Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:817
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
6,685 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.329.298/01
arrest van 25 maart 2025
in de zaak van
[appellant sub 1] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [XX] CVBA,
wonende te [woonplaats] , België,
[appellant sub 2] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [XX] CVBA,
wonende te [woonplaats] , België,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [XX] ,
advocaat: mr. A.H. Blok te Hardinxveld-Giessendam,
tegen
[geïntimeerde] , handelende onder de naam [YY] Farm,
wonende te [woonplaats] , Californië, Verenigde Staten,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M.A. Mak te Alkmaar,
op het bij exploot van dagvaarding van 1 juni 2023 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 3 juli 2019, 10 maart 2021 en 8 maart 2023, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [XX] als gedaagden en [geïntimeerde] als eiseres.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven, met producties 1 tot en met 14;
de memorie van antwoord, tevens bevattende incidenteel beroep en vermeerdering van eis, met producties 1 tot en met 5;
de memorie van antwoord in incidenteel appel tevens akte uitlating producties en akte uitlating wijziging eis, met producties 15 tot en met 20;
de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
de door partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegezonden producties, te weten producties 21 en 22 aan de zijde van [XX] en producties 6 tot en met 8 aan de zijde van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Feiten
3.1.
In rov. 2.1 tot en met 2.8 van het vonnis van 8 maart 2023 heeft de rechtbank feiten vastgesteld.
Zowel [XX] als [geïntimeerde] heeft een grief tegen deze feitenvaststelling gericht (respectievelijk grief 1 in principaal hoger beroep en grief 1 in incidenteel hoger beroep). Naar het oordeel van het hof kan ook in hoger beroep van de door de rechtbank vastgestelde feiten worden uitgegaan, behoudens voor zover de rechtbank heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] het paard heeft gekocht met de Ierse paardenhandelaar/springruiter [persoon A] (hierna: [persoon A] ) voor een bedrag van € 350.000,--. Gelet op hetgeen partijen bij genoemde grieven over en weer naar voren hebben gebracht, stelt het hof vast dat [geïntimeerde] alleen de koper is geweest van het paard, en wel voor een bedrag van € 300.000,--.
Deze grieven leiden niet tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep. Dit hangt af van het lot van de andere grieven. Voor zover de curatoren aan het einde van de mondelinge behandeling in hoger beroep nieuwe feiten hebben gesteld, acht het hof dat tardief.
Het hof zal de vaststaande feiten hierna in rov. 3.1.1 tot en met 3.1.8 weergeven, met een enkele aanvulling.
3.1.1.
[geïntimeerde] exploiteert een eenmanszaak in [plaats A 1] , California, Verenigde Staten, onder de naam [YY] Farm. [geïntimeerde] heeft een springstal, handelt in en fokt paarden. [geïntimeerde] is actief als springruiter op Grand Prix-niveau.
3.1.2.
[persoon B] (hierna: [persoon B] ) en [persoon C] (hierna: [persoon C] ) zijn de bestuurders van [XX] .
3.1.3.
Nadat op 5 december 2016 in opdracht van de vennootschap van [persoon A] een klinische keuring door dierenarts [persoon D] had plaatsgevonden heeft [geïntimeerde] op 8 december 2016, een paard genaamd “ [paard A] ” (hierna: [paard A] ) gekocht en geleverd gekregen van [XX] voor een bedrag van € 300.000,--. [geïntimeerde] heeft een bedrag van € 300.000,-- aan [XX] voldaan.
3.1.4.
Op 4 april 2018 is [paard A] door [persoon E] , dokter in de diergeneeskunde, (hierna: [persoon E] ) onderzocht. Het onderzoeksverslag van die datum meldt:
Diagnosis
- Bilateral cortical cataracts disturbing the vision of the horse more so in the left eye than in the right eye. In some cases these opacities will progress to more severe/dense opacities. It is impossible to predict the evolution of these opacities in this horse.
- The left fundus shows a circumferential peripapillary inactive chorioretinal scar which is an area of depigmentation and pigment clumping. This type of lesion can be associated with blunt globe trauma, equine recurrent uveitis, posterior segment inflammation, optic neuritis. Literature describes this type of lesion also in horses with otherwise normal eyes (prevalence of 5-8%).
3.1.5.
Bij e-mail van 31 juli 2018 heeft de raadsvrouw van [geïntimeerde] onder meer het volgende aan [persoon F] (hierna: [persoon F] ), [persoon G] (hierna: [persoon G] ), [persoon B] en [persoon C] bericht: “The purchase agreement is hereby annulled/dissolved because the horse was not fit for use on the date of delivery.”
