openbare orde aan te merken regels van de Richtlijn vallen in dit geval buiten het door de grieven ontsloten gebied, maar binnen de grenzen van de rechtsstrijd van partijen in appel. Het hof is gehouden ambtshalve, dus ongeacht of [appellante] dat al dan niet met zoveel woorden heeft aangevoerd, na te gaan of het beding een oneerlijk beding is in de zin van de Richtlijn en om die reden buiten beschouwing dient te blijven (vgl. Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691en 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340).
6.13.
Het hof stelt voorop dat in de tekst van de huurovereenkomst staat dat aansprakelijkheid is beperkt tot het eigen risico. Het beding (artikel 8 lid 3 aanhef en eerste gedachtestreepje, in verbinding met artikel 7) waar [geïntimeerde] zich op beroept komt er op neer dat huurder steeds aansprakelijk is voor de volledige schade (dus ook niet beperkt tot het overeengekomen eigen risico) en wel in iedere situatie, verwijtbaar of niet, dat [appellante] de auto niet in de oorspronkelijke staat kan afleveren. De uitzondering dat aansprakelijkheid niet wordt beperkt tot het (overeengekomen) eigen risico betreft dus niet alleen het veroorzaken van schade als gevolg van (bijvoorbeeld) opzet of (bewuste) roekeloosheid van [appellante] , maar geldt voor alle situaties waarin schade is ontstaan en [appellante] de auto niet in de oorspronkelijke staat kan afleveren.
6.14.
Het beding plaatst de huurder daarmee in een juridisch minder gunstige positie dan voortvloeit uit de toepasselijke regels van het Nederlands recht.
Conclusie
6.21.
Alvorens verder te beslissen mogen partijen zich nader uitlaten over hetgeen het hof hiervoor onder 6.15. heeft overwogen. Partijen mogen zich dan eveneens uitlaten over het volgende.
6.22.
De door [geïntimeerde] gevorderde kosten voor herstel van de auto (€ 9.715,21) zijn (ook in hoger beroep) niet gemotiveerd weersproken. Dat betekent dat deze in beginsel kunnen worden toegewezen. Voor zover de uitsluiting van de beperking van het eigen risico van artikel 8 lid 3 van de algemene voorwaarden evenwel buiten toepassing blijft, dient de vraag te worden beantwoord of ook de vordering die ziet op de gederfde huurinkomsten onder het eigen risico valt. Nu dit nog geen onderdeel is geweest van het partijdebat mogen partijen zich ook op dit punt nader uitlaten. Mede gezien de inhoud van dit tussenarrest geeft het hof partijen in overweging tot een regeling te komen.
6.23.
De zaak wordt nu naar de rol verwezen. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
7De uitspraak
Het hof:
voordat het verder beslist:
verwijst de zaak naar de rol van 6 mei 2025 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] zoals overwogen in 6.21. en 6.22., waarna [appellante] op de rol van vier weken daarna bij antwoordakte mag reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, F.M.T. Quaadvliet en J. van Kesteren en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 april 2025.
griffier rolraadsheer
Beoordeling
In afwijking van artikel 6:74 en 6:75 BW, alsmede artikel 7:218 BW (welk laatste artikel enkel een bewijsvermoeden geeft dat door de huurder kan worden ontkracht) zijn partijen op grond van het beding immers overeengekomen dat alle schade (niet in oorspronkelijke staat retourneren) tijdens de huurperiode voor rekening komt van huurder. Het beding verstoort, in strijd met de goede trouw, de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk (artikel 3 lid 1 van de Richtlijn). Iedere beperking van aansprakelijkheid wordt hiermee immers onmogelijk gemaakt. Dit leidt er in beginsel toe dat het beding buiten toepassing moet worden gelaten.
Tussenconclusie
6.15.
Voordat het hof een definitief oordeel zal geven over de toepasselijkheid van de Richtlijn op artikel 8 lid 3 in verbinding met artikel 7 van de algemene voorwaarden en over de vraag of de bepaling de toets aan de Richtlijn kan doorstaan, zal het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen zich over de toepasselijkheid en de toetsing uit te laten en haar stellingen eventueel aan te passen.
