Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-14
ECLI:NL:GHSHE:2025:780
Strafrecht
Hoger beroep
10,846 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001504-22
Uitspraak : 14 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 17 juni 2022, in de strafzaak met parketnummer 03-661223-16 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘medeplegen van, om een feit, bedoeld als in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit en zich of een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van een jaar. Voorts is er beslist omtrent het beslag.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis integraal zal bevestigen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van het beslag heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2015 tot en met 9 november 2015 te Oostrum, gemeente Venray, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA, althans een of meer middelen vermeld op lijst 1 van de Opiumwet, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA en/of een ander middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde (allen) middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
(onder meer) voorhanden heeft gehad:
- 2 gasbranders, althans een hoeveelheid gasbranders, aangesloten op een gasslang welke gekoppeld was aan een gasfles, en/of
- 3 5 L jerrycans, althans een hoeveelheid jerrycans, met etiket 'methanol' en bevattende methanol, en/of
- een vervuilde reciprozaag en/of een pneumatische hamer (vervuild met de methylester van PMK-glycidezuur) en/of een metalen keg en/of 2, althans een hoeveelheid, vuisthamers, en/of
- 2, althans een hoeveelheid, weegschalen, en/of
- 9 opengesneden zilverkleurige metalen vaten, althans een hoeveelheid vaten, met etiket 'acrylonitile - butadione rubber' gevuld met de methylester van PMK-glycidezuur , en/of
- een witte 30L emmer gevuld met ca. 10 liter PMK, en/of
- 1 zwarte 25L jerrycan gevuld met ca. 12 liter zoutzuur, en/of
- 1 volle zwarte 25L jerrycan met zoutzuur, en/of
- een hoeveelheid maatbekers gevuld met 6,6 liter PMK, en/of
- een temperatuursensor, en/of
- een opengesneden 200L vat gevuld met circa 50L vloeistof bevattende PMK en aanwijzingen voor de methylester van PMK-glycidezuur, en/of
- een opengesneden 200L vat gevuld met circa 25L vloeistof bevattende een lage concentratie PMK, en/of
- een hoeveelheid vervuilde speciekuipen, en/of
- een opengesneden 200L vat vervuild met restanten PMK, en/of
- 2 RVS deksels, althans een hoeveelheid RVS deksels, en/of
- 2 2 L flessen, althans een hoeveelheid flessen, voorzien van etiket 'spa blauw' bevattende in totaal 4 liter PMK, en/of
- 5 zwarte 25L jerrycans, althans een hoeveelheid jerrycans, inhoudende zoutzuur en/of
- 9 volle 25 kg zakken, althans een hoeveelheid zakken, inhoudende caustic soda, en/of
- 11 zwarte 25L jerrycans met etiket 'zoutzuur brenntag', althans een hoeveelheid jerrycans, gevuld met zoutzuur, en/of
- 2 RVS kookpannen gevuld met in totaal 2x 23,5 liter PMK,
in elk geval een hoeveelheid PMK en/of de methylester van PMK-glycidezuur en/of zoutzuur en/of een hoeveelheid hardware,
waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die goed(eren) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
en/of
zich of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft trachten te verschaffen immers heeft hij, verdachte, toen en daar (in die periode) opzettelijk het pand en/of perceel en/of de schuur en/of (andere) bijbehorende aanhorigheden gelegen aan/op [adres 2] daartoe ter beschikking gesteld.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 november 2015 te Oostrum, tezamen en in vereniging met een ander,
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden van hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA, althans een of meer middelen vermeld op lijst 1 van de Opiumwet, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA en/of een ander middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
zijnde (allen) middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden,
(onder meer) voorhanden heeft gehad:
- 2 gasbranders, aangesloten op een gasslang welke gekoppeld was aan een gasfles, en
- 3 5 L jerrycans, met etiket 'methanol' en bevattende methanol, en
- een vervuilde reciprozaag en een pneumatische hamer (vervuild met de methylester van PMK-glycidezuur) en een metalen keg en 2 vuisthamers, en
- 2 weegschalen, en
- 9 opengesneden zilverkleurige metalen vaten, met etiket 'acrylonitile - butadione rubber' gevuld met de methylester van PMK-glycidezuur en
- een witte 30L emmer gevuld met ca.
