Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-02
ECLI:NL:GHSHE:2025:937
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
1,235 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 22/872 tot en met 22/878, 22/885 en 22/886
Hersteluitspraak ter verbetering van de uitspraak van het hof van 10 juli 2024, nummers 22/872 tot en met 22/878, 22/885 en 22/886, gewezen
op het hoger beroep van:
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en op het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep van:
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 maart 2022, nummers BRE 19/4150 tot en met 19/4157, in het geding tussen belanghebbende, de inspecteur en
de Minister van Justitie en Veiligheid.
1Herstelverzoek
1.1.
Belanghebbende heeft in een brief van 4 december 2024 aan de griffier van het hof geschreven dat de uitspraak van het hof van 10 juli 2024 een omissie bevat. Belanghebbende heeft verzocht om het in het dictum vermelde bedrag van € 143.363 (het belastbaar inkomen uit werk en woning met betrekking tot de navorderingsaanslag IB 2012) te wijzigen in € 112.614.
1.2.
Het hof heeft partijen uitgenodigd om te verschijnen op een zitting op 20 februari 2025.
1.3.
De inspecteur heeft in een brief van 3 februari 2025 aan de griffier van het hof bericht dat geen verweer wordt gevoerd en dat het hof zonder zitting op het verzoek kan beslissen.
1.4.
Belanghebbende heeft in een brief van 10 februari 2025, mede namens de inspecteur, aan de griffier van het hof bevestigd dat sprake is van een kennelijke (reken)fout in het dictum die kan worden gecorrigeerd middels een hersteluitspraak en dat partijen geen bezwaar hebben als het hof het dictum aanpast conform het verzoek van 4 december 2024 middels een hersteluitspraak. Dan zou een zitting wat betreft partijen niet nodig zijn.
1.5.
Het hof heeft partijen in een brief van 17 februari 2025 geschreven dat gehoor zal worden gegeven aan het verzoek om een hersteluitspraak te doen, dat de hersteluitspraak wegens defungeren van W.A.P. van Roij zal worden gedaan door A.J. Kromhout, M.J.C. Pieterse en J.M. van der Vegt, dat de zitting geen doorgang zal vinden en dat de hersteluitspraak binnen afzienbare tijd zou worden gedaan.
1.6.
Geen van partijen heeft verklaard om op een (nadere) zitting te willen worden gehoord.
Overwegingen
2.1.
Het hof heeft in de uitspraak van 10 juli 2024 overwogen (onder 4.7.20) en in het dictum beslist:
“- vermindert de navorderingsaanslag IB 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 143.363, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 10.615 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil;”
2.2.
Partijen hebben er terecht op gewezen dat ten aanzien van dit belastbaar inkomen uit werk en woning sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, omdat een bedrag aan salaris van [bedrijf] van € 30.749 tweemaal in de berekening is betrokken. Dit betekent dat het bedrag van € 143.363 moet worden gewijzigd in € 112.614.
2.3.
Herstel van deze fout brengt mee dat het dictum van de uitspraak van 10 juli 2024, voor zover deze ziet op de navorderingsaanslag IB 2012, als volgt komt te luiden:
“- vermindert de navorderingsaanslag IB 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 112.614, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 10.615 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil;”.
Dictum
Het hof:
herstelt de uitspraak van 10 juli 2024, nummers 22/872 tot en met 22/878, 22/885 en 22/886, op de hiervoor in onderdeel 2.3 vermelde wijze.
De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, M.J.C. Pieterse en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
Dictum
en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze hersteluitspraak staat geen beroep in cassatie of een ander rechtsmiddel open.
Vergelijk Hoge Raad 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2583, onder 3.5.1.
Dit volgt ook uit de uitspraak van het hof van 10 juli 2024, onder 2.6 en voetnoot 3.
Zie Hoge Raad 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1449.