Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-11-26
ECLI:NL:GHSHE:2025:3427
Strafrecht
Hoger beroep
2,043 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHSHE:2025:3427 text/xml public 2026-02-27T15:31:21 2025-11-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-11-26 20-002382-24 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3427 text/html public 2026-02-27T15:30:02 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:3427 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 26-11-2025 / 20-002382-24 Bedreiging. Mishandeling. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Parketnummer : 20-002382-24 Uitspraak : 26 november 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-179899-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘bedreiging’ (feit 2) vrijgesproken. De politierechter heeft de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ (feit 1) en ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’ (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 1.120,85, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met veroordeling van de verdachte in de proceskosten. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is beperkt ingesteld en richt zich niet tegen de vrijspraak door de rechtbank van hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen ten aanzien van de bewezenverklaring en het bewijs, en zal vernietigen ten aanzien van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft in dat kader gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest en met de bijzondere voorwaarden met betrekking tot het contactverbod en het gebiedsverbod zoals door de politierechter is opgelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 1.270,85, bestaande uit € 1.000,00 aan immateriële schade en € 270,85 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige te beslissen zoals de politierechter heeft gedaan. Namens de verdachte is primair vrijspraak van beide feiten bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is primair afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid bepleit, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is bepleit dat een kostenpost van het materiële deel van de vordering dient te worden afgewezen en dat de vordering voor wat betreft het immateriële deel dient te worden gematigd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en de gronden waarop het berust, met dien verstande dat: de bewijsmiddelen door het hof worden aangevuld met de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep; de bewijsoverwegingen van de politierechter op pagina’s 9 en 10 van het vonnis wordt geschrapt en vervangen door de onderstaande bewijsoverweging; en de motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij wordt aangevuld. Aanvulling bewijsmiddelen De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling. Naast de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op het bewijsmiddel zoals hierna is weergegeven. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 12 november 2025, voor zover inhoudende: Ik ben op 26 mei 2024 bij mevrouw [slachtoffer] haar huis geweest. Ik zal wel boos zijn geweest en zal verhaal hebben willen halen. Ik heb mevrouw [getuige] ook bij de woning van mevrouw [slachtoffer] gezien. Bewijsmotivering Algemene overwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Bepleite vrijspraak De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten. Hiertoe is – in de kern – aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] op meerdere punten van elkaar afwijken. Ook wijken de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] bij de raadsheer-commissaris af van hun eerdere verklaringen bij de politie. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat het letsel van [slachtoffer] is opgelopen door het handelen van de verdachte. Op 26 mei 2024 was er namelijk nog geen sprake van zichtbaar letsel. Pas op 30 mei 2024 werd door de huisarts een bult op het achterhoofd van [slachtoffer] geconstateerd. Het causale verband tussen de gebeurtenissen op 26 mei 2024 en de bult is daarmee niet voldoende aannemelijk. Tevens kan de vernieling van de ruit niet wettig en overtuigend worden bewezen, aangezien nergens uit blijkt dat de ruit voor de komst van de verdachte nog niet beschadigd was. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De verdachte heeft verklaard dat hij op 26 mei 2024 bij het huis van aangeefster [slachtoffer] is geweest omdat hij, naar alle waarschijnlijkheid, verhaal bij haar wilde halen. Toen hij daar was heeft hij mevrouw [getuige] ook gezien. [slachtoffer] en [getuige] hebben beide bij de politie verklaard dat de verdachte [slachtoffer] tijdens dat bezoek meerdere keren met zijn helm tegen het hoofd heeft geslagen, haar aan haar haren heeft getrokken en dat de verdachte met zijn helm op een ruit van de woning heeft gebonkt. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De verklaringen komen weliswaar niet geheel met elkaar overeen, maar vinden wel in kernelementen steun in elkaar. Zo verklaren [slachtoffer] en [getuige] gelijkluidend over de geweldshandelingen die de verdachte heeft gepleegd, namelijk het met zijn helm tegen het hoofd van [slachtoffer] slaan, het aan de haren trekken van [slachtoffer] en het met zijn helm op de ruit van de woning bonken. Bij de raadsheer-commissaris hebben [slachtoffer] en [getuige] hun eerdere verklaringen bij de politie op essentiële punten gehandhaafd. Ook komen de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] bij de raadsheer-commissaris wederom in de kern met elkaar overeen. Op grond van het voorgaande twijfelt het hof niet aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. Over het letsel van [slachtoffer] dat pas een paar dagen na het geweldsincident zou zijn geconstateerd oordeelt het hof als volgt. [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat zij pijn had aan haar hoofd en nek had door de harde klappen met de helm die zij van de verdachte heeft gekregen.