Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-18
ECLI:NL:GHSHE:2025:408
Civiel recht; Goederenrecht
Hoger beroep
6,237 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.337.326/01
arrest van 18 februari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant],
advocaat: mr. R.T.L.J. Jongen te Heerlen,
tegen
1
[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
2. [geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerden]
advocaat: mr. M.C. Molenaar te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 26 januari 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 november 2023, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord met producties;
de mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreeknotities hebben overgelegd;
de bij H-formulier van 13 januari 2025 door [appellant] toegezonden productie, die [appellant] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
Kern van de zaak
3.1.
[appellant] en [geïntimeerden] zijn buren van elkaar. Tussen hen zijn geschillen ontstaan over de beplanting in de tuin van [geïntimeerden] Volgens [appellant] staat de beplanting te dicht bij de erfgrens en ondervindt hij daar hinder van. In dit hoger beroep gaat het om een lariks en een conifeer in de tuin van [geïntimeerden] [appellant] vordert dat [geïntimeerden] deze bomen verwijdert of inkort. Het hof zal [geïntimeerden] veroordelen tot het verwijderen van de lariks en de conifeer, omdat deze te dicht bij de erfgrens staan en de vordering van [appellant] tot verwijdering niet is verjaard.
Feiten
3.2.
In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.
i. [appellant] woont aan de [adres 1] te [plaats]. [geïntimeerden] wonen aan de
[adres 2] te [plaats]. [appellant] en [geïntimeerden] zijn buren van elkaar. De percelen waarop hun woningen zijn gebouwd grenzen aan elkaar, vanaf de voortuinen bij de openbare weg tot in de (diepe) achtertuinen. Het verloop van de grens tussen beide percelen staat tussen partijen niet ter discussie.
Bezien vanaf de openbare weg ligt het perceel van [appellant] aan de rechterkant
- en ten noordoosten - van het perceel van [geïntimeerden] De beide percelen zijn gelegen aan de rand van de bebouwde kom van [plaats]. Zowel in de tuinen van partijen als op de omliggende percelen is sprake van veel en hoge begroeiing.
Tussen [appellant] en [geïntimeerden] is een geschil ontstaan over de beplanting in de
tuin van [geïntimeerden] Het gaat hierbij om de bamboe in de voortuin van [geïntimeerden] een hulststruik en een conifeer in de nabijheid van de garage en de schuur van [geïntimeerden] een lariks en een conifeer wat verder naar achteren in de tuin van [geïntimeerden] achter de taxushaag, de bamboe in de achtertuin van [geïntimeerden] en een spar helemaal achterin de tuin van [geïntimeerden] bij de hoge begroeiing.
Procesverloop
4.1.1.
In de procedure bij de rechtbank vorderde [appellant], samengevat:
I. primair: veroordeling van [geïntimeerden] om binnen vier weken na betekening van het vonnis met betrekking tot alle op zijn perceel binnen twee meter van de grenslijn met het perceel van [appellant] aanwezige bomen (waaronder in ieder geval begrepen de bomen 1 tot en met 5 zoals genoemd onder 1.5 van de dagvaarding) over te gaan tot:- het geheel verwijderen en verwijderd houden van deze bomen, althans
- het gedeeltelijk verwijderen en verwijderd houden van deze bomen, namelijk voor zover deze gedeelten uitkomen boven de zich tussen beide percelen bevindende scheidsmuur,
subsidiair: veroordeling van [geïntimeerden] om alle op zijn perceel aanwezige beplanting (waaronder in ieder geval begrepen de bomen 1 tot en met 5 zoals genoemd onder 1.5 van de dagvaarding) langs de grenslijn met [appellant] terug te snoeien tot een hoogte van maximaal 3 meter, met dien verstande:- dat [geïntimeerden] deze beplanting ten minste eenmaal per jaar, op een zelfgekozen moment, terugsnoeit tot een hoogte van maximaal 3 meter,
- dat [geïntimeerden] erop toeziet dat deze beplanting niet hoger wordt dan 3,5 meter en dat, als dit toch het geval blijkt te zijn, hij de beplanting alsdan met bekwame spoed dient terug te snoeien tot 3 meter, en
- dat alle genoemde hoogtes betrekking hebben op de bovenzijde van de beplanting en dienen te worden gemeten vanaf de voet van de desbetreffende beplanting,
II. het verbieden van [geïntimeerden] om binnen een afstand van twee meter c.q. een halve meter, als bedoeld in artikel 5:42 BW, opnieuw beplanting aan te brengen die hoger reikt dan de scheidsmuur op de grenslijn met het perceel van [appellant],III. het gebieden van [geïntimeerden] om alle beplanting in zijn tuin, ook buiten de afstand als bedoeld in artikel 5:42 BW, met regelmaat te snoeien zodat deze geen onevenredige schaduwwerking of andere hinder jegens [appellant] kan veroorzaken en de grenslijn met [appellant] niet meer overschrijdt,IV. veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag of dagdeel dat [geïntimeerden] in gebreke blijft om te voldoen aan de veroordelingen onder I. tot en met III.,met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, met rente.
