Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:36
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,739 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.341.464/01
zaaknummer rechtbank : C/02/409989 / FA RK 23-2482
beschikking van 9 januari 2025
inzake
[de vrouw]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R. Wouters,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M. Kalle.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 20 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De vrouw heeft op 17 mei 2024 een hoger beroepschrift, met bijlagen, ingediend tegen voornoemde beschikking.
2.2.
De man heeft op 9 juli 2024 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 januari 2024;
- het V6-formulier met producties (1 en 2) namens de man, ingekomen ter griffie op 11 november 2024;
- het V6-formulier met producties (J en K) namens de vrouw, ingekomen ter griffie op 15 november 2024.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 22 november 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voor de vrouw heeft als tolk in de Arabische taal opgetreden S. El Mothari (tolknummer 22768).
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
De man en de vrouw zijn op 7 maart 2012 te [plaats] ( Marokko ) met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren. Partijen hebben de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.
3.3.
Bij de bestreden beschikking is tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afgewezen.
3.4.
De echtscheidingsbeschikking is op 25 april 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
4.1.
De vrouw verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de afwijzing van het verzoek tot het vaststellen van partneralimentatie, te vernietigen en het verzoek van de vrouw om een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud te bepalen van € 1.500,- per maand, toe te wijzen.
4.1.1.
De grieven van de vrouw zien op de hoogte van haar huwelijksgerelateerde behoefte, haar behoeftigheid en de draagkracht van de man.
4.2.
De man heeft verweer gevoerd en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en subsidiair een eventuele partneralimentatie te laten ingaan op de dag van de beschikking van het hof.
Motivering
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat beide partijen naast de Nederlandse
nationaliteit ook de Marokkaanse nationaliteit bezitten en in Marokko zijn gehuwd. Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek.
5.2.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Huwelijksgerelateerde behoefte
5.3.
De vrouw stelt het volgende.
Haar behoefte kan worden vastgesteld op 60% van het netto gezinsinkomen (NBGI) aan het einde van het huwelijk, zulks volgens de hofnorm. Dit is gangbaar en gebruikelijk. Het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de man tijdens het huwelijk bedroeg € 2.986,- per maand. Het NBI van de vrouw tijdens het huwelijk bedroeg € 851,- per maand. Het NBGI tijdens het huwelijk bedroeg derhalve € 3.837,-per maand. Hieruit volgt een huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.302,- netto per maand. De vrouw gaat daarbij uit van de inkomensgegevens van partijen van het jaar 2022.
5.4.
De man voert verweer wat betreft de hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte en stelt het volgende.
Partijen hadden een sobere levensstijl en zij leefden alleen van het inkomen van de man. Partijen woonden in een kleine huurwoning. De vrouw heeft een aanzienlijk beperktere behoefte en dient de hoge behoefte nader te onderbouwen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat, in het geval het hof bij de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte alsnog de hofnorm als uitgangspunt neemt en het inkomen van de vrouw meeneemt, aangesloten kan worden bij de berekening van de vrouw.
5.5.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2379 en 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050) volgt dat het hanteren van de hofnorm als enige maatstaf voor de behoefte niet op zijn plaats is wanneer daarbij voorbij gegaan wordt aan door partijen aangevoerde relevante omstandigheden. Zulke omstandigheden ziet het hof hier niet. De man heeft onvoldoende gesteld om af te wijken van de hofnorm. Ook heeft de man onvoldoende gesteld om bij de toepassing van de hofnorm alleen uit te gaan van zijn inkomsten, en het inkomen van de vrouw buiten beschouwing te laten. Het hof gaat ervan uit dat partijen tevens van het inkomen van de vrouw hebben geleefd, nu geenszins anders blijkt. Het hof zal voor de toepassing van de hofnorm dan ook uitgaan van het inkomen van zowel de man als de vrouw. De hoogte van het NBGI van partijen tijdens het huwelijk staat in dat geval niet ter discussie. Uitgegaan wordt van een huwelijksgerelateerde behoefte, zoals becijferd door de vrouw, van € 2.302,- netto per maand.
Behoeftigheid
5.6.
De volgende vraag is of de vrouw zelf in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien.
5.7.
De vrouw stelt daaromtrent het volgende.
Zij kan niet in haar behoefte voorzien en dit kan ook niet van haar worden verwacht. Zij is aan het einde van de relatie uit de woning gevlucht en verbleef in een opvanghuis. Inmiddels heeft zij een eigen woning en probeert zij haar leven op te bouwen. Hiervoor heeft de vrouw ook hulpverlening. Tijdens het huwelijk heeft zij in de zorg gewerkt. De vrouw werkt thans niet omdat zij geen diploma heeft, de Nederlandse taal niet goed machtig is en afhankelijk is van het openbaar vervoer. Zij heeft een bijstandsuitkering en daarom een inspanningsverplichting. Zij wil ook graag werken. Desondanks heeft de gemeente tegen de vrouw gezegd dat ze eerst moet zorgen dat ze leert fietsen en de Nederlandse taal goed beheerst en dat vervolgens wordt gekeken naar een opleiding en/of werk. Deze toezegging is mondeling gedaan zodat hiervan geen schriftelijke stukken kunnen worden overgelegd.
5.8.
De man stelt daartegenover het volgende.
Hij betwist dat de vrouw niet in staat is of zou zijn om in haar financiële behoefte te voorzien. De vrouw heeft tot op heden niet aangetoond dat zij behoeftig is en ook in hoger beroep ontbreken onderbouwende stukken. Het ligt op de weg van de vrouw om te onderbouwen waarom zij geen eigen inkomsten uit werk heeft. De vrouw is gezond, 39 jaar oud en heeft geen kinderen. In de omgeving van de woonplaats van de vrouw zijn veel vacatures in de zorg en schoonmaak. De vrouw kan met het openbaar vervoer naar het werk, spreekt de Nederlandse taal ruimschoots voldoende om aan het werk te gaan en zij kan via haar werk zo nodig extra scholing krijgen. Ook zonder diploma kan zij in de zorg of schoonmaak aan de slag. Tijdens het huwelijk werkte de vrouw immers ook in de zorg.
5.9.
Het hof overweegt als volgt.
5.9.1.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en weging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet in staat is om zelf in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. Het hof voegt daar nog het navolgende aan toe.
5.9.2.
De vrouw heeft tijdens het huwelijk (althans in ieder geval tot en met 2022) in de zorg gewerkt. Zij heeft niet duidelijk gemaakt waarom zij op enig moment helemaal is gestopt met werken. De vrouw is 39 jaar oud, heeft geen fysieke beperkingen (althans daarvan is niets gebleken) en heeft geen kinderen. Het had op de weg van de vrouw gelegen om te stellen en te onderbouwen wat zij de afgelopen periode heeft gedaan en nu nog doet om aan het werk te komen. Dat heeft zij nagelaten. Er zijn zoals bekend veel vacatures in de zorg, maar ook op haar mogelijkheden in andere branches, zoals de door de man genoemde schoonmaak, is de vrouw niet ingegaan. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de vrouw niet volledig kan deelnemen aan het arbeidsproces. Dat zij door de gemeente wellicht vrijgesteld is van enige sollicitatieverplichting maakt dit niet anders.
Conclusie
6.1.
Het voorgaande brengt met zich dat de behoeftigheid van de vrouw niet is komen vast te staan, zodat het alimentatieverzoek van de vrouw terecht is afgewezen en de bestreden beschikking op dit punt zal worden bekrachtigd.
De ingangsdatum en draagkracht van de man behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 20 februari 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.P. de Beij en H. van Winkel en is op 9 januari 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van de griffier.