Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:305
Strafrecht
Hoger beroep
13,046 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001001-24
Uitspraak : 5 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-317640-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1982,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans verblijvende in [verblijfplaats] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
feit 1: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
feit 2: mishandeling;
feit 3: in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest.
Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, alsmede is aan de verdachte een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een contact- en een locatieverbod.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit van alle drie de tenlastegelegde feiten.
Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts is verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij en het door deze verzochte en door de advocaat-generaal gevorderde contact- en locatieverbod. Ten slotte is primair verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen, gelet op de bepleite vrijspraak, en is subsidiair verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf.
In dat verband zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen
Verbetering bewijsmiddelen
Het hof brengt de volgende verbeteringen aan in de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen:
Het hof zal de op de pagina’s 9 tot en met 12 opgenomen bewijsmiddelen in de bewijsbijlage bij het vonnis van de rechtbank van een doorlopende nummering voorzien:- bewijsmiddel 11.5 op pagina 10 van het vonnis wordt gewijzigd in: bewijsmiddel 11.4;
- bewijsmiddel 11.1 op pagina 12 van het vonnis wordt gewijzigd in: bewijsmiddel 11.5.
Het hof is van oordeel dat bewijsmiddel 11.2 op pagina 9 van het vonnis – het geschrift, zijnde de geneeskundige verklaring van huisarts [arts] van 30 november 2023 (eindproces-verbaal nr. PL2000-2023305121, dossierpagina 22) – verbetering behoeft, met dien verstande dat als uitwendig waargenomen letsel hieruit wordt geschrapt:
‘Linker knie: gezwollen en onder linker knie schaafwond 3cm
Rechter elleboog: hematoom van diameter 5 cm
Linker elleboog: hematoom van diameter 3 cm, schaafwond 2 cm’
nu deze onderdelen van de geneeskundige verklaring naar het oordeel van het hof niet redengevend zijn voor het bewijs van de tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer] .
Aanvulling bewijsmiddelen
Aan de navolgende door de rechtbank tot bewijs gebezigde bewijsmiddelen dienen de volgende passages te worden toegevoegd:
Bewijsmiddel 11.1 op pagina 9 van het vonnis: proces-verbaal van aangifte, pagina 14 tot en met 18
Na “Ik kreeg verschillende klappen op mijn bovenlichaam” wordt ingevoegd:
Ik heb wel een schaafwond op mijn teen aan mijn linkervoet. Dit komt door de val in mijn halletje. Ik heb waarschijnlijk ergens tegenaan gestoten toen ik ten val kwam.
Bewijsmiddel 11.5 op pagina 12 van het vonnis: proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 106 tot en met 110
Na “A: Ik ben ook in de woonkamer geweest” wordt ingevoegd:
V: Waar stond toen die meneer?
A: Aan de andere kant van de deur.
V: Hoe kon jij die man zien?
A: Ik kon hem door een kier zien staan. Ik moest de deur met kracht openduwen omdat die meneer niet wilde hebben dat ik binnen kwam.
Verder dient aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen te worden toegevoegd:
11.6
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , opgenomen als pagina's 48 tot en met 50 in het eindproces-verbaal nr. PL2000-2023305121 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 29 november 2023 omstreeks 22:07 uur was ik belast met dienst handhaving.
Uiteindelijk sprak ik met de bewoner van de woning gelegen aan [adres] . Het slachtoffer bleek de volgende persoon te zijn:
- [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1936 (87) te [geboorteplaats 2] (Nederland).
Ik vroeg hem wat er was gebeurd en hoorde dat hij het volgende vertelde:
[slachtoffer] zat in de woonkamer van zijn woning en keek televisie. Ineens hoorde hij een klap komen vanaf de centrale hal, ter hoogte van zijn voordeur. Alsof er iets kapot werd geslagen. Hij opende zijn voordeur en keek wat er aan de hand was. [slachtoffer] zag dat er een onbekende man voor zijn voordeur stond en ineens zijn woning instormde. De man riep: "Eruit, eruit" en duwde [slachtoffer] opzij terwijl hij de woning in rende. [slachtoffer] probeerde de man tegen te houden en zo te voorkomen dat de man in zijn woning kon komen. [slachtoffer] kende deze man namelijk niet en wilde niet dat hij in zijn woning kwam. Er ontstond een worsteling tussen de man en [slachtoffer] en de man duwde [slachtoffer] hardhandig omver, waardoor [slachtoffer] met zijn nek en/of hoofd tegen de grond botste. Hierdoor had [slachtoffer] nu veel pijn aan zijn nek.
