Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-12-03
ECLI:NL:GHSHE:2025:3485
Strafrecht
Hoger beroep
10,586 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000635-24
Uitspraak : 3 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 februari 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-259367-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Sittard.
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘verkrachting’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Verder is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden.
Namens de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair alleen vrijspraak van de primair tenlastegelegde verkrachting. Verder heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de benadeelde partij heeft de raadsman primair niet-ontvankelijkheid bepleit, subsidiair heeft de raadsman verzocht om matiging.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd.
Het hof zal tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de beslissingen van de rechtbank zijn gegrond vervangen door de hierna opgenomen artikelen.
Aanvulling van de bewijsvoering
Met betrekking tot de bewijsvoering vult het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met:
- Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2022 (pg. 89-100), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
O: Opmerking verbalisant
O: Verbalisant laat de verdachte foto nummer 5, 6, 8 en 9 zien van de fotomap. Dat is een fotomap van [adres] .
V: Foto 5, de trap naar boven, herken je die?
A: Ja.
V: Foto 6, interieur van het appartement, herken je die?
A: Ja.
V: Foto 8, interieur van het appartement, herken je die?
A: Ja, ik herken dat.
V: Foto 9, interieur van het appartement, herken je die?
A: Ik herken dat.
V: Begrijp ik het dan goed dat je het interieur van dit appartement herkent en dat dit het appartement is waar je van zaterdag 8 op zondag 9 oktober jl. hebt geslapen, klopt dat?
A: Ja, ik herken het interieur als het appartement waar ik gewerkt heb en die nacht geslapen heb.
Verbetering van de bewijsoverweging
De bewijsoverwegingen van de rechtbank zullen – mede in verband met het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep – worden vervangen door de navolgende bewijsoverwegingen.
I.
Dictum
II.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is en zodoende niet gebruikt kan worden voor het bewijs.
Daartoe is door de verdediging aangevoerd dat aangeefster aanzienlijk onder invloed van alcohol was, wat kan leiden tot een versterking van negatieve gevoelens en/of een alcoholpsychose. Aangeefster heeft aan de getuige [getuige 1] meermaals iemand anders dan de verdachte aangewezen als verkrachter, terwijl vaststaat dat deze persoon in ieder geval haar niet verkracht heeft. Daarnaast bevatten de verklaringen van aangeefster over de duur van de verkrachting inconsistenties, dan wel feitelijke onjuistheden op basis van de camerabeelden.
Verder heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet overeenkomt met de verklaring van de bekende van de verdachte die ook in de woning verbleef die nacht. De getuige [getuige 2] heeft bij de raadsheer-commissaris immers verklaard aangeefster niet binnen in de woning te hebben gezien, terwijl aangeefster heeft verklaard [getuige 2] wel gezien te hebben in de woning.
III.
Oordeel hof
Het hof overweegt als volgt.
Juridisch kader
Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (vgl. onder veel meer: HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1459).
Het komt dus aan op de vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is. Voor die beoordeling zijn geen algemene regels te geven. In ieder geval is niet vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen en evenmin dat het rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit bevestigt (vgl. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717). Anders gezegd: daderschap van de verdachte kan nog steeds worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, mits de door die ene getuige gereleveerde feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan en steun vinden in ander bewijsmateriaal. Tussen de verklaring van de ene getuige en het steunbewijs mag niet een te ver verwijderd verband bestaan. Het hof vertaalt dit naar het vereiste dat het steunbewijs zal dienen te zien op feiten en omstandigheden die ook niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedragingen.
Het voorgaande betekent dat enerzijds het oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat haar verklaring in ander bewijsmateriaal voldoende steun vindt, twee afzonderlijke beslissingen zijn. Het feit dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen. Een gebrek aan voldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster kan dus ook niet worden gecompenseerd door een gemotiveerd oordeel dat die verklaring betrouwbaar is.
Deze aan te leggen toets brengt het hof tot de volgende beoordeling.
Steunbewijs
Zoals uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt, vindt de verklaring van aangeefster in voldoende mate steun in de inhoud van ander bewijsmateriaal. De situatie als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv doet zich in deze zaak dus niet voor.
