Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-28
ECLI:NL:GHSHE:2025:930
Strafrecht
Hoger beroep
1,653 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000740-24
Uitspraak : 28 maart 2025
VERSTEK (ONIP)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 februari 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-299873-23, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
thans verblijvende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’, de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek van het voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg komt de strafoverweging van de politierechter te vervallen en zal deze worden vervangen door hetgeen hierna zal worden overwogen.
Het hof merkt nog op dat in de tenlastelegging en de bewezenverklaring als periode is vermeld: 29 oktober tot en met 12 november 2023. Het hof leest dat verbeterd als: 29 oktober 2023 tot en met 12 november 2023. De verdachte is daardoor niet benadeeld.
Ten slotte acht het hof het aangewezen om de door de politierechter aangehaalde toepasselijke wettelijke voorschriften aan te vullen met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk telen van 759 hennepplanten. Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van illegale handel in hennep en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom illegale hennepteelt ontvouwt. Bovendien kan het frequent gebruik van softdrugs schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers van die middelen. Het hof rekent de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 10 maart 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat de verdachte niet eerder hier te lande onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken.
Het hof heeft bij de bepaling van de straf voorts acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als oriëntatiepunt voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Het oriëntatiepunt voor een overtreding van artikel 3 onder B ‘Opiumwet hennepkwekerijen’ geeft als indicatie een bij een hoeveelheid van 500 tot 1000 hennepplanten een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk.
Het hof is gelet op het gegeven dat de verdachte in Nederland geen verblijfsrecht heeft en ook niet over een vaste woon- of verblijfplaats hier te lande beschikt, van oordeel dat een taakstraf in dit geval niet dan wel lastig uitvoerbaar is. Het hof zal daarom aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen en voor wat betreft de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf, aansluiting zoeken bij voornoemd oriëntatiepunt.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 28 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.