Gederfde huurinkomsten (grief VIII en IX)
6.16.
[geïntimeerde] beroept zich met betrekking tot de schade die ziet op gemiste huurinkomsten op artikel 8 lid 7 van de algemene voorwaarden. De schade die [geïntimeerde] lijdt doordat hij de auto niet kan verhuren is op voorhand gefixeerd op de huurprijs per dag minus 10% in verband met besparing van variabele kosten. Er is dus sprake van een gefixeerde schadevergoeding in de vorm van een contractuele boete.
6.17.
[appellante] heeft niet betwist dat [geïntimeerde] door reparatie van de beschadigde auto huurinkomsten is misgelopen. Zij heeft echter aangevoerd dat ingevolgde artikel 8 lid 7 van de algemene voorwaarden moet worden gerekend met het aantal dagen dat is gemoeid met de periode van herstel en dat [geïntimeerde] de periode van (on-) mogelijkheid van verhuur had moeten onderbouwen.
6.18.
Het hof stelt vast dat [appellante] in de door haar aangevoerde grief niet heeft aangevoerd dat het beding ongeldig is. De als recht van openbare orde aan te merken regels van de Richtlijn vallen ook in dit geval buiten het door de grieven ontsloten gebied, maar binnen de grenzen van de rechtsstrijd van partijen in appel. Ook hier geldt dat het hof gehouden is ambtshalve, dus ongeacht of [appellante] dat al dan niet met zoveel woorden heeft aangevoerd, na te gaan of het beding een oneerlijk beding is in de zin van de Richtlijn. Het hof overweegt daarover het volgende.
6.19.
Op de bij de Richtlijn gevoegde indicatieve lijst is als onderdeel e opgenomen een beding dat tot doel of tot gevolg heeft “de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen”. Naar het oordeel van het hof staat de in de algemene voorwaarden gefixeerde schadevergoeding in een redelijke verhouding tot de voor de gebruiker te verwachten schade, mede indachtig artikel 6:96 lid 1 BW waarin staat dat vermogensschade zowel geleden verlies als gederfde winst omvat. De consument kan met de in artikel 8 lid 7 van de algemene voorwaarden gefixeerde schadevergoeding overzien wat de prijs is als het voertuig niet tijdig wordt teruggebracht en betaalt een bedrag in lijn met de huurprijs, onder aftrek van kosten (10%) die door de verhuurder niet wordt gemaakt. Naar het oordeel van het hof is hiermee een redelijke vergoeding bedongen voor het normaal te verwachten geleden verlies en de normale gederfde winst. Van strijd met de Richtlijn is naar het oordeel van het hof geen sprake.
6.20.
Over het inhoudelijke verweer van [appellante] overweegt het hof als volgt. [geïntimeerde] heeft onderbouwd waarom het herstel 34 dagen duurde. De auto is, na inbeslagname en vrijgave van de auto door de Duitse politie, op 11 mei 2022 gerepatrieerd en naar het eerste herstelbedrijf gebracht te [plaats]. Dit is zichtbaar in de rittenstaat. Dit herstelbedrijf heeft een schadecalculatie gemaakt maar had geen tijd om de auto op korte termijn te herstellen, waarop de auto op 17 mei 2022 naar een ander schadeherstelbedrijf te [plaats] is gebracht. Ook dit staat in de rittenstaat. Op 20 mei 2022 heeft [geïntimeerde] de auto naar het bedrijf te [plaats] gebracht dat wel ruimte had om schade van deze omvang te herstellen en vanaf 20 juni 2022 kon de auto weer worden verhuurd. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] voldoende onderbouwd dat de tijd die gemoeid was met herstel 34 dagen bedraagt. De vordering uit hoofde van gederfde huurinkomsten kan dus in beginsel worden toegewezen. Het hof overweegt echter nog het volgende.