Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-12
ECLI:NL:GHSHE:2025:842
Strafrecht
Hoger beroep
4,279 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002262-23
Uitspraak : 12 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 augustus 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-659128-16 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde en het onder feit 1 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en bepaald dat aan haar geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van het rechtelijk pardon en de verdachte in zoverre, opnieuw rechtdoende, zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vernietiging van het vonnis en vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit om, net als de rechtbank, toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – met uitzondering van de beslissing van de rechtbank om aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Op te leggen straf
De raadsvrouw van de verdachte heeft, ingeval van een bewezenverklaring, bepleit dat het vonnis van de rechtbank ten aanzien van het toepassen van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan worden bevestigd.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich, tezamen met haar partner, schuldig heeft gemaakt aan het in een woning voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De verdachte heeft, kort nadat het Aanhoudings- en Ondersteuningsteam de woning van haar partner had betreden, waar zij op dat moment aanwezig was, een aan haar partner toebehorend vuurwapen met daarin munitie verstopt in de bank. Het handelen van de verdachte kan naar het oordeel van het hof niet anders worden geduid dan een poging tot het actief wegmaken van belastend bewijsmateriaal ten gunste van haar partner en/of zichzelf, hetgeen strafverzwarend wordt geacht. Het hof acht dit handelen van de verdachte zeer verwerpelijk. Daar komt bij dat het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie grote risico’s met zich brengt voor de veiligheid van personen, waarbij het hof ook acht slaat op de verontrustende omstandigheid dat er naast de verdachte en haar partner ook kinderen in die woning aanwezig waren. Dergelijke wapens worden vaak gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens vormt daarmee een groeiend maatschappelijk probleem. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft voor wat betreft de ernst van het feit in het voordeel van de verdachte wel meegewogen dat haar betrokkenheid op zichzelf bezien bij het voorhanden hebben van het desbetreffende vuurwapen in de woning van haar partner van wezenlijk minder gewicht lijkt te zijn dan de betrokkenheid van haar partner daarbij.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 november 2024, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In het bijzonder heeft het hof in dat verband meegewogen dat aannemelijk wordt geacht dat de verdachte als gevolg van deze strafzaak haar toenmalige baan heeft verloren en nadien, ondanks inspanningen daartoe, geen nieuwe baan op hetzelfde niveau heeft kunnen vinden.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof in het voordeel van de verdachte tevens acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten zoals die golden in 2016, waarin het rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gingen toentertijd bij het in een woning voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III uit van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, thans 4 maanden. Het hof merkt daarbij tevens op dat het vuurwapen geladen was, met zes kogelpatronen, hetgeen - in overeenstemming met de oriëntatiepunten - een strafverzwarende omstandigheid is.
Gelet op het voorgaande acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg in een zaak als deze dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 4 april 2016 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vervolgens op 2 augustus 2023 vonnis gewezen. Bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen zijn niet aannemelijk geworden. De redelijke termijn is daarmee in eerste aanleg met 5 jaren en ongeveer 4 maanden overschreden.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing van de rechtbank om geen straf of maatregel op te leggen en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,
en op 12 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:842 text/xml public 2026-03-20T15:26:21 2025-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-02-12 20-002262-23 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:842 text/html public 2025-07-09T15:58:08 2025-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:842 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 12-02-2025 / 20-002262-23 Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Parketnummer : 20-002262-23 Uitspraak : 12 februari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 augustus 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-659128-16 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde en het onder feit 1 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en bepaald dat aan haar geen straf of maatregel wordt opgelegd. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van het rechtelijk pardon en de verdachte in zoverre, opnieuw rechtdoende, zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis. De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vernietiging van het vonnis en vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit om, net als de rechtbank, toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – met uitzondering van de beslissing van de rechtbank om aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Op te leggen straf De raadsvrouw van de verdachte heeft, ingeval van een bewezenverklaring, bepleit dat het vonnis van de rechtbank ten aanzien van het toepassen van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan worden bevestigd. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich, tezamen met haar partner, schuldig heeft gemaakt aan het in een woning voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De verdachte heeft, kort nadat het Aanhoudings- en Ondersteuningsteam de woning van haar partner had betreden, waar zij op dat moment aanwezig was, een aan haar partner toebehorend vuurwapen met daarin munitie verstopt in de bank. Het handelen van de verdachte kan naar het oordeel van het hof niet anders worden geduid dan een poging tot het actief wegmaken van belastend bewijsmateriaal ten gunste van haar partner en/of zichzelf, hetgeen strafverzwarend wordt geacht. Het hof acht dit handelen van de verdachte zeer verwerpelijk. Daar komt bij dat het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie grote risico’s met zich brengt voor de veiligheid van personen, waarbij het hof ook acht slaat op de verontrustende omstandigheid dat er naast de verdachte en haar partner ook kinderen in die woning aanwezig waren. Dergelijke wapens worden vaak gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens vormt daarmee een groeiend maatschappelijk probleem. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft voor wat betreft de ernst van het feit in het voordeel van de verdachte wel meegewogen dat haar betrokkenheid op zichzelf bezien bij het voorhanden hebben van het desbetreffende vuurwapen in de woning van haar partner van wezenlijk minder gewicht lijkt te zijn dan de betrokkenheid van haar partner daarbij. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 november 2024, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In het bijzonder heeft het hof in dat verband meegewogen dat aannemelijk wordt geacht dat de verdachte als gevolg van deze strafzaak haar toenmalige baan heeft verloren en nadien, ondanks inspanningen daartoe, geen nieuwe baan op hetzelfde niveau heeft kunnen vinden. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof in het voordeel van de verdachte tevens acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten zoals die golden in 2016, waarin het rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gingen toentertijd bij het in een woning voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III uit van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, thans 4 maanden. Het hof merkt daarbij tevens op dat het vuurwapen geladen was, met zes kogelpatronen, hetgeen - in overeenstemming met de oriëntatiepunten - een strafverzwarende omstandigheid is. Gelet op het voorgaande acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en geboden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg in een zaak als deze dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Het hof stelt vast dat de verdachte op 4 april 2016 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vervolgens op 2 augustus 2023 vonnis gewezen. Bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen zijn niet aannemelijk geworden. De redelijke termijn is daarmee in eerste aanleg met 5 jaren en ongeveer 4 maanden overschreden. In hoger beroep, waarbij in het onderhavige geval eenzelfde termijn geldt te rekenen vanaf het ingestelde hoger beroep, is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof thans zal volstaan met de oplegging van een taakstraf.