Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-26
ECLI:NL:GHSHE:2025:890
Strafrecht
Hoger beroep
7,962 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002343-23
Uitspraak : 26 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 augustus 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-174065-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van hetgeen onder feit 1 primair en feit 2 primair aan hem ten laste is gelegd. De politierechter heeft het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
‘medeplichtig aan in vereniging opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1 subsidiair) en
‘medeplichtig aan diefstal in vereniging’ (feit 2 subsidiair),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is toegewezen tot het bedrag van € 7.710,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot het bedrag van € 7.710,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is geconcludeerd dat deze daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 9 februari 2022 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 552 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 9 februari 2022 te Kerkrade met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 552 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 9 februari 2022 te Kerkrade, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 februari 2022 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 552 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende
hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.hij in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het/die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 9 februari 2022 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan die [verdachte] en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het/die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die [verdachte] en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 9 februari 2022 te Kerkrade opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
Dictum
Bewijsoverwegingen
A.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern het volgende aangevoerd.
Er is niets voorhanden wat duidde op de aanwezigheid van een hennepkwekerij aan [adres 2] . De MMA-meldingen zien op een ander pand en de warmtemeting is volgens de raadsman allesbehalve verdachtmakend. Onder de gegeven omstandigheden had de politie niet de woning mogen binnentreden. Nu dat wel is gedaan, is sprake van een ernstig en onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen in de visie van de verdediging bewijsuitsluiting tot gevolg moet hebben.
Subsidiair is aangevoerd dat voor een veroordeling ter zake van het aanwezig hebben en exploiteren van een hennepplantage is vereist dat sprake is geweest van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van die plantage. Daarnaast is vereist dat hij daarover beschikkingsmacht had. In de onderhavige zaak blijkt niet dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de hennepkwekerij. De verdachte had zijn verblijfplaats elders, namelijk boven zijn bedrijf, terwijl hij de woning aan [adres 2] had onderverhuurd aan een kennis en diens vriendin. De verdachte kon, gelet op zijn medische klachten, ook niet in de kruipruimte van de woning waar de kwekerij zich bevond komen. Voorts zijn er geen belastende getuigenverklaringen voorhanden en heeft de verdachte in de tenlastegelegde periode enige tijd in Irak verbleven zodat hij de kwekerij niet kan hebben geëxploiteerd.
In het verlengde van het voorgaande en bij gebreke van bewijs voor een wegnemingshandeling, kan in de visie van de verdediging evenmin worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (gekwalificeerde) diefstal van elektriciteit.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
B.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat op 9 februari 2022 aan [adres 2] een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen, die verdeeld was over twee kweekruimtes in de kruipruimte van het pand. De kruipruimte was middels een ladder toegankelijk via een in de betonnen vloer gemaakt gat. In totaliteit bevonden zich, naast een veelheid aan hennepteelt gerelateerde goederen, 552 hennepplanten in de kwekerij, die tussen de 50 en 70 centimeter hoog waren. In de kleine slaapkamer van de woning werden diverse lege jerrycans groei- en/of bestrijdingsmiddelen aangetroffen. De elektriciteitsvoorziening werd ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal afgenomen. De verdachte stond sinds 2014 ingeschreven als huurder van het pand en was sinds dat jaar ook contractant bij [benadeelde] . De verdachte stond sinds 22 april 2014 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op voormeld adres. Van de diefstal van elektriciteit is door [benadeelde] aangifte gedaan, bij welke gelegenheid is opgemerkt dat de verdachte op het moment van binnentreden op 9 februari 2022 contractant was op de genoemde locatie. Gelet op een kweekcyclus van 10 weken, moet de voorafgaande laatste kweekcyclus tussen 31 oktober 2021 en 15 januari 2022 hebben plaatsgevonden.
De verdachte, die alleenstaand is, heeft verklaard dat hij om de twee weken zijn post ophaalde in de woning. Ook heeft hij een brief gehad van de elektriciteitsmaatschappij.
Getuige [getuige] , huismeester van de woningstichting, heeft verklaard dat hij tweemaal in de woning aan [adres 2] is geweest. De eerste keer was in 2020 en de tweede keer in de zomer van 2021. De inrichting was beide keren hetzelfde en het leek erop dat er weinig werd gewoond. Op deze twee momenten werd [getuige] te woord gestaan en opgevangen door een man van buitenlandse afkomst, die licht gezet was, ongeveer 175-180 centimeter lang was, een beginnende baard had en er verder verzorgd uit zag. De afspraken met deze persoon werden telefonisch gemaakt. De in de administratie van de woningstichting op naam van de verdachte geregistreerde telefoonnummers bleken dezelfde als de telefoonnummers die in de bij de politie ter beschikking staande systemen aan de verdachte zijn gekoppeld. Op 9 februari 2022, de dag van het aantreffen van de kwekerij, is getuige [getuige] ook in de woning geweest. Er was volgens getuige [getuige] weinig veranderd. Er stonden nog steeds dezelfde meubels en deze stonden nog steeds op dezelfde wijze in de woonkamer.
