Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:714
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
9,015 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.325.885/01
arrest van 18 maart 2025
in de zaak van
[appellant] , tevens handelend onder de naam [XX] Motorhandel en Accessoires,
wonende te [woonplaats] , [gemeente A] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. A.J.C.L. Pals-Rubbens te Etten-Leur,
tegen
BMW Financial Services Nederland B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als BMW,
advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 13 juni 2023 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, onder zaaknummer 9240420 CV EXPL 21-1727 gewezen vonnis van 21 december 2022.
De zaak in het kort
[appellant] heeft met BMW een huurkoopovereenkomst gesloten. Op grond daarvan heeft BMW aan [appellant] een Dodge RAM 1500 sport ter beschikking gesteld. [appellant] was op grond van de overeenkomst gehouden maandelijks een bedrag aan BMW te betalen, totdat het einde van de looptijd van de overeenkomst was bereikt. BMW stelt zich op het standpunt dat [appellant] vele maandtermijnen onbetaald heeft gelaten. Daarom vordert BMW in deze procedure onder andere de ontbinding van de overeenkomst en betaling van al hetgeen [appellant] op grond van de overeenkomst aan BMW is verschuldigd. [appellant] heeft zich in deze procedure lang op het standpunt gesteld dat zijn zoon en schoondochter alle verschuldigde termijnbetalingen hebben verricht. In deze procedure komt vast te staan dat de schriftelijke stukken die [appellant] als bewijs van de betalingen in het geding heeft gebracht vervalste stukken zijn. Het hof wijst de vorderingen van BMW toe en veroordeelt [appellant] in de werkelijke proceskosten omdat sprake is van een ernstige schending van de waarheidsplicht.
5Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 13 juni 2023 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
het proces-verbaal van mondeling behandeling van 26 september 2023;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord, tevens akte vermeerdering van eis met producties;
de memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens houdende akte eisvermindering;
de akte van BMW;
de antwoordakte van [appellant] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
6De beoordeling
Feiten
in principaal en incidenteel hoger beroep
6.1
Tussen partijen staan de volgende feiten vast.
6.1.1.
[appellant] en BMW hebben op 1 juni 2016 een financial lease (huurkoop) overeenkomst gesloten betreffende een Dodge RAM 1500 sport met kenteken [kenteken A] (hierna: de Dodge). Partijen zijn de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden [YY] Financial Lease overeengekomen. Artikel 3.2 van de overeenkomst luidt als volgt.
“Deze Overeenkomst bestaat uit meerdere documenten. Het belangrijkste document leest u
nu en is getiteld ''Debiteurenwijziging [YY] Financial Lease Overeenkomst". Hierin staat
een deel van de voorwaarden die gelden voor de Geldlening. Ook de volgende documenten horen onlosmakelijk bij en zijn van toepassing op deze Overeenkomst:
- De Algemene Voorwaarden [YY] Financial Lease. Kortgezegd: de Algemene Voorwaarden. U hebt deze Algemene Voorwaarden tegelijkertijd met deze Overeenkomst gekregen.
- De "Bijlage bij de Overeenkomst". Hier staan de specifieke voertuiggegevens, de
kilometerstand en de datum van aflevering van het Voertuig. U ontvangt deze bijlage na aflevering van het Voertuig.
U verklaart dat u al deze documenten heeft ontvangen en hiermee akkoord gaat.”
6.1.2.
De overeenkomst vermeldt over de financiering het volgende.
“De Financieringsopbouw
6.1
De totale financiering van Kredietaanbieder aan u is als volgt opgebouwd:
Geldlening : EUR 36252,00
De Kredietvergoeding bedraagt : EUR 7915,24
Het totale door u aan Kredietaanbieder te
betalen bedrag is : EUR 44167,24
U betaalt dit bedrag in gelijke
maandtermijnen (exclusief slottermijn) van : EUR 632,45
De slottermijn bedraagt : EUR 12544,74
De duur van de Overeenkomst is : 50 maanden
6.2
U erkent dat u de bovengenoemde Geldlening schuldig bent aan en ontvangt van
Kredietaanbieder. Ook erkent u dat u dit bedrag plus de bovengenoemde Kredietvergoeding aan Kredietaanbieder moet betalen.