Aanvulling van de bewijsoverwegingen
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank op pagina 3 van het vonnis waarvan beroep (onder het kopje ‘De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs’). Het hof neemt deze bewijsoverwegingen van de rechtbank dan ook over en maakt die tot de zijne, met aanvulling van het hierna volgende.
Feit 1 Brandstichting
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de brand heeft gesticht.
Subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring van feit 1 op basis van het huidige forensisch onderzoek, heeft de raadsvrouw het verzoek gedaan om aanvullend onderzoek te laten verrichten naar de vier primaire brandhaarden waarvan in dat proces-verbaal sprake is. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning geeft geen informatie over de wijze waarop de branden zijn ontstaan en of de verdachte daartoe enige handeling zou hebben verricht. Het uitgangspunt dat er sprake zou zijn van vier primaire brandhaarden en daarmee van opzettelijke brandstichting, is dan ook betwistbaar. Het dossier biedt aldus onvoldoende overtuigend bewijs om te concluderen dat de vier primaire brandhaarden daadwerkelijk onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan of dat zij opzettelijk door de verdachte zijn veroorzaakt.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op basis van de beschrijving in het proces-verbaal forensisch onderzoek van de woning aan [adres] (pagina 75 tot en met 79 van het dossier) en de daarbij gevoegde foto’s is naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk dat sprake is geweest van vier primaire brandhaarden die onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan. De enkele suggestie van de verdediging dat de conclusies in voornoemd proces-verbaal over deze vier primaire brandhaarden, dat die brandhaarden onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan en dat deze branden dus vermoedelijk door brandstichting zijn ontstaan, onjuist en/of onduidelijk zouden zijn, is onvoldoende om aan de juistheid van voornoemd proces-verbaal te twijfelen. Het hof ziet dan ook geen reden daar niet vanuit te gaan. Het hof betrekt daarbij dat het forensisch onderzoek is gedaan door gespecialiseerde verbalisanten die als gecertificeerd brandonderzoeker zijn opgeleid en dat zij gemotiveerd tot hun conclusies dat sprake is van onafhankelijke brandhaarden zijn gekomen op basis van het aangetroffen brand- en schadebeeld.
Nu daarnaast uit het forensisch onderzoek niet van een mechanische of technische oorzaak is gebleken en, uitgaande van de gebezigde bewijsmiddelen, de verdachte de enige persoon was die zich in de woonkamer van [slachtoffer] bevond toen de brandhaarden zijn ontstaan, kan het niet anders zijn dan dat hij de brand opzettelijk heeft gesticht.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om aanvullend onderzoek te laten verrichten naar de vier primaire brandhaarden wordt dan ook afgewezen.
Feit 2 Mishandeling
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet het opzet had om aangever pijn en/of letsel toe te brengen, omdat de verdachte handelde in een noodsituatie.
Subsidiair, mocht het hof tot het oordeel komen dat de verdachte [slachtoffer] wel opzettelijk heeft geduwd en/of geslagen, stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen pijn en/of letsel is toegebracht aan [slachtoffer] , althans in ieder geval niet ten tijde van de tenlastegelegde mishandeling.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Gelet op de bewijsmiddelen gaat het hof niet uit van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] heeft geduwd en/of geslagen omdat hij hulp moest bieden om een mogelijke brand te bestrijden en levensgevaar te voorkomen. De gestelde noodsituatie, voor zover zo bedoeld, acht het hof dan ook niet aannemelijk geworden.
Het verweer van de verdediging dat er geen pijn en/of letsel is toegebracht aan [slachtoffer] , althans in ieder geval niet ten tijde van de tenlastegelegde mishandeling, vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
Feit 3 Huisvredebreuk
Ook het verweer van de verdediging dat de wederrechtelijkheid ontbreekt en dat het voor de verdachte niet kenbaar was dat [slachtoffer] hem niet in de woning wilde hebben, vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren. Ook hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een contact- en een locatieverbod.
