Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-27
ECLI:NL:GHSHE:2025:894
Strafrecht
Hoger beroep
4,304 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001753-23
Uitspraak : 27 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 juni 2023, parketnummer 02-136310-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 09-321410-22, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans uit anderen hoofde verblijvende in [verblijfplaats] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid 1, onder 5, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest.
Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van een eerder onder parketnummer 09-321410-22 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
Tevens heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf heeft de raadsman bepleit dat deze dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis (met inbegrip van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging), met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf.
Aanvulling bewijsoverweging
Vormverzuim
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit en daartoe – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat de aanwezigheid van het DNA-profiel van de verdachte in de databank onrechtmatig was ten tijde van de vergelijking met het DNA-materiaal dat in de woning was aangetroffen en veiliggesteld. Naar de mening van de verdediging is nagelaten het DNA-profiel van de verdachte te vernietigen, terwijl dit wel verplicht was op het moment dat de verdachte was vrijgesproken in een andere strafzaak. Door hetdhjet Door het niet vernietigen van het DNA-profiel is, aldus de verdediging, sprake van een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Nu het vergelijkende onderzoek van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en de vervolging van de verdachte en bovendien sprake is van een aanzienlijke inbreuk op het privéleven van de verdachte zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, dient naar de mening van de verdediging bewijsuitsluiting te volgen. Bij bewijsuitsluiting van de resultaten van het DNA-onderzoek dient de verdachte, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van artikel 16, eerste lid, van het Besluit DNA onderzoek in strafzaken (hierna: Besluit) dient het DNA-profiel van de verdachte dat in de DNA-databank is vastgelegd te worden vernietigd indien hij niet langer kan worden aangemerkt als een verdachte ter zake van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Ingevolge artikel 16, tweede lid, van het Besluit is onder meer omschreven dat hiervan in ieder geval sprake is als de verdachte onherroepelijk is vrijgesproken.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: Wet DNA) kan de officier van justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, bevelen dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van een veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. In het eerste lid, onder a en b, van artikel 2 van de Wet DNA zijn de limitatieve uitzonderingsbepalingen opgenomen. Lid 2 van artikel 2 van de Wet DNA bepaalt dat, als het DNA-profiel van een persoon dat is verwerkt overeenkomstig Sv zou moeten worden vernietigd, het profiel niettemin verwerkt blijft op grond van het eerste lid, aanhef van de Wet DNA indien de persoon is veroordeeld wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv.
Uit het dossier volgt dat het DNA-profiel verkregen uit het in de woning aangetroffen en veiliggestelde spoor is vergeleken met DNA-profielen die zijn opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat het uit het spoor verkregen DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte, met een matchkans van kleiner dan 1 op 1 miljard.
Het DNA-profiel van de verdachte is in de DNA-databank opgenomen op 17 augustus 2016 in verband met de zaak met parketnummer 05-720222-16 (met als DNA-identiteitszegel [nummer] ). De verdachte is in de zaak met voornoemd parketnummer bij vonnis van de rechtbank van 1 maart 2018 integraal vrijgesproken van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 december 2024 is de verdachte tussen opname van zijn DNA-materiaal in 2016 en het gewezen vonnis van de rechtbank van 1 maart 2018, bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 september 2017, gewezen onder parketnummer 09-818114-17, veroordeeld ter zake van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. Op 13 oktober 2017 is deze zaak onherroepelijk geworden.
Naar het oordeel van het hof moet de officier van justitie in het kader van die onherroepelijke veroordeling op grond van artikel 2 Wet DNA bevelen dat het DNA-profiel van de verdachte als onherroepelijk veroordeelde wordt opgeslagen in de DNA-databank. Dat de onherroepelijke veroordeling als grondslag heeft gediend voor opname van het bij de verdachte afgenomen DNA-materiaal dat in een andere zaak jegens de verdachte ten tijde van het opsporingsonderzoek door hem was afgestaan maakt niet dat het DNA-materiaal vernietigd had moeten worden.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag, locatie ’s-Gravenhage, van 21 december 2022, gewezen onder parketnummer 09-321410-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. L. Feraaune, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. G.C. Bos, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. van der Valk, griffier,
en op 27 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Immers, op dat moment had de rechtbank in die zaak nog niet onherroepelijk vonnis gewezen en in een dergelijk geval van een tussentijdse onherroepelijke veroordeling voor een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, geldt dat het DNA-profiel ingevolge het tweede lid van artikel 2 van de Wet DNA verwerkt blijft. Evenmin is sprake van een van de in artikel 2, eerste lid, onder a en b, Wet DNA genoemde uitzonderingen.