3.1.6.
[persoon F] en [persoon G] zijn (een van de) rechtsvoorgangers van [XX] . Bij vonnis in incident van 3 juli 2019 heeft de rechtbank Limburg zich ten aanzien van [persoon F] en [persoon G] onbevoegd verklaard om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen.
3.1.7.
Op 30 april 2020 is [XX] door de Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt, in staat van faillissement verklaard.
3.1.8.
Bij vonnis van 10 maart 2021 heeft de rechtbank Limburg de vorderingen tegen [persoon B] en [persoon C] afgewezen. Bij arrest van 22 november 2022 heeft dit hof dat vonnis bekrachtigd.
Geschil
3.2.1.
In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde] :
primair: [XX] te veroordelen aan [geïntimeerde] te betalen het bedrag van€ 300.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf datum van de dagvaarding tegen teruggave van [paard A] ;
subsidiair: [XX] te veroordelen aan [geïntimeerde] te betalen het bedrag van€ 295.000,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag als verminderde koopprijs, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van dagvaarding;
in beide gevallen: [XX] te veroordelen aan [geïntimeerde] te betalen het bedrag van USD 197.062,57 althans een in goede justitie te bepalen bedrag als schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van dagvaarding;
[XX] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover, indien deze kosten niet binnen twee weken na het te wijzen vonnis zijn voldaan.
3.2.2.
Op hetgeen [geïntimeerde] aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd, en de daartegen door [XX] gevoerde verweren, zal het hof hierna ingaan, voor zover dat van belang is in hoger beroep.
3.2.3.
In het vonnis van 8 maart 2023 heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen, met veroordeling van [XX] in de proceskosten.
Geschil
3.3.1.
[XX] heeft in (principaal) hoger beroep veertien grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
3.3.2.
In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] twaalf grieven aangevoerd en haar eis vermeerderd (zie hierna rov. 3.3.3). Haar conclusie strekt tot toewijzing van haar vorderingen inclusief de vermeerdering van eis.
3.3.3.
[geïntimeerde] heeft haar eis in hoger beroep vermeerderd met de stallingskosten van [paard A] sinds november 2022 (zie onder IV van haar memorie op blz. 25). [XX] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering. Het hof ziet ook geen aanleiding die eisvermeerdering ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Bij de beoordeling zal daarom worden uitgegaan van de vermeerderde eis.
Internationale aspecten
3.4.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vordering tegen [XX] kennis te nemen. Partijen hebben tegen dit oordeel geen grieven gericht. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben (de advocaten van) partijen desgevraagd geantwoord dat partijen het eens zijn dat het hof als Nederlandse rechter bevoegd is. Mede gelet daarop gaat het hof ervan uit dat het hof de bevoegdheid heeft om over deze zaak te beslissen, voor zover nodig op basis van een forumkeuze door partijen.
3.4.2.
Ten aanzien van het toepasselijk recht geldt het volgende. De rechtbank heeft geoordeeld dat op de onderhavige internationale koopovereenkomst betreffende roerende zaken het Weens Koopverdrag van toepassing is, en dat wat betreft niet in het Weens Koopverdrag geregelde zaken geldt dat aanvullend op de overeenkomst tussen partijen Belgisch recht van toepassing is. Ook tegen dit oordeel hebben partijen geen grieven gericht, zodat het hof hiervan moet uitgaan. Overigens is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken dat partijen het ook hierover eens zijn.
Niet-ontvankelijk
3.5.
In het vonnis van 3 juli 2019 heeft de rechtbank in het artikel 843a Rv-incident het gevorderde afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident. In het vonnis van 10 maart 2021 heeft de rechtbank de vorderingen jegens [persoon B] en [persoon C] afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. De grieven van [XX] zijn niet gericht tegen deze vonnissen. Dit leidt ertoe dat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep tegen de vonnissen van 3 juli 2019 en 10 maart 2021.
Plan van behandeling
3.6.1.
Het principaal hoger beroep strekt tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] voor zover die zijn toegewezen door de rechtbank in het vonnis van 8 maart 2023. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen op de grondslag ‘non-conformiteit’ (in de zin van het Weens Koopverdrag). De rechtbank heeft geoordeeld dat er sprake is van een wezenlijke tekortkoming die de ontbinding van de koopovereenkomst door [geïntimeerde] bij de e-mail van 31 juli 2018 rechtvaardigt.
