Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-11
ECLI:NL:GHSHE:2025:652
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep kort geding
2,691 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Familie - en Jeugdrecht
zaaknummer 200.346.254/01
arrest van 11 maart 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te Bruinisse,
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: voorheen mr. A.J.C. Nuijten, thans mr. R.G.J. van Kerkhof,
tegen:
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. D.R.M. de Vos,
Deze zaak gaat over de minderjarigen [kind A] en [kind B], beiden geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]. Hierna te noemen: [kind A] en [kind B].
Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, [locatie A],
hierna te noemen: de raad.
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: de GI).
op het bij exploot van dagvaarding van 18 september 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 21 augustus 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen vonnis tussen vader als gedaagde in conventie en eiser in reconventie en de moeder als eiseres in conventie en verweerster in reconventie.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in kort geding van 21 augustus 2024.
Procesverloop
2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
- de memorie van antwoord tevens inhoudende incidenteel hoger beroep met productie;
- de brief van de advocaat van de moeder van 20 januari 2025 met bijlage;
- de brief van de advocaat van de vader van 27 januari 2025, met bijlagen.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2025.
Verschenen zijn:
de vader, bijgestaan door mr. Van Kerkhof;
de moeder, bijgestaan door mr. De Vos;
de raad, vertegenwoordigd door [persoon A];
de GI, vertegenwoordigd door [persoon B] en [persoon C].
2.3. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de procedure in eerste aanleg.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.
Tijdens de inmiddels verbroken relatie van partijen zijn [kind A] en [kind B] geboren. De vader heeft de kinderen erkend en de ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
Bij de voorzieningenrechter
3.3.
De moeder heeft in kort geding (in conventie), voor zover thans van belang, - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - gevorderd om [kind A] en [kind B] aan haar toe te vertrouwen en om een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij de kinderen afwisselend bij de moeder en de vader verblijven.
3.4.
De vader heeft verweer gevoerd en geconcludeerd in conventie tot afwijzing van de vorderingen van de moeder. In reconventie heeft de vader gevorderd bij vonnis, voor zover thans van belang, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [kind A] en [kind B] aan hem worden toevertrouwd in afwachting van een nader tussen partijen te treffen regeling dan wel in een bodemprocedure door de kinderrechter hierover te nemen beslissing en te bepalen dat de moeder en de kinderen gerechtigd zijn om met elkaar contact te hebben slechts onder begeleiding van een professionele derde, tweemaal per week gedurende twee uur per keer althans een zodanige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als de voorzieningenrechter juist acht.
3.5.
Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de ouders en de kinderen - kort gezegd - verwezen naar het loket samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland voor een (jeugd)hulptraject in het kader van het zogenoemde uniform hulp aanbod. Voorts heeft de voorzieningenrechter, in conventie en in reconventie, [kind A] en [kind B] toevertrouwd aan de moeder en bepaald dat de vader en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar zoals in het vonnis onder rechtsoverweging 5.9. is overwogen. De voorzieningenrechter heeft dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Ondertoezichtstelling
3.6.
De kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, [locatie A], heeft [kind A] en [kind B] bij mondelinge beslissing op 31 juli 2024, voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, gevestigd te [vestigingsplaats], met ingang van 31 juli 2024 tot 31 oktober 2024. Deze beslissing is schriftelijk vastgelegd bij beschikking van 12 augustus 2024.
Tijdens de mondelinge behandeling van het hof hebben partijen desgevraagd verklaard dat de ondertoezichtstelling definitief is uitgesproken op 28 oktober 2024 voor de duur van een half jaar, derhalve tot 28 april 2025.
Bij het hof
3.7.
De vader kan zich niet verenigen met het vonnis in kort geding en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vader heeft - na intrekking van zijn vordering over de zorgregeling - geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak zal zijn beslist in de tussen partijen aanhangig te maken (bodem)procedure over [kind A] en [kind B], [kind A] en [kind B] aan de vader worden toevertrouwd, althans het éne kind aan de vader en het andere kind aan de moeder en tot veroordeling van de moeder in de proceskosten in beide instanties.
