Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-26
ECLI:NL:GHSHE:2025:631
Strafrecht
Hoger beroep
7,530 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002853-23
Uitspraak : 26 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 oktober 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-038021-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1983,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, die feiten gekwalificeerd als:
‘poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd (feit 1, primair)’,
‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 2)’, en
‘om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ (feit 3),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel heeft de rechtbank de volgende – samengevat weergegeven – bijzondere voorwaarden verbonden:
een meldplicht bij de reclassering van [verslavingskliniek] ,
meewerken aan een behandeling door de forensische verslavingszorg van [verslavingskliniek] of een soortgelijke zorgverlener,
een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 1] ,
meewerken aan middelencontrole, en
meewerken aan de contacten met [instantie]
(CJG) en jeugdhulpverlening en alle door hen geadviseerde hulpverlening.
Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder feit 1 (primair) bewezenverklaarde gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van
€ 2.500,00, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2023, tot aan de dag der algehele voldoening. Ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] is tevens de schadevergoedingsmaatregel voor hetzelfde bedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf genoemde datum opgelegd. In het overige gedeelte van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De verdachte is tevens veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot dan begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 1] ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder feit 1 (primair) bewezenverklaarde gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 80,06, bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2023, tot aan de dag der algehele voldoening. Ten behoeve van [slachtoffer 2] is tevens de schadevergoedingsmaatregel voor hetzelfde bedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf genoemde datum opgelegd. In het overige gedeelte van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De verdachte is tevens veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot dan begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 2] ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Tot slot heeft de rechtbank de inbeslaggenomen harddrugs onttrokken aan het verkeer en de teruggave aan de verdachte gelast ten aanzien van de iPhone 13 en het geldbedrag van in totaal € 3.265,00.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces tegen verdachte gevoegd met een vordering, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van
€ 2.080,06 (bestaande uit materiële en immateriële schadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep is – zoals reeds onder het kopje ‘Hoger beroep’ is overwogen – de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.
De advocate van de benadeelde partij heeft per e-mail van 3 februari 2025 en ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] zal worden verlaagd, aangezien zij geen immateriële schade meer vordert.
De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve – kortgezegd – tot betaling van € 80,06, volledig bestaande uit materiële schade, met daarbovenop de wettelijke rente.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen en daarbij zal bevelen dat de op te leggen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Namens de verdachte is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis - onder aanvulling en verbetering van de gronden waarop het berust, met dien verstande dat de bewijsmiddelen worden aangevuld en verbeterd op de wijze als hierna vermeld - behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Bijgevolg komen de overwegingen van de rechtbank, voor zover die zien op de opgelegde straf, de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen, te vervallen en zullen er nieuwe overwegingen worden opgenomen over de door het hof op te leggen straf en de nieuw te nemen beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, telkens op de wijze zoals hierna vermeld. Tevens zullen de door de rechtbank aangehaalde wettelijke voorschriften waarop het dictum is gegrond worden vervangen in dier voege als hierna is vermeld.
Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen
Het hof verenigt zich met de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals weergegeven in bijlage II op pagina’s 13 tot en met 15 van het vonnis, doch met verbetering van het navolgende. Het hof schrapt het door de rechtbank gebezigde [bewijsmiddel]
De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, naar het oordeel van het hof de navolgende aanvulling.
Naast de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, komt de bewezenverklaring mede te berusten op de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 februari 2025, voor zover inhoudende:
‘Ik heb [slachtoffer 1] meerdere keren XTC gegeven.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de ten behoeve van deze benadeelde partijen opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde:
dat de veroordeelde zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij de reclassering van [verslavingskliniek] op het adres [adres 2] , en zich gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken met de reclassering, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;
dat de veroordeelde zich laat behandelen door de forensische verslavingszorg van [verslavingskliniek] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
3. dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer 1] (geboren [geboortedag 2] 2011 te [geboorteplaats 2] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Uitzondering daarop zijn vooraf geplande contactmomenten onder begeleiding van Veilig Thuis en/of een door hen aangewezen persoon of instantie;
4. dat de veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
5. dat de veroordeelde meewerkt aan de contacten met [instantie] en jeugdhulpverlening en alle door hen geadviseerde hulpverlening, indien dat voor een veilige omgang met zijn zoon [slachtoffer 1] is vereist en zolang de jeugdhulpverlening dat nodig vindt.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van de hiervoor onder 1, 2, 4 en 5 vermelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de opgelegde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2023 tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2023 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 80,06 (tachtig euro en zes cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2023 tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 80,06 (tachtig euro en zes cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2023 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 1 (één) dag kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Het hof heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenstaande.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. L. Feraaune, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. Koop, griffier,
en op 26 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A. Muller en mr. L. Feraaune zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Ik zag er toentertijd de ernst niet van in, aangezien hij vanwege zijn ADHD, in het kader van medicatie, ook amfetamine kreeg. Nadat [slachtoffer 1] een xtc-pil had ingenomen, kreeg ik een heel ander kind te zien; er kwam dan zoveel liefde bij hem naar boven. Ik had de verdovende middelen niet in huis moeten hebben.’
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – de verdachte te veroordelen tot andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijk gevangenisstraf, zoals een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een onvoorwaardelijke taakstraf. Volgens de verdediging moet het accent op de behandeling van de verdachte liggen en zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het traject waarin de verdachte zich nu bevindt, doorkruisen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van zijn toen 11-jarige zoon [slachtoffer 1] , door die [slachtoffer 1] in de periode van 1 augustus 2022 tot en met 4 februari 2023 meerdere keren een xtc-pil te geven en in te laten nemen. Het hof acht het buitengewoon kwalijk dat de verdachte meermalen heeft besloten zijn kind aan de gevaren van harddrugs bloot te stellen. [slachtoffer 1] was bovendien afhankelijk van de verdachte, die de zorg voor hem droeg als hij bij hem was. De verdachte heeft met zijn handelen enkel aan zichzelf gedacht, zonder zich ook maar enigszins om de (mogelijk toekomstige schadelijke) gevolgen voor [slachtoffer 1] te bekommeren. Het hof rekent dit de verdachte dan ook ernstig aan.
Voorts is bewezenverklaard dat de verdachte op 7 februari 2023 hoeveelheden van verschillende harddrugs aanwezig heeft gehad, waaronder amfetamine, MDMA, GHB (te weten 1.768 milliliter) en cocaïne. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten aanzien van harddrugs, door het opzettelijk voorhanden hebben van cafeïne; een versnijdingsmiddel voor cocaïne en/of amfetamine. De verdachte heeft door zijn handelen een bijdrage geleverd aan de drugshandel, met alle daaraan verbonden negatieve maatschappelijke effecten. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit andere vormen van criminaliteit in de hand werkt. Bovendien is het gebruik van harddrugs verslavend en kan het de volksgezondheid schaden.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 december 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van Opiumwetfeiten. Deze veroordeling is echter van langer geleden en het hof zal daaraan bij de straftoemeting in deze zaak geen gewicht toekennen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Namens en door de verdachte is in dat kader in het bijzonder naar voren gebracht dat hij als gevolg van deze zaak tijdelijk zijn huis is uitgezet en op 18 februari 2025 een tweede intakegesprek bij [verslavingskliniek] heeft.
Tevens heeft het hof in het kader van de straftoemeting acht geslagen op het door [verslavingskliniek] (verslavingsreclassering) te Breda opgestelde reclasseringsadvies d.d. 30 januari 2025. Daaruit komt als conclusie naar voren dat de verdachte reeds jarenlang bekend is met middelengebruik (van voornamelijk harddrugs) en ook erkent dat dit gebruik problematisch van aard is. Daarnaast komt uit voornoemd rapport naar voren dat de verdachte functioneert op laagbegaafd/beneden gemiddeld intellectueel niveau en een paranoïde en ontwijkende persoonlijkheidsstoornis heeft. Tevens ervaart de verdachte veel stress en lijkt hij drugs nodig te hebben om zichzelf (op sociaal gebied) staande te houden.
Gelet op de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat voor de afdoening van de zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden. Deze straf is hoger dan de in eerste aanleg opgelegde straf. Het hof is van oordeel dat een hogere straf meer recht doet aan de ernst van de feiten. Met oplegging van de deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Voorts ziet het hof op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, net als de advocaat-generaal en de rechtbank, aanleiding om aan het voorwaardelijke strafdeel als bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht bij de reclassering van [verslavingskliniek] , een ambulante behandelverplichting, een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 1] , meewerken aan middelencontrole en meewerken aan de contacten met [instantie] en jeugdhulpverlening en alle door hen geadviseerde hulpverlening, indien dat voor een veilige omgang met zijn zoon [slachtoffer 1] is vereist en zolang de jeugdhulpverlening dat nodig vindt.
Het hof zal de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu er gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De moeder van [slachtoffer 1] , te weten [slachtoffer 2] , heeft in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 3.500,00 (bestaande uit immateriële schadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van
€ 2.500,00 (bestaande uit immateriële schadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2023, tot aan de dag der algehele voldoening en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder feit 1 (primair) bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en sub b, van het Burgerlijk Wetboek.
Inleiding
De aard en de ernst van de normschending (poging tot zware mishandeling) en de gevolgen daarvan voor de benadeelde zoals die uit het schade-onderbouwingsformulier naar voren komen, hebben bij de benadeelde partij verwardheid en een veranderend (slaap)ritme veroorzaakt, waardoor hij is gaan afwijken van zijn normale strakke routine. Voorts komt uit het schade-onderbouwingsformulier naar voren dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 (primair) bewezenverklaarde in de toekomst last kan gaan krijgen van verschillende gezondheidsproblemen, waaronder hartritmestoornissen, ademhalingsproblemen en een gevaarlijke hoge bloeddruk. Het hof houdt bij de vaststelling van de schadevergoeding rekening met alle relevante omstandigheden van het geval, alsook de bedragen die in soortgelijke gevallen worden toegewezen, en begroot deze op een bedrag van € 3.500,00.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2023, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Beide kostenposten worden tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 3.500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Zoals reeds onder het kopje ‘Omvang van het hoger beroep’ is vastgesteld, heeft de benadeelde partij [slachtoffer 2] zich in eerste aanleg in het strafproces tegen de verdachte gevoegd met een vordering, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van
€ 2.080,06 (bestaande uit € 80,06 aan materiële schadevergoeding en € 2.000,00 aan immateriële schadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 80,06 (bestaande uit materiële schadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, maar heeft de vordering verlaagd tot het bedrag van € 80,06.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het onder feit 1 (primair) bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 80,06. Dat bedrag heeft betrekking op de door de benadeelde partij gemaakte reiskosten naar de huisartsenpost en de contactmomenten tussen [slachtoffer 1] en de verdachte, alsmede de door de benadeelde partij, vanwege de drugstest van [slachtoffer 1] en de uitslag daarvan, opgenomen verlofuren. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het toe te wijzen bedrag aan materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2023, de dag waarop de vordering is ingediend tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Beide kostenposten worden tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 80,06. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Opheffing voorlopige hechtenis
Het hof heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op
Toepasselijke wettelijke voorschriften