De verdediging heeft het hof verzocht om bij oplegging van een gevangenisstraf het onvoorwaardelijke deel daarvan niet langer te laten duren dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en geen contact- of locatieverbod aan de verdachte op te leggen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich op 29 november 2023 schuldig gemaakt aan brandstichting, mishandeling en huisvredebreuk. De verdachte is rond tien uur ‘s avonds het appartementencomplex aan de [adres] binnengegaan en heeft op enig moment op de voordeur van [slachtoffer] geklopt/gebonkt. Nadat [slachtoffer] de deur had opengedaan, is de verdachte zijn woning binnengedrongen. In de hal van de woning heeft hij [slachtoffer] op de grond geduwd, is hij bovenop hem gesprongen en heeft hij hem meerdere keren tegen zijn lichaam geslagen. De verdachte is daarna naar de woonkamer gelopen, heeft de deur tussen de hal en de woonkamer dicht gedaan en vervolgens in de woonkamer op vier verschillende plekken brand gesticht. Verschillende medebewoners hebben [slachtoffer] om hulp horen roepen en nog geprobeerd de deur naar de woonkamer open te krijgen, maar dat lukte niet. Toen het brandalarm afging en de vlammen zichtbaar waren, zijn de politie en de brandweer gealarmeerd. Hierdoor is de brand niet overgeslagen naar de aangrenzende woningen en zijn er geen slachtoffers gevallen.
Dit zijn ernstige strafbare feiten. De verdachte is met fysiek geweld de woning van een
87-jarige en daarmee, zo kan gevoeglijk worden aangenomen, kwetsbare man binnengedrongen en heeft daar vervolgens brand gesticht. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich vertrouwd en veilig moet kunnen voelen.
Dictum
Voorlopige hechtenis
Indien het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte oplegt die langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, heeft de verdediging het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte sinds het moment van ontslag uit het ziekenhuis na de brand in voorlopige hechtenis verblijft en dit hem zwaar valt, mede omdat hij nog geen bezoek heeft ontvangen van zijn familie, waaronder zijn minderjarige dochters van 13 en 14 jaar.
Het hof overweegt als volgt.
Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt als uitgangspunt genomen de ernst van het feit waar de verdenking betrekking op heeft, het gewicht van de tegen de verdachte gerezen bezwaren en de gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag zijn gelegd. Daarbij moet het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing worden afgewogen tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid.
De vrijheidsbeneming van de verdachte is door het veroordelend vonnis waarvan het hof gesteld heeft dat het door een daartoe bevoegde rechter is gewezen en van welk vonnis niet kan worden gezegd dat het evident feitelijk en of juridisch onjuist is, komen te rusten op artikel 5, eerste lid, aanhef en sub a, van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Dat betekent onder meer dat het recht om de berechting in vrijheid af te wachten niet zonder meer langer van toepassing is.
Het hof is van oordeel dat schorsing van de voorlopige hechtenis thans in beginsel slechts aan de orde is wanneer er sprake is van bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte, betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte. Dergelijke omstandigheden zijn niet aangevoerd, noch anderszins aannemelijk geworden. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal derhalve worden afgewezen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact legt met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1936 te [geboorteplaats 2] ;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 500 meter rondom het wooncomplex aan [adres] ;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande;
wijst af het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om aanvullend onderzoek te laten verrichten naar de vier primaire brandhaarden;
wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 5 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001001-24
Uitspraak : 5 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-317640-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1982,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans verblijvende in [verblijfplaats] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
feit 1: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
feit 2: mishandeling;
feit 3: in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest.
Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, alsmede is aan de verdachte een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een contact- en een locatieverbod.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit van alle drie de tenlastegelegde feiten.
Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts is verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij en het door deze verzochte en door de advocaat-generaal gevorderde contact- en locatieverbod. Ten slotte is primair verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen, gelet op de bepleite vrijspraak, en is subsidiair verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf.
In dat verband zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen
Verbetering bewijsmiddelen
Het hof brengt de volgende verbeteringen aan in de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen:
Het hof zal de op de pagina’s 9 tot en met 12 opgenomen bewijsmiddelen in de bewijsbijlage bij het vonnis van de rechtbank van een doorlopende nummering voorzien:- bewijsmiddel 11.5 op pagina 10 van het vonnis wordt gewijzigd in: bewijsmiddel 11.4;
- bewijsmiddel 11.1 op pagina 12 van het vonnis wordt gewijzigd in: bewijsmiddel 11.5.
Het hof is van oordeel dat bewijsmiddel 11.2 op pagina 9 van het vonnis – het geschrift, zijnde de geneeskundige verklaring van huisarts [arts] van 30 november 2023 (eindproces-verbaal nr. PL2000-2023305121, dossierpagina 22) – verbetering behoeft, met dien verstande dat als uitwendig waargenomen letsel hieruit wordt geschrapt:
‘Linker knie: gezwollen en onder linker knie schaafwond 3cm
Rechter elleboog: hematoom van diameter 5 cm
Linker elleboog: hematoom van diameter 3 cm, schaafwond 2 cm’
nu deze onderdelen van de geneeskundige verklaring naar het oordeel van het hof niet redengevend zijn voor het bewijs van de tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer] .
