Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-02
ECLI:NL:GHSHE:2025:934
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
1,852 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/877 tot en met 23/884
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 mei 2023, nummers BRE 20/5856 tot en met 5863, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Minister van Justitie en Veiligheid.
Onderzoek ter zitting
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende [belanghebbende] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Na behandeling van de zaak heeft het hof heden, 2 april 2025, mondeling uitspraak gedaan.
Dictum
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Gronden
Ten aanzien van het geschil
1. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt volgens artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zes weken. Artikel 6:8, lid 1, Awb bepaalt dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Aangezien de uitspraak van de rechtbank naar partijen is verzonden op 4 mei 2023, is de termijn aangevangen op 5 mei 2023 en geëindigd op 15 juni 2023.
2. Ingevolge artikel 6:9 Awb, is een hogerberoepschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn is ontvangen, met dien verstande dat bij verzending per post een hogerberoepschrift tijdig is ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Dit brengt mee dat het hogerberoepschrift van belanghebbende tijdig is ingediend indien dit uiterlijk op 15 juni 2023 is ontvangen dan wel, indien het later is ontvangen, uiterlijk op 15 juni 2023 ter post is bezorgd en uiterlijk op 22 juni 2023 is ontvangen.
3. Belanghebbende heeft het hogerberoepschrift op 9 juni 2023 gedagtekend. Hij heeft het per post verzonden. Het hof heeft het hogerberoepschrift op 21 juni 2023 ontvangen. De envelop waarin het hof het hogerberoepschrift heeft ontvangen is afgestempeld op 20 juni 2023. In gevallen waarin op de envelop een leesbare poststempel is geplaatst moet als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld, tenzij aannemelijk wordt dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat zij het poststuk vóór die datum ter post heeft bezorgd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij het hogerberoepschrift uiterlijk op 15 juni 2023 per post heeft verzonden. Alleen de niet onderbouwde stelling dat hij ervan overtuigd is dat hij het hogerberoepschrift op tijd op de bus heeft gedaan is daarvoor niet voldoende. Daarom dient het hof er van uit te gaan dat het stuk op 20 juni 2023 ter post is bezorgd. Het hogerberoepschrift is dan ook buiten de termijn, en dus te laat, ingediend. Het hoger beroep moet dan in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Als de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het hogerberoepschrift gering is, kan die termijnoverschrijding niet aan de indiener toegerekend worden en is die verschoonbaar.
4. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij ten tijde van het indienen van zijn hogerberoepschrift vanwege een echtscheiding in de periode augustus 2020 tot september 2023 bij zijn ouders woonde, dat zijn gebruikelijke routines daardoor anders waren, dat hij zich de gang van zaken rond het hoger beroep daardoor minder goed herinnert maar dat hij in die periode wel heeft kunnen werken. Daarmee heeft hij geen feiten gesteld die, indien aannemelijk bevonden, de termijnoverschrijding verschoonbaar zouden kunnen maken, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
Slot
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft het hof beslist als bovenvermeld.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.M. van der Vegt en, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
A. Muller B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
In verbinding met artikel 6:24 Awb.
Idem.
Idem.
Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2138.
Artikel 6:11 Awb.
Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.5.