Het hof wijst op het volgende steunbewijs:
i. De verklaring van getuige [getuige 1]
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij over straat liep en een man en vrouw zag. Zij zag deze personen uit een woning komen en de vrouw was aan het huilen. De getuige verklaart dat de vrouw – die later aangeefster bleek te zijn – in shock leek. De getuige zag dat de vrouw op een gegeven moment haar richting op kwam. De vrouw vroeg aan de getuige om haar niet alleen te laten met hem (het hof begrijpt: de man en de latere verdachte). Aangeefster vertelde aan de getuige dat zij door deze man de hele nacht door was verkracht. De getuige heeft verklaard dat de vrouw helemaal in een stress situatie zat en dat ze zag dat de vrouw in shock was. De getuige heeft ook verklaard dat de vrouw trilde en dat ze steeds herhaalde ‘hij komt terug’ en ‘hij komt me pakken’.
Het hof stelt – gelet op de voorgaande alinea – vast dat de getuige heeft waargenomen dat het slachtoffer in een hevige emotionele gemoedstoestand verkeerde en dat het slachtoffer aan de getuige heeft verteld dat ze is verkracht. De waarneming van de getuige heeft plaatsgevonden korte tijd nadat de verkrachting zou hebben plaatsgevonden.
Het hof overweegt dat de verklaring van een getuige, die niet ter plaatse aanwezig is geweest terwijl het strafbare feit werd gepleegd, onder omstandigheden wel als steunbewijs kan worden meegenomen indien de getuigenverklaring niet alleen een middellijke herhaling inhoudt van de lezing van het slachtoffer, maar ook een waarneming van de getuige zelf ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van het slachtoffer.
In dit geval heeft de getuige niet alleen van het slachtoffer gehoord dat zij verkracht is, maar heeft zij ook een hevige emotionele gemoedstoestand waargenomen bij aangeefster. De getuigenverklaring van [getuige 1] biedt steun aan de verklaring van aangeefster, zeker nu de waarneming van de getuige ten aanzien van de gemoedstoestand korte tijd na de vermeende verkrachting is geweest.
Het hof hecht er met het oog op de strekking en doelstelling van art. 342, tweede lid, Sv aan op te merken dat dergelijke steunbewijs-getuigen – dat wil zeggen getuigen die weinig meer dan een emotionele toestand bij het vermeende slachtoffer hebben waargenomen kort na het vermeende strafbare feit – niet zonder meer op zichzelf als voldoende steunbewijs kunnen worden aangemerkt en in principe alleen kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een bewezenverklaring als er ook nog ander steunbewijs voorhanden is.
DNA
De verklaring van aangeefster vindt voorts steun in de resultaten van het uitgevoerde DNA-onderzoek. Bij aangeefster is onder meer diep vaginaal een DNA-spoor aangetroffen. Het van dit spoor afkomstige Y-chromosomale DNA is vergeleken met dat van de verdachte. Uit de bevindingen van de DNA-deskundige drs. [deskundige] komt naar voren dat het 850.000 keer waarschijnlijker is dat het Y-chromosomaal DNA-profiel aan de verdachte – dan wel een in de mannelijke lijn aan hem verwante man – toebehoort, dan dat het aan een willekeurig gekozen – niet een in de mannelijke lijn aan hem verwante – man toebehoort. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitgesloten dat het een mogelijke broer van hem betreft, nu hij geen broers heeft. Deze uitkomst van het DNA-onderzoek ondersteunt de verklaring van aangeefster ten aanzien van de geslachtsgemeenschap.
Door de verdediging is een alternatief scenario aangevoerd ten aanzien van hoe het (vermoedelijk van de verdachte afkomstige) Y-chromosomale DNA bij aangeefster terecht kan zijn gekomen. Dit alternatieve scenario wordt later door het hof gemotiveerd terzijde geschoven.
Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is en zodoende niet gebruikt dient te worden voor het bewijs.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,
en op 3 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000635-24
Uitspraak : 3 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 februari 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-259367-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Sittard.
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘verkrachting’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Verder is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden.
Namens de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair alleen vrijspraak van de primair tenlastegelegde verkrachting. Verder heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de benadeelde partij heeft de raadsman primair niet-ontvankelijkheid bepleit, subsidiair heeft de raadsman verzocht om matiging.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd.
