Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-04
ECLI:NL:GHSHE:2025:586
Civiel recht
Hoger beroep
7,996 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.319.917/01
arrest van 4 maart 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant],
advocaat: voorheen mr. H.G.M. Hilkens te Echt, thans mr. R. Engwegen te Echt,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. L. Isenborghs te Heerlen.
op het bij exploot van dagvaarding van 2 december 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 september 2022, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord met producties;
de op 10 september 2024 gehouden mondelinge behandeling, waarbij [geïntimeerde] spreekaantekeningen heeft overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Vervolgens heeft nog een advocatenwissel plaatsgevonden.
Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De samenvatting
3.1.
De ouders van [appellant] en [geïntimeerde] zijn overleden. Het geschil gaat over de wijze waarop de nalatenschappen van de ouders verdeeld moeten worden. Het hof is van oordeel dat de meeste onderdelen van het hoger beroep niet slagen. Het hof komt dus grotendeels tot hetzelfde oordeel als de rechtbank. Het hof komt wel tot andere berekeningen dan de rechtbank. Partijen mogen reageren op die berekeningen.
Feiten
3.2.
Het hof zal in dit hoger beroep uitgaan van de volgende feiten.
3.2.1.
Partijen zijn broer en zus. Op 14 oktober 2017 is de vader van partijen overleden. Op 25 april 2018 is de moeder van partijen overleden.
3.2.2.
Vader en moeder waren gehuwd in gemeenschap van goederen, waarvan onderdeel uitmaakte de eigendom van de echtelijke woning. Vader heeft bij testament van 30 november 2016 over zijn nalatenschap beschikt. Daarin is aan moeder het vruchtgebruik van diens nalatenschap gelegateerd, onder bepaling dat de vruchtgebruiker niet bevoegd is tot vervreemding, bezwaring of vertering van het vruchtgebruikvermogen. [geïntimeerde] en [appellant] zijn in dat testament tot enige erfgenamen benoemd, [geïntimeerde] voor 5/6 deel en [appellant] voor 1/6 deel. [geïntimeerde] is in het testament tot executeur benoemd, welke benoeming zij heeft aanvaard. Moeder had geen testament.
3.2.3.
[appellant] en [geïntimeerde] hebben de nalatenschap van vader beneficiair aanvaard. [geïntimeerde] heeft ook de nalatenschap van moeder beneficiair aanvaard.
3.2.4.
Beide nalatenschappen zijn nog niet verdeeld.
De vorderingen
3.3.1.
[geïntimeerde] heeft (na eiswijziging) bij de rechtbank gevorderd (samengevat weergegeven) dat de rechtbank:
1. de wijze van verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder vaststelt zoals voorgesteld in de dagvaarding en:
a. voor recht verklaart dat [appellant] verplicht is € 215.000,- in beide nalatenschappen in te brengen uit hoofde van een geldleningsovereenkomst, alsmede € 56.187,39 als zijnde het tekort in de nalatenschap van moeder, alsmede € 8.500,- uit hoofde van het onttrekken van dit geldbedrag aan de nalatenschap van moeder, dus een totaalbedrag van € 279.687,39, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag;
b. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] een erfdeel heeft van € 205.963,65 in de nalatenschap van vader en een erfdeel van € 190.969,-- in de nalatenschap van moeder, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag en [geïntimeerde] machtigt om haar erfdeel op de banksaldi van de nalatenschap te verhalen;
c. voor recht verklaart dat [appellant] een erfdeel heeft van € 41.192,73 uit hoofde van de nalatenschap van vader en een erfdeel heeft van € 190.969,00 in de nalatenschap van moeder, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
d. [appellant] veroordeelt om € 56.187,39 te betalen aan [geïntimeerde] als zijnde het tekort in de nalatenschap van moeder, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
e. [appellant] veroordeelt om de (helft van de) urn af te geven en daaraan een dwangsom te verbinden;
2. [appellant] veroordeelt tot betaling van € 2.640,75 als schadevergoeding vanwege de waardedaling van de woning en extra notariskosten;
3. [appellant] veroordeelt in de proceskosten, met rente en nakosten.
3.3.2.