4.1.2.
[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd. Dit verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna bij de beoordeling aan de orde komen.
4.1.3.
De rechtbank heeft [geïntimeerden] – kort gezegd – veroordeeld tot het verwijderen van de bamboe in hun voor- en achtertuin op straffe van een dwangsom. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] voor het overige afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
Procesverloop
5.1.1.
[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot het alsnog volledig toewijzen van zijn eis en terugbetaling van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.
5.1.2.
[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
5.1.3.
[geïntimeerden] hebben geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de toewijzing van de vorderingen van [appellant] ter zake de bamboe in de voor- en achtertuin van [geïntimeerden] In het principale hoger beroep heeft [appellant] geen grieven gericht tegen de afwijzing van zijn vorderingen ter zake de spar achterin de tuin van [geïntimeerden] Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een regeling bereikt over de hulststruik en de conifeer in de nabijheid van de garage en schuur van [appellant]. Om die reden heeft [appellant] zijn grief tegen de afwijzing van zijn vordering ter zake deze hulststruik en conifeer ingetrokken.
De vorderingen van [appellant] ter zake de bamboe, de spar en de hulststruik en de conifeer bij de garage en de schuur van [geïntimeerden] zijn dus geen onderdeel van dit hoger beroep.
5.1.4.
Dit maakt dat het in dit hoger beroep uitsluitend gaat om de vorderingen van [appellant] die zien op de lariks en de conifeer achter de taxushaag (hierna: de Lariks en de Conifeer). Volgens [appellant] moeten de Lariks en de Conifeer worden verwijderd of ingekort, omdat zij te dicht bij de erfgrens staan (artikel 5:42 BW) en omdat zij hinder opleveren (artikel 5:37 BW).
De vordering op grond van artikel 5:42 BW
6.1.1.
Op grond van artikel 5:42 lid 1 BW is het niet geoorloofd binnen de in lid 2 bepaalde afstand van de erfgrens bomen, heesters of heggen te hebben. In lid 2 is bepaald dat deze afstand voor bomen twee meter bedraagt en voor heesters en heggen een halve meter, tenzij op grond van een verordening of plaatselijke gewoonte een andere afstand is toegelaten. De nabuur kan zich op grond van lid 3 alleen verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters of heggen die hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven.
6.1.2.
Tussen partijen staat vast dat in de achtertuin van [appellant], tegen de perceelsgrens met [geïntimeerden] aan, een taxushaag staat van meer dan twee meter hoog en meer dan tien meter lang. Ten tijde van de plaatsopneming door de rechtbank in februari 2023 vormde de taxushaag een ondoordringbaar en (nagenoeg) ondoorzichtig geheel.
Voorts staat vast dat achter de taxushaag, op het perceel van [geïntimeerden] de Lariks en de Conifeer staan, op ongeveer 0,5 meter van de erfgrens met het perceel van [appellant]. De stammen van beide bomen stonden in februari 2023 volledig los van de taxushaag. De Lariks is ongeveer tien meter hoog en de Conifeer ruim vijftien meter. De bomen reiken dus hoger dan de taxushaag.
Ten slotte staat vast dat de Lariks en de Conifeer bomen zijn en dat de gemeente Beekdaelen geen regelgeving en geen plaatselijke gewoontes kent op grond waarvan andere afstanden gelden dan bepaald in artikel 5:42 lid 2 BW.
Dit alles maakt dat de Lariks en de Conifeer binnen de ‘verboden zone’ van artikel 5:42 BW staan en dat [appellant] op grond van dit artikel in beginsel recht heeft op verwijdering van de beide bomen.