Het hof zal tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de beslissingen van de rechtbank zijn gegrond vervangen door de hierna opgenomen artikelen.
Aanvulling van de bewijsvoering
Met betrekking tot de bewijsvoering vult het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met:
- Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2022 (pg. 89-100), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
O: Opmerking verbalisant
O: Verbalisant laat de verdachte foto nummer 5, 6, 8 en 9 zien van de fotomap. Dat is een fotomap van [adres] .
V: Foto 5, de trap naar boven, herken je die?
A: Ja.
V: Foto 6, interieur van het appartement, herken je die?
A: Ja.
V: Foto 8, interieur van het appartement, herken je die?
A: Ja, ik herken dat.
V: Foto 9, interieur van het appartement, herken je die?
A: Ik herken dat.
V: Begrijp ik het dan goed dat je het interieur van dit appartement herkent en dat dit het appartement is waar je van zaterdag 8 op zondag 9 oktober jl. hebt geslapen, klopt dat?
A: Ja, ik herken het interieur als het appartement waar ik gewerkt heb en die nacht geslapen heb.
Verbetering van de bewijsoverweging
De bewijsoverwegingen van de rechtbank zullen – mede in verband met het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep – worden vervangen door de navolgende bewijsoverwegingen.
I.
Dictum
II.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is en zodoende niet gebruikt kan worden voor het bewijs.
Daartoe is door de verdediging aangevoerd dat aangeefster aanzienlijk onder invloed van alcohol was, wat kan leiden tot een versterking van negatieve gevoelens en/of een alcoholpsychose. Aangeefster heeft aan de getuige [getuige 1] meermaals iemand anders dan de verdachte aangewezen als verkrachter, terwijl vaststaat dat deze persoon in ieder geval haar niet verkracht heeft. Daarnaast bevatten de verklaringen van aangeefster over de duur van de verkrachting inconsistenties, dan wel feitelijke onjuistheden op basis van de camerabeelden.
Verder heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet overeenkomt met de verklaring van de bekende van de verdachte die ook in de woning verbleef die nacht. De getuige [getuige 2] heeft bij de raadsheer-commissaris immers verklaard aangeefster niet binnen in de woning te hebben gezien, terwijl aangeefster heeft verklaard [getuige 2] wel gezien te hebben in de woning.
III.
Oordeel hof
Het hof overweegt als volgt.
Juridisch kader
Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (vgl. onder veel meer: HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1459).
Het komt dus aan op de vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is. Voor die beoordeling zijn geen algemene regels te geven. In ieder geval is niet vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen en evenmin dat het rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit bevestigt (vgl. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717). Anders gezegd: daderschap van de verdachte kan nog steeds worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, mits de door die ene getuige gereleveerde feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan en steun vinden in ander bewijsmateriaal. Tussen de verklaring van de ene getuige en het steunbewijs mag niet een te ver verwijderd verband bestaan. Het hof vertaalt dit naar het vereiste dat het steunbewijs zal dienen te zien op feiten en omstandigheden die ook niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedragingen.
Het voorgaande betekent dat enerzijds het oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat haar verklaring in ander bewijsmateriaal voldoende steun vindt, twee afzonderlijke beslissingen zijn. Het feit dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen. Een gebrek aan voldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster kan dus ook niet worden gecompenseerd door een gemotiveerd oordeel dat die verklaring betrouwbaar is.
Deze aan te leggen toets brengt het hof tot de volgende beoordeling.
Steunbewijs
Zoals uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt, vindt de verklaring van aangeefster in voldoende mate steun in de inhoud van ander bewijsmateriaal. De situatie als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv doet zich in deze zaak dus niet voor.
