Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-11-06
ECLI:NL:GHSHE:2025:3096
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 6 november 2025 Zaaknummer : 200.358.503/01 Zaaknummers eerste aanleg : [insolventienummer 1] (insolventienummer [appellant] ) [insolventienummer 2] (insolventienummer [appellante] ) in de zaak in hoger beroep van: 1 [appellant] en 2. [appellante] , beiden wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna te noemen: [appellant] en [appellante] , advocaat: mr. M.J.F. Zoeteweij te Vlissingen . 5 Het tussenarrest In het tussenarrest van 9 oktober 2025 heeft het hof de curator de gelegenheid gegeven tot het indienen van een schriftelijke verklaring, waarin is vermeld dat hij heeft onderzocht of de gefailleerde in kwestie aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van artikel 138 Fw kan aanbieden en wat de bevindingen van dat onderzoek zijn. 6 De verdere beoordeling 6.1. De curator heeft bij brief van 15 oktober 2025 verklaard de mogelijkheden tot een akkoord te hebben onderzocht. Volgens de curator zijn die mogelijkheden er niet. Het huidige boedelsaldo is niet eens voldoende voor betaling van het salaris van de curator. Daarnaast zijn geen derden gevonden die bereid of in staat zijn om een mogelijk akkoord (voor) te financieren. De curator blijft bij zijn eerder (in eerste aanleg bij brief van 13 augustus 2025 en ter zitting van dit hof) uitgebrachte (positieve) advies om het omzettingsverzoek van [appellant] en [appellante] te ondersteunen en hen toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. 6.2. De rechtbank heeft de omzettingsverzoeken van [appellant] en [appellante] afgewezen op de grond dat niet voldoende aannemelijk is dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden aan het CJIB in de drie jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest (artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw). De rechtbank heeft geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw. 6.3. [appellant] en [appellante] hebben tegen dat vonnis het volgende aangevoerd. 6.3.1. [appellant] en [appellante] hebben een onderneming (een bloemenzaak) gehad. In dat bedrijf waren naast hen nog vier werknemers actief die gebruik maakten van de verschillende voertuigen van het bedrijf. Met deze voertuigen zijn 19 overtredingen begaan die geresulteerd hebben in de (CJIB-)verkeersboetes. Op twee boetes na betreft het allemaal snelheidsovertredingen, soms van niet meer dan 6 km/u. Het bedrijf leverde op aanvraag ook bloemen af op locatie. Hiervan werd geen planning gemaakt of bijgehouden. Als een bestelling werd gedaan, werd deze afgeleverd door degene die op dat moment aanwezig en beschikbaar was. Het is volgens [appellant] dus onmogelijk om aan te wijzen wie welke boete heeft gereden heeft. [appellant] werkte zelf ook nog in loondienst en moest daarvoor naar [plaats] . Dit deed hij op de motor. De boetes die zeker door [appellant] zelf zijn veroorzaakt, zijn die van € 79,50, € 67,50, € 65,- en € 40,- en hebben dus betrekking op zeer geringe overtredingen. De vorderingen met de nummers [nummer 1] [nummer 2] [nummer 3] [nummer 4] en [nummer 5] [nummer 2] [nummer 6] [nummer 7] hebben betrekking op snelheidsovertredingen die door [appellant] zijn begaan ná het faillissement. Ook hier betreft het overschrijdingen van nog geen 6 km/u per uur. Deze vorderingen (na datum faillissement) zijn voldaan, omdat deze niet ter verificatie aangemeld kunnen worden in het faillissement. De meest recente overtredingen zijn gepleegd met een auto van uiterst beperkte waarde. [appellant] heeft goed opgelet dat hij geen overtredingen meer beging en werd toch tweemaal met boetes geconfronteerd. Na controle van de auto bleek dat de snelheidsmeter niet goed functioneerde. Dit is inmiddels (door de zoon van [appellant] en [appellante] ) gerepareerd, waarna geen overtredingen meer zijn begaan. 6.3.2. Ter zitting voeren appellanten aan dat in ieder geval op [appellante] de schuldsaneringsregeling van toepassing kan worden verklaard, omdat zij ge