Beoordeling
Op 9 november 2015 vond er een explosie plaats in de schuur bij een woning aan [adres 2] . De brandweer constateerde dat er mogelijk sprake was van een amfetamine laboratorium. Een expert van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) deed vervolgens onderzoek. De schuur bij de woning bestond uit vier ruimtes. Een van deze ruimtes was ingericht en werd gebruikt ten behoeve van de vervaardiging c.q. bewerking van synthetische drugs. Een andere ruimte werd hoofdzakelijk gebruikt voor de opslag van diverse goederen. In de schuur werden de volgende goederen aangetroffen, waarvan later enkele chemicaliën (monsters) voor ander onderzoek naar het NFI zijn gestuurd:
- twee gasbranders van 5 liter, met etiket ‘methanol’. Onderzoek door het NFI wees uit dat de inhoud van deze jerrycans methanol bevatte;
- een vervuilende reciprozaag, een pneumatische hamer, vervuild met wit poeder, en een metalen keg. Op de hamer bleken sporen van methylester van PMK-glycidezuur te zitten;
twee vuisthamers;
twee weegschalen;
negen opengesneden metalen vaten met etiket ‘acrylonitile-butadione rubber’. Een monster van het poeder uit deze vaten bleek methylester van MPK-glycidezuur te bevatten;
- een witte emmer van 30 liter gevuld met ongeveer 10 liter van een olieachtige vloeistof. Deze vloeistof bleek PMK te bevatten;
- twee zwarte jerrycans van 25 liter, de ene gevuld met 25 liter vloeistof en de ander met ongeveer 12 liter vloeistof. De vloeistof uit een van deze jerrycans bleek zoutzuur te bevatten;
- maatbekers gevuld met een bruine vloeistof. Deze vloeistof, in totaal 6,6 liter, bleek PMK te bevatten;
een temperatuursensor;
een opengesneden vat van 200 liter, gevuld met ongeveer 50 liter van een lichtkleurige vloeistof. Deze vloeistof bleek PMK te bevatten. Verder waren er aanwijzingen voor de aanwezigheid van de methylester van PMK-glycidezuur;
- een opengesneden vat van 200 liter, gevuld met ongeveer 25 liter van een olieachtige vloeistof. Deze vloeistof bleek een lage concentratie PMK te vatten;
vervuilde speciekuipen;
een opengesneden vat van 200 liter vervuild met restanten PMK;
twee RVS deksels;
twee flessen van 2 liter, voorzien van het etiket ‘spa blauw’, volledig gevuld met een olieachtige vloeistof. Deze vloeistof bleek PMK te bevatten;
vijf zwarte jerrycans van 25 liter;
twee RVS kookpannen gevuld met een vloeistof, in totaal 2 x 23,5 liter. Deze vloeistof bleek PMK te bevatten.
Op de binnenplaats/tuin van de woning werden onder andere een speciekuip met resten/brokjes vergruisde PMK glycidaat en vijf lege, zwarte jerrycans van 25 liter met zoutzuur aangetroffen.
In de inpandige garage bij de woning werden onder andere negen volle zakken van 25 kg met caustic soda en 11 volle, zwarte jerrycans van 25 liter, met het etiket ‘zoutzuur Branntag’ aangetroffen. Onderzoek wees uit dat de jerrycans zoutzuur bevatten.
Al deze goederen en chemicaliën zijn typische goederen en chemicaliën die worden aangetroffen op locaties waar synthetische drugs vervaardigd of bewerkt worden. Vermoedelijk is tijdens het omzettingsproces van PMK glycidezuur in PMK een brandbare damp ontstaan waarmee een explosieve verbranding heeft plaatsgevonden.