De rechtbank heeft in het beroepen vonnis onder (samengevat):
- (5.1) de wijze van verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder zo vastgesteld dat aan [geïntimeerde] per saldo € 278.173,56 toekomt en aan [appellant] € 0,00;
- (5.2) voor recht verklaard dat na toerekening van de schuld van [appellant] van € 223.500,- op zijn erfdeel een schuld aan de nalatenschappen resteert van € 119.703,89;
- (5.3) [appellant] veroordeeld om de (helft van de inhoud van de) urn met de as van moeder af te geven en hem veroordeeld tot een dwangsom als hij dat niet op tijd doet en [geïntimeerde] veroordeeld om de helft van de kosten van opslag van de as en een nieuwe urn aan [appellant] te vergoeden;
- (5.4) [appellant] veroordeeld om € 2.640,75 te betalen wegens schadevergoeding ter zake de waardedaling van de woning en extra gemaakte notariskosten;
- (5.5) de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- (5.6) de proceskosten gecompenseerd.
3.3.3.
[appellant] heeft in hoger beroep 12 grieven aangevoerd. Vervolgens heeft [appellant] geconcludeerd dat het hof het vonnis dient te vernietigen en dat het hof (samengevat):
I. vaststelt dat de nalatenschap van vader € 139.642,50 bedraagt en de nalatenschap van moeder € 187.291,07 bedraagt, waarvan in totaal € 210.014,28 toekomt aan [geïntimeerde] en € 116.919,28 aan [appellant], althans in goede justitie te bepalen bedragen;
II. vaststelt dat beide partijen de nalatenschap van moeder beneficiair hebben aanvaard;
III. partijen veroordeelt medewerking te verlenen aan de afwikkeling van de nalatenschap, met benoeming van een notaris en onzijdig persoon zoals bedoeld in de wet.
3.3.4.
Het hof constateert dat [appellant] in eerste aanleg gedaagde was. [appellant] kan niet voor het eerst in hoger beroep een vordering instellen (artikel 353 lid 1 laatste zinsnede Rv). Het hof vat het hoger beroep van [appellant] daarom zo op dat hij concludeert dat het hof zijn verweren zal honoreren. Het hof zal zijn verweren beoordelen in het kader van de aangevoerde grieven. In dat verband overweegt het hof nog het volgende.
[appellant] heeft in zijn inleiding op de grieven aangevoerd (onder verwijzing naar de processtukken in eerste aanleg) dat hij het geschil in volle omvang aan het hof wil voorleggen. Het hof kan het geschil niet zonder meer volledig opnieuw beoordelen. Het hof kan ook niet (zonder meer), los van de grieven, de verweren van [appellant] uit de eerste aanleg meenemen in de beoordeling. Uit de memorie van grieven moet voldoende kenbaar zijn (zowel voor het hof als voor [geïntimeerde]) tegen welke beslissingen en oordelen van de rechtbank het hoger beroep is gericht, wat daarvoor de redenen zijn en wat [appellant] bedoelt aan te voeren. Alleen als dat voldoende duidelijk is, zal het hof die standpunten in de beoordeling (kunnen) betrekken.
De geldlening (grieven 2 tot en met 5)
3.4.1.
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank aangevoerd dat [appellant] een schuld uit een geldlening had aan de ouders van € 215.000,--. De rechtbank heeft daarover in 4.3.4 tot en met 4.3.6 een oordeel gegeven. Dat oordeel komt erop neer dat [geïntimeerde] haar stellingen voldoende heeft onderbouwd en dat die stellingen ontoereikend door [appellant] zijn betwist. Het hof is het daarmee eens. De grieven 2 tot en met 5 van [appellant] leiden niet tot een ander oordeel. Het hof overweegt daarover het volgende.
3.4.2.
Het hof is van oordeel dat de grieven uitgaan van een onjuiste lezing van de overwegingen van de rechtbank en/of van onjuiste uitgangspunten. In de toelichting op de grieven wordt ingegaan op bewijswaardering, maar de rechtbank is niet toegekomen aan bewijslevering en dus ook niet aan bewijswaardering (hoewel dat wellicht onvoldoende duidelijk is gemotiveerd gelet op de overweging met betrekking tot artikel 159 lid 2 Rv). Het oordeel van de rechtbank komt erop neer dat [appellant] de stellingen van [geïntimeerde] onvoldoende toereikend heeft betwist. De rechtbank heeft daarbij de door partijen overgelegde documenten betrokken, maar aan bewijslevering is de rechtbank niet toegekomen. Dat hoefde ook niet. Aan bewijslevering kan pas worden toegekomen wanneer de stellingen goed zijn gemotiveerd én voldoende zijn betwist (artikel 149 lid 1 tweede zin Rv). [appellant] heeft de stellingen van [geïntimeerde] wel betwist, maar de rechtbank achtte die betwisting ontoereikend tegenover hetgeen door [geïntimeerde] was aangevoerd.