Het hof wijst op het volgende steunbewijs:
i. De verklaring van getuige [getuige 1]
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij over straat liep en een man en vrouw zag. Zij zag deze personen uit een woning komen en de vrouw was aan het huilen. De getuige verklaart dat de vrouw – die later aangeefster bleek te zijn – in shock leek. De getuige zag dat de vrouw op een gegeven moment haar richting op kwam. De vrouw vroeg aan de getuige om haar niet alleen te laten met hem (het hof begrijpt: de man en de latere verdachte). Aangeefster vertelde aan de getuige dat zij door deze man de hele nacht door was verkracht. De getuige heeft verklaard dat de vrouw helemaal in een stress situatie zat en dat ze zag dat de vrouw in shock was. De getuige heeft ook verklaard dat de vrouw trilde en dat ze steeds herhaalde ‘hij komt terug’ en ‘hij komt me pakken’.
Het hof stelt – gelet op de voorgaande alinea – vast dat de getuige heeft waargenomen dat het slachtoffer in een hevige emotionele gemoedstoestand verkeerde en dat het slachtoffer aan de getuige heeft verteld dat ze is verkracht. De waarneming van de getuige heeft plaatsgevonden korte tijd nadat de verkrachting zou hebben plaatsgevonden.
Het hof overweegt dat de verklaring van een getuige, die niet ter plaatse aanwezig is geweest terwijl het strafbare feit werd gepleegd, onder omstandigheden wel als steunbewijs kan worden meegenomen indien de getuigenverklaring niet alleen een middellijke herhaling inhoudt van de lezing van het slachtoffer, maar ook een waarneming van de getuige zelf ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van het slachtoffer.
In dit geval heeft de getuige niet alleen van het slachtoffer gehoord dat zij verkracht is, maar heeft zij ook een hevige emotionele gemoedstoestand waargenomen bij aangeefster. De getuigenverklaring van [getuige 1] biedt steun aan de verklaring van aangeefster, zeker nu de waarneming van de getuige ten aanzien van de gemoedstoestand korte tijd na de vermeende verkrachting is geweest.
Het hof hecht er met het oog op de strekking en doelstelling van art. 342, tweede lid, Sv aan op te merken dat dergelijke steunbewijs-getuigen – dat wil zeggen getuigen die weinig meer dan een emotionele toestand bij het vermeende slachtoffer hebben waargenomen kort na het vermeende strafbare feit – niet zonder meer op zichzelf als voldoende steunbewijs kunnen worden aangemerkt en in principe alleen kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een bewezenverklaring als er ook nog ander steunbewijs voorhanden is.
DNA
De verklaring van aangeefster vindt voorts steun in de resultaten van het uitgevoerde DNA-onderzoek. Bij aangeefster is onder meer diep vaginaal een DNA-spoor aangetroffen. Het van dit spoor afkomstige Y-chromosomale DNA is vergeleken met dat van de verdachte. Uit de bevindingen van de DNA-deskundige drs. [deskundige] komt naar voren dat het 850.000 keer waarschijnlijker is dat het Y-chromosomaal DNA-profiel aan de verdachte – dan wel een in de mannelijke lijn aan hem verwante man – toebehoort, dan dat het aan een willekeurig gekozen – niet een in de mannelijke lijn aan hem verwante – man toebehoort. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitgesloten dat het een mogelijke broer van hem betreft, nu hij geen broers heeft. Deze uitkomst van het DNA-onderzoek ondersteunt de verklaring van aangeefster ten aanzien van de geslachtsgemeenschap.
Door de verdediging is een alternatief scenario aangevoerd ten aanzien van hoe het (vermoedelijk van de verdachte afkomstige) Y-chromosomale DNA bij aangeefster terecht kan zijn gekomen. Dit alternatieve scenario wordt later door het hof gemotiveerd terzijde geschoven.
Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is en zodoende niet gebruikt dient te worden voor het bewijs.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,
en op 3 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Dictum
Het hof constateert dat aangeefster tegenover getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verkrachting de hele nacht heeft geduurd, terwijl ze later bij de politie in eerste instantie aangeeft dat het ongeveer 10 minuten heeft geduurd. De camerabeelden laten zien dat ze ongeveer anderhalf uur binnen in het pand is geweest waar de verkrachting zou hebben plaatsgevonden. Nadat aangeefster met deze beelden is geconfronteerd, stelt zij dat het dan langer moet hebben geduurd, maar dat ze het niet weet. Dat aangeefster vlak na het
voorval – terwijl ze volgens de getuige in shock is – verklaart dat het de hele nacht heeft geduurd, maakt niet dat haar verklaring daarom in het geheel onbetrouwbaar is. Haar verklaringen komen op essentiële onderdelen overeen. Het hof acht het ook voorstelbaar dat aangeefster niet onmiddellijk tegen een voor haar onbekend persoon op straat – terwijl de verdachte nog in de buurt is – haar hele verhaal wil doen. Ze heeft kort na het incident gedetailleerd haar verhaal gedaan bij de politie.
