Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-26
ECLI:NL:GHSHE:2025:838
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
2,304 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/895
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 juni 2023, nummer BRE 22/1704, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een beschikking “Niet in Nederland belastbaar inkomen” (hierna: NINBI), zoals bedoeld in artikel 8a Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, over het jaar 2019 gegeven.
1.2.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het NINBI lager vastgesteld. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden en heeft zij de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 124,32 (reiskosten) aan proceskosten.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en haar echtgenoot, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaken met de nummers 23/911, 23/920 tot en met 23/923, 23/926 en 23/928 tot en met 23/930.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.
Feiten
2.1.
Ter zitting bij de rechtbank is komen vast te staan dat bij de vaststelling van het NINBI ten onrechte geen aftrekposten in aanmerking zijn genomen. In de uitspraak van de rechtbank is overwogen dat partijen het erover eens zijn geworden dat zowel de aftrek eigen woning als de aftrek specifieke zorgkosten voor de helft bij belanghebbende in aanmerking kan worden genomen. De rechtbank heeft dit gezamenlijk standpunt gevolgd en heeft het NINBI nader vastgesteld op € 2.922.
2.2.
Aangezien het beroep gegrond is verklaard heeft de rechtbank geoordeeld dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden en heeft zij de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 124,32 aan proceskosten. Dit bedrag betreft de door belanghebbende gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting.
Geschil
3.2.
Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep en tot een verhoging van de proceskostenvergoeding voor de rechtbankfase naar een bedrag van € 314,81. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende stelt dat de rechtbank de inspecteur ten onrechte slechts tot vergoeding van de reiskosten in verband met de zitting heeft veroordeeld. Daarnaast wenst zij aanvullende reiskosten vergoed te zien in verband met het tweemaal ophalen van poststukken van de rechtbank op het Nederlandse domicilie-adres.
4.2.
Artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht in relatie met het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) geeft de belastingrechter de bevoegdheid een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Aangezien het Besluit de te vergoeden reiskosten niet beperkt tot specifieke proceshandelingen en de aanvullende reiskosten zijn gemaakt in verband met een deugdelijke voorbereiding van het beroepschrift is het hof van oordeel dat ook deze aanvullende reiskosten voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. Ingevolge artikel 2, lid 1, letter c, Besluit worden deze reiskosten vastgesteld overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, Besluit tarieven in strafzaken 2003. Op grond van dat artikel komen de aanvullende reiskosten van het gebruik van de eigen auto tot € 0,28 per kilometer in aanmerking. De aanvullende reiskostenvergoeding bedraagt dan 320 kilometer x € 0,28 = € 89,60. De inspecteur heeft zich tegen de hoogte van de aanvullende reiskosten overigens niet verzet.
4.3.
Belanghebbende stelt ook dat de rechtbank ten onrechte de inspecteur niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van kantoorkosten. Dit betreffen kosten voor papier, een inkt-cartridge, enveloppen, mappen, ordners en postzegels. Aangezien deze kosten niet zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit en er evenmin sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, Besluit komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Tussenconclusie
4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof ziet aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof oordeelt dat er redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. De reiskosten naar de zitting van het hof komen dan voor vergoeding in aanmerking. Deze zijn te bepalen op 2 x 177 kilometer x € 0,28 = € 99,12.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover deze betreft de veroordeling van de inspecteur tot betaling van de proceskosten van belanghebbende;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep van € 136 vergoedt;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank (€ 124,32 + € 89,60) en het hof (€ 99,12) van in totaal € 313,04.
De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, M.E. Smorenburg en J.J. van den Broek, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
Dictum
De griffier, De raadsheer,
E. Royakkers M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 13 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5713.