6.1.3.
[geïntimeerden] verweren zich hiertegen met een beroep op verjaring. Zij stellen dat de Lariks en de Conifeer sinds 1999 (Lariks) respectievelijk 1995 (Conifeer) op de huidige plek staan en dat de vordering van [appellant] op grond van artikel 5:42 BW in 2019 (Lariks) respectievelijk 2015 (Conifeer) is verjaard.
6.1.4.
Bij de beoordeling van het verjaringsverweer van [geïntimeerden] stelt het hof het volgende voorop. Op grond van artikel 3:314 in samenhang met artikel 3:306 BW verjaart een vordering tot verwijdering van bomen op grond van artikel 5:42 BW na 20 jaar. De verjaringstermijn vangt aan na de dag waarop onmiddellijke opheffing van de onrechtmatige toestand kan worden gevorderd (artikel 3:314 lid 1 BW). Anders dan onder het oude recht is de strekking van artikel 5:42 BW niet alleen het voorkomen van het onttrekken van voedsel en vocht van de grond van het naburige erf, maar, zo volgt uit lid 3 van dit artikel, vooral het voorkomen dat de nabuur licht, lucht of uitzicht wordt ontnomen (Parl. Gesch. Boek 5, p. 190). Op grond van dit lid 3 kan de nabuur zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters of heggen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven. Om die reden is pas sprake van een onrechtmatige toestand op het moment dat de boom, heg of heester de hoogte van de scheidsmuur bereikt.
Dit betekent naar het oordeel van het hof dat de verjaringstermijn van de vordering tot verwijdering van beplanting op grond van artikel 5:42 BW aanvangt op de dag volgend op die waarop de beplanting de hoogte van de scheidsmuur bereikt en de onmiddellijke opheffing van die onrechtmatige toestand kan worden gevorderd.
Indien geen sprake is van een scheidsmuur zoals bedoeld in artikel 5:42 lid 3 BW, vangt de verjaringstermijn aan op de dag volgend op die waarop de beplanting is geplant (Hoge Raad 18 december1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0803).
6.1.4.
Tussen partijen staat vast dat er ter hoogte van de Lariks en de Conifeer, tussen de beide erven, een ligusterhaag heeft gestaan van circa 2 meter hoog die door [appellant], stukje bij beetje, is vervangen door de taxushaag.
Naar het oordeel van het hof kwalificeren de ligusterhaag en taxushaag, die ter vervanging van de ligusterhaag is geplant, als scheidsmuur in de zin van artikel 5:42 lid 3 BW. De beide hagen zorgen er immers voor dat de Lariks en de Conifeer [appellant] pas licht, lucht of uitzicht ontnemen als zij boven de haag uitgroeien.
6.1.5.
Het hof volgt [geïntimeerden] niet in hun redenering dat van een scheidsmuur in de zin van artikel 5:42 lid 3 BW slechts sprake kan zijn ingeval van een muur zoals gedefinieerd in artikel 5:43 BW (iedere van steen, hout, of andere daartoe geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige afsluiting). Uit hetgeen hiervoor in rov. 6.1.3. is overwogen, volgt dat het er bij de toepassing van artikel 5:42 BW om gaat of de bewuste bomen licht, lucht of uitzicht ontnemen. Om die reden is van een onrechtmatige toestand geen sprake zolang de bomen niet boven de scheidsmuur uitkomen. Pas dan ontneemt de boom licht, lucht of uitzicht bij de nabuur. Ook voor de liguster- en taxushaag geldt dat de bomen pas licht, lucht of uitzicht bij [appellant] wegnemen wanneer zij boven de haag uitgroeien. Dit maakt dat niet valt in te zien dat een liguster- of taxushaag niet geldt als een scheidsmuur in de zin van dit artikel.
6.1.6.
Volgens [geïntimeerden] volgt uit een foto van [appellant] dat de ligusterhaag niet altijd ondoorzichtig is geweest en kwalificeert deze ook om die reden niet als een scheidsmuur in de zin van artikel 5:42 lid 3 BW. De ligusterhaag vertoonde 'gaten' bij de drie gele pijlen op de foto en in die gaten hebben zij de Lariks en de Conifeer geplant, aldus Smits c.s. Dit wordt door [appellant] betwist. Volgens hem zijn op de foto geen gaten in de heg zichtbaar en heeft de rechtbank bij de plaatsopneming vastgesteld dat de Lariks en de Conifeer op 0,5 meter van de erfgrens staan.