Aangeefster heeft toen zij met getuige [getuige 1] over straat liep meermaals iemand foutief heeft aangewezen als haar verkrachter. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat aangeefster op dat moment in een hevige emotionele toestand was en dat ze continu bang was dat haar verkrachter er aan zou komen. Het hof overweegt dat het foutief aanwijzen van mensen op straat als haar verkrachter – terwijl zij in een dergelijke emotionele staat verkeerde – niet af doet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster voor zover die inhouden dat er tegen haar zin seksuele gemeenschap met haar heeft plaatsgevonden door de verdachte. Juist op dat punt immers is er namelijk ook nog het DNA-bewijs dat op betrokkenheid van de verdachte wijst.
De verdachte heeft verklaard dat hij juist degene was die ongewenste intieme handelingen van aangeefster heeft moeten ondergaan buiten in de portiek. Zij probeerde hem te verleiden en hij was eigenlijk niet gediend van haar, aldus de verdachte. Verbalisanten hebben de camerabeelden beschreven en daaruit volgt dat op straat de verdachte op enig moment een arm om aangeefster slaat. De verbalisanten registreren dan dat zij een wegtrekkende beweging maakt. De beschrijving van de camerabeelden sluit beter aan bij de lezing van aangeefster dan bij de verklaring van de verdachte zodat het voor het hof niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich ongewild met aangeefster geconfronteerd zag.
Verder heeft aangeefster verklaard hoe het appartement eruit zag van binnen. Zij heeft verklaard dat ze meerdere trappen op moest en dat ze het gevoel had dat het appartement zich op de bovenste verdieping bevond. Zij heeft verklaard dat het appartement een bouwval was en zij heeft een tekening gemaakt, die goed overeenkomt met de foto’s van het appartement zoals die zich in het dossier bevinden. Zo heeft aangeefster een tafel en een bank getekend en heeft ze beschreven dat op de tafel sauzen stonden. Op de foto’s in het dossier zijn inderdaad een tafel en een bank te zien in de opstelling zoals door de aangeefster getekend is. Verder heeft aangeefster verklaard dat ze sauzen heeft gezien en dat het eruit zag alsof er zelf eten is bereid in deze bouwval in plaats van dat er eten is afgehaald. Deze omschrijving is in overeenstemming met de foto’s in het procesdossier.
De verdachte heeft dienaangaande verklaard dat dit mogelijk is omdat hij in de portiek beneden en nog buiten het appartement foto’s heeft laten zien aan aangeefster, om aan te tonen dat het niet mogelijk was dat ze mee naar boven zou gaan. Het hof acht het onaannemelijk dat aangeefster op basis van het zien van enkele foto’s – terwijl zij op dat moment ook nog in een dronken toestand verkeerde – zich dergelijke details kan herinneren. Het hof acht het veel plausibeler dat zij zich deze details kan herinneren, omdat zij daadwerkelijk in het appartement is geweest. Het hof overweegt dat de herinnering van hoe het appartement eruit zag van binnen en het feit dat aangeefster deze ondanks haar dronken toestand adequaat heeft kunnen beschrijven een bijdraagt aan het oordeel dat de verklaring van aangeefster als betrouwbaar kan worden aangemerkt.
Het hof overweegt overigens dat het enkele feit dat een getuige onder invloed is van alcohol niet onmiddellijk meebrengt dat de door die getuige afgelegde verklaring dus geheel onbetrouwbaar is. Voor dat eindoordeel zijn immers ook nog andere beoordelingsfactoren relevant.
Aan de verklaring van getuige [getuige 2] , die stelt aangeefster niet gezien te hebben in de woning terwijl aangeefster stelt dat ze elkaar wel in de woning gezien hebben, hecht het hof geen geloof. Deze getuige is een bekende van de verdachte en heeft zijn verklaring afgelegd nadat de verdachte met zijn scenario, waarin hij beneden is gebleven met aangeefster, is gekomen.