De vader heeft de spoedeisendheid van zijn vordering, tijdens de mondelinge behandeling als volgt toegelicht. Met de beslissing in kort geding wordt voorgesorteerd op de beslissing in de bodemprocedure en in een bemiddelingstraject. Er is geen grondslag meer voor de beslissing van de voorzieningenrechter over de toevertrouwing van de kinderen aan de moeder. Omdat op dit moment de door de voorzieningenrechter vastgestelde zorgregeling wordt uitgevoerd, ligt het voor de hand om één kind bij de ene ouder in te schrijven en het andere kind bij de andere ouder. Op die manier wordt tot uitdrukking gebracht dat iedere ouder er mag zijn. Bovendien brengt dit fiscale voordelen met zich. De vader kan deze goed gebruiken, omdat hij geen inkomen heeft.
3.8.
De moeder heeft de grieven van de vader gemotiveerd weersproken. Zij heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld en geconcludeerd de vader in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn beroep ongegrond te verklaren, althans zijn vorderingen af te wijzen en bij wijze van incidenteel hoger beroep een zorgregeling vast te stellen tussen de vader en de kinderen van eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur. Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de moeder haar vordering in incidenteel hoger beroep ingetrokken.
De moeder betwist in hoger beroep de spoedeisendheid van de vordering van de vader.
De ouders leven de in het bestreden vonnis vastgestelde zorgregeling na, maar er zijn nog steeds zorgen. De vader informeert de moeder niet over de kinderen wanneer zij bij hem zijn. Bovendien heeft de raad geadviseerd om de kinderen aan haar toe te vertrouwen. Daarbij komt dat de mondelinge behandeling bij de rechtbank in de bodemzaak op korte termijn is gepland. De moeder vindt dat er zorgvuldig moet worden gehandeld, temeer omdat de vader de kinderen in de zomer van 2024 bij de moeder heeft weggehouden. Dit had veel impact op haar en de kinderen.
3.9.
De raad volgt de beslissing van de voorzieningenrechter en vindt het positief dat partijen stappen hebben gezet na deze beslissing. In de bodemprocedure dient te worden bekeken wat in het belang van de kinderen is.
3.10.
De GI benoemt tijdens de mondelinge behandeling dat er ook nu nog zorgen zijn. De samenwerking met de vader verloopt moeizaam; de vader lijkt het lastig te vinden om zich aan de gemaakte veiligheidsafspraken te houden. Er is wekelijks sturing nodig vanuit de GI. Daarnaast blijft de vader de moeder diskwalificeren.
Het hof overweegt als volgt.
Spoedeisend belang
3.11.1.
In hoger beroep moet de rechter, net als in eerste aanleg, ambtshalve vaststellen of er, in dit geval, aan de zijde van de vader sprake is van een actueel spoedeisend belang bij zijn vordering (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002: AE3437). Hierbij maakt het niet uit of in eerste aanleg wel of niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3437).
3.11.2.
Een kort geding-procedure heeft tot doel het treffen van voorlopige ordemaatregelen. Van spoedeisendheid kan worden gesproken wanneer het belang van een partij onmiddellijk handelen vereist en de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
Daarvan is in dit hoger beroep geen sprake. De voorzieningenrechter heeft de kinderen aan de moeder toevertrouwd, een zorgregeling vastgesteld en de ouders verwezen naar het loket samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland voor een jeugdhulptraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod. Dit traject is gestopt. Vervolgens zijn de ouders in het kader van de ondertoezichtstelling met een traject voor ouderschapsbemiddeling gestart en heeft de GI een expert ouderrelaties ingeschakeld. Dit traject loopt en heeft als doel het opstellen van een ouderschapsplan.