Op de foto is de ligusterhaag te zien. De foto geeft echter geen duidelijk en niet voor twijfel vatbaar beeld van de door [geïntimeerden] gestelde gaten.
Conclusie
6.2.1.
Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover de vordering tot verwijdering van de Lariks en de Conifeer is afgewezen, en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [appellant] in zoverre alsnog zal toewijzen. Het hof zal aan de uit te spreken veroordeling tot verwijdering van de Lariks en de Conifeer een dwangsom verbinden zoals hierna te melden.
De vorderingen van [appellant] zullen voor het overige worden afgewezen. Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank dienaangaande in rov. 4.8. en 4.9. van het bestreden vonnis heeft overwogen en waartegen geen grieven zijn gericht.
6.2.2.
[geïntimeerden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in het hoger beroep.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
Explootkosten € 129,82
Griffierecht € 314,-
Salaris advocaat € 1.196,- (2 punten x tarief II)
Totaal € 1.639,82
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
Explootkosten € 137,47
Griffierechten € 349,-
Salaris advocaat € 2.428,- (2 punten x tarief II)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.092,47
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover de vordering van [appellant] tot verwijdering van de Lariks en de Conifeer is afgewezen, en, opnieuw rechtdoende,
veroordeelt [geïntimeerden] om binnen vier weken na betekening van dit arrest over te gaan tot het geheel verwijderen, en vervolgens verwijderd houden, van de Lariks en de Conifeer;
veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van een dwangsom van € 100,- per dag (of deel daarvan), tot het maximum van € 5.000,- is bereikt, voor iedere dag (of deel daarvan) dat [geïntimeerden] niet of niet volledig gevolg geven aan de veroordeling hiervoor;
veroordeelt [geïntimeerden] tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg van € 1.639,82 en het hoger beroep van € 3.092,47,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [geïntimeerden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten [geïntimeerden] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [geïntimeerden] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, F.C. Alink-Steinberg en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 februari 2025.
griffier rolraadsheer
Procesverloop
Op grond van de foto kan derhalve niet worden vastgesteld of er daadwerkelijk gaten in de ligusterhaag zaten en hoe groot deze dan waren. Hierbij komt dat als er inderdaad bij de drie gele pijlen een gat in de ligusterhaag zou zitten waardoor [appellant] de Lariks en de Conifeer had kunnen opmerken, dit niet afdoet aan de conclusie dat de ligusterhaag eraan in de weg stond dat de Lariks en de Conifeer licht, lucht en uitzicht ontnemen. Op de foto is immers wel te zien dat er een meterslange, dichte ligusterhaag van circa twee meter hoog staat. Dat hierin op drie plekken een gat zou zitten, maakt, mede gezien hetgeen hiervoor in rov. 6.1.3 en 6.1.5. is overwogen, dan ook niet dat deze niet kwalificeert als een scheidsmuur in de zin van artikel 5:42 lid 3 BW.
Hetzelfde geldt voor het feit dat [appellant] de ligusterhaag stukje bij beetje door een taxushaag heeft vervangen. Hierbij is van belang dat gesteld noch gebleken is dat er gedurende een zekere periode helemaal geen haag aanwezig is geweest.
6.1.6.
Dit betekent dat de verjaringstermijn voor de vordering tot verwijdering van de Lariks en de Conifeer is aangevangen op de dag nadat zij boven de haag zijn uitgegroeid.
[appellant] heeft [geïntimeerden] op 17 maart 2022 gedagvaard en – onder andere – verwijdering van de Lariks en de Conifeer gevorderd. De dagvaarding is voorafgegaan door een aantal aanmaningen. De laatste aanmaningen dateren van 29 september en 4 oktober 2021 en 7 februari 2022.