Aanvulling bewijsmiddelen
Aan de navolgende door de rechtbank tot bewijs gebezigde bewijsmiddelen dienen de volgende passages te worden toegevoegd:
Bewijsmiddel 11.1 op pagina 9 van het vonnis: proces-verbaal van aangifte, pagina 14 tot en met 18
Na “Ik kreeg verschillende klappen op mijn bovenlichaam” wordt ingevoegd:
Ik heb wel een schaafwond op mijn teen aan mijn linkervoet. Dit komt door de val in mijn halletje. Ik heb waarschijnlijk ergens tegenaan gestoten toen ik ten val kwam.
Bewijsmiddel 11.5 op pagina 12 van het vonnis: proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 106 tot en met 110
Na “A: Ik ben ook in de woonkamer geweest” wordt ingevoegd:
V: Waar stond toen die meneer?
A: Aan de andere kant van de deur.
V: Hoe kon jij die man zien?
A: Ik kon hem door een kier zien staan. Ik moest de deur met kracht openduwen omdat die meneer niet wilde hebben dat ik binnen kwam.
Verder dient aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen te worden toegevoegd:
11.6
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , opgenomen als pagina's 48 tot en met 50 in het eindproces-verbaal nr. PL2000-2023305121 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 29 november 2023 omstreeks 22:07 uur was ik belast met dienst handhaving.
Uiteindelijk sprak ik met de bewoner van de woning gelegen aan [adres] . Het slachtoffer bleek de volgende persoon te zijn:
- [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1936 (87) te [geboorteplaats 2] (Nederland).
Ik vroeg hem wat er was gebeurd en hoorde dat hij het volgende vertelde:
[slachtoffer] zat in de woonkamer van zijn woning en keek televisie. Ineens hoorde hij een klap komen vanaf de centrale hal, ter hoogte van zijn voordeur. Alsof er iets kapot werd geslagen. Hij opende zijn voordeur en keek wat er aan de hand was. [slachtoffer] zag dat er een onbekende man voor zijn voordeur stond en ineens zijn woning instormde. De man riep: "Eruit, eruit" en duwde [slachtoffer] opzij terwijl hij de woning in rende. [slachtoffer] probeerde de man tegen te houden en zo te voorkomen dat de man in zijn woning kon komen. [slachtoffer] kende deze man namelijk niet en wilde niet dat hij in zijn woning kwam. Er ontstond een worsteling tussen de man en [slachtoffer] en de man duwde [slachtoffer] hardhandig omver, waardoor [slachtoffer] met zijn nek en/of hoofd tegen de grond botste. Hierdoor had [slachtoffer] nu veel pijn aan zijn nek.
Aanvulling van de bewijsoverwegingen
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank op pagina 3 van het vonnis waarvan beroep (onder het kopje ‘De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs’). Het hof neemt deze bewijsoverwegingen van de rechtbank dan ook over en maakt die tot de zijne, met aanvulling van het hierna volgende.
Feit 1 Brandstichting
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de brand heeft gesticht.
Subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring van feit 1 op basis van het huidige forensisch onderzoek, heeft de raadsvrouw het verzoek gedaan om aanvullend onderzoek te laten verrichten naar de vier primaire brandhaarden waarvan in dat proces-verbaal sprake is. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning geeft geen informatie over de wijze waarop de branden zijn ontstaan en of de verdachte daartoe enige handeling zou hebben verricht. Het uitgangspunt dat er sprake zou zijn van vier primaire brandhaarden en daarmee van opzettelijke brandstichting, is dan ook betwistbaar. Het dossier biedt aldus onvoldoende overtuigend bewijs om te concluderen dat de vier primaire brandhaarden daadwerkelijk onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan of dat zij opzettelijk door de verdachte zijn veroorzaakt.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op basis van de beschrijving in het proces-verbaal forensisch onderzoek van de woning aan [adres] (pagina 75 tot en met 79 van het dossier) en de daarbij gevoegde foto’s is naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk dat sprake is geweest van vier primaire brandhaarden die onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan. De enkele suggestie van de verdediging dat de conclusies in voornoemd proces-verbaal over deze vier primaire brandhaarden, dat die brandhaarden onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan en dat deze branden dus vermoedelijk door brandstichting zijn ontstaan, onjuist en/of onduidelijk zouden zijn, is onvoldoende om aan de juistheid van voornoemd proces-verbaal te twijfelen. Het hof ziet dan ook geen reden daar niet vanuit te gaan. Het hof betrekt daarbij dat het forensisch onderzoek is gedaan door gespecialiseerde verbalisanten die als gecertificeerd brandonderzoeker zijn opgeleid en dat zij gemotiveerd tot hun conclusies dat sprake is van onafhankelijke brandhaarden zijn gekomen op basis van het aangetroffen brand- en schadebeeld.
