Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-10-14
ECLI:NL:GHSHE:2025:3134
Strafrecht
Hoger beroep
8,133 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:3134 text/xml public 2026-02-26T13:45:01 2025-11-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-14 20-000345-24 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3134 text/html public 2026-02-26T13:43:12 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:3134 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-10-2025 / 20-000345-24 Medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Medeplegen van een ander door geweld en door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen. Medeplegen van mishandeling. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Parketnummer : 20-000345-24 Uitspraak : 14 oktober 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-025343-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het aan hem onder 1 primair en 3 primair tenlastegelegde en ter zake van: medeplegen van een poging tot zware mishandeling (het onder 1 subsidiair tenlastegelegde); medeplegen van een ander door geweld en door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen (het onder 2 tenlastegelegde); medeplegen van mishandeling (het onder 3 subsidiair tenlastegelegde); handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (het onder 4 tenlastegelegde) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel zijn, naast de algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden verbonden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een drugs- en alcoholverbod, waarbij aan de reclassering de opdracht is gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding en beide benadeelde partijen zijn veroordeeld in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil. Aan de verdachte is ten behoeve van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, ten aanzien van [slachtoffer 1] voor een bedrag van € 2.635,00 en ten aanzien van [slachtoffer 2] voor een bedrag van € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2023 tot aan de dag van de volledige voldoening. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 5.394,60, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige gedeelte zal afwijzen. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren ten aanzien van de gevorderde affectieschade. De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 primair en 3 primair tenlastegelegde. Met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de eerste tenlastegelegde handeling. Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2, 3 subsidiair en 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Tevens heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd en verzocht dat het hof de voorlopige hechtenis zal opheffen. De verdediging heeft daarnaast verzocht dat het hof de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevorderde materiële schade ter hoogte van € 150,00 (wegnemen geldbedrag) zal afwijzen en voor het overige gedeelte van de gevorderde materiële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Tevens heeft de verdediging bepleit dat het hof het toe te wijzen bedrag met betrekking tot de gevorderde immateriële schade zal matigen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de verdediging bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren ten aanzien van de gevorderde affectieschade en het toe te wijzen bedrag met betrekking tot de gevorderde immateriële schade zal matigen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, met dien verstande dat de bewijsmiddelen worden verbeterd en aangevuld op de wijze als hierna is vermeld en de bewijsoverwegingen tevens worden aangevuld op na te melden wijze, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en doet in zoverre opnieuw recht. Het hof overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 het volgende. In de bewezenverklaring van feit 2 is het volgende onderdeel bewezenverklaard: ‘met een mes, op/in/tegen (…) de buikstreek van die [slachtoffer 1] te slaan en/of steken’. Het hof is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen, uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting volgt dat [slachtoffer 1] in de buikstreek is geslagen en/of gestoken met een mes. De rechtbank heeft in het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde identieke verwijt dan ook terecht het element ‘buikstreek’ niet bewezenverklaard. Het hof zal derhalve het woord ‘buikstreek’ ook in de bewezenverklaring van feit 2 schrappen en de bewezenverklaring van feit 2 in die zin verbeterd lezen. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen Het hof is van oordeel dat de bewijsmiddelen aanvulling behoeven en na hetgeen op pagina 5 is opgenomen voegt het hof het navolgende bewijsmiddel toe: Inbeslagneming Plaats: [adres 2] Datum en tijd: 25 januari 2023 Beslagene: Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] Geboren: [geboortedag] 1977 Volgnummer 1: Goednummer: PL2300-2023012748-1576063 Daarnaast is het hof van oordeel dat het bewijsmiddel op pagina 6, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2023, pg. 212-213 (voetnoot 6) aanvulling behoeft met het navolgende: Goednummer: PL2300-2023012748-1576063 Tot slot is het hof van oordeel dat de inhoud van het bewijsmiddel op pagina 6, inhoudende de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, verbetering behoeft en het hof stelt daarvoor het navolgende in de plaats: Ik kreeg een appje van [betrokkene 1] dat haar ex, [slachtoffer 1] , weer bezig was. Toen ik bij haar binnen kwam, was ze helemaal in paniek en haar kleine kind was ook aan het huilen. Ik moest er iets aan doen vond ik. (…) We zijn toen met z’n tweeën naar boven gegaan. De persoon die ik bij me had ging voorop.