Alles afwegende acht het hof de verklaring van aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Alternatief scenario
De verdachte heeft een alternatief scenario naar voren gebracht inhoudende dat aangeefster en hij beneden in de portiek zijn gebleven en op geen enkel moment naar boven zijn gegaan. Aangeefster heeft vervolgens geprobeerd om de verdachte te verleiden door haar vingers in zijn mond te stoppen en vervolgens in haar slipje. Toen aangeefster haar hand uit haar slipje haalde heeft hij tegen haar gezegd dat ze stonk en zou zij zijn weggegaan. Dat zou kunnen verklaren waarom aangeefster emotioneel was toen getuige [getuige 1] haar waarnam en dat biedt ook een verklaring voor het aangetroffen Y-chromosomale DNA bij aangeefster.
Dit door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario vindt reeds zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] . Door het plegen van dit feit heeft de verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar daarmee onherstelbaar leed aangedaan. Het is algemeen bekend dat een verkrachting door slachtoffers als zeer ingrijpend wordt ervaren en nadelige gevolgen op emotioneel en seksueel gebied voor het slachtoffer met zich kan brengen. Dat de verkrachting een diepe indruk heeft achtergelaten op het slachtoffer, waarvan zij tot op heden veel last ervaart, blijkt uit hetgeen namens het slachtoffer naar voren is gebracht ter terechtzitting in hoger beroep. De verdachte heeft met zijn handelen op geen enkele wijze rekening gehouden met de voor het slachtoffer mogelijke nadelige gevolgen. Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat hij heeft gehandeld, zoals bewezenverklaard.
Dictum
Het hof constateert dat aangeefster tegenover getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verkrachting de hele nacht heeft geduurd, terwijl ze later bij de politie in eerste instantie aangeeft dat het ongeveer 10 minuten heeft geduurd. De camerabeelden laten zien dat ze ongeveer anderhalf uur binnen in het pand is geweest waar de verkrachting zou hebben plaatsgevonden. Nadat aangeefster met deze beelden is geconfronteerd, stelt zij dat het dan langer moet hebben geduurd, maar dat ze het niet weet. Dat aangeefster vlak na het
voorval – terwijl ze volgens de getuige in shock is – verklaart dat het de hele nacht heeft geduurd, maakt niet dat haar verklaring daarom in het geheel onbetrouwbaar is. Haar verklaringen komen op essentiële onderdelen overeen. Het hof acht het ook voorstelbaar dat aangeefster niet onmiddellijk tegen een voor haar onbekend persoon op straat – terwijl de verdachte nog in de buurt is – haar hele verhaal wil doen. Ze heeft kort na het incident gedetailleerd haar verhaal gedaan bij de politie.
Aangeefster heeft toen zij met getuige [getuige 1] over straat liep meermaals iemand foutief heeft aangewezen als haar verkrachter. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat aangeefster op dat moment in een hevige emotionele toestand was en dat ze continu bang was dat haar verkrachter er aan zou komen. Het hof overweegt dat het foutief aanwijzen van mensen op straat als haar verkrachter – terwijl zij in een dergelijke emotionele staat verkeerde – niet af doet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster voor zover die inhouden dat er tegen haar zin seksuele gemeenschap met haar heeft plaatsgevonden door de verdachte. Juist op dat punt immers is er namelijk ook nog het DNA-bewijs dat op betrokkenheid van de verdachte wijst.
De verdachte heeft verklaard dat hij juist degene was die ongewenste intieme handelingen van aangeefster heeft moeten ondergaan buiten in de portiek. Zij probeerde hem te verleiden en hij was eigenlijk niet gediend van haar, aldus de verdachte. Verbalisanten hebben de camerabeelden beschreven en daaruit volgt dat op straat de verdachte op enig moment een arm om aangeefster slaat. De verbalisanten registreren dan dat zij een wegtrekkende beweging maakt. De beschrijving van de camerabeelden sluit beter aan bij de lezing van aangeefster dan bij de verklaring van de verdachte zodat het voor het hof niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich ongewild met aangeefster geconfronteerd zag.
Verder heeft aangeefster verklaard hoe het appartement eruit zag van binnen. Zij heeft verklaard dat ze meerdere trappen op moest en dat ze het gevoel had dat het appartement zich op de bovenste verdieping bevond. Zij heeft verklaard dat het appartement een bouwval was en zij heeft een tekening gemaakt, die goed overeenkomt met de foto’s van het appartement zoals die zich in het dossier bevinden. Zo heeft aangeefster een tafel en een bank getekend en heeft ze beschreven dat op de tafel sauzen stonden. Op de foto’s in het dossier zijn inderdaad een tafel en een bank te zien in de opstelling zoals door de aangeefster getekend is. Verder heeft aangeefster verklaard dat ze sauzen heeft gezien en dat het eruit zag alsof er zelf eten is bereid in deze bouwval in plaats van dat er eten is afgehaald. Deze omschrijving is in overeenstemming met de foto’s in het procesdossier.
De verdachte heeft dienaangaande verklaard dat dit mogelijk is omdat hij in de portiek beneden en nog buiten het appartement foto’s heeft laten zien aan aangeefster, om aan te tonen dat het niet mogelijk was dat ze mee naar boven zou gaan. Het hof acht het onaannemelijk dat aangeefster op basis van het zien van enkele foto’s – terwijl zij op dat moment ook nog in een dronken toestand verkeerde – zich dergelijke details kan herinneren. Het hof acht het veel plausibeler dat zij zich deze details kan herinneren, omdat zij daadwerkelijk in het appartement is geweest. Het hof overweegt dat de herinnering van hoe het appartement eruit zag van binnen en het feit dat aangeefster deze ondanks haar dronken toestand adequaat heeft kunnen beschrijven een bijdraagt aan het oordeel dat de verklaring van aangeefster als betrouwbaar kan worden aangemerkt.
Het hof overweegt overigens dat het enkele feit dat een getuige onder invloed is van alcohol niet onmiddellijk meebrengt dat de door die getuige afgelegde verklaring dus geheel onbetrouwbaar is. Voor dat eindoordeel zijn immers ook nog andere beoordelingsfactoren relevant.
Aan de verklaring van getuige [getuige 2] , die stelt aangeefster niet gezien te hebben in de woning terwijl aangeefster stelt dat ze elkaar wel in de woning gezien hebben, hecht het hof geen geloof. Deze getuige is een bekende van de verdachte en heeft zijn verklaring afgelegd nadat de verdachte met zijn scenario, waarin hij beneden is gebleven met aangeefster, is gekomen.
Alles afwegende acht het hof de verklaring van aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Alternatief scenario
De verdachte heeft een alternatief scenario naar voren gebracht inhoudende dat aangeefster en hij beneden in de portiek zijn gebleven en op geen enkel moment naar boven zijn gegaan. Aangeefster heeft vervolgens geprobeerd om de verdachte te verleiden door haar vingers in zijn mond te stoppen en vervolgens in haar slipje. Toen aangeefster haar hand uit haar slipje haalde heeft hij tegen haar gezegd dat ze stonk en zou zij zijn weggegaan. Dat zou kunnen verklaren waarom aangeefster emotioneel was toen getuige [getuige 1] haar waarnam en dat biedt ook een verklaring voor het aangetroffen Y-chromosomale DNA bij aangeefster.
Dit door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario vindt reeds zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] . Door het plegen van dit feit heeft de verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar daarmee onherstelbaar leed aangedaan. Het is algemeen bekend dat een verkrachting door slachtoffers als zeer ingrijpend wordt ervaren en nadelige gevolgen op emotioneel en seksueel gebied voor het slachtoffer met zich kan brengen. Dat de verkrachting een diepe indruk heeft achtergelaten op het slachtoffer, waarvan zij tot op heden veel last ervaart, blijkt uit hetgeen namens het slachtoffer naar voren is gebracht ter terechtzitting in hoger beroep. De verdachte heeft met zijn handelen op geen enkele wijze rekening gehouden met de voor het slachtoffer mogelijke nadelige gevolgen. Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat hij heeft gehandeld, zoals bewezenverklaard.