Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-27
ECLI:NL:GHSHE:2025:848
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
1,535 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 27 maart 2025
Zaaknummers: 200.344.953/01 en 200.344.955/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/329730 / FA RK 24-1448
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E. Lucas,
tegen
[de vader]
,
wonende in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. G.J.A.M. Gloudi.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
Deze zaak gaat over het recht tot uitsluitend gebruik van de voormalig echtelijke huurwoning, de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 21 mei 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De moeder is op 20 augustus 2024 in hoger beroep gekomen tegen voornoemde beschikking. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder de zaaknummers 200.344.953/01 en 200.344.955/01.
De moeder verzoekt het hof, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak:
I. de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de daarin bepaalde zorgregeling over de kinderen en de toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning gelegen aan [adres] aan de vader, en in plaats daarvan te bepalen dat:
II. de moeder voortaan huurster zal zijn van de voormalige echtelijke huurwoning;
III. de minderjarige kinderen van partijen hun hoofdverblijf bij de moeder zullen hebben, met vaststelling van een zorgregeling - met inachtneming van het hiervoor gestelde - die in het belang van de minderjarige kinderen wordt geacht en daartoe de raad te verzoeken een advies uit te brengen.
2.1.1.
Van dit hoger beroep maakt het verzoek van de moeder tot het treffen van voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding, inzake het huurrecht van de voormalige echtelijke woning alsook een zorgregeling tussen de vader en de kinderen, onderdeel uit. Deze verzoeken zijn ingeschreven bij het hof onder de zaaknummers 200.344.953/02 en 200.344.955/02.
2.2.
De vader heeft op 14 oktober 2024 een verweerschrift, met bijlagen, (in de hoofdzaak en tevens in de voorlopige voorzieningen) ingediend en het hof verzocht om primair de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, waaronder mede begrepen in de door haar verzochte voorlopige voorzieningen en subsidiair het door de moeder gevraagde in hoger beroep af te wijzen en de door de moeder gevraagde voorlopige voorzieningen af te wijzen.
2.3.
Het hof heeft verder kennis genomen van:
- het V6-formulier van 4 november 2024, met bijlagen, van de advocaat van de moeder;
- het V6-formulier van 4 februari 2025, met bijlagen, van de advocaat van de moeder.
2.4.
Het hof heeft op 12 december 2024 in de voorlopige voorzieningen procedure een beschikking gewezen en de moeder-niet ontvankelijk verklaard in deze verzoeken. Partijen hadden ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 13 november 2024 overeenstemming bereikt.
2.5.
De mondelinge behandeling in de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 5 februari 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
2.5.1.
De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
Beoordeling
3.1.
Partijen zijn op 18 april 2016 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
3.2.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
3.3.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De rechtbank heeft voorts in de bestreden beschikking de door partijen getroffen regelingen opgenomen zoals die staan in het aangehechte convenant van 27 maart 2024 en het ouderschapsplan van 27 maart 2024.
3.4.
De moeder kan zich met de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling, de hoofdverblijfplaats en de toedeling van het huurrecht niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vader heeft zich hiertegen verweerd.
3.5.
Op de mondelinge behandeling bij het hof hebben partijen, na een schorsing voor beraad, afgesproken zich tot een mediator te zullen wenden teneinde in onderling overleg te proberen tot overeenstemming te komen ten aanzien van hetgeen hen verdeeld houdt. Gelet hierop heeft de moeder haar verzoeken op de mondelinge behandeling ingetrokken. De vader heeft ingestemd met de intrekking. Dit leidt ertoe toe dat de moeder niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoeken.
Dictum
Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, C.N.M. Antens en
E.P. de Beij en is op 27 maart 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.