6.3
U verklaart dat de totale financiering en het Voertuig worden gebruikt in de normale
uitoefening van beroep of bedrijf.
7 Automatische incasso
U bent verplicht om de maandtermijnen via automatische incasso te betalen. Hiervoor geeft u aan Kredietaanbieder een SEPA Doorlopende Incasso Machtiging af. Kredietaanbieder schrijft dan de verschuldigde bedragen van uw rekening af. Als uw Overeenkomst is gestart na de vijftiende van de maand, dan kan de eerste incasso binnen veertien dagen plaatsvinden. U trekt de machtiging pas in nadat de Overeenkomst is beëindigd. U geeft deze machtiging ook af voor toekomstige vorderingen van Kredietaanbieder op u.”
6.1.3.
De algemene voorwaarden bevatten onder andere de volgende bepalingen.
Artikel 5.5.
"Alle in de Overeenkomst en op de facturen genoemde termijnen zijn fatale termijnen. Dit betekent onder meer dat als u een maandtermijn niet op tijd betaalt, Kredietaanbieder meteen de wettelijke rente vermeerderd met 5% bij u in rekening brengt over het verschuldigde bedrag. U wordt hiervoor niet eerst in gebreke gesteld. De genoemde rente wordt berekend vanaf de vervaldatum tot aan de dag waarop u het hele verschuldigde bedrag plus de rente heeft betaald."
Artikel 5.6.
"Als u niet of niet op tijd een betalingsverplichting bent nagekomen, heeft Kredietaanbieder het recht de vordering uit handen te geven aan onder meer een incassobureau. Alle
buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten die hieruit voortkomen, zijn voor uw rekening. Dit zijn onder andere kosten voor juridische bijstand, proceskosten, innamekosten van het
Voertuig en in bepaalde gevallen de notariskosten, vermeerderd met de gemaakte verschotten en verschuldigde belasting. De buitengerechtelijke incassokosten zijn in ieder geval 15% van het door u verschuldigde bedrag, met een minimum van EUR 225,- per keer."
Artikel 8.1., aanhef en sub a:
"In bepaalde gevallen heeft Kredietaanbieder het recht om de Overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen en het hele verschuldigde bedrag vervroegd op te eisen, alsmede het Voertuig in te nemen. Dit betekent dat u het totale aan Kredietaanbieder verschuldigde bedrag, eventuele rente en eventuele kosten en vergoeding voor schade in één keer aan Kredietaanbieder moet terugbetalen. Kredietaanbieder heeft dit recht, voor zover nodig na ingebrekestelling en zonder tussenkomst van een rechter, in de volgende gevallen:
a. Als u een vervallen maandtermijn gedurende twee of meer maanden niet heeft betaald of op een andere manier uw verplichtingen uit de Overeenkomst of de Algemene Voorwaarden niet nakomt, nadat Kredietaanbieder u hiervoor schriftelijk in gebreke heeft gesteld. Er is alleen sprake van onmiddellijke opeisbaarheid van alle resterende betaaltermijnen als de totale achterstand minimaal een twintigste van de koopprijs bedraagt. Een losse maandtermijn is alleen onmiddellijk opeisbaar als de achterstand op die termijn minimaal een tiende bedraagt.
(...)"
Artikel 8.2.
"Bij beëindiging zoals onder meer bedoeld in artikel 8.1. of andere tussentijdse beëindiging van de Overeenkomst moet u het Voertuig binnen 24 uur voor eigen rekening en risico
compleet, met de gehele uitrusting, in goede staat en vrij van schade afleveren op een door Kredietaanbieder aangegeven adres in Nederland. Kredietaanbieder heeft ook het recht het
Voertuig meteen zelf in te (laten) nemen. U bent aansprakelijk voor alle kosten die hierdoor worden veroorzaakt, zoals onder meer de kosten van de terugneming, opslag, taxatie, het
transport van het Voertuig, de eventuele kosten van achterstallig onderhoud en/of herstel van schade."