De vraag is vervolgens of [appellant] de verjaring van de vordering tot verwijdering van de Lariks en de Conifeer hiermee rechtsgeldig heeft gestuit. Uitgangspunt is dat de verjaringstermijn van deze vordering wordt gestuit door het instellen van een eis (artikel 3:316 lid 1 BW) dan wel door een schriftelijke aanmaning die binnen zes maanden wordt gevolgd door het instellen van een eis (artikel 3:317 lid 2 BW). Bij de beoordeling of een aanmaning aan de in artikel 3:317 lid 1BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling is gedaan en op de overige omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of de mededeling een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhoudt dat hij rekening moet houden met de mogelijkheid dat de vordering nog geldend wordt gemaakt. Bij deze beoordeling kan mede betekenis toekomen aan eventuele verdere correspondentie tussen partijen (Hoge Raad 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1489 en HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112).
Het hof is van oordeel dat de aanmaning in de e-mail van 29 september 2021 hieraan voldoet, nu [appellant] [geïntimeerden] al sinds 2017 heeft verzocht de bomen te verwijderen en partijen sindsdien veelvuldig met elkaar hebben gecommuniceerd over het verzoek van [appellant] de bomen te verwijderen en het standpunt van [geïntimeerden] dat de vordering tot verwijdering verjaard is. Dit betekent dat [appellant] de verjaring van de vordering tot verwijdering van de Lariks en de Conifeer op 29 september 2021 rechtsgeldig heeft gestuit. Gezien de verjaringstermijn van 20 jaar volgt hieruit dat vordering van [appellant] is verjaard, indien de Lariks en de Conifeer op 28 september 2001 boven de haag waren uitgegroeid.
6.1.7.
[geïntimeerden] hebben geen specifieke stellingen ingenomen over het tijdstip waarop de Lariks en de Conifeer boven de haag zijn uitgegroeid, ook niet naar aanleiding van hetgeen door [appellant] in de memorie van grieven is aangevoerd over het startpunt van de verjaringstermijn. Zij hebben volstaan met de stelling dat de Lariks en de Conifeer in 1999 resp. 1995 bij de ligusterhaag, op de huidige plek zijn geplant. Dit is onvoldoende. Het startpunt van de verjaringstermijn is immers niet het moment waarop de bomen zijn geplant, maar het moment waarop zij boven de haag zijn uitgegroeid.
6.1.8.
Ter onderbouwing van hun stelling dat de bomen in 1999 resp. 1995 zijn geplant, hebben [geïntimeerden] gewezen op de door hen overgelegde foto’s bij memorie van antwoord. Op deze foto’s is volgens [geïntimeerden] te zien dat de Conifeer in 1999 boven de haag is uitgegroeid en dat de Lariks in 2000 al bijna even hoog is als de haag.
Deze foto’s kunnen naar het oordeel van hof echter niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat de beide bomen in oktober 2001 boven de haag waren uitgegroeid. In de eerste plaats geldt dat uit de foto’s gezien de eigen stellingen van [geïntimeerden] in ieder geval niet volgt dat de Lariks in 2000 al boven de haag uitgroeide. Hierbij komt dat [appellant] gemotiveerd heeft betwist dat de Lariks en de Conifeer op de foto’s zijn te zien. Op de overgelegde foto’s is begroeiing bij de haag in de tuin van [geïntimeerden] te zien. Dat het gaat om de Lariks en de Conifeer en dat zij boven de haag uitgroeiden is echter op basis van de foto’s niet vast te stellen, ook niet nadat [geïntimeerden] tijdens de mondelinge behandeling een toelichting hebben gegeven.
6.1.9.
Dit alles maakt dat [geïntimeerden] hun stelling dat de vordering van [appellant] tot verwijdering van de Lariks en de Conifeer is verjaard, onvoldoende hebben onderbouwd. Het gaat er gezien het voorgaande immers om op welk moment de Lariks en de Conifeer boven de haag zijn gegroeid, en op dit punt hebben [geïntimeerden] onvoldoende gesteld, althans hun stellingen onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerden] hebben op dit punt ook geen bewijs aangeboden. Het hof zal het beroep op verjaring van [geïntimeerden] dan ook passeren.
6.1.10.
Dit betekent dat het hof de vordering van [appellant] tot verwijdering en het verwijderd houden van de Lariks en de Conifeer zal toewijzen. Aan de voorwaarden van artikel 5:42 BW is immers voldaan. Het hof ziet geen aanleiding om de veroordeling van [geïntimeerden] te beperken tot het inkorten van de Lariks en de Conifeer. [geïntimeerden] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij hierbij geen belang hebben. Vanwege de gevolgen van inkorten voor de bomen, is dat volgens hen geen reële optie.