Nu daarnaast uit het forensisch onderzoek niet van een mechanische of technische oorzaak is gebleken en, uitgaande van de gebezigde bewijsmiddelen, de verdachte de enige persoon was die zich in de woonkamer van [slachtoffer] bevond toen de brandhaarden zijn ontstaan, kan het niet anders zijn dan dat hij de brand opzettelijk heeft gesticht.
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om aanvullend onderzoek te laten verrichten naar de vier primaire brandhaarden wordt dan ook afgewezen.
Feit 2 Mishandeling
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet het opzet had om aangever pijn en/of letsel toe te brengen, omdat de verdachte handelde in een noodsituatie.
Subsidiair, mocht het hof tot het oordeel komen dat de verdachte [slachtoffer] wel opzettelijk heeft geduwd en/of geslagen, stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen pijn en/of letsel is toegebracht aan [slachtoffer] , althans in ieder geval niet ten tijde van de tenlastegelegde mishandeling.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Gelet op de bewijsmiddelen gaat het hof niet uit van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] heeft geduwd en/of geslagen omdat hij hulp moest bieden om een mogelijke brand te bestrijden en levensgevaar te voorkomen. De gestelde noodsituatie, voor zover zo bedoeld, acht het hof dan ook niet aannemelijk geworden.
Het verweer van de verdediging dat er geen pijn en/of letsel is toegebracht aan [slachtoffer] , althans in ieder geval niet ten tijde van de tenlastegelegde mishandeling, vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
Feit 3 Huisvredebreuk
Ook het verweer van de verdediging dat de wederrechtelijkheid ontbreekt en dat het voor de verdachte niet kenbaar was dat [slachtoffer] hem niet in de woning wilde hebben, vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren. Ook hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een contact- en een locatieverbod.
De verdediging heeft het hof verzocht om bij oplegging van een gevangenisstraf het onvoorwaardelijke deel daarvan niet langer te laten duren dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en geen contact- of locatieverbod aan de verdachte op te leggen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich op 29 november 2023 schuldig gemaakt aan brandstichting, mishandeling en huisvredebreuk. De verdachte is rond tien uur ‘s avonds het appartementencomplex aan de [adres] binnengegaan en heeft op enig moment op de voordeur van [slachtoffer] geklopt/gebonkt. Nadat [slachtoffer] de deur had opengedaan, is de verdachte zijn woning binnengedrongen. In de hal van de woning heeft hij [slachtoffer] op de grond geduwd, is hij bovenop hem gesprongen en heeft hij hem meerdere keren tegen zijn lichaam geslagen. De verdachte is daarna naar de woonkamer gelopen, heeft de deur tussen de hal en de woonkamer dicht gedaan en vervolgens in de woonkamer op vier verschillende plekken brand gesticht. Verschillende medebewoners hebben [slachtoffer] om hulp horen roepen en nog geprobeerd de deur naar de woonkamer open te krijgen, maar dat lukte niet. Toen het brandalarm afging en de vlammen zichtbaar waren, zijn de politie en de brandweer gealarmeerd. Hierdoor is de brand niet overgeslagen naar de aangrenzende woningen en zijn er geen slachtoffers gevallen.
Dit zijn ernstige strafbare feiten. De verdachte is met fysiek geweld de woning van een
87-jarige en daarmee, zo kan gevoeglijk worden aangenomen, kwetsbare man binnengedrongen en heeft daar vervolgens brand gesticht. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich vertrouwd en veilig moet kunnen voelen.
Dictum
Voorlopige hechtenis
Indien het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte oplegt die langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, heeft de verdediging het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte sinds het moment van ontslag uit het ziekenhuis na de brand in voorlopige hechtenis verblijft en dit hem zwaar valt, mede omdat hij nog geen bezoek heeft ontvangen van zijn familie, waaronder zijn minderjarige dochters van 13 en 14 jaar.
Het hof overweegt als volgt.
Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt als uitgangspunt genomen de ernst van het feit waar de verdenking betrekking op heeft, het gewicht van de tegen de verdachte gerezen bezwaren en de gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag zijn gelegd. Daarbij moet het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing worden afgewogen tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid.
De vrijheidsbeneming van de verdachte is door het veroordelend vonnis waarvan het hof gesteld heeft dat het door een daartoe bevoegde rechter is gewezen en van welk vonnis niet kan worden gezegd dat het evident feitelijk en of juridisch onjuist is, komen te rusten op artikel 5, eerste lid, aanhef en sub a, van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Dat betekent onder meer dat het recht om de berechting in vrijheid af te wachten niet zonder meer langer van toepassing is.
Het hof is van oordeel dat schorsing van de voorlopige hechtenis thans in beginsel slechts aan de orde is wanneer er sprake is van bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte, betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte. Dergelijke omstandigheden zijn niet aangevoerd, noch anderszins aannemelijk geworden. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal derhalve worden afgewezen.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact legt met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1936 te [geboorteplaats 2] ;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 500 meter rondom het wooncomplex aan [adres] ;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande;
wijst af het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om aanvullend onderzoek te laten verrichten naar de vier primaire brandhaarden;
wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 5 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Dictum
De verdachte heeft door zo te handelen dit gevoel op ernstige wijze aangetast. Het is aan alerte medebewoners en kordaat handelen van de brandweer te danken dat tijdig een melding is gedaan van de brand en dat het vuur vervolgens door de brandweer kon worden geblust voordat het kon overslaan naar de daarboven en omliggende woningen. De brandstichting vond plaats in een appartementencomplex waar veel oudere mensen woonachtig waren die minder goed ter been zijn. Het pand moest (gedeeltelijk) ontruimd worden vanwege de brand en de geëvacueerde bewoners zijn overgebracht naar een opvanglocatie. Als de brand was overgeslagen naar de daarboven en omliggende woningen, was dit levensgevaarlijk geweest voor de bewoners. Dat de gevolgen in dit geval beperkt zijn gebleven tot met name materiële schade, is niet aan de verdachte te danken.
De hele situatie is voor [slachtoffer] zeer intimiderend en beangstigend geweest. Uit de ter zitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring en de toelichting op de vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij nog steeds wordt herinnerd aan wat hij die avond heeft meegemaakt. Hij heeft nu nog wekelijks gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts vanwege psychische klachten. Hij is al zijn spullen kwijtgeraakt, waaronder foto’s van zijn overleden vrouw en haar lievelingsvaas waarin hij elke week een bloemetje zette. Hij voelt zich nog altijd erg onveilig, zowel thuis als op straat, en heeft last van nachtmerries en flashbacks. Ook is hij nog steeds bang voor de verdachte; zo bang dat hij het hof heeft gevraagd om een contact- en locatieverbod jegens hem aan de verdachte op te leggen. Het hof rekent het de verdachte zeer aan dat hij dit heeft aangericht.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Het hof heeft voorts gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden langere duur met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zoals door de verdediging is bepleit, zou bepaald onvoldoende recht doen aan de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Nu het hof de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis worden afgewezen.
Het hof ziet grond het namens de benadeelde partij verzochte contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard geen bezwaar te hebben tegen de oplegging van een contact- en locatieverbod. Met de advocaat-generaal zal het hof bepalen dat het locatieverbod geldt voor een straal van 500 meter rondom het wooncomplex aan de [adres] .
Aanvulling van de overwegingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij
Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank op pagina’s 5 en 6 van het vonnis waarvan beroep (onder het kopje ‘7 De benadeelde partij’). Het hof neemt deze overwegingen van de rechtbank dan ook over en maakt die tot de zijne.
Het hof overweegt in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank op pagina 6 van het vonnis onder het kopje ‘Immateriële schade’, eerste alinea, als volgt:
Door de advocaat van de benadeelde partij is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de benadeelde partij nog wekelijks gesprekken heeft met de praktijkondersteuner van de huisarts vanwege psychische klachten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
De verdachte heeft door zo te handelen dit gevoel op ernstige wijze aangetast. Het is aan alerte medebewoners en kordaat handelen van de brandweer te danken dat tijdig een melding is gedaan van de brand en dat het vuur vervolgens door de brandweer kon worden geblust voordat het kon overslaan naar de daarboven en omliggende woningen. De brandstichting vond plaats in een appartementencomplex waar veel oudere mensen woonachtig waren die minder goed ter been zijn. Het pand moest (gedeeltelijk