Artikel 8.3.
"Na ontbinding of tussentijdse beëindiging verkoopt Kredietaanbieder het Voertuig. De netto-opbrengst wordt verrekend met het totale verschuldigde bedrag zoals genoemd in artikel 8.1. Als dit niet voldoende is, moet u het tekort aan Kredietaanbieder betalen. Kredietaanbieder is niet verplicht om u te informeren over de verkoop.”
6.1.4.
In de loop van het hoger beroep zijn meer feiten tussen partijen komen vast te staan. Deze feiten zullen hierna bij de beoordeling door het hof worden besproken.
Procesverloop
7.1.
BMW vorderde in eerste aanleg, samengevat, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. de huurkoopovereenkomst te ontbinden;
2. [appellant] te veroordelen om de Dodge aan BMW af te geven, op straffe van een dwangsom;
3. [appellant] te veroordelen om aan BMW te betalen een bedrag van € 39.415,24, vermeerderd met de rente ad 13% per jaar daarover vanaf 22 februari 2021, tot aan de dag van algehele voldoening;
4. [appellant] te veroordelen in de proceskosten.
7.2.
BMW heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem op grond van de overeenkomst rustende betalingsverplichtingen. BMW beroept zich op de gevolgen daarvan die uit de overeenkomst met bijbehorende algemene voorwaarden voortvloeien.
7.3.
[appellant] heeft verweer gevoerd.
7.4.
In het tussenvonnis van 4 mei 2022 heeft de kantonrechter beslist BMW toe te laten tot het leveren van tegenbewijs tegen het door de kantonrechter voorshands bewezen geachte feit dat de in 4.4. van dat vonnis genoemde bedragen (hof: waarvan [appellant] stelt dat die aan BMW zijn betaald) zijn bijgeschreven op het in het vonnis genoemde rekeningnummer van BMW bij [bank A] .
7.4.
In het eindvonnis van 21 december 2022 heeft de kantonrechter overwogen dat BMW in het leveren van tegenbewijs is geslaagd en dat dit meebrengt dat de door [appellant] gestelde betalingen niet vast zijn komen te staan. Vervolgens heeft de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de overeenkomst tussen partijen ontbonden, [appellant] veroordeeld tot teruggave van de Dodge op straffe van verbeurte van een dwangsom, [appellant] veroordeeld tot betaling aan BMW van een bedrag van € 35.422,69 vermeerderd met de contractuele rente van 13% per jaar over € 29.104,44 vanaf 12 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
Procesverloop
7.5.
[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis van 21 december 2022. [appellant] heeft voorts, samengevat, gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- BMW te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 48.443,76, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
- BMW te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 10.000,00 als vergoeding voor geleden schade;
- tot verstrekking van alle jaaropgaves aan [appellant] binnen veertien dagen na betekening van het arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00;
- BMW te veroordelen in de proceskosten met wettelijke rente in eerste aanleg en in hoger beroep;
- dan wel anderszins een zodanige uitspraak te doen in goede justitie te bepalen.
7.6.
BMW heeft de grieven bestreden en, samengevat, geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 21 december 2022, behoudens ten aanzien van de beslissing over de proceskosten en met dien verstande dat de veilingopbrengst van de Dodge ad € 26.237,00 in mindering kan strekken op de toegewezen som. BMW heeft bij wijze van vermeerdering van eis gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] te veroordelen (primair) in de reële proceskosten van beide instanties ad € 11.042,00 dan wel een door het hof te begroten bedrag, dan wel een bedrag op te maken bij staat en te vereffenen volgens wet, dan wel met
veroordeling van [appellant] in proceskosten van beide instanties volgens de gebruikelijke liquidatietarieven, alsmede primair en (meer)/(meer meer) subsidiair alle griffierechten, kosten van de deurwaarder en nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2024 tot de dag van voldoening.
7.7.
Het hof overweegt naar aanleiding van de door [appellant] in zijn memorie van grieven geformuleerde vordering als volgt. Het hof maakt uit de memorie van [appellant] op dat [appellant] meent dat de herstelfunctie van het hoger beroep het ook mogelijk maakt voor het eerst in hoger beroep een vordering in reconventie in te stellen. Op grond van artikel 137 Rv dient een eis in reconventie dadelijk bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg te worden ingediend. Uit artikel 353 lid 1 Rv jo artikel 137 Rv volgt dat het niet mogelijk is voor het eerst in hoger beroep een eis in reconventie in te stellen. Het hof zal [appellant] niet ontvankelijk verklaren in deze vordering.
7.8.
Tegen de eiswijziging van BMW zijn geen processuele bezwaren aangevoerd en het hof acht ook ambtshalve geen strijd met de goede procesorde aanwezig, zodat het hof recht zal doen op de gewijzigde eis van BMW.
7.9.
[appellant] voert in zijn grieven, samengevat, het volgende aan. Alle verschuldigde termijnbedragen zijn betaald (grief 1). Voor zover het hof niet met [appellant] vaststelt dat alle verschuldigde termijnbetalingen zijn betaald, dient [appellant] gelet op zijn gespecificeerde bewijsaanbod te worden toegelaten tot bewijslevering (grief 2). De verkoopopbrengst van de Dodge dient in mindering te worden gebracht op de vordering van BMW, waarbij de vordering dient te worden berekend conform de berekeningen van [appellant] en met inachtneming van de waarde van de Dodge die [appellant] noemt (grief 3), nader berekend in de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep en in de antwoordakte van [appellant] . [appellant] heeft de algemene voorwaarden van BMW nooit ontvangen. Hij vernietigt deze voorwaarden om die reden. [appellant] is een kleine zelfstandige aan wie daarom een beroep toekomt op dezelfde bescherming tegen onredelijk bezwarende algemene voorwaarden als die welke aan consumenten toekomt. De voorwaarde met betrekking tot de in rekening te brengen rente is onredelijk bezwarend. Het beroep op een opslag van 5% rente is bovendien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (grief 4).
7.10.
Het hof constateert dat [appellant] in zijn memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep alsnog erkent dat hij de door BMW becijferde hoofdsom ten bedrage van € 29.104,44 onbetaald heeft gelaten. Daarmee erkent [appellant] dat hij geen andere dan de door BMW erkende termijnbetalingen heeft verricht. Het gevolg hiervan is dat grief 1 faalt. Bewijslevering van gestelde verrichte betalingen is dan ook niet meer aan de orde, zodat ook grief 2 faalt.
7.11.
Het gevolg van het onbetaald laten van maandtermijnen zoals hier aan de orde brengt mee dat toepassing van de hierboven onder de feiten weergegeven bepalingen van de algemene voorwaarden aan de orde is, tenzij het beroep op vernietiging van die voorwaarden door [appellant] slaagt. Het hof overweegt het volgende. De overeenkomst tussen partijen is een onderhandse akte. Op grond van artikel 157, lid 2 Rv levert een dergelijke akte dwingend bewijs op van wat tussen partijen is verklaard. De overeenkomst vermeldt in artikel 3.2. dat [appellant] de algemene voorwaarden heeft ontvangen. Nadat BMW in haar memorie van antwoord hierop heeft gewezen, is [appellant] op dit punt in zijn processtukken niet nader ingegaan. In het bijzonder heeft hij geen aanbod gedaan tegenbewijs te leveren tegen het in artikel 3.2. vermelde. Dat was in hoger beroep wel van hem te vergen. Het gevolg hiervan is dat het hof op grond van artikel 3.2. van de overeenkomst vaststelt dat [appellant] de algemene voorwaarden heeft ontvangen. Dit onderdeel van grief 4 faalt dan ook.
7.12.
Het hof begrijpt naar aanleiding van de toelichting van grief 4 dat [appellant] zich beroept op de bescherming tegen oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten zoals die is voorgeschreven in Richtlijn 93/13/EEG. [appellant] voert aan dat hij als kleine zelfstandig ondernemer zonder personeel dezelfde bescherming verdient als een consument. Het hof deelt dit standpunt niet en overweegt daartoe het volgende. Met Richtlijn 93/13/EEG worden consumenten in de Europese Unie beschermd tegen oneerlijke bedingen en voorwaarden die kunnen zijn opgenomen in standaardovereenkomsten voor goederen en diensten die zij kopen. Daarbij wordt als consument aangemerkt ‘iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen'. [appellant] voldoet niet aan deze definitie van ‘consument’ nu hij de overeenkomst heeft gesloten onder de naam ‘ [XX] Motorhandel en Accessoires’. [appellant] exploiteert een Motorhandel en de Dodge is gefinancierd ten behoeve van zakelijk gebruik in zijn bedrijf, getuige zijn stelling dat hij de Dodge voornamelijk gebruikte om met een aanhanger machines te vervoeren. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat [appellant] kan worden gelijkgesteld met een consument als bedoeld in Richtlijn 93/13/EEG en bestaat ook geen grond voor toepassing van reflexwerking van die Richtlijn. Het beroep hierop zal daarom worden afgewezen. [appellant] heeft voorts nog aangevoerd dat het in rekening brengen van een opslag van 5% op de rente, zoals bepaald in artikel 5.5 van de algemene voorwaarden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans heeft hij het hof verzocht deze opslag te matigen. [appellant] heeft ter motivering hiervan erop gewezen dat hij zowel de auto moet teruggeven als de volledige openstaande som moet betalen, hetgeen dubbelop is. Het hof overweegt dat op de te betalen som de verkoopopbrengst van de Dodge in mindering komt, hetgeen de motivering van [appellant] onjuist maakt. Wanneer een ondernemer een renteopslag van 5% in geval van wanprestatie overeenkomt, acht het hof dit niet onredelijk bezwarend als bedoeld in artikel 6:233 BW. Voor matiging ziet het hof gelet op het voorgaande evenmin aanleiding. Grief 4 faalt.
7.13.
Het hof constateert dat [appellant] , laatstelijk in zijn antwoordakte, berekeningen maakt van de hoogte van zijn betalingsverplichting jegens BMW.
Procesverloop
Het hof begrijpt dat [appellant] met grief 3 de berekening van de kantonrechter in zijn geheel in hoger beroep aan de orde stelt. Het hof overweegt dat de berekening van de op grond van de overeenkomst door [appellant] te betalen som dient te worden gemaakt met inachtneming van de hierboven weergegeven bepalingen van de algemene voorwaarden. Uit artikel 8.3. volgt dat de netto-opbrengst van de verkoop van de Dodge wordt verrekend met het totale verschuldigde bedrag zoals genoemd in artikel 8.1. Dit laatste bedrag is op grond van artikel 8.1. het totale aan Kredietaanbieder verschuldigde bedrag, vermeerderd met rente en kosten als bedoeld in de artikelen 5.5. en 5.6. en vergoeding voor schade. Wat betreft de kosten heeft de kantonrechter overwogen dat deze slechts tot een bedrag van € 1.289,91 voor toewijzing in aanmerking komen, welke beslissing niet is bestreden. Nu [appellant] in strijd met artikel 8.3. de verkoopopbrengst eerst in mindering brengt op de verschuldigde hoofdsom exclusief rente onderschrijft het hof zijn berekening niet.
7.14.
[appellant] voert aan dat de waarde van de Dodge € 48.339,50 inclusief btw (volgens [appellant] de waarde volgens "een erkende RAM Dealer") dan wel € 43.500,00 inclusief btw (het bedrag waarvoor een soortgelijke Dodge te koop stond), dan wel een ander door het hof naar aanleiding van de door [appellant] overlegde informatie te bepalen bedrag bedraagt. [appellant] heeft zijn standpunt onderbouwd met een verklaring van [bedrijf A] en met advertenties waarin diverse Dodges uit 2015 te koop worden aangeboden. BMW heeft weersproken dat de door [appellant] genoemde waarden reële met een daadwerkelijke verkoop te verkrijgen waarden zijn. BMW betoogt dat de Dodge bij BCA Auctions na inname is getaxeerd door een onafhankelijke expert die blijkens zijn taxatierapport een onderhandse verkoopwaarde van ruim € 24.000,00 exclusief btw en een executiewaarde van ruim € 20.000,00 heeft vastgesteld. BMW heeft voorts aangevoerd dat bij een veiling een voertuig in de staat waarin deze zich bevindt (zonder garantie) wordt verkocht aan de hoogste bieder en dat een veiling de geëigende weg is om teruggenomen leaseobjecten te gelde te maken. BMW is een financiële instelling en heeft geen handelsvoorraad om voertuigen in op te nemen, geen middelen om garantie te verlenen en ook geen showroom met personeel om dit soort teruggenomen auto’s neer te zetten en af te wachten of zich een koper meldt die bereid is om de spreekwoordelijke hoofdprijs te gaan betalen. Het hof overweegt dat de overeenkomst en de algemene voorwaarden geen aanknopingspunten bieden om de door BMW gevolgde verkoopwijze via BCA Auctions niet toelaatbaar te achten. Met een veilingverkoop is een spoedige verkoop te realiseren, hetgeen ook in het belang van [appellant] is gelet op de lopende contractuele rente. [appellant] heeft het hof met de door hem overgelegde verklaring en producties geen aanknopingspunten gegeven de gerealiseerde verkoopprijs onredelijk laag te achten. Dat zou anders kunnen zijn indien [appellant] bijvoorbeeld een onafhankelijke taxatie of op een veiling gerealiseerde verkoopopbrengsten had overgelegd, maar dat is niet het geval.
7.15.
Het hof constateert dat BCA Auctions op 27 oktober 2023 aan BMW heeft bericht dat na de veilingverkoop een bedrag van € 26.237,00 aan BMW toekomt. Het hof overweegt dat de datum waarop de verkoopopbrengst wordt gerealiseerd de datum is waarop de verrekening als bedoeld in artikel 8.3. van de algemene voorwaarden plaatsvindt. Dat zou anders zijn indien de verkoop, anders dan door omstandigheden die aan [appellant] zijn toe te rekenen, door BMW met aanmerkelijke vertraging zou hebben plaatsgehad. Dat is hier niet het geval nu [appellant] de Dodge zelf pas laat aan BMW ter beschikking heeft gesteld. Het voorgaande brengt mee dat grief 3 slaagt in die zin dat de verkoopopbrengst voor verrekening in aanmerking komt en voor het overige faalt.
7.16.
De slotsom is dat [appellant] aan BMW het volgende verschuldigd is:
€ 29.104,44 (krediet € 36.252,00 + kredietvergoeding € 7.915,24 + kosten AVS € 116,00 - betalingen € 15.178,80)
€ 5.028,34+ contractuele rente tot en met 11 maart 2021
€ 1.289,91+ buitengerechtelijke kosten
€ 35.422,69 (de optelsom zoals vermeld in de beslissing van de kantonrechter)
[appellant] is daarnaast verschuldigd de contractuele rente van 13% per jaar over € 29.104,44 vanaf 12 maart 2021 (zoals vermeld in de beslissing van de kantonrechter).
De op grond van het voorgaande per 27 oktober 2023 verschuldigde som dient per die datum te worden verminderd met de verkoopopbrengst van € 26.237,00. Over het alsdan resterende bedrag is [appellant] vervolgens de contractuele rente verschuldigd van 13% per jaar tot de dag van algehele betaling.
7.17.
Uit de voorgaande beoordeling volgt dat de grieven van [appellant] nagenoeg geheel falen. Het gevolg van de procedure in hoger beroep is dat het hof het door [appellant] aan BMW te betalen bedrag enigszins anders zal formuleren dan de rechtbank heeft gedaan en dit onderdeel van de beslissing daarom zal vernietigen. [appellant] is als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij aan te merken.
7.18.
Aan de orde is nu naar aanleiding van de vermeerderde vordering van BMW of [appellant] in eerste aanleg en in hoger beroep de werkelijke proceskosten van BMW dient te betalen. BMW heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft veel schade berokkend door zijn frauduleuze handelwijze, die blijkt uit de door BMW overgelegde verklaringen van [bank B] over de door [appellant] overgelegde ‘bankafschriften’ en ‘verklaringen’ van medewerkers van [bank B] . Het was geen sinecure om de enorme hoeveelheid vervalste stukken die door [appellant] is geproduceerd te analyseren en om [appellant] te ontmaskeren. Blijkens het tussenvonnis van 4 mei 2022 heeft [appellant] aanvankelijk frauduleus de kantonrechter om de tuin weten te leiden en het gevolg was een slepende procedure die BMW een vermogen aan jurist- en advocaaturen heeft gekost. Doordat [appellant] verweer heeft gevoerd door het overleggen van vervalste stukken heeft hij misbruik van procesrecht gemaakt en hij had dat verweer, waarvan hij wist of behoorde te weten dat dit ongegrond was, in verband met de betrokken belangen van BMW achterwege moeten laten. De kosten zijn extreem opgelopen doordat [appellant] welbewust en te kwader trouw (frauduleus) heeft geopereerd. BMW meent dat er goede redenen zijn om geen forfaitaire maar een reële proceskostenveroordeling uit te spreken. Als productie 13 legt BMW een specificatie over van alle uren die er aan deze zaak zijn besteed, inclusief een raming van de kosten daarvan. BMW vermeerdert ter zake haar vordering met een bedrag van € 11.042,00 inclusief btw nu BMW niet btw-plichtig is en de btw niet kan verrekenen.
7.19.
[appellant] heeft als verweer het volgende aangevoerd. [appellant] betwist dat hij frauduleus heeft gehandeld. Hij heeft alleen de stukken ingediend die hij van zijn zoon en schoondochter heeft ontvangen. Hij ging ook van de juistheid uit en had geen reden om eraan te twijfelen dat deze stukken niet echt zouden zijn. Nog steeds vindt [appellant] het moeilijk te geloven dat dit niet het geval zou zijn, doch kiest hij - gelet op de stand van de procedure - ervoor om de hoofdsom (zonder rente) te erkennen. [appellant] is daardoor zelf ook slachtoffer. Immers heeft hij geen vordering meer, althans moet hij BMW alsnog (deels) betalen én heeft hij zijn advocaat zelf moeten bekostigen (tegen uurtarief) en lopen die kosten alleen maar verder op.
Procesverloop
[appellant] verzoekt het hof dan ook met deze schrijnende situatie rekening te houden en de daadwerkelijke proceskostenveroordeling in ieder geval niet toe te wijzen.
7.20.
Het hof overweegt dat met de door BMW als producties 9 en 10 in hoger beroep overgelegde informatie van (de fraudeafdeling van) [bank B] wordt bevestigd dat de als van [bank B] afkomstig gepresenteerde stukken vervalst zijn. De vervalsing staat op grond van de in eerste aanleg en in hoger beroep door BMW overlegde stukken vast. Het hof onderschrijft het verwijt van BMW aan [appellant] , inhoudende dat [appellant] misbruik van procesrecht heeft gemaakt door verweer tegen de vordering van BMW te voeren door middel van het overleggen van vervalste stukken. Het hof verwijt [appellant] specifiek in strijd te hebben gehandeld met het bepaalde in artikel 21 Rv. Dit artikel bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van de rechter van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Het is van wezenlijk belang dat een beslissing van een rechter is gebaseerd op de waarheid, op feiten en omstandigheden die zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. Artikel 21 Rv brengt voor deze zaak onder andere mee dat op de rechtzoekende, [appellant] , - en ook op de advocaat - de plicht rust zich in te spannen opdat bewijsstukken die hij aan de rechter voorlegt echt en onvervalst zijn en op waarheid berusten. [appellant] heeft aan deze plicht niet voldaan. Daartoe overweegt het hof het volgende.
7.21.
[appellant] is de partij die met BMW de huurkoopovereenkomst heeft gesloten en op grond daarvan betalingsverplichtingen heeft. BMW heeft [appellant] al drie jaar voor de dagvaarding in eerste aanleg aangeschreven en hem aangemaand de op dat moment, te weten op 18 mei 2018, openstaande schuld van € 3.794,70 te voldoen. Volgens [appellant] zou er geen betalingsachterstand zijn. In de dagvaarding in eerste aanleg heeft BMW toegelicht dat zij haar bank, [bank A] , naar aanleiding van door [appellant] als betaalbewijzen gepresenteerde stukken een onderzoek heeft laten instellen. Uit de berichten van [bank A] aan BMW (productie 5 bij dagvaarding) blijkt dat BMW vermoedt dat de betaalbewijzen ‘geknutseld’ zijn, dat [bank A] meldt de beweerdelijke betalingen niet te hebben ontvangen, terwijl enkele betalingen wel zijn ontvangen, dat geen sprake is van ‘buitenlandbetalingen’ en dat [bank B] geen navraag bij [bank A] heeft gedaan of beweerdelijke betalingen zijn ontvangen. Deze omstandigheden moesten bij [appellant] , die zich er terdege van bewust was dat BWM de ontvangst van de beweerdelijke betalingen bleef betwisten ondanks de door zijn zoon en schoondochter aangeleverde stukken, vragen oproepen over het waarheidsgehalte van die stukken. Gelet daarop mocht van [appellant] als procespartij worden verwacht dat hij zélf in ieder geval na de dagvaarding in eerste aanleg onderzoek zou verrichten, of door zijn advocaat zou laten verrichten, bij in eerste instantie [bank A] en vervolgens ook bij [bank B] , naar de betalingen en dat hij niet klakkeloos zou blijven varen op de informatie van zijn zoon- en schoondochter. [appellant] is de procespartij, híj is verantwoordelijk voor de door hem ingenomen stellingen en ingebrachte producties en hij kan onder die omstandigheden niet achterover leunen en zich verschuilen achter zijn zoon en schoondochter, zonder zelf nader onderzoek te doen. Wanneer [appellant] het van hem te vergen onderzoek had verricht, hetgeen BMW nu op meerdere momenten in de procedure heeft gedaan, was hem aanstonds na de dagvaarding in eerste aanleg duidelijk geworden dat de inhoud van de door hem aan BMW gepresenteerde stukken in strijd met de waarheid is. Alsdan had [appellant] zijn verweer moeten staken en moeten afzien van verder procederen. Nu [appellant] dit alles niet heeft gedaan heeft hij in strijd met artikel 21 Rv gehandeld. Het hof verbindt daaraan het gevolg dat [appellant] de na de dagvaarding in eerste aanleg door BMW werkelijk gemaakte proceskosten aan BMW dient te vergoeden. Het hof begroot die kosten op grond van productie 13 van BMW op een bedrag van € 10.242,00 (€ 11.042,00 - € 800,00). Daarnaast dient [appellant] het door BMW betaalde griffierecht van € 2.135,00 te betalen. De totale kosten in hoger beroep worden begroot op een bedrag van € 13.377,00. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter over de proceskosten vernietigen en opnieuw recht doen.
8.1.
De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
verklaart [appellant] in zijn in hoger beroep geformuleerde vordering jegens [appellant] niet-ontvankelijk;
vernietigt het bestreden vonnis van 13 juni 2023 voor zover [appellant] is veroordeeld tot betaling aan BMW van een bedrag van € 35.422,69 vermeerderd met de contractuele rente van 13% per jaar over € 29.104,44 vanaf 12 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening en voor zover [appellant] is veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 2.371,72;
en, in zoverre opnieuw recht doende:
veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan BMW te betalen een bedrag gebaseerd op de volgende berekening:
€ 35.422,69, vermeerderd met de contractuele rente van 13% per jaar over € 29.104,44 vanaf 12 maart 2021 tot 27 oktober 2023,
minus een bedrag van € 26.237,00,
te vermeerderen met de contractuele rente van 13% per jaar vanaf 27 oktober 2023 tot de dag van algehele betaling;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van € 13.377,00, te betalen na heden. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aangevochten, voor het overige;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, F.C. Alink-Steinberg en J.K.B. van Daalen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 maart 2025.
griffier rolraadsheer