Het hof is van oordeel dat het DNA-profiel van de verdachte ten tijde van het vergelijkend onderzoek met het DNA-profiel verkregen uit het in de woning aangetroffen en veiliggestelde spoor rechtmatig was opgeslagen in de DNA-databank en dat geen sprake was van de in artikel 16, eerste lid, van het Besluit genoemde vernietigingsverplichting van het DNA-profiel.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Nader onderzoek
De raadsman van de verdachte heeft verzocht dat, indien en voor zover geen nader onderzoek is verricht, alsnog onderzoek zal worden verricht naar de rechtmatigheid van de aanwezigheid van het DNA-profiel van de verdachte in de DNA-databank en dat de verdediging in kennis zal worden gesteld van de voor die beoordeling van belang zijnde stukken.
Het hof acht het verzoek tot nader onderzoek, bij gebrek aan onderbouwing en gelet op het hiervoor overwogene omtrent de rechtmatigheid van de aanwezigheid van het opgeslagen DNA-profiel van de verdachte, niet noodzakelijk. Het verzoek van de verdediging wordt mitsdien afgewezen.
Verweren verdediging
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat ten aanzien van het DNA-materiaal niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een daderspoor. Het ladekastje met het DNA-materiaal van de verdachte kan zijn verplaatst en bovendien kan het DNA ook via secundaire overdracht op het ladekastje zijn gekomen. Nu het dossier geen aanwijzingen bevat dat de verdachte aldaar ter plaatse is geweest en heeft ingebroken, dient naar de mening van de verdediging, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, vrijspraak te volgen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting vast dat in de periode 28 maart 2023 tot en met 31 maart 2023 in een woning gelegen aan [adres] is ingebroken waarbij een grote hoeveelheid aan sieraden en een geldbedrag is weggenomen, die toebehoorden aan [benadeelde] en/of zijn vrouw.
In de slaapkamer zijn twee bloedsporen op een ladekast aangetroffen. De bloedsporen zijn veiliggesteld en aan DNA-onderzoek onderworpen. Daaruit is naar voren gekomen dat in de bemonstering het DNA-profiel van een man is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte, met een matchkans van kleiner dan 1 op 1 miljard.
Naar het oordeel van het hof gelden de aangetroffen bloedsporen op de ladekast als dadersporen. Immers, uit het dossier volgt dat aangever alle deuren van de woning op slot had gedaan en dat na de inbraak in alle slaapkamers de deurtjes en lades openstonden. Deze zijn tijdens de inbraak kennelijk doorzocht op weg te nemen goederen. De op de ladekast aangetroffen bloedsporen zijn aldus delict gerelateerd en aan te merken als dadersporen.
Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat het DNA van de verdachte via secundaire overdracht op de ladekast terecht is gekomen, nu daarvoor door de verdediging slechts hypothetische scenario’s zijn aangedragen die op geen enkele wijze steun vinden in het dossier en iedere aanwijzing dat een ander de inbraak zou hebben gepleegd ontbreekt. Het gaat daarenboven om bloed wat over het algemeen genomen enkel ergens terecht komt als iemand zich heeft verwond. Mede om die reden acht het hof de algemene stelling van de verdediging dat het gaat om verplaatsbaar DNA volstrekt onvoldoende om de aannemelijkheid van een alternatief scenario te onderbouwen.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de verdachte van 22 maart 2023 tot 31 maart 2023 samen met getuigen in een vakantiehuisje in [locatie] zou hebben verbleven en al die tijd bij hen in het vakantiehuisje is geweest en dus geen inbraak heeft kunnen plegen, acht het hof niet aannemelijk geworden. Dat verdachte in die periode in een vakantiehuisje in [locatie] verbleef maakt naar het oordeel van het hof niet dat de verdachte niet in de gelegenheid zou zijn geweest de woningbraak te plegen. Het alternatieve scenario wordt terzijde geschoven.
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden en het uitblijven van een aannemelijke, een redengevendheid ontzenuwende verklaring van de verdachte voor de DNA-match, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de woninginbraak.
De verweren van de verdediging worden verworpen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak. De verdachte heeft in de periode dat de bewoners van huis waren ingebroken en niet alleen economisch gezien, maar ook emotioneel waardevolle voorwerpen, waaronder sieraden, weggenomen. De verdachte heeft daarmee overlast en schade veroorzaakt bij de slachtoffers en geen enkel respect getoond voor andermans eigendommen. Bovendien veroorzaken inbraken in woningen gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en in de maatschappij. Door zijn handelen heeft de verdachte het gevoel van veiligheid aangetast, terwijl hij enkel dacht aan zijn eigen financiële gewin. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 december 2024, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten. De verdachte liep ten tijde van het plegen van onderhavig feit zelfs nog in een proeftijd ter zake van een gekwalificeerde diefstal. Het hof weegt die veroordelingen, die de verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden opnieuw in de fout te gaan, ten nadele mee in de strafmaat.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat hij nog nooit een inkomen heeft gehad, dat hij een dochter heeft, dat hij een vriendin heeft die zwanger is en dat er sprake is van hartproblemen bij het ongeboren kind. Het hof begrijpt dat met name die laatste omstandigheid voor de verdachte moeilijk is en dat hij zijn vriendin heel graag zou ondersteunen.