Conclusie
3.6.7.
Op grond van het voorgaande bedraagt het totale aandeel van [appellant] dus € 162.348,92 en het totale aandeel van [geïntimeerde] € 327.110,92. Op het aandeel van [appellant] moeten de hiervoor schulden van € 215.000,- en € 8.500,- worden toegerekend. Dat heeft tot gevolg dat voor hem niets resteert, maar dat hij nog € 61.151,08 verschuldigd is.
Het hof is van oordeel dat 5.1 van het vonnis in dat opzicht zou moeten worden gewijzigd. Dan zou € 278.173,56 moeten worden gewijzigd in € 327.110,92. Aangezien [appellant] echter niet slechter mag worden van zijn hoger beroep en [geïntimeerde] niet in hoger beroep is gekomen, zal het hof het dictum in dit opzicht niet wijzigen.
Het hof is van oordeel dat het in 5.2 genoemde bedrag van € 119.703,89 moet worden gewijzigd in € 61.151,08.
Het hof heeft partijen tijdens de mondelinge behandeling al voorgehouden dat het mogelijk zou zijn dat het hof tot een andere uitkomst zou komen door andere berekeningen. Partijen hebben laten weten dat zij zich daarover zouden willen uitlaten. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen een akte te nemen.
Schade uit onrechtmatige daad: de verkoopopbrengst van de woning en de met die verkoop gemoeide kosten (grief 7)
3.7.1.
De echtelijke woning is verkocht voor € 280.000,--, terwijl aanvankelijk met de kopers een koopsom was overeengekomen van € 285.100,--. De rechtbank heeft hierover geoordeeld (rov. 4.7):
Bij beschikking van 5 november 2015 heeft de kantonrechter na een daartoe strekkend verzoek van [geïntimeerde] (…) de bevoegdheid toegekend om de woning van erflaters te verkopen. In artikel (…) is bepaald dat de koopsom (…) van € 285.100,-- wordt verminderd tot een bedrag van € 280.000,-- indien de levering niet uiterlijk 1 juli 2020 heeft plaatsgevonden. De rechtbank is, evenals de voorzieningenrechter in kort geding in zijn vonnis van 21 juli 2020, van oordeel dat [appellant] tot twee maal toe, op 11 juni en 24 juni 2020, niet heeft willen meewerken aan de op die datum geplande levering van de woning bij de notaris, terwijl daar geen begin van een valdide reden voor was. Die weigering noopte [geïntimeerde] om een kort geding aanhangig te maken teneinde vervangende toestemming te verkrijgen voor de levering van de woning om te voorkomen dat de koopovereenkomst door de kopers ontbonden zou kunnen worden, maar leidde ook tot de vermindering van de koopsom met € 5.100,--.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] hiermee onrechtmatig gehandeld jegens [geïntimeerde] en dient hij de als gevolg daarvan ontstane schade ter hoogte van de helft van € 5.100,-- = € 2.550,-- te vergoeden. Dat geldt eveneens voor de helft van de rechtstreeks uit die weigering voortvloeiende extra notariskosten, in de eindafrekening van de notaris (…). De vordering van [geïntimeerde] tot betaling van € 2.640,75 zal dan ook worden toegewezen.
De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van voornoemd bedrag (zie 5.4 van het vonnis).
3.7.2.
Met grief 7 komt [appellant] op tegen zijn veroordeling om deze schade aan [geïntimeerde] te vergoeden. In zijn toelichting op de grief voert [appellant] aan (althans zo begrijpt het hof de grief) dat de rechtbank ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken wat zijn reden was om niet tijdig mee te werken. Volgens [appellant] moest hij de koopakte tekenen zonder dat hij van de inhoud op de hoogte was gesteld en stonden er clausules in waarmee hij het niet eens was. Volgens [appellant] is de koopakte aangepast aan zijn commentaar, zodat daaruit blijkt dat zijn protesten niet onredelijk waren.
3.7.3.