Daarbij heeft de rechtbank onder meer het beroep op de klachtplicht van [XX] verworpen. Tegen die beslissing komt [XX] op met grief 4.
Zoals hierna zal blijken, slaagt deze grief. Dat brengt mee dat de overige grieven van [XX] geen bespreking behoeven (zie echter hierna rov. 3.6.2). Daarom zal het hof hierna eerst ingaan op de klachtplicht.
3.6.2.
Omdat grief 4 van [XX] slaagt, en dit leidt tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] voor zover die gebaseerd zijn op de grondslag ‘non-conformiteit’, dient het hof – gegeven de devolutieve werking van het appel – na te gaan of de vorderingen van [geïntimeerde] op een andere door haar gestelde grondslag wel toewijsbaar zijn. Dit zal het hof hierna doen onder het kopje ‘Devolutieve werking van het appel’.
Beroep klachtplicht
3.7.1.
[XX] heeft met verwijzing naar artikel 39 lid 1 van het Weens Koopverdrag
aangevoerd dat [geïntimeerde] geen beroep op non-conformiteit toekomt omdat zij niet tijdig heeft
geklaagd. [geïntimeerde] heeft weersproken dat zij niet tijdig geklaagd heeft.
3.7.2.
Artikel 39 lid 1 van het Weens Koopverdrag bepaalt dat de koper het recht verliest om zich erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken de verkoper hiervan in kennis stelt, onder opgave van de aard van de tekortkoming.
3.7.3.
Zoals hiervoor reeds is vermeld, slaagt het beroep op de klachtplicht van [XX] . Daartoe is het volgende redengevend.
3.7.4.
Uit de processtukken blijkt dat [geïntimeerde] na levering van [paard A] op 8 december 2016 onderzoek heeft laten doen naar de oorzaak van het volgens haar afwijkende gedrag van het [paard A] . De advocaat van [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook verklaard dat het paard door diverse veterinairen is bekeken en gemonitord om vast te stellen waar dit gedrag uit voortkwam.
In oktober 2017 is [paard A] naar de springstal [ZZ] in België gebracht, waar [paard A] werd gereden door [persoon H] . Vranken kreeg steeds meer het idee dat er iets niet goed was met de ogen van [paard A] . Daarop is besloten om het paard aan te bieden aan [persoon E] . Zij is een specialist in de veterinaire oftalmologie en verbonden aan de Universiteit Luik, wat wil zeggen dat zij een specialist is in ogen en oogheelkunde bij dieren, aldus – steeds – [geïntimeerde] .
[persoon E] heeft het paard in maart 2018 onderzocht. In haar rapport van 4 april 2018 heeft [persoon E] – kort samengevat – geconcludeerd dat (i) [paard A] aan beide ogen staar heeft, dat dit het zicht hindert van het paard en dat dit bij het linkeroog meer het geval is dan bij het rechteroog en (ii) dat [paard A] een stomp oogtrauma heeft waarvan zij een litteken heeft in haar linkeroog. Voor het volledige rapport van [persoon E] verwijst het hof naar productie 12 bij de inleidende dagvaarding.
Uit het voorgaande concludeert het hof dat [geïntimeerde] op 4 april 2018 bekend was met het (door haar gestelde) gebrek van het paard, te weten het visus probleem.
3.7.5.
Het hof stelt voorts vast [geïntimeerde] bij de e-mail van 31 juli 2018 (productie 14 bij de inleidende dagvaarding) de koopovereenkomst heeft ontbonden. Niet gebleken is dat zij [XX] eerder in kennis heeft gesteld van het door [persoon E] geconstateerde visus probleem.
Wel heeft [geïntimeerde] contact gehad met [persoon G] en [persoon F] om nader onderzoek te doen naar dit visus probleem, met name heeft zij navraag gedaan of er rapporten zijn waaruit blijkt dat het visus probleem reeds was geconstateerd voorafgaand aan de levering van het paard aan haar. Dat was echter niet nodig voor het doen van de mededeling als bedoeld in artikel 39 lid 1 van het Weens Koopverdrag. [geïntimeerde] meende immers dat het paard vanaf de levering afwijkend gedrag vertoonde (zie ook hierna onder rov. 3.7.6). Voorts bleek volgens haar uit onderzoek van de deskundige [persoon E] wat de oorzaak van dat gedrag was.
Conclusie
3.9.1.
De slotsom is dat de vorderingen van [geïntimeerde] voor zover deze in eerste aanleg zijn toegewezen, in hoger beroep alsnog dienen te worden afgewezen. De vorderingen die zijn afgewezen in eerste aanleg, zijn in hoger beroep evenmin toewijsbaar. De vermeerderde eis in hoger beroep komt ook niet voor toewijzing in aanmerking. Het principaal hoger beroep slaagt derhalve, en het incidenteel hoger beroep faalt.
3.9.2.
Bij deze stand van zaken hoeven de grieven van partijen voor zover die hiervoor niet reeds (expliciet of impliciet) zijn behandeld, niet meer te worden behandeld. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Partijen hebben ook geen feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot andere beslissingen leiden.
3.9.3.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [XX] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar hoger beroep tegen de vonnissen van 3 juli 2019 en 10 maart 2021 en dat het vonnis van 8 maart 2023 zal worden vernietigd voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen.
3.9.4.
Als de (overwegend) in het ongelijk gestelede partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in principaal en incidenteel hoger beroep, en wel uitvoerbaar bij voorraad zoals door [XX] gevorderd.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [XX] zullen worden vastgesteld op:
Griffierecht € 4.030,--
Salaris advocaat/gemachtigde € 10.239,--
Totaal € 14.269,--
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [XX] zullen vastgesteld worden op:
Explootkosten € 129,14
Griffierechten € 1.780,--
Salaris advocaat € 13.215,- (2½ punten x tarief VII)
Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 15.302,14
3.9.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissingen.
4De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
verklaart [XX] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de vonnissen van 3 juli 2019 en 10 maart 2021;
vernietigt het vonnis van 8 maart 2023 voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen;
in zoverre opnieuw recht doende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
bekrachtigt het vonnis van 8 maart 2023 voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] zijn afgewezen;
wijst het in hoger beroep door [geïntimeerde] meer of anders gevorderde af;
veroordeelt [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van de eerste aanleg van € 14.269,-- en van het hoger beroep van € 15.302,14, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, K.J.H. Hoofs en T.H.M. van Wechem en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 maart 2025.
griffier rolraadsheer
Geschil
Daarvan had zij [XX] binnen een redelijke termijn in kennis dienen te stellen.
Dat heeft zij eerst op 31 juli 2018 – dus ongeveer vier maanden nadat zij bekend was geraakt met het visus probleem – gedaan bij ontbinding van de koopovereenkomst. In de hiervoor beschreven omstandigheden acht het hof dit niet tijdig in de zin van artikel 39 lid 1 van het Weens Koopverdrag.
3.7.6.
Bovendien had van [geïntimeerde] verwacht mogen worden dat zij reeds in 2017 melding had gemaakt van het afwijkende gedrag van [paard A] . In de e-mail van 31 juli 2018 schrijft (de advocaat van) [geïntimeerde] : ‘From the start of the delivery [paard A] seemed to be tense and insecure which was not to be expected. [paard A] seemed not to be fit for use. The horse could not be used for (high level) show jumping competitions.’.
In 2017 vindt een aantal voorvallen plaats waaruit [geïntimeerde] reeds had kunnen afleiden dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordde. Daarbij gaat het hof er veronderstellenderwijs vanuit dat, zoals [geïntimeerde] stelt, het paard haar is aangeboden als talentvol springpaard voor het hogere wedstrijdwerk. Volgens [geïntimeerde] moest [paard A] dáárvoor geschikt zijn.
Na levering is het paard naar de Verenigde Staten gebracht. Daar heeft [geïntimeerde] zelf aan een aantal wedstrijden deelgenomen met [paard A] . Daarbij voelde het paard volgens haar niet zoals het behoorde te zijn. Zij kon niet door met [paard A] omdat zij zich niet veilig voelde, aldus [geïntimeerde] . Dit was reeds in februari 2017.
Naar het oordeel van het hof was dit het eerste moment waarop [geïntimeerde] had kunnen en ook moeten klagen dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordde. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat volgens de door [geïntimeerde] overgelegde verklaring van [persoon A] [geïntimeerde] het paard in de zomer van 2017 aan [persoon A] heeft geretourneerd ‘because she encountered problems’. [persoon A] verklaart dat [geïntimeerde] hem zei: ‘the horse did not feel right’ (productie 6 overgelegd bij de mondelinge behandeling in hoger beroep).
Ook [persoon A] heeft afwijkend gedrag van [paard A] meegemaakt. Daarover heeft hij gecommuniceerd met [geïntimeerde] . Het hof verwijst naar de app-correspondentie uit de periode 21 september tot en met 1 oktober 2017, die [geïntimeerde] als productie 25 in eerste aanleg heeft overgelegd. Daarin schrijft [persoon A] onder meer aan [geïntimeerde] over een voorval met [paard A] tijdens een springwedstrijd in [plaats A 2] . Hij schrijft daarover: ‘she was crazy in the ring’. Ook dit had voldoende aanwijzing voor [geïntimeerde] moeten zijn, zeker in combinatie met haar eigen eerdere ervaringen, dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordde.
3.7.7.
Nu [geïntimeerde] reeds in 2017 had moeten klagen, was de klachttermijn van artikel 39 lid 1 van het Weens Koopverdrag reeds lang verstreken toen [geïntimeerde] de overeenkomst ontbond op 31 juli 2018. Dat [geïntimeerde] toen nog niet wist wat de oorzaak of verklaring van het afwijkende gedrag van [paard A] was, maakt het voorgaande niet anders (vgl. CISC-AC, Opinion 2, o.a. onder 5.14).
3.7.8.
Het hof heeft onder ogen gezien dat het slagen van het beroep op de klachtplicht van [XX] leidt tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] als koper (voor zover die gebaseerd zijn op non-conformiteit). Dit is een ingrijpend rechtsgevolg. Tegelijkertijd dient het hof rekening te houden met de belangen van de verkoper, in dit geval [XX] . [XX] heeft [paard A] op 8 december 2016 verkocht en geleverd, en verneemt eerst op 31 juli 2018 (dus ruim 1,5 jaar later) dat het paard volgens [geïntimeerde] een gebrek heeft. Naar het oordeel van het hof heeft [XX] voldoende toegelicht dat zij door dit tijdsverloop is benadeeld (zie de memorie van grieven, randnummer 5.13). Daarbij heeft het hof onderkend dat dit nadeel groter is als de klachttermijn aanvangt in februari 2017 dan als ervan moet worden uitgegaan dat deze is aangevangen op 4 april 2018.
Devolutieve werking van het appel
3.8.1.
De vorderingen tegen [XX] zijn primair gebaseerd op een (ontbinding vanwege) tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst door non-conformiteit. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de vorderingen van [geïntimeerde] niet toewijsbaar op deze grondslag. Zoals hiervoor is overwogen, dient het hof – gegeven de devolutieve werking van het appel – na te gaan of de vorderingen van [geïntimeerde] op een andere door haar gestelde grondslag wel toewijsbaar zijn.
3.8.2.
[geïntimeerde] heeft haar vorderingen subsidiair gebaseerd op (vernietiging van de
koopovereenkomst vanwege) dwaling. Daarnaast heeft zij opgemerkt dat zij zich mogelijk zelfs op bedrog kan beroepen (inleidende dagvaarding, randnummer 9.1).
3.8.3.
Aan dit beroep heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat zij het vermoeden heeft dat [XX] wist dat [paard A] staar had. [persoon B] had haar dus moeten inlichten over het feit dat het paard aan deze aandoening leed. Als hij dat had gedaan dan had zij [paard A] niet gekocht. Voor zover [XX] dit niet wist geldt dat beide partijen van dezelfde onjuiste voorstelling zijn uitgegaan ( [paard A] kan goed zien) en [XX] had móeten begrijpen – als [persoon B] het wist – dat [geïntimeerde] [paard A] nooit zou hebben gekocht als zij wist dat [paard A] staar had. Op basis van het voorafgaande kan zij dus de koop vernietigen. Aldus – steeds – [geïntimeerde] .
3.8.4.
Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat [XX] wist van het gestelde visus probleem ten tijde van de verkoop van [paard A] . Ook heeft zij onvoldoende geconcretiseerd dat [XX] bij de verkoop bepaalde veronderstellingen heeft gehad over de kwaliteit van het gezichtsvermogen van het paard. Dat blijkt ook niet uit de summiere documentatie die daarover beschikbaar is. Er is geen schriftelijk contract. Er is slechts sprake van een factuur van 8 december 2016 (productie 9 bij de inleidende dagvaarding).
3.8.5.
Voor zover een beroep op dwaling of bedrog in dit geval al mogelijk zou zijn gelet op de toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag, kunnen de vorderingen van [geïntimeerde] derhalve bij gebrek aan feitelijke onderbouwing ook niet op deze andere grondslag(en) worden toegewezen. Dit geldt naar het alsdan toepasselijke Belgische recht (zie hiervoor rov. 3.4.2). Naar Nederlands recht, waarnaar [geïntimeerde] ook verwijst, is dit niet anders.