Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-06
ECLI:NL:GHSHE:2025:332
Strafrecht
Hoger beroep
3,246 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001310-23
Uitspraak : 6 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-820506-17 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld ter zake van :
-feit 1: verduistering;
-feit 2: verduistering;
-feit 4 primair: oplichting;
tot:
- een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en
- een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.
De rechtbank heeft verdachte van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde telkens vrijgesproken voor zover daarin is ten laste gelegd dat verdachte de verduistering heeft gepleegd ‘uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking’ van/als algemeen directeur. Tevens heeft de rechtbank ten aanzien van feit 1 verdachte vrijgesproken van het – kort gezegd – verduisteren van een bedrag van € 226.484,07 en heeft bewezen de verduistering van een bedrag van € 118.255,26.
Verder heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde.
Tenslotte heeft de rechtbank ten aanzien van feit 4 de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering verklaard en bepaald dat deze de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open.
Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak voor hetgeen onder 3 is ten laste gelegd
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft verweer gevoerd betreffende de bewezenverklaring van feit 1 en heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de feiten 2 en 4 gerefereerd aan het oordeel van het hof. Verder heeft de verdediging nog een strafmaatverweer gevoerd en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft zij verzocht de beslissing van de rechtbank te bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en met de redengeving waarop dit berust met inbegrip van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .
Standpunt verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 het in eerste aanleg gevoerde verweer in hoger beroep herhaald. Kort gezegd komt dit verweer erop neer dat verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken, waartoe de verdediging – gelijk als in eerste aanleg – het navolgende heeft aangevoerd (zakelijk weergegeven):
1. verdachte heeft het ten laste gelegde bedrag zich niet wederrechtelijk toegeëigend omdat een groot deel van het geld op de rekeningcourant van [bedrijf] toebehoorde aan verdachte;
2) er met betrekking tot het geld geen sprake was van een aan een ander toebehorend goed;
3) er geen sprake was van een dienstbetrekking in de zin van artikel 322 Sr;
4) verdachte niet het opzet heeft gehad op het plegen van de ten laste gelegde verduistering.
Het hof stelt vast dat de rechtbank in het beroepen vonnis gemotiveerd op elk van de vier hiervoor genoemde aspecten is ingegaan (vonnis pagina’s 3 en 4). In hetgeen door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht, ziet het hof geen aanleiding ten aanzien van die punten anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan en bevestigt het vonnis op die onderdelen.
Het als punt 5 door de verdediging in hoger beroep ingebrachte standpunt, dat enkel kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van “enig geldbedrag”, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.
Strafoplegging
De verdediging heeft bepleit dat de door de rechtbank opgelegde straf gematigd dient te worden omdat de zaak inmiddels gedateerd is, verdachte niet opnieuw in aanraking is gekomen met justitie en bezig is de civielrechtelijke veroordeling ten aanzien van feit 2 na te komen.
Het hof volgt de verdediging niet in dit standpunt en schaart zich achter de strafoplegging door de rechtbank en de motivering daarvan als neergelegd op pagina 6 tot en met 8 van het vonnis.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – met inachtneming van al hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. J.H. de Krijger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 6 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001310-23
Uitspraak : 6 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-820506-17 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld ter zake van :
-feit 1: verduistering;
-feit 2: verduistering;
-feit 4 primair: oplichting;
tot:
- een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en
- een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.
De rechtbank heeft verdachte van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde telkens vrijgesproken voor zover daarin is ten laste gelegd dat verdachte de verduistering heeft gepleegd ‘uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking’ van/als algemeen directeur. Tevens heeft de rechtbank ten aanzien van feit 1 verdachte vrijgesproken van het – kort gezegd – verduisteren van een bedrag van € 226.484,07 en heeft bewezen de verduistering van een bedrag van € 118.255,26.
Verder heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde.
Tenslotte heeft de rechtbank ten aanzien van feit 4 de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering verklaard en bepaald dat deze de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open.
Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak voor hetgeen onder 3 is ten laste gelegd
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft verweer gevoerd betreffende de bewezenverklaring van feit 1 en heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de feiten 2 en 4 gerefereerd aan het oordeel van het hof. Verder heeft de verdediging nog een strafmaatverweer gevoerd en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft zij verzocht de beslissing van de rechtbank te bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en met de redengeving waarop dit berust met inbegrip van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .
Standpunt verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 het in eerste aanleg gevoerde verweer in hoger beroep herhaald. Kort gezegd komt dit verweer erop neer dat verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken, waartoe de verdediging – gelijk als in eerste aanleg – het navolgende heeft aangevoerd (zakelijk weergegeven):
1. verdachte heeft het ten laste gelegde bedrag zich niet wederrechtelijk toegeëigend omdat een groot deel van het geld op de rekeningcourant van [bedrijf] toebehoorde aan verdachte;
2) er met betrekking tot het geld geen sprake was van een aan een ander toebehorend goed;
3) er geen sprake was van een dienstbetrekking in de zin van artikel 322 Sr;
4) verdachte niet het opzet heeft gehad op het plegen van de ten laste gelegde verduistering.
Het hof stelt vast dat de rechtbank in het beroepen vonnis gemotiveerd op elk van de vier hiervoor genoemde aspecten is ingegaan (vonnis pagina’s 3 en 4). In hetgeen door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht, ziet het hof geen aanleiding ten aanzien van die punten anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan en bevestigt het vonnis op die onderdelen.
Het als punt 5 door de verdediging in hoger beroep ingebrachte standpunt, dat enkel kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van “enig geldbedrag”, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.
Strafoplegging
De verdediging heeft bepleit dat de door de rechtbank opgelegde straf gematigd dient te worden omdat de zaak inmiddels gedateerd is, verdachte niet opnieuw in aanraking is gekomen met justitie en bezig is de civielrechtelijke veroordeling ten aanzien van feit 2 na te komen.
Het hof volgt de verdediging niet in dit standpunt en schaart zich achter de strafoplegging door de rechtbank en de motivering daarvan als neergelegd op pagina 6 tot en met 8 van het vonnis.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – met inachtneming van al hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. J.H. de Krijger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 6 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.