Tussenconclusie I:
Gelet op de bevindingen bij de woning en de schuur aan [adres 2] , het onderzoek door het LFO en de bevindingen van het NFI, stelt het hof vast dat zich op 9 november 2015 een drugslaboratorium in de schuur naast de woning bevond, met de bedoeling om een precursor voor synthetische drugs te bereiden.
Over de betrokkenheid van de verdachte en eventuele andere personen overweegt het hof als volgt.
De woning aan [adres 2] werd bewoond door de verdachte en zijn gezin. Op het moment van de explosie was de verdachte thuis. Hij opende de voordeur voor de politie. De verdachte had brandwonden aan zijn armen, handen en hoofd. Hij werd per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. In het ziekenhuis werd vastgesteld dat de verdachte op zijn handen en armen tweedegraads brandwonden had. In zijn gezicht had hij eerstegraads brandwonden. Verbalisanten constateerden dat het onderste deel van het gezicht niet verband was. Op het gezicht, met name aan de linkerhelft, waren duidelijke strepen zichtbaar, mogelijk een aftekening van een mondkapje.
[getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] waren getuige van de explosie. De getuigen hebben verklaard dat [getuige 3] en [getuige 4] na de explosie naar de woning zijn gegaan. De getuigen [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard dat zij na de ontploffing in het schuurtje naar het schuurtje zijn gerend/gelopen en toen een man aantroffen die in het schuurtje stond. De man had brandwonden aan armen en gezicht. De man zei dat er geen politie of brandweer hoefde te komen en dat hij lijm aan het mengen was. Verder hebben zij verklaard dat er een donkere man vanuit de voordeur van de woning in de richting van een zwartkleurige auto liep, instapte en wegreed. [getuige 3] heeft verklaard dat de man die hij in de schuur had gezien, later door de ambulance is meegenomen.
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij ten tijde van de explosie bij de woning aan [adres 2] aanwezig was. Na de explosie is hij in shock in zijn [auto 1] gestapt en is hij weggereden. Hij heeft als gevolg van de explosie brandwonden opgelopen. Gelet op de ernst van zijn verwondingen werd hij in het ziekenhuis gedurende twee weken in slaap gehouden.
Tussenconclusie II:
Gelet op de bevindingen van de politie kort na de explosie en de verklaring van [medeverdachte] kan worden vastgesteld dat de personen waarover de getuigen spreken betrekking hebben op de verdachte en [medeverdachte] . De verdachte is dan de man die zij in de schuur hebben gezien en daarna met de ambulance wordt weggebracht. [medeverdachte] is de man die via de voordeur de woning verlaat en in een [auto 1] wegrijdt.
Naar aanleiding van de explosie werd sporenonderzoek verricht in de schuur.
In de schuur, waar de explosie had plaatsgevonden, werden verder twee mondkapjes aangetroffen, waarvan een met bloed. Ook werd er bloed op de muur aangetroffen. Op het mondkapje met bloed en het bloedspoor op de muur werd het DNA van de verdachte aangetroffen. De matchkans is kleiner dan een op een miljard. Op het andere mondkapje werd een DNA-mengprofiel aangetroffen van onder ander de verdachte. De matchkans van dit laatste profiel kon niet worden berekend.
In de schuur werd op een stoel een spijkerbroek aangetroffen. In een van de broekzakken zat een rijbewijs op naam van [medeverdachte] . De broek werd gemonsterd voor nader onderzoek. Op de tailleband aan de binnenzijde van de broek en op de rits en de knoop van de broek werd het DNA van [medeverdachte] aangetroffen. De matchkans kon niet worden berekend. Met betrekking tot de matchkans op de tailleband is wel nog vermeld dat het meer dan een miljard keer waarschijnlijker is dat de bemonstering DNA van [medeverdachte] en twee willekeurige onbekende personen bevat dan de kans dat de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij het drugslaboratorium ontkend.
Toen de politie op 9 november 2015 ter plaatse was heeft de verdachte verklaard dat hij buiten het gras aan het harken was toen hij een steekvlam in het zwembadhuisje zag. Hij is daar naartoe gelopen en zag iemand die onder het vuur zat. Hij heeft deze persoon weggetrokken.