C.
Het hof leidt uit voormelde feiten en omstandigheden af dat de verdachte betrokken is geweest bij het opzettelijk telen van de aangetroffen hennepplanten. Het hof wijst daartoe in het bijzonder op het volgende. De alleenstaande verdachte was huurder van het pand waarin de hennepkwekerij, verdeeld over twee ruimtes, is aangetroffen. Ook stond hij op dat adres ingeschreven. Het hof stelt voorop dat van een huurder van een woning, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van hetgeen zich in zijn woning bevindt. Daarnaast stelt het hof vast dat de verdachte daar – gezien de inhoud van zijn eigen verklaring, maar ook de verklaring van getuige [getuige] waaruit genoegzaam kan worden afgeleid dat de verdachte degene is geweest met wie [getuige] op verschillende momenten in de woning heeft gesproken – geregeld heeft verbleven en hij aldus toegang tot de zich daarin bevindende kwekerij heeft gehad.
Voorts is van betrokkenheid van derden op geen enkele wijze gebleken. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij de woning zou hebben onderverhuurd aan derden, maar heeft in dat verband geen huurovereenkomst en/of naam met nadere personalia van die personen verstrekt, zodat zijn verklaring op geen enkele wijze verifieerbaar is. Ook heeft de verdediging nagelaten om de stelling van de verdachte anderszins te onderbouwen, door bijvoorbeeld bewijzen van huurbetalingen te overleggen of verzoeken in te dienen tot het horen van die personen als getuige, terwijl zulks minst genomen wel in de rede had geleden. Het hof acht de stelling van de verdachte, inhoudende dat hij de woning aan derden heeft verhuurd en bijgevolg niets van doen heeft gehad met de kwekerij, dan ook op geen enkele wijze aannemelijk geworden, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.
Dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de hennepkwekerij volgt ook uit de aanwezige goederen en stoffen ten behoeve van hennepteelt (zoals de jerrycans groei- en/of bestrijdingsmiddelen) in de kleine slaapkamer van de woning. Van enige contra-indicaties die tot een andersluidend oordeel omtrent de wetenschap van de verdachte zouden moeten leiden is het hof niet gebleken.
Nu de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf genomen redengevend kunnen zijn voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde hennepteelt en diefstal van elektriciteit, mocht naar het oordeel van het hof van de verdachte verlangd mocht worden dat hij een die redengevendheid ontzenuwende verklaring zou geven. Dat heeft hij evenwel, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet gedaan.
Naar het oordeel van het hof is aldus, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, boven redelijke twijfel verheven dat het de verdachte is geweest die opzettelijk 552 hennepplanten heeft geteeld en de daarvoor benodigde elektriciteit heeft gestolen.
D.
De ten verwere aangevoerde omstandigheid dat de verdachte, blijkens de stempels in zijn paspoort (waarmee de verdediging, naar het hof begrijpt, doelt op de kopieën die bij de pleitnota in eerste aanleg zijn overgelegd), in de tenlastegelegde periode in Irak zou hebben verbleven, reden waarom hij de hennepkwekerij niet zou kunnen hebben geëxploiteerd, treft geen doel.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.710,91 (zegge: zevenduizend zevenhonderdtien euro en eenennegentig cent) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.710,91 (zegge: zevenduizend zevenhonderdtien euro en eenennegentig cent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 73 (drieënzeventig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,
en op 26 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, p. 1-6 en het proces-verbaal van bevindingen met foto’s, p. 32-39.
Uitdraai politiesystemen, p. 26.
Proces-verbaal van aangifte, p. 50-52.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht, p. 112-113.
Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 93-96.
Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 111.
Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 110-111.
Dictum
Enerzijds is namelijk voor het hof niet komen vast te staan dat het paspoort het paspoort van de verdachte betreft en anderzijds volgt uit die datumstempels niet onomstotelijk dat de verdachte op 9 februari 2022, de bewezenverklaarde dag, in Irak was, nog afgezien van het feit dat het voor de exploitatie van een kwekerij niet is vereist dat de teler daarin elke dag min of meer onderbroken aanwezig moet zijn geweest.
Dat de verdachte, zoals door de raadsman gesteld, medisch gezien niet in staat zou zijn om de kruipruimte van de woning aan [adres 2] te bereiken is niet aannemelijk geworden. Mede in aanmerking genomen dat de verdachte naar eigen zeggen woonachtig was op een bovenverdieping boven zijn eigen onderneming, valt immers niet in te zien waarom hij niet op een ladder, zoals de ladder die toegang gaf tot de kwekerij in de kruipruimte, zou kunnen afdalen. Daarnaast is op geen enkele wijze onderbouwd welke medische aandoening de verdachte dusdanig zou beperken in zijn bewegingsvrijheid dat hij niet de kruipruimte in zou kunnen komen.
Het gevoerde verweer dat ertoe strekt dat de opsporingsbevindingen als gevolg van het binnentreden van de woning dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat er geen redelijk vermoeden van schuld zou zijn geweest op grond waarvan de binnentreding heeft plaatsgevonden, kan reeds worden verworpen omdat het onvoldoende toereikend is gemotiveerd. Het ligt immers op de weg van de verdediging om het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt specifiek en concreet te onderbouwen. De verdediging heeft echter onvoldoende blijk gegeven van een op dergelijke op het geval toegesneden afweging van in aanmerking te nemen factoren.
Maar ook indien ervan wordt uitgegaan dat het verweer wel aan de daaraan te stellen eisen zou voldoen, kan het bewijsuitsluitingsverweer niet slagen. Het hof overweegt daartoe ambtshalve als volgt.
Uit het procesdossier volgt dat er bij de politie in mei 2020 en januari 2022 MMA-meldingen betreffende een mogelijke hennepplantage op het adres [adres 3] zijn ingekomen, waarna netmetingen zijn verricht. Daaruit volgde dat een afwijkend belastingpatroon werd waargenomen in het elektriciteitskabelnet waarop dit adres was aangesloten. Op grond hiervan rees het gerechtvaardigde vermoeden dat sprake was van een hennepplantage in een van de op de desbetreffende hoofdstroomkabel aangesloten percelen, te weten aan [adres 4] tot en met [adres 5] . Na een aangepaste netmeting bleek het te gaan om zes verdachte woningen, waaronder de woning aan [adres 2] . Daarop is een infraroodmeting verricht waaruit naar voren kwam dat de temperatuur bij laatstgenoemd adres afwijkend, namelijk warmer, was in vergelijking met de rest van het flatgebouw. Het hof is van oordeel dat hieraan het redelijke vermoeden kon worden ontleend dat op dit adres een hennepkwekerij gevestigd zou kunnen zijn, op grond waarvan in de woning aan [adres 2] een nader onderzoek kon worden ingesteld. Van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek is aldus geen sprake geweest.
Voorts valt – al aannemende dat sprake zou zijn van een onrechtmatige binnentreding – naar het oordeel van het hof niet in te zien welk nadeel voor de verdachte daaruit is ontstaan, omdat de verdachte het pand aan [adres 2] niet als woning gebruikte.
E.
Aldus falen de verweren. Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling (tijds)verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het betreffende bewijsmiddel blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde van het onder feit 1 primair tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het bewezenverklaarde van het onder feit 2 primair tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de opzettelijke teelt van 552 hennepplanten in een pand aan [adres 2] en elektriciteit heeft gestolen. Het voornemen om een bijdrage te leveren aan de grootschalige productie van softdrugs volgt reeds uit het feit dat er een grote hoeveelheid kweekmedium in het betreffende pand aanwezig was. De bijdrage van de verdachte aan deze grootschalige productie van softdrugs houdt de illegale handel in softdrugs in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten waarmee de openbare orde ernstig kan worden ondermijnd. Daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het psychische aandoeningen betreft. Door illegaal stroom weg te nemen, heeft de verdachte voorts inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de elektriciteitsmaatschappij. De verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft met zijn strafbare handelen, kennelijk uitsluitend met het oog op persoonlijk financieel gewin, de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd. Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 december 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte eertijds in Nederland een autobedrijf uitoefende, hij na ongeveer 30 jaren in Nederland te hebben gewoond is teruggekeerd naar zijn vaderland Irak en hij te kampen heeft met de nodige medische aandoeningen.
Door de raadsman is oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit, mede aangezien de verdachte in medische zin niet in staat zou zijn om een taakstraf te verrichten, hij thans woonachtig is in Irak en niet het voornemen heeft om naar Nederland terug te keren.
Dictum
Het hof is evenwel van oordeel dat het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval geen recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde en hetgeen is gebleken omtrent de feiten en omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. Het hof heeft daarbij onder meer de professionaliteit van de aangetroffen hennepkwekerij meegewogen. Een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur is de enige passende straf. Het straftoemetingsverweer wordt derhalve verworpen.
Het hof is aldus van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof derhalve, zoals is gevorderd door de advocaat-generaal, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.
Met oplegging van het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 52.702,71, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter terechtzitting in eerste aanleg is de eis verminderd tot een bedrag van € 7.710,91. De vordering ziet op materiële schade ter zake van de illegaal weggenomen elektriciteit, alsmede de daarmee gepaard gaande kosten voor de benadeelde partij, en heeft betrekking op de aangetroffen hennepplanten en één eerdere oogst.
De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. Door de integrale toewijzing van de vordering in eerste aanleg duurt de vordering eveneens van rechtswege geheel voort in hoger beroep.
De raadsman van de verdachte heeft, in verband met de bepleite vrijspraak, geconcludeerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 7.710,91. De vordering is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet inhoudelijk betwist. Genoegzaam is komen vast te staan dat de gestelde schade door de bewezenverklaarde diefstal door de verdachte is ontstaan.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2022, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode waarop aldus uiterlijk de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 7.710,91. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften