Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:713
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
5,922 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.323.308/01
arrest van 18 maart 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
hierna aan te duiden als vader,
2. [appellant sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
hierna aan te duiden als zoon,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.C.J. Houben te Eindhoven,
tegen
Stichting [XX] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [XX] ,
advocaat: mr. F.P.G.F. de Moel te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 mei 2023 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 9502297 21-6414 gewezen vonnis van 17 november 2022.
5Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 9 mei 2023 waarbij het hof een mondeling behandeling na aanbrengen heeft gelast;
het proces-verbaal van mondeling behandeling van 25 juli 2023;
de memorie van grieven van vader en zoon;
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met akte eiswijziging en producties van [XX] ;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens antwoordakte eiswijziging, van vader en zoon;
de op 11 februari 2025 gehouden mondeling behandeling, waarbij beide partijen spreeknotities hebben overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De samenvatting
6.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of zoon in de woning van vader mag blijven wonen wanneer vader komt te overlijden. Vader huurt de woning al vanaf 1985 van [XX] . Vader heeft inmiddels een hoge leeftijd. Vader en zoon bewonen samen de woning. Zij hebben [XX] verzocht om zoon het medehuurderschap toe te kennen. [XX] heeft dat geweigerd. [XX] wil een eerlijke verdeling van haar woningvoorraad. Zij vindt dat zoon onterecht in de woning woont en de wachtlijst probeert te omzeilen. Vader had toestemming aan haar moeten vragen om zoon bij hem te laten wonen. Die toestemming heeft vader niet gevraagd. Daarom vindt [XX] dat de huurovereenkomst ontbonden moet worden. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst niet ontbonden. De kantonrechter heeft de vordering van vader en zoon om het medehuurderschap aan zoon toe te kennen, afgewezen. Het hof is van oordeel dat dit laatste oordeel onjuist was en dat zoon wel recht heeft op medehuurderschap.
Feiten
6.2.
Grief 1 van vader en zoon heeft betrekking op de feitenvaststelling in het bestreden vonnis. Het hof zal zelf vaststellen van welke feiten moet worden uitgegaan. Om die reden hoeft deze grief verder niet besproken te worden. Het hof gaat uit van de volgende feiten.
6.2.1.
[XX] verhuurt sinds 16 juli 1985 aan vader de woning aan [adres A] . Het betreft een eengezinswoning met drie slaapkamers.
6.2.2.
Zoon staat vanaf 16 november 1993 ingeschreven op het adres van het gehuurde.
6.2.3.
Op 1 april 2021 hebben vader en zoon een verzoek gedaan aan [XX] om zoon het medehuurderschap te geven. [XX] heeft naar aanleiding van dat verzoek onderzoek gedaan. Toen is gebleken dat op het adres van het gehuurde niet alleen vader, moeder (waarvan later bleek dat zij was overleden) en zoon stonden ingeschreven, maar ook [persoon A] en [persoon B] (twee andere zonen) en [persoon C] (een kleinzoon). [XX] heeft vervolgens afwijzend beslist op het verzoek.
De wijze waarop de procedure bij de kantonrechter is verlopen
6.3.1.
Zoals hiervoor al is vermeld, heeft [XX] geconstateerd dat in de woning niet alleen vader en zoon woonden, maar ook twee andere zonen en een kleinzoon. [XX] heeft al deze personen gedagvaard. Zij heeft gevorderd dat de huurovereenkomst met vader zou worden ontbonden en dat de woning zou worden ontruimd. Zij heeft meerdere vorderingen geformuleerd, zowel tegen vader en zoon, als tegen de andere zonen en de kleinzoon.
6.3.2.
Vader en zoon hebben zich verweerd en zij hebben in reactie daarop (als vordering in reconventie) het medehuurderschap gevorderd. De andere zonen en de kleinzoon zijn niet in de procedure verschenen.
6.3.3.
De kantonrechter heeft tegen de andere zonen en de kleinzoon verstek verleend. Zij zijn veroordeeld tot ontruiming van de woning (voor zover dat nog nodig was). Zij hebben inmiddels allemaal de woning verlaten. Zij zijn geen partij in dit hoger beroep.
6.3.4.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat zoon geen recht heeft op medehuurderschap.
Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat vader is tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, omdat hij [XX] nooit om toestemming heeft gevraagd voor het in huis nemen van zijn zonen en kleinzoon. Dat had wel gemoeten, want dat stond in het huurreglement dat op de huurovereenkomst van toepassing was verklaard. De kantonrechter was echter van oordeel dat de vordering was verjaard voor zover het zag op het laten inwonen van zoon (en de andere zonen), omdat zoon al meer dan 20 jaar bij vader woonde. Voor wat betreft de kleinzoon was die vordering volgens de kantonrechter nog niet verjaard, maar die tekortkoming rechtvaardigde volgens de kantonrechter niet de ontbinding. Kortom, de kantonrechter heeft de vorderingen om de huurovereenkomst te ontbinden en om vader en zoon te veroordelen de woning te ontruimen, afgewezen.
De vorderingen in hoger beroep
6.4.1.
Vader en zoon willen met het hoger beroep bereiken dat zoon alsnog het medehuurderschap verkrijgt. Zij hebben (samengevat) gevorderd dat het hof het vonnis vernietigt en alsnog voor recht verklaart dat zoon medehuurder is van de woning.
6.4.2.
[XX] heeft haar eis in hoger beroep gewijzigd. Zij heeft haar vordering tot ontruiming van de woning door vader niet langer gehandhaafd. Zij heeft daarover opgemerkt dat het niet haar bedoeling is om een oudere, kwetsbare en hulpbehoevende man op straat te zetten. [XX] wil echter voorkomen dat de woning na het overlijden van vader bewoond kan blijven door de familie [appellanten] , meer in het bijzonder door zoon (en zijn gezin). De gewijzigde vorderingen van [XX] komen (samengevat) neer op het volgende:
primair:
1. ontbinding van de huurovereenkomst met vader;
2. veroordeling van zoon om de woning te ontruimen binnen twee maanden na het overlijden van vader;
subsidiair:
3. veroordeling van zoon op grond van onrechtmatige bewoning om het gehuurde binnen twee maanden na het overlijden van vader te ontruimen;
primair en subsidiair:
4. veroordeling van vader en zoon in de proceskosten.
Het medehuurderschap (het principaal hoger beroep van vader en zoon)
6.5.1.
De kantonrechter heeft over de vordering van vader en zoon om te bepalen dat zoon medehuurder zal zijn, het volgende overwogen:
Vaststaat dat [appellant sub 2] al meer dan twee jaar zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde, zodat voor de toepassing van art. 7:267 BW in dit geval uitsluitend van belang is of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] .
Hoewel in het algemeen de samenlevingsrelatie tussen ouders en kinderen als een aflopende samenlevingsrelatie moet worden aangemerkt, is niet uitgesloten dat volwassen kinderen die na hun jeugd uit huis zijn gegaan en zelfstandig hebben gewoond, op een gegeven moment weer bij hun ouders of ouder intrekken en daarmee een gemeenschappelijke huishouding kunnen hebben (ECLI:NL:HR:2014:93). De vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding moet volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval in onderling verband.
Ook het hof zal dit tot uitgangspunt nemen.
Verder heeft de kantonrechter hierover overwogen:
Tussen partijen staat vast, dat [appellant sub 2] vóór 16 november 1993 enkele jaren elders heeft gewoond, maar vanaf die datum onafgebroken heeft gewoond op het adres van het gehuurde en daar ook ingeschreven staat. Op dat moment waren zijn ouders relatief jong en niet zorgbehoevend. Sinds vader [appellant sub 1] in 2001 een beroerte heeft gehad, zorgt [appellant sub 2] voor hem en later ook voor zijn moeder toen zij ook gezondheidsklachten kreeg. Moeder is begin 2021 overleden.
Door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is onweersproken gesteld, dat zij dagelijks (voor zover de gezondheidstoestand van vader dat toelaat) gezamenlijk dingen ondernemen, zoals koken, boodschappen doen e.d. en dat beiden evenredig bijdragen aan de financiële lasten van het huishouden. Zij hebben een gemeenschappelijke rekening waarvan boodschappen, huur en andere vaste lasten worden betaald. Anders dan [XX] heeft gesteld, kan uit het feit dat aan [appellant sub 1] een persoonsgebonden budget is toegekend niet worden afgeleid, dat geen sprake kan zijn van een gemeenschappelijke huishouding.
Vader en zoon hebben tijdens de mondelinge behandeling bepleit dat ook het hof van deze omstandigheden moet uitgaan, omdat [XX] daar geen grieven tegen heeft aangevoerd. Dat acht het hof niet juist. [XX] hoefde geen grieven tegen deze overwegingen te richten, omdat de vordering is afgewezen. Niettemin zal ook het hof van deze omstandigheden uitgaan. [XX] heeft deze omstandigheden namelijk niet betwist.
Het hof zal daarbij ook meewegen dat zoon (onbetwist) heeft verklaard dat hij op jonge leeftijd uit huis is gegaan (hij had ruzie met vader over school), maar dat dit slechts voor korte tijd was. Hij heeft toen bij een familielid gewoond. Zoon is in 1993 weer bij vader en moeder gaan wonen. Hij was toen 22 jaar oud. Zoon is al die tijd bij de ouders blijven wonen, ook toen hij een kind kreeg. De relatie met de moeder van zijn kind was afwisselend wel en niet goed. Later heeft zoon nog een kind met haar gekregen.
Feiten
Er waren meerdere redenen voor zoon om al die tijd bij de ouders te blijven wonen: de relatie met de moeder van zijn kinderen was niet stabiel, hij kreeg te maken met een faillissement, vader kreeg een beroerte en ook met zijn moeders gezondheid ging het niet goed.
6.5.2.
De kantonrechter heeft verder overwogen:
Een doorslaggevende contra-indicatie voor het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding is echter de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet betwiste omstandigheid, dat laatstgenoemde zich ruim twee jaar geleden bij [XX] heeft ingeschreven als woningzoekende voor een woning die geschikt is voor een huishouden van drie personen (één volwassene en twee kinderen met respectievelijk geboortedatum [geboortedatum A] en [geboortedatum B] ). Daarbij is het jaarinkomen opgegeven van € 47.597,00 hetgeen te hoog is om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. Op grond van deze inschrijving kan de voor een duurzame en gemeenschappelijke huishouding vereiste wederkerigheid sterk worden betwijfeld en moet worden aangenomen dat de vordering van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kennelijk slechts de strekking heeft om laatstgenoemde na het overlijden van [appellant sub 1] de positie van huurder te verschaffen.
Vader en zoon hebben in hun toelichting op grief 2 aangevoerd dat zoon zich als woningzoekende heeft aangemeld om de volgende reden. Zoon heeft gelet op het overlijden van moeder en de (toen al) fragiele gezondheidstoestand van vader bij [XX] geïnformeerd naar de mogelijkheden om in het gehuurde te blijven. Daarop heeft [XX] volgens zoon aangegeven dat hij in de woning mocht blijven zo lang vader zou leven, maar daarna niet meer en dat hij alleen in aanmerking kon komen voor een woning van [XX] wanneer hij zich zou inschrijven als woningzoekende. Deze informatie is telefonisch gegeven. Vader en zoon hebben aangevoerd dat zij niet op de hoogte waren van de mogelijkheid om een verzoek te doen om medehuurder te worden. Zoon was in de veronderstelling dat dit de enige manier was om een dak boven zijn hoofd te behouden mocht er ooit wat met vader gebeuren. Volgens zoon was de aanmelding dus niet ingegeven vanuit de door de kantonrechter foutief veronderstelde wens om de duurzame gemeenschappelijke huishouding niet voort te zetten. Dat was ook niet logisch omdat juist in die periode vader steeds zorgbehoevender werd en de intensiteit van de verzorging door zoon toenam, hetgeen alleen mogelijk was door samen te wonen. Zoon wist dat er lange wachtlijsten zijn om voor een woning in aanmerking te komen.
6.5.3.
Het hof is van oordeel dat deze grief slaagt. Het hof acht dit standpunt van vader en zoon aannemelijk. [XX] heeft beaamd dat er lange wachtlijsten zijn (dat is juist een van de redenen waarom zij niet wil meewerken aan het medehuurderschap). Gelet daarop ligt het voor de hand dat zoon zich zorgen maakte over de vraag of hij nog wel een woning zou hebben als vader zou komen te overlijden. Uit het standpunt van [XX] valt niet af te leiden dat het niet mogelijk is geweest of dat onaannemelijk is dat zoon de telefonische informatie heeft gekregen die hij zegt te hebben gehad. Nog sterker: [XX] geeft aan dat de informatie klopt en als zodanig aan zoon gezegd zou kunnen zijn. Daarbij komt dat zoon toen al heel erg lang bij de ouders had gewoond. Los daarvan hebben vader en zoon er terecht op gewezen dat, als er al uit afgeleid zou kunnen worden dat er een plan bestond om het samenwonen te beëindigen, dat nog niet meebrengt dat niet meer kan worden gesproken van een gemeenschappelijke huishouding (HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2193).
6.5.4.
Vader en zoon hebben in hun toelichting op grief 2 ook nog aangevoerd dat onnavolgbaar is dat de kantonrechter heeft overwogen dat het feit dat het jaarinkomen van zoon te hoog is om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning een omstandigheid is die maakt dat géén sprake is van een duurzame gezamenlijke huishouding.
6.5.5.
De kantonrechter heeft overwogen dat het feit dat bij zijn inschrijving als woningzoekende zoon een jaarinkomen van € 47.597,00 heeft opgegeven, reden geeft om de wederkerigheid in de gemeenschappelijke huishouding te betwijfelen en doet vermoeden dat de aanvraag voor het medehuurderschap kennelijk slechts de strekking heeft om hem de positie van huurder te verschaffen. Het hof is van oordeel dat ook dit onderdeel van de grief slaagt. De hoogte van het inkomen van degene die het medehuurderschap aanvraagt is in beginsel niet van invloed op de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, terwijl in dit geval ook nog is gebleken dat het opgegeven jaarinkomen grotendeels bestaat uit het aan vader toegekende persoonsgebonden budget.
6.5.6.
Het hof is van oordeel dat op grond van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, moet worden geoordeeld dat vader en zoon een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben en dat er geen (althans onvoldoende) aanleiding is om te veronderstellen dat de vordering kennelijk slechts de strekking heeft zoon op korte termijn de positie van huurder te verschaffen. Vader en zoon hebben de datum van medehuurderschap niet gepreciseerd. Het hof zal doen wat de kantonrechter had moeten doen en daarom de ingangsdatum bepalen op de datum van het bestreden vonnis. De kantonrechter heeft vader en zoon ten onrechte veroordeeld in de proceskosten. Het hof zal dus het vonnis vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de vordering van vader en zoon (de vordering in reconventie) en [XX] veroordelen in de proceskosten.
Het (incidenteel) hoger beroep van [XX]
6.6.1.
Zoals hiervoor al is vermeld, heeft [XX] in hoger beroep haar eis gewijzigd. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling nog eens bevestigd dat het niet haar bedoeling is dat vader de woning moet verlaten. Hij mag tot zijn overlijden in de woning blijven wonen. Het gaat haar erom dat zoon de woning verlaat nadat vader komt te overlijden.
6.6.2.
Het hof ziet niet in welk belang [XX] nog heeft bij de beoordeling van haar grieven. [XX] wil uitsluitend de ontbinding van de huurovereenkomst om te bereiken dat zoon kan worden gedwongen tot ontruiming van de woning nadat vader zal zijn overleden. Uit het voorgaande volgt echter dat zoon niet kan worden gedwongen de woning te ontruimen wanneer vader is overleden, omdat het hof van oordeel is dat zoon recht heeft op medehuurderschap. Wanneer vader komt te overlijden zet zoon op grond van artikel 7:268 lid 1 BW de huur als huurder voort.
6.6.3.
Los van het voorgaande kan het hof [XX] sowieso niet volgen in haar standpunten om de volgende redenen.
6.6.4.
Het hof zal ervan uitgaan dat vader is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door zijn woning ook te laten bewonen door zijn kinderen en een kleinkind, terwijl hij dat niet mocht zonder toestemming van [XX] . Als het hof ervan uit zou gaan dat het oordeel van de kantonrechter over verjaring onjuist is, dan is het uitgangspunt dat vader in dit opzicht meermaals tekort is geschoten jegens [XX] . [XX] is echter niet opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat dit niet de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt gelet op de ingrijpende gevolgen daarvan. De kantonrechter heeft daarbij (terecht) betrokken dat de huurovereenkomst al zeer lange tijd duurt, vader op hoge leeftijd is en een kwetsbare gezondheid heeft en dat hij 24 uur per dag zorg nodig heeft. De kantonrechter heeft overwogen dat de kleinzoon slechts een korte periode in de woning heeft gewoond. Dat geldt niet voor zoon en ook niet voor de andere zonen. Dat neemt naar het oordeel van het hof echter niet weg dat ook die tekortkomingen de ontbinding niet rechtvaardigen.
Feiten
Het gaat in dit geval om samenwonen in familieverband. [XX] kan vinden dat de woning te klein is om met zoveel mensen te bewonen, maar daarover is nooit geklaagd (althans dat heeft [XX] niet aangevoerd) en [XX] heeft niet aangevoerd dat of waarom dat tot een probleem heeft geleid.
Verder gaat [XX] er als een vanzelfsprekendheid vanuit dat de tekortkoming van vader tot gevolg heeft dat de bewoning door zoon een onrechtmatige daad van zoon heeft opgeleverd. Waarom dat zo is, heeft [XX] in het geheel niet toegelicht. Daarvoor zal toch minimaal noodzakelijk zijn dat zoon wist dat het vader niet was toegestaan om hem zonder toestemming van [XX] de woning te laten bewonen. [XX] heeft dat niet aangevoerd en overigens acht het hof het niet aannemelijk dat zoon op de hoogte was van wat er in een bijlage bij de huurovereenkomst van vader was vermeld over dit onderwerp. Vader en zoon (en andere zonen) hebben als familieleden bij elkaar gewoond en elkaar verzorgd.
Zoals hiervoor al is overwogen, is juist voor een situatie zoals deze artikel 7:267 BW bedoeld, terwijl uit lid 2 van die bepaling volgt dat een tekortkoming als hier aan de orde (het zonder toestemming van [XX] laten inwonen van zoon) juist niet mag leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst met vader.
Het hof begrijpt dat [XX] gelet op de woningnood streng wil toezien op misbruik, maar het hof ziet niet in waarom daar in dit geval sprake van zou zijn.
6.6.5.
Kortom, het hoger beroep van [XX] faalt om meerdere (los van elkaar staande) redenen. Het hof ziet dus geen reden om het in conventie gewezen vonnis te vernietigen. Het hof ziet ook geen reden om de gewijzigde vorderingen toe te wijzen. Het hof zal [XX] veroordelen in de proceskosten van het (incidenteel) hoger beroep.
De slotsom
6.7.1.
De slotsom is dat het hoger beroep van vader en zoon slaagt en dat het hoger beroep van [XX] faalt. Het hof zal het vonnis vernietigen voor zover dat in reconventie is gewezen en de vordering van vader en zoon alsnog toewijzen, met veroordeling van [XX] in de proceskosten van vader en zoon in reconventie in eerste aanleg.
6.7.2.
Het hof zal [XX] veroordelen in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep.
De kosten voor de procedure in het principaal en incidenteel hoger beroep aan de zijde van vader en zoon zullen worden vastgesteld op
explootkosten € 132,29
griffierecht € 343,-
salaris advocaat € 3.642,- (2 punten x tarief II en 2 x de helft van tarief II voor het incidenteel hoger beroep)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.295,29,-
7De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in reconventie gewezen en in reconventie opnieuw rechtdoende:
- verklaart voor recht dat [appellant sub 2] met ingang van 17 november 2022 medehuurder is van de woning aan [adres A] ;
- veroordeelt [XX] in de kosten van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] , begroot op € 187,- aan salaris gemachtigde;
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt [XX] in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep van € 4.295,29,-, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [XX] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [XX] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep door [XX] meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.J.M. van Lanen en J.J.M. Saelman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 maart 2025.
griffier rolraadsheer