Overwegingen
Het hof stelt het volgende voorop.
De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld zoals in casu tenlastegelegd in het vierde lid van art. 10 Opiumwet is in art. 10a, eerste lid, van de Opiumwet als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het vierde lid van art. 10) deze dienen (vgl. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494, rov. 4.6. en HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3862,
rov. 2.3.). Ook al bevat de delictsomschrijving van artikel 10a lid 1 Opiumwet niet de term ‘opzet’, voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben als bedoeld in artikel 10a lid 1, aanhef en onder 3°, Opiumwet, is opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) vereist op het voorhanden hebben en op de voorbereiding of bevordering van een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 van de Opiumwet. Dit brengt met zich dat het weliswaar niet noodzakelijk is dat de tenlastelegging de term ‘opzet’ bevat, maar uit de bewijsvoering moet wel volgen dat sprake is van opzet op het voorhanden hebben en op de voorbereiding of bevordering van een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 (of lid 5) van de Opiumwet (vgl. Kamerstukken II 1982-1983, 17 975, nr. 3, p. 11-12). Daarnaast moet de verdachte weten of ernstige reden hebben om te vermoeden dat de voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen bestemd zijn tot het plegen van het feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 van de Opiumwet. Van ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in artikel 10a lid 1 Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Die voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘voorhanden hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen aan de verdachte toebehoren of dat ten aanzien daarvan sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, rov. 3.4.1-3.4.2).
Het hof acht de verklaringen van de verdachte niet geloofwaardig. Allereerst valt op dat de verdachte wisselend heeft verklaard. Hoewel hij bij de politie en op zitting verklaart in de tuin bezig te zijn geweest, verklaart hij bij de politie dat hij het gras aan het harken was en op zitting bij de rechtbank en bij het hof dat hij met gif aan het spuiten was. Het hof acht deze wisselende verklaringen over wat hij precies aan het doen was niet doorslaggevend voor het oordeel dat de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig worden geacht, mede gelet op het grote tijdsverloop, maar er is meer. Hij heeft verklaard dat hij na het horen van een explosie dan wel na het zien van een steekvlam naar de schuur is gerend. Gelet op de ernst van de brandwonden die de verdachte heeft opgelopen, is dat – mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen – niet aannemelijk. Bovendien heeft getuige [getuige 2] niet verklaard dat er iemand in de tuin stond op het moment dat hij vuur zag en daarna een explosie hoorde. Deze getuige heeft verklaard (dossierpagina 149) dat hij aan het wandelen was richting de woning van de verdachte en schrok omdat het leek alsof de schuur in brand stond. “Binnen een paar seconden kwam de explosie. Ik zag dat het dak van het schuurtje los kwam en de raam eruit sprong. Twee mannen die aan de straat aan het werken waren, renden meteen naar het huis. Ik zag vervolgens dat er een man uit het schuurtje kwam dat zonet geëxplodeerd was. Ik zag hem in de deuropening staan.” Vervolgens geeft deze getuige een beschrijving die duidelijk maakt dat het om de verdachte gaat. De verklaring van [getuige 2] sluit wat dat betreft ook naadloos aan bij de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] .
De getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] hebben alledrie de verdachte uit de schuur zien komen. Zij hebben niets verklaard over het wegtrekken van een man uit de brandende schuur. Dit kan de aanwezigheid van de verdachte in die schuur dan ook niet verklaren. Ook is niet gebleken dat er tijdens het blussen een tweede explosie heeft plaatsgevonden.
De conclusie luidt dan ook dat de verdachte zich bevond bij de plek waar de explosie heeft plaatsgevonden en dus in de schuur aanwezig moet zijn geweest.