Volledig
Ik ging me met vader [slachtoffer 1] bemoeien. Die andere persoon heeft hem ook mishandeld. Het is uit de hand gelopen. Ik heb dreigementen geuit. Ik heb gezegd: ‘Laat haar met rust’. Ik wilde dat hij zou zeggen dat hij zou stoppen met haar lastig te vallen. Ik heb met dat mes over zijn hoofd gesneden. In de auto op weg naar [slachtoffer 1] liet die persoon zien dat hij het mes bij zich had en toen heb ik het van hem overgenomen. Ik heb die andere persoon opgejut om met mij mee te komen. Hij is mee naar binnen gegaan bij [betrokkene 1] om het gesprek aan te horen. Hij heeft ook gezien hoezeer zij en de kinderen in paniek waren. Ik heb de andere persoon opgetrommeld zodat ik niet alleen was. Ik heb hem opgejut door te zeggen dat we daarheen zouden gaan om te kijken wat er aan de hand is. Hij moest mij helpen. Ik vond dat ik [slachtoffer 1] een lesje moest leren. In de auto op weg naar [slachtoffer 1] had ik pas gezien dat de andere persoon een mes bij zich had. Ik was degene die reed. Onderweg hadden we pas besproken hoe we het zouden gaan aanpakken. We hadden afgesproken dat hij voorop zou gaan en de rest is bekend. Aanvulling van de bewijsoverwegingen Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde vrijspraak bepleit ten aanzien van de eerste tenlastegelegde handeling, te weten het ‘met een mes, in ieder geval een scherp en/of puntig voorwerp, op/in/tegen het gelaat, hoofd, de handen en/of de buikstreek, in ieder geval het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestoken’. Het hof is van oordeel dat deze tenlastegelegde handeling op grond van de aangifte van [slachtoffer 1] bewezen kan worden verklaard, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Het hof ziet geen enkele aanleiding om ten aanzien van dit gedeelte te twijfelen aan de aangifte en het hof acht de gehele aangifte van [slachtoffer 1] dan ook betrouwbaar. Derhalve verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank met betrekking tot voornoemde tenlastegelegde handeling. Ten aanzien van hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard over zijn onbekendheid met de aanwezigheid en mishandeling van [slachtoffer 2] in de woning, overweegt het hof als volgt. Met het betreden van de woning heeft de verdachte allereerst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat daar ook andere personen (familieleden) aanwezig zouden zijn dan alleen [slachtoffer 1] . Nu de verdachte een mededader heeft meegenomen heeft hij daarmee ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ook deze andere personen geweld zou worden aangedaan. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij niets heeft meegekregen van de mishandeling van [slachtoffer 2] , acht het hof bovendien ongeloofwaardig, nu deze mishandeling tegelijkertijd plaatsvond met de mishandeling van [slachtoffer 1] en in de keuken van dezelfde woning door de (door verdachte zelf meegebrachte) mededader. In deze feitelijke gang van zaken en de overige omstandigheden zoals deze uit de bewijsmiddelen blijken, volgt dat ook het medeplegen van de mishandeling van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. De verdachte is op 24 januari 2023 samen met een (onbekend gebleven) medeverdachte naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan, met het kennelijke doel daar ‘voor eigen rechter’ te spelen. In die woning aangekomen hebben de verdachte en zijn medeverdachte fors geweld toegepast op [slachtoffer 1] in het bijzijn van diens (toen) vijftienjarige zoon en hem door dat geweld en bedreiging met geweld willen dwingen de ex van [slachtoffer 1] ( [betrokkene 1] ) met rust te laten en geen contact met haar op te nemen. Ook tegen de zoon hebben ze in het bijzijn van zijn vader geweld toegepast, terwijl vader hem niet kon helpen, omdat hij op dat moment zelf werd aangevallen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van vader en zoon blijkt dat (naast het fysieke leed) het feit dat ze elkaar niet konden helpen voor beiden een grote impact heeft gehad en dat ze dit maar moeilijk kunnen verwerken. Daarnaast zijn bij het geweld messen en een riem gebruikt en vond dit plaats in de eigen woning van de slachtoffers; de plaats waar iemand zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Daarnaast heeft de verdachte in strijd gehandeld met de Wet wapens en munitie. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 26 september 2025, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze veroordeling dateren echter uit 2002 en daarvoor, zodat het hof daaraan geen gewicht zal toekennen bij de strafoplegging. Bij de straftoemeting heeft het hof voorts gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In het voordeel van de verdachte zal het hof rekening houden met het rapport van het Pro Justitia-onderzoek van GZ-psycholoog [psycholoog] d.d. 3 mei 2023, waarin wordt geadviseerd verdachte het ten laste gelegde de verdachte in verminderde mate toe te rekenen, welk advies het hof overneemt. Tevens heeft het hof in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 14 mei 2025. Hieruit volgt dat de verdachte sinds 25 mei 2023 reclasseringstoezicht heeft, waarbij de verdachte steeds goed meewerkt aan de bijzondere voorwaarden. Hij is trouw in het nakomen van afspraken en stelt zich transparant en begeleid- en leerbaar op. Na het wijzen van het vonnis waarvan beroep, wat een enorme weerslag had op de verdachte, herpakte hij zich en bleef hij zijn nieuw ingeslagen weg volgen. De risico’s waren ten tijde van onderhavig delict gelegen in de verslavingsproblematiek en de psychische gesteldheid. Deze omstandigheden zijn inmiddels gewijzigd en in hun gewijzigde vorm stabiel te noemen waardoor de reclassering het recidiverisico nu als laag beoordeelt. Huisvesting, contact met kinderen en familie, houding, abstinentie van middelen, verworven inzicht op gebied van zelfcontrole en verandering van reactiepatronen worden nu als beschermende factoren aangemerkt. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een drugsverbod en het meewerken aan middelencontrole. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging naar voren gebracht dat het nadien opgemaakte reclasseringsadvies d.d. 13 augustus 2025 met name ziet op de zaak met parketnummer 03-181093-25, waarbij de verdachte is veroordeeld voor mishandeling van zijn zoon. In die zaak heeft de verdachte aangegeven enkel afgestraft te willen worden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij in onderhavige zaak wel degelijk openstaat voor reclasseringstoezicht en behandeling. Het hof is alles overziende en in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Volledig
Hoewel in het meest recente reclasseringsadvies wordt geadviseerd geen bijzondere voorwaarden op te leggen, acht het hof, gelet op hetgeen de verdediging in dat kader naar voren heeft gebracht, het passend en geboden om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, nu het hof met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel is dat reclasseringstoezicht aangewezen is en derhalve zullen aan het voorwaardelijk strafdeel, naast de algemene voorwaarden, tevens bijzondere voorwaarden verbonden worden, zoals hierna in het dictum vermeld. Hierbij overweegt het hof nadrukkelijk dat het hof van oordeel is dat de oplegging van een langere gevangenisstraf meer passend is bij de bewezenverklaarde feiten, maar dat het hof oog heeft voor de omstandigheid dat de verdachte al die tijd goed heeft meegewerkt met de reclassering en zich aan de voorwaarden heeft gehouden, op de zaak met parketnummer 03-181093-25 na. Derhalve zal worden volstaan met de oplegging van de straf zoals hiervoor vermeld. Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering. Voorlopige hechtenis Gelet op de door het hof opgelegde straf wijst het hof het verzoek van de verdediging tot opheffing van de voorlopige hechtenis af, nu er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] is in eerste aanleg een vordering ingesteld d.d. 4 december 2023, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 2.794,60, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de volgende posten: 1. Materiële schade: € 544,60 o Geldbedrag € 150,00; o Reiskosten naar Slachtofferhulp Nederland € 9,60; o Eigen risico ziektekosten € 385,00. 2. Immateriële schade: € 2.250,00 Bij brief van 11 januari 2024 heeft advocaat mr. [advocaat] namens de benadeelde partij deze vordering verhoogd tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, waardoor de totale vordering € 5.544,60 beslaat. Bij het vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk betwist. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 385,00 (de hiervoor vermelde gevorderde eigen risico ziektekosten). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Met betrekking tot de gevorderde posten ‘geldbedrag’ en ‘reiskosten Slachtofferhulp Nederland’ is het hof van oordeel dat deze kosten niet toewijsbaar zijn en het hof zal dit gedeelte van de vordering dan ook afwijzen. Immateriële schade Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Door het handelen van de verdachte heeft de benadeelde partij letsel opgelopen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof acht naar maatstaven van billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezenverklaarde feiten toegebrachte immateriële schade, een bedrag ter hoogte van € 3.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag aan immateriële schade toewijsbaar is. Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen. Wettelijke rente Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening. Proceskosten Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil. Hoofdelijkheid mededader Tot vergoeding van de schade is naast de verdachte ook de mededader gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de mededader onder 1 subsidiair en 2 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 3.385,00. De verdachte en de mededader is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 3.385,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 43 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] Namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] is in eerste aanleg een vordering ingesteld d.d. 4 december 2023, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij brief van 11 januari 2024 heeft advocaat mr. [advocaat] namens de benadeelde partij deze vordering verhoogd tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 januari 2024 heeft mr. [advocaat] naar voren gebracht dat tevens een bedrag ter hoogte van € 17.500,00 aan affectieschade wordt gevorderd. Bij het vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk betwist. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Immateriële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade. De gevorderde immateriële schade betreft schade als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aard en omvang van het letsel dat aangever door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft ondervonden, begroot het hof de schade naar billijkheid op een bedrag van € 3.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen. Affectieschade Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden.
Volledig
Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Onder affectieschade wordt verstaan de schade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.4.6). Of een naaste aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade wegens “ernstig en blijvend letsel” van de gekwetste als bedoeld in artikel 6:107 BW hangt in belangrijke mate af van de mate van de blijvende functiestoornis bij de gekwetste, waarbij “een zeer bijzondere ernst van letsel” is vereist. De wetgever heeft daarbij als indicatie genoemd dat in geval van lichamelijk letsel bij een - aan de hand van de AMA-guides vastgestelde - blijvende functiestoornis van 70% of meer in ieder geval sprake is van “ernstig en blijvend letsel”. In het bijzonder in die gevallen waarin niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een dergelijke hoge en blijvende functiestoornis, kan de rechter ook anderszins de invloed van het letsel op het leven van de gekwetste en de naaste betrekken bij zijn beoordeling of een naaste aanspraak kan maken op een vergoeding als bedoeld in artikel 6:107 BW. Het hof stelt vast dat niet gebleken is van ernstig en blijvend letsel in vorenomschreven zin en dat ook anderszins niet is gebleken van een dermate invloed van het letsel op het leven van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dat dit aanspraak van [slachtoffer 2] op een vergoeding als bedoeld in artikel 6:107 BW kan rechtvaardigen. Het hof zal daarom ook dit gedeelte van de vordering afwijzen. Wettelijke rente Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening. Proceskosten Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil. Hoofdelijkheid mededader Tot vergoeding van de schade is naast de verdachte ook de mededader gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de mededader onder 3 subsidiair rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 3.000,00. De verdachte en de mededader is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 40 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 63, 284, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het arrest zal melden bij SVG Reclassering Limburg (Mondriaan) op het telefoonnummer [telefoonnummer] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; zich laat behandelen door [GGZ] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; geen drugs gebruikt en meewerkt aan een controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd; meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd. Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.385,00 (drieduizend driehonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) als vergoeding van materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding van immateriële schade , waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.385,00 (drieduizend driehonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade , te vermeerderen met de wettelijke vanaf 24 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.