Het hof verwerpt deze grief om de volgende reden. [appellant] miskent met zijn klachten over het gebrek aan zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van de koopakte, dat de bevoegdheid om de woning te verkopen exclusief aan [geïntimeerde] toekwam. Die bevoegdheid had de kantonrechter haar op grond van artikel 4:198 BW gegeven bij beschikking van 5 november 2019. [appellant] kon daarom geen eisen stellen aan of bezwaren uit tegen de door [geïntimeerde] gesloten koopovereenkomst. Het doet er daarom niet toe welke bezwaren [appellant] had tegen de koopakte en of dat goede bezwaren waren.
Een enkele afrondende overweging en de wijze van voortprocederen
3.8.1.
[appellant] heeft met grief 12 aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn vorderingen heeft afgewezen. [appellant] was echter gedaagde partij. In zijn toelichting op deze grief heeft hij wederom verwezen naar alles wat hij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen, kan het hof dat niet (zonder meer) in de beoordeling betrekken (zie 3.3.4).
3.8.2.
Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de berekeningen zoals hiervoor opgenomen in 3.6.2 tot en met 3.6.6. Het hof zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte door beide partijen, waarna beide partijen een antwoordakte mogen nemen. Het is de bedoeling dat partijen uitsluitend op de berekeningen ingaan. Partijen kunnen ook, indien zij zich aan het oordeel van hof willen refereren, zich beperken tot het nemen van een akte.
4De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 18 maart 2025 voor het nemen van een akte door beide partijen met het in 3.8.2 genoemde doel, waarna beide partijen een antwoordakte mogen nemen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Smorenburg, M. van Ham en G. Megchelsen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 maart 2025.
griffier rolraadsheer
Feiten
3.4.3.
Het hof is van oordeel dat [appellant] in hoger beroep nog steeds te weinig aanvoert tegenover de goed gemotiveerde stellingen van [geïntimeerde], zodat ook het hof niet toekomt aan bewijslevering.
Tussen partijen staat vast dat de ouders met twee bankoverschrijvingen in totaal € 215.000,-- aan [appellant] hebben overgemaakt. [appellant] laat in het vage waarom dit is gebeurd. Het zou te maken hebben gehad met de aankoop van een verzekeringsportefeuille door vader. Volgens [appellant] deed vader dit als stille vennoot, omdat hij vanwege zijn dienstbetrekking niet een eigen bedrijf mocht hebben.
Het hof is van oordeel dat er meerdere redenen zijn waarom van [appellant] mocht worden verwacht dat hij dit standpunt nader had toegelicht.
3.4.3.1. Mr. S.A. van Ierssel, advocaat, heeft in zijn brief van 30 september 2008 aan [appellant] (productie 33) schulden opgesomd, waarbij hij heeft vermeld dat dit gegevens zijn die door [appellant] zelf zijn verstrekt. In die opsomming is een schuld van € 215.000,-- van [appellant] aan zijn ouders vermeld. In die brief heeft mr. Van Ierssel vermeld dat hij [appellant] heeft gesproken over het staken en liquideren van zijn onderneming. In zijn toelichting op de grieven heeft [appellant] aangevoerd dat in die brief die schuld enkel is vermeld zonder enige context of details en dat onduidelijk is wat hij heeft verklaard en hoe dit door mr. Van Ierssel is begrepen. Het hof is van oordeel dat [appellant] er aan voorbij ziet dat mr. Van Ierssel destijds zijn advocaat was en dat niet valt in te zien op welke andere wijze mr. Van Ierssel deze informatie heeft ontvangen dan van [appellant] zelf. Daarbij komt dat in die brief wel degelijk een context wordt geschetst. Weliswaar niet van de genoemde schuld aan de ouders, maar wel van de reden van de brief. De brief is geschreven in het kader van het afwenden van een faillissement van [appellant]. In dat kader gaat het er juist om welke schulden er zijn en wat de omvang is van die schulden. Het betreft geen terloopse opmerking. Mr. Van Ierssel heeft een inventarisatie gemaakt van de schulden. Aangezien [appellant] degene is die nadere informatie kan verstrekken over deze brief, had het op zijn weg gelegen om uit te leggen hoe het kan dat mr. Van Ierssel schrijft dat hij een schuld heeft aan zijn ouders en dat het genoemde bedrag exact overeenstemt met het bedrag dat de ouders slechts drie jaar daarvoor (in 2005) aan hem hadden overgemaakt.
3.4.3.2. Ook in het verslag van 4 december 2018 van [persoon A] van notariskantoor [XX] Notarissen wordt melding gemaakt van de schuld. In de toelichting op de grieven heeft [appellant] aangevoerd dat onduidelijk is in welke hoedanigheid [persoon A] dit verslag heeft geschreven en dat deze vermelding enkel in het verslag is gekomen op basis van een stelling van de partner van [geïntimeerde]. Echter, [appellant] is zelf bij deze bespreking aanwezig geweest. Niet valt in te zien waarom [persoon A] wel melding zou maken van een schuld maar niet van een investering van vader, wanneer dat het geval was geweest. Daar staat niets over vermeld. In het verslag is vermeld dat [appellant] heeft verklaard dat ‘lening(en) van 215k wegens oninbaarheid zijn afgeschreven’.
3.4.3.3. Als daadwerkelijk sprake was geweest van een door vader gedane investering en [appellant] dus nooit een schuld heeft gehad, dan valt niet in te zien waarom er een schuld moest worden kwijtgescholden (volgens [geïntimeerde] is het document vervalst, hetgeen zij heeft onderbouwd met een onderzoek door een door haar geraadpleegde handschriftdeskundige). [appellant] probeert in zijn toelichting op de grieven uit te leggen waarom hij dit kwijtscheldingsdocument heeft opgesteld (er zouden wellicht problemen ontstaan en [geïntimeerde] zou de investering als schuld aanmerken). Het hof kan niet anders dan hieruit afleiden dat [appellant] kennelijk bewust een onjuist document heeft opgesteld.
3.4.3.4. Als daadwerkelijk sprake is geweest van een investering van vader, dan had het voor de hand gelegen dat [appellant] daar meer inzicht in had gegeven. [appellant] heeft niet aangevoerd om welke portefeuille het ging en hoe een en ander in zijn onderneming was geregeld en/of geadministreerd. Volgens [appellant] heeft vader ook revenuen uit het bedrijf getoucheerd. Als dat het geval was, dan had [appellant] daar enige documentatie van kunnen en moeten overleggen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor zijn verweer dat hij de betreffende portefeuille na enkele jaren heeft verkocht maar dat de koper zijn verplichtingen niet nakwam en hij en vader geld hebben verloren. Niet valt in te zien waarom [appellant] geen enkel document met betrekking tot die transacties heeft overgelegd en ook geen enkel document uit de administratie van zijn onderneming waaruit ook maar enigszins hiervan kan blijken. [appellant] heeft in hoger beroep weer een andere verklaring gegeven voor het argument dat hij verlies heeft geleden. In hoger beroep heeft hij aangevoerd dat door grensoverschrijdend gedrag van vader en door vader opgenomen winsten het bedrijf niet van de grond is gekomen. Maar ook van door vader opgenomen winsten blijkt in het geheel niet. [appellant] heeft geen enkel document van zijn onderneming overgelegd en op geen enkele wijze inzicht gegeven in de bedrijfsvoering, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen omdat hij wisselende standpunten hierover heeft ingenomen en omdat hij degene is die over deze gegevens beschikt.
3.4.3.5. [appellant] heeft in de loop der tijd steeds wisselende standpunten ingenomen maar ook de standpunten in zijn memorie van grieven zijn tegenstrijdig. Zoals hiervoor is vermeld heeft [appellant] aangevoerd dat zijn vader een investering heeft gedaan. In zijn bewijsaanbod heeft [appellant] echter vermeld dat het gaat om een schenking. Los van de hiervoor al vermelde onduidelijkheden over de gestelde investering, is het hof van oordeel dat het doen van een investering als stille vennoot niet hetzelfde is als een schenking. Over een schenking heeft [appellant] niets aangevoerd. Om die reden is het voor het hof (ook) niet duidelijk wat [appellant] wil bewijzen.
3.4.4.
Het hof komt dus tot hetzelfde oordeel als de rechtbank. De schuld zal op grond van artikel 4:228 lid 1 BW worden toegerekend op het erfdeel van [appellant].
Het pinnen van geld van de bankrekening van moeder na haar overlijden (grief 1 en grief 6)
3.5.1.
[appellant] heeft na het overlijden van moeder geld gepind van haar bankrekening (in totaal € 8.500,-). Volgens [appellant] was dat nodig om de kosten van de uitvaart van moeder te voldoen.
De rechtbank heeft daarover (in rov. 4.5 en 4.6) het volgende oordeel gegeven:
(…) Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat hij nog over die gelden beschikt. Wat hiervan ook zij, de rechtbank stelt vast dat [appellant] tot op heden geen duidelijkheid heeft verschaft over wat er exact met deze door hem opgenomen bedragen is gebeurd. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat hij zich reeds op 25 april 2018 als heer en meester over de nalatenschap van moeder heeft gedragen door deze bedragen aan de nalatenschap te onttrekken en hij daardoor deze nalatenschap op de voet van artikel 4:192 lid 1 BW zuiver heeft aanvaard (…)
Nu niet gebleken is dat de door [appellant] van de bankrekening van moeder gepinde gelden op enigerlei wijze aan (schuldeisers van) moeder ten goede is gekomen zal [appellant] dit bedrag terug moeten betalen. Het door [appellant] aan de nalatenschap onttrokken bedrag ad. € 8.500,-- zal op grond van artikel 4:228 lid 1 BW toegerekend worden op zijn erfdeel.
Feiten
3.5.2.
Volgens [appellant] is het oordeel dat hij de nalatenschap van moeder zuiver heeft aanvaard onjuist. [appellant] voert met grief 1 aan dat hij met het gepinde geld kosten van de uitvaart heeft betaald, en dat daaruit geen zuivere aanvaarding van de nalatenschap kan worden afgeleid.
3.5.3.
Het hof ziet niet in wat de relevantie is van grief 1. De vraag of [appellant] zuiver heeft aanvaard of beneficiair, is van belang voor de vraag op welk vermogen de schulden van de nalatenschap verhaald kunnen worden: alleen op de goederen van de nalatenschap of ook op het overige vermogen van [appellant] (artikel 4:184 lid 2 sub a BW). In dit geschil gaat het echter niet om schulden van de nalatenschap maar om schulden aan de nalatenschap. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] schulden aan de nalatenschap. Het wel of niet slagen van de grief heeft geen beslissende betekenis voor de vorderingen (van [geïntimeerde]) die het hof moet beoordelen. Om deze reden zal het hof grief 1 verder onbesproken laten.
3.5.4.
Met grief 6 komt [appellant] op tegen het oordeel dat € 8.500,-- zal worden toegerekend op zijn erfdeel. [appellant] heeft herhaald dat hij met dit geld kosten voor de uitvaart van moeder heeft voldaan. In zijn toelichting op de grief is hij ingegaan op een overweging dat hij ter zitting heeft verklaard dat hij nog over die gelden beschikt.
3.5.5.
Het hof is van oordeel dat [appellant] geen voldoende kenbare grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij geen duidelijkheid heeft verschaft over wat er exact met de door hem opgenomen bedragen is gebeurd. De grief is wel gericht tegen de overweging over wat [appellant] ter zitting heeft verklaard. Dat was echter een overweging ten overvloede die niet beslissend is geweest voor het oordeel dat € 8.500,-- op het erfdeel van [appellant] wordt toegerekend. Los van een en ander verwerpt het hof de grief omdat [appellant] ook in hoger beroep op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt dat hij van de gepinde bedragen kosten van de uitvaart van moeder heeft voldaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat hij het geld had opgenomen om de uitvaart te betalen maar dat er een uitvaartverzekering bleek te zijn. Op een vraag waarom hij het geld toen niet meteen heeft teruggestort, heeft [appellant] geen (plausibele) verklaring gegeven en overigens valt niet in te zien waarom [appellant] het niet op een later moment heeft teruggestort.
De wijze van verdeling (grieven 8 tot en met 11)
3.6.1.
Grief 8 gaat over de wijze waarop de nalatenschap van vader moet worden verdeeld. Grief 9 gaat over de wijze waarop de nalatenschap van moeder moet worden verdeeld. Met grief 10 heeft [appellant] uitgewerkt tot welk ander resultaat de door hem geschetste uitkomsten moet leiden. Grief 11 heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat € 223.500,-- op het erfdeel van [appellant] moet worden toegerekend (€ 215.000,-- ter zake de geldlening en € 8.500,-- ter zake de gepinde bedragen). Het hof zal deze grieven gezamenlijk beoordelen en zelf tot een (andere) berekening komen. Grief 12 betreft een herhaling van de hiervoor al beoordeelde grieven 2 tot en met 5 en 6. Het hof verwijst daarnaar.
De nalatenschap van vader
3.6.2.
Het hof zal uitgaan van de in hoger beroep niet bestreden gegevens die de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen:
- de ouders waren in gemeenschap van goederen gehuwd;
- de huwelijksgoederengemeenschap bestond op de dag van overlijden van vader uit:
* de echtelijke woning;
* € 91.416,- aan spaargeld;
* een levensverzekering met een waarde van € 8.749,--;
- er was een hypotheekschuld van € 32.879,--.
Verder zal het hof op grond van het voorgaande ervan uitgaan dat er een vordering was op [appellant] van € 215.000,-.
3.6.3.
De rechtbank heeft geoordeeld (zie 4.9.1) dat de nalatenschap van vader bestond uit de blote eigendom van de helft van de woning en de helft van de overige activa ten bedrage van € 282.286,--, waarvan 5/6 toekomt aan [geïntimeerde] (€ 117.619,--) en 1/6 aan [appellant] (€ 23.524,--). De rechtbank heeft de waarde van de woning echter niet betrokken in de berekening van de nalatenschap. Het hof is van oordeel dat [appellant] terecht is opgekomen tegen dat oordeel. Vader heeft het vruchtgebruik van zijn nalatenschap gelegateerd aan moeder, zonder bevoegdheid tot vervreemding, bezwaring of vertering van het vruchtgebruikvermogen. Uit het testament volgt dat een beschrijving moest worden opgemaakt van het vruchtgebruikvermogen waarna het vruchtgebruik kon worden gevestigd met de daartoe opgemaakte notariële akte. Gesteld noch gebleken is dat het vruchtgebruik is gevestigd. Om die reden ziet het hof geen aanleiding om hiermee rekening te houden.
Aangezien in het geheel geen rekening wordt gehouden met het vruchtgebruik, dient voor de berekening van de nalatenschap uitgegaan te worden van de waarde van de woning. Het hof zal in navolging van partijen ervan uitgaan dat de woning op het moment van overlijden van vader een waarde vertegenwoordigde van € 212.000,--.
3.6.4.
Het hof komt uitgaande van de hiervoor genoemde bedragen en uitgangspunten tot de volgende berekening:
woning € 212.000,--
spaargeld € 91.416,--
levensverzekering € 8.749,--
vordering op [appellant] € 215.000,--
hypotheekschuld -/- € 32.879,--
___________
saldo huwelijksgemeenschap € 494.286,--
saldo nalatenschap vader (50%) € 247.143,--
aandeel [appellant] 1/6 = € 41.190,50
aandeel [geïntimeerde] 5/6 = € 205.952,50
De nalatenschap van moeder
3.6.5.
Het hof zal een andere berekeningssystematiek aanhouden dan de rechtbank, maar wel uitgaan van de in het vonnis genoemde bedragen voor wat betreft de woning en het spaargeld. Aangezien de woning kort na het overlijden van moeder is verkocht, zal het hof voor de waarde van de woning uitgaan van de verkoopopbrengst (dus koopsom minus hypothecaire schuld inclusief verrekening van de levensverzekering en de kosten). Het hof zal uitgaan van het bedrag dat de rechtbank ook tot uitgangspunt heeft genomen en waarvan ook [appellant] in zijn toelichting op grief 9 uitgaat (€ 246.426,78, productie 31 dagvaarding).
Verder zal het hof op grond van het voorgaande ervan uitgaan dat er vorderingen waren op [appellant] van € 215.000,- en € 8.500,--.
Het hof ziet om de hiervoor genoemde redenen geen aanleiding om in de berekening te betrekken dat moeder het vruchtgebruik had.
3.6.6.
Het hof komt uitgaande van de hiervoor genoemde bedragen en uitgangspunten tot de volgende berekening:
verkoopopbrengst woning € 246.426,78
spaargeld € 19.533,06
vordering op [appellant] € 215.000,--
vordering op [appellant] € 8.500,--
___________
saldo € 489.459,84
nalatenschap vader -/- € 247.143,--
___________
nalatenschap moeder € 242.316,84
aandeel [appellant] 1/2 = € 121.158,42
aandeel [geïntimeerde] 1/2 = € 121.158,42