Het DNA op het mondkapje met bloed en het bloed op de muur is, gelet op de berekende matchkans, afkomstig van de verdachte. Van het andere mondkapje kon de matchkans niet worden berekend, maar het DNA op het mondkapje kan in ieder geval aan de verdachte worden gelinkt. Uit de constateringen van de verbalisanten maakt het hof op dat de verdachte een aftekening van een mondkapje op zijn gezicht had. Dat verklaart ook de afwezigheid van brandwonden op die plek. De verdachte heeft verklaard dat hij een mondkapje droeg omdat hij met gif aan het spuiten was. Het hof acht dit, gelet op de eerdere constatering dat de verdachte zich in de schuur bevond ten tijde van de explosie, niet geloofwaardig. Naar het oordeel van het hof heeft hij in de schuur een mondkapje gedragen. Het hof is voorts van oordeel dat het DNA-onderzoek over onder meer de mondkapjes voor bewijs mag worden gebezigd en er geen sprake is van een vormverzuim zoals door de verdediging is gesteld. In het NFI-rapport van 11 maart 2016 was er geen match met het DNA-profiel van de verdachte vastgesteld. Dit was echter ook niet mogelijk doordat bij de verdachte pas op 28 april 2016 wangslijmvlies ten behoeve van DNA-onderzoek is afgenomen. Dit is uiteindelijk hersteld in het NFI-rapport van 5 november 2019. Er is aldus geen sprake van een gebrekkig en onzorgvuldig DNA-onderzoek.
Gelet op de aanwezigheid van de verdachte en [medeverdachte] in de schuur hadden zij beiden wetenschap van de goederen en chemicaliën die zich in die schuur bevonden. Uit de bevindingen van de deskundige van het LFO blijkt dat de explosie vermoedelijk is ontstaan tijdens het omzettingsproces van PMK glycidezuur in PMK. Hierbij is een brandbare damp ontstaan waarna een explosieve verbanding heeft plaatsgevonden. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte en [medeverdachte] op dat moment bezig waren met het bereiden van synthetische drugs waarbij de verdachte dan een mondkapje heeft gedragen.
Ook in de inpandige garage van de woning van de verdachte bevonden zich chemicaliën die bedoeld waren voor de productie van synthetische drugs. Dat de goederen pas de avond ervoor in de garage zouden zijn geplaatst en de verdachte er geen weet van had, acht het hof niet geloofwaardig. De echtgenote van de verdachte, [betrokkene 1] , heeft immers op 29 augustus 2024 bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij de avond voor de explosie thuis was, maar er die avond geen spullen zijn bezorgd.
De verdachte en [medeverdachte] waren dan ook bezig met voorbereidingshandelingen voor het bereiden van synthetische drugs. Het hof betrekt daarbij ook nog de gedragingen van de beide verdachten na de explosie.
De verdachte riep na de explosie naar toegesnelde mensen en vertelde hen dat hij bezig was met het mengen van lijm en dat geen politie of brandweer ter plaatse hoefde te komen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte hiermee de ontdekking van de strafbare activiteiten proberen te voorkomen. Kennelijk was dat op dat moment zijn grootste zorg. Deze reactie is niet te verwachten van iemand die naar eigen zeggen net pas heeft ontdekt wat zich in de schuur afspeelde en zelf als gevolg van de explosie ernstige brandwonden oploopt doordat hij iemand uit de vlammen heeft gered.
[medeverdachte] is na de explosie, naar is gebleken zwaargewond, in zijn auto gestapt en weggereden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een gele handschoen, G696672.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 23 gram hennep, G696651.
Beveelt de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- Twee schoenen, maat 43, G695755;
- Een rood shirt, G695753;
- Een zwarte broek, G695752;
- Zwart ondergoed, G695745;
- Een zwarte blouse, G696220;
- Een grijze schoen, merk ASICS, G696223;
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,
en op 14 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. W.F. Koolen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie, Eenheid Limburg, Team Ondermijning, [proces-verbaalnummer] ’, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , ondertekend en gesloten op 10 oktober 2016, doorgenummerde dossierpagina’s 1-582, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en daarin gerelateerde bijlagen, alsmede geschriften. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 2] d.d. 10 november 2015, dossierpagina 42.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het geschrift, te weten een aanvraag NFI d.d. 16 november 2015, dossierpagina’s 100-101.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van de NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek [deskundige 1] d.d. 1 maart 2016, [rapportage 12] , dossierpagina’s 104-107.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van de NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek [deskundige 1] d.d. 1 maart 2016, [rapportage 13] , dossierpagina’s 104-107.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van de NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek [deskundige 1] d.d. 1 maart 2016, [rapportage 14] , dossierpagina’s 104-107.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina 76-83.
Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van de NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek [deskundige 1] d.d. 1 maart 2016, [rapportage 1] , dossierpagina’s 104-107.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina 76-83.
Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van de NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek [deskundige 1] d.d. 1 maart 2016, [rapportage 2] , dossierpagina’s 104-107.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van de NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek [deskundige 1] d.d. 1 maart 2016, [rapportage 3] , dossierpagina’s 104-107.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van de NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek [deskundige 1] d.d. 1 maart 2016, [rapportage 4] , dossierpagina’s 104-107.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van de NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek [deskundige 1] d.d. 1 maart 2016, [rapportage 5] , dossierpagina’s 104-107.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van de NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek [deskundige 1] d.d. 1 maart 2016, [rapportage 6] , dossierpagina’s 104-107.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van de NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek [deskundige 1] d.d. 1 maart 2016, [rapportage 7] , dossierpagina’s 104-107.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van de NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek [deskundige 1] d.d. 1 maart 2016, [rapportage 8] , dossierpagina’s 104-107.
Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO van de verbalisant [verbalisant 3] d.d. 2 december 2015, dossierpagina’s 76-83.
Het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming van de verbalisant [verbalisant 4] d.d. 12 november 2015, dossierpagina’s 67-68.
Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 2] d.d.
Overwegingen
Ook deze reactie is niet te verwachten van iemand die naar eigen zeggen geen idee had van wat zich in de schuur afspeelde. Kennelijk had hij een groot belang bij het zich uit de voeten maken op dat moment en was dat belangrijker dan het afwachten van de hulpdiensten, ondanks zijn zware verwondingen.
Alles overwegende acht het hof het tenlastegelegde dan ook bewezen.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft voorwaardelijk verzocht getuige [getuige 1] te horen, dit teneinde de verklaring van de verdachte nader te onderbouwen.
Het hof overweegt als volgt.
Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de heer [getuige 1] als getuige is een verzoek op de voet van art. 328 en 331 Sv, in verbinding met art. 315 en 415 Sv en het hof dient het verzoek te toetsen aan het noodzakelijkheidscriterium, waarbij beoordeling plaatsvindt met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Getuige [getuige 1] is op 11 mei 2016 door de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat hij op 9 november 2015 op de bank lag te slapen toen hij door zijn vrouw wakker werd gemaakt en hem werd verteld dat er een ontploffing was geweest op het adres van de verdachte.
Het verzoek om de getuige te horen wijst het hof af omdat de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken en het hof zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht. Daarbij weegt het hof tevens mee dat de relevantie van het horen van deze getuige is het hof niet gebleken, gelet op hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd. De getuige [getuige 1] is niet aanwezig geweest in de omgeving van de woning van de verdachte ten tijde van de explosie. Dat de getuige de verdachte eerder in de tuin bezig heeft gezien, maakt – wat hiervan ook zij – het vorenstaande niet anders. Immers, de getuige is daarna naar huis gelopen en is op de bank gaan slapen zodat in ieder geval vastgesteld kan worden dat er enige tijd verstreken moet zijn.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld als in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
en
