Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:520
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
1,512 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.345.596/01
arrest van 25 februari 2025
gewezen in het incident ex artikel 222 Rv in de zaak van
ASR Schadeverzekering N.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. S.C. Banga te De Bilt,
tegen
1Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,gevestigd en kantoorhoudende te [plaats B],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. T. Hussein te 's-Gravenhage,
2. [XX] Bouw B.V. voorheen tevens h.o.d.n. Aannemersbedrijf [YY] B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te [plaats C], [gemeente A],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. E. Beele te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 16 februari 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 november 2023, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, gewezen tussen appellante – ASR – als eiseres en geïntimeerden – Nationale-Nederlanden en [XX] Bouw – als twee van de gedaagden.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de incidentele memorie tot voeging tevens memorie van grieven met producties 20 en 21;
de akte tot referte (incident antwoordconclusie) van de zijde van [XX] Bouw;
de akte tot referte (incident antwoordconclusie) van de zijde van Nationale-Nederlanden.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Beoordeling
In het incident
3.1.
ASR verzoekt het hof de onderhavige zaak te voegen met de procedure bekend onder zaaknummer 200.345.531/01 tussen [persoon A] en [XX] Bouw B.V. ASR stelt hiertoe dat beide zaken betrekking hebben op exact hetzelfde geschil en dezelfde feiten. In beide zaken gaat het de vraag of [XX] Bouw aansprakelijk is voor de geleden schade als gevolg van een brand in het woonhuis van [persoon A]. ASR en [persoon A] nemen ten aanzien van die aansprakelijkheid gelijkluidende standpunten in. Daarom verzoekt ASR het hof de zaken om proceseconomische redenen en om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen, gelijktijdig te behandelen en te beslissen en daarom te voegen.
3.2.
[XX] Bouw heeft geen bezwaar tegen het verzoek tot voeging ex artikel 222 Rv. Nationale-Nederlanden refereert zich aan het oordeel van het hof.
3.3.
Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 222 lid 1 Rv juncto artikel 353 lid 1 Rv in geval dat voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, de voeging daarvan kan worden gevorderd. Het hof constateert dat de vordering tot voeging, gelet op het bepaalde in artikel 222 lid 2 juncto artikel 220 lid 2 juncto artikel 353 lid 1 Rv tijdig is ingesteld.
3.4.
Het hof stelt vast dat onderhavige procedure en de zaak waarmee voeging wordt gevorderd allebei bij dit hof aanhangig zijn. Naar het oordeel van het hof bestaat er tussen beide voornoemde zaken een zodanige band (feitencomplex en het geschil/onderwerp zijn hetzelfde) dat het belang van een goede en doelmatige behandeling meebrengt dat deze zaken zoveel mogelijk gelijktijdig worden behandeld en beslist door dezelfde rechter. Ook in eerste aanleg heeft de rechtbank de zaak die aldaar diende tussen alle partijen gelijktijdig behandeld en beslist. Dat betekent dat de zaken verknocht zijn. Het hof zal gelet op het vorenstaande de incidentele vordering tot voeging toewijzen.
3.5.
Het hof overweegt voor de duidelijkheid dat de vorderingen, ondanks de voeging, hun zelfstandigheid behouden (HR 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2500). Door de voeging wordt de partij in de ene zaak ook niet automatisch partij in de andere zaak (HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904), althans voor zover dat nog niet het geval is. Een en ander betekent dat de verschillende procespartijen door middel van vermelding van de zaaknummers steeds duidelijk moeten maken op welke zaak hun memories en/of akten betrekking hebben.
3.6.
Omdat geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In de hoofdzaak
De zaak staat op de rol van 25 februari 2025 voor memorie van antwoord aan de zijde van Nationale-Nederlanden, ambtshalve peremptoir, en memorie van antwoord (max. 37 pagina’s) aan de zijde van [XX] Bouw, ambtshalve peremptoir. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
Het hof:
in het incident:
beveelt de voeging van de onderhavige zaak (met zaaknummer 200.345.596/01) met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.345.531/01 tussen [persoon A] als appellant en [XX] Bouw als geïntimeerde;
compenseert de proceskosten van het incident tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak op de rol staat van 25 februari 2025 voor memorie van antwoord aan de zijde van Nationale-Nederlanden, ambtshalve peremptoir, en memorie van antwoord (max. 37 pagina’s) aan de zijde van [XX] Bouw, ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 februari 2025.
griffier rolraadsheer