zich of een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft verzocht om een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke straf, op te leggen. In ieder geval heeft de raadsman verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte al zeer zwaar is gestraft door hetgeen hij als gevolg van deze strafzaak heeft moeten ondergaan. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de verdachte in feite alles wat hij sinds 9 november 2015 met zijn gezin heeft weten op te bouwen weer kwijt zal raken. Tot slot heeft hij gewezen op de enorme schending van de redelijke termijn.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet door voorwerpen en chemicaliën aanwezig te hebben die bedoeld waren voor de productie van synthetische drugs en zijn woning, tuin en schuur ter beschikking te stellen. In een bij verdachtes woning gelegen schuur werd een drugslab ingericht. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Het is algemeen bekend dat de productie en handel van drugs gepaard gaan met (zware) criminaliteit. De maatschappelijke impact van dit soort criminaliteit is groot en werkt op verschillende manieren door de in de samenleving, van het ontstaan van illegale geldstromen tot het voorzaken van ernstige geweldsincidenten in het criminele circuit. Dat de opslag van chemicaliën en de productie van synthetische drugs veiligheidsrisico’s voor de directe omgeving, zoals gevaar voor brand en ontploffing, met zich meebrengt, is in het onderhavige geval wel gebleken. Op het moment dat de verdachte en zijn mededader in dat laboratorium bezig waren, is het tot een explosie gekomen. Deze explosie was zo heftig dat de verdachte en zijn mededader daarbij ernstige brandwonden hebben opgelopen. Buurtbewoners werden opgeschrikt door de explosie. Het drugslab was bedoeld voor het op zeer grote schaal bereiden van synthetische drugs. Door de deskundige van het LFO is vastgesteld dat met de aangetroffen chemicaliën ongeveer 810.000 (XTC) tabletten vervaardigd hadden kunnen worden. De verdachte heeft kennelijk alleen het financiële gewin voor ogen gehad op het moment dat hij zich met deze illegale praktijken bezighield. Dat een en ander zich afspeelde in en nabij de woning van de verdachte, waar ook zijn (toen nog) twee jonge kinderen woonden, maakt zijn gedrag nog kwalijker. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Gelet op de ernst van het feit ziet het hof geen ruimte om, zoals is bepleit door de raadsman, te volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 december 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke delicten.
Het hof heeft evenzeer gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Hierbij is het hof gebleken dat de verdachte als [functie] werkt, hij hoofdkostwinner van zijn gezin is nu zijn vrouw arbeidsongeschikt is verklaard en hij twee studerende kinderen heeft.
Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.
Voorop wordt gesteld dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn.
Overwegingen
Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Bedoelde termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 9 november 2015, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 17 juni 2022. Aldus is er sprake van een tijdsverloop van zes jaren en zeven maanden, zodat de eerste rechter niet binnen twee jaren na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, tot een einduitspraak is gekomen.
Tussen de datum waarop het hoger beroep is ingesteld, te weten 20 juni 2022, en de datum waarop het hof de uitspraak doet, 14 maart 2025, is een periode van twee jaren en negen maanden verstreken. Hieruit volgt dat het hof niet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen.
Het hof is van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden zou zijn geweest. Nu de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep (ernstig) is geschonden, dient dit naar het oordeel van het hof consequenties te hebben ten aanzien van de strafoplegging. Het hof zal daarom volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
De beslaglijst d.d. 30 april 2021 vermeldt de volgende inbeslaggenomen voorwerpen:
(4) Twee schoenen, maat 43, G695755;
(5) Een rood shirt, G695753;
(6) Een zwarte broek, G695752;
(7) Zwart ondergoed, G695745;
(8) Een zwarte blouse, G696220;
(9) Een grijze schoen, merk ASICS, G696223;
(10) Een gele handschoen, G696672;
(11) 23 gram hennep, G696651.
Het hof is van oordeel dat de voorwerpen onder (4) tot en met (9) teruggegeven kunnen worden aan de verdachte. Het betreft hier – kort gezegd – vervangende kleding die hij droeg op weg naar het ziekenhuis, dan wel kleding die nadien in de woning is aangetroffen. Dit ligt anders voor het voorwerp onder (10), de gele handschoen, die is aangetroffen in het lab en die beschouwd moet worden als een voorwerp waarmee het feit is begaan en dat ten tijde van het feit aan de verdachte toebehoorde. Dit voorwerp zal verbeurd worden verklaard.
Voorts zal het hof de onttrekking aan het verkeer bevelen van de hennep (11) aangezien dit een middel is als bedoeld in lijst II van de Opiumwet en dit op grond van artikel 13A van de Opiumwet aan het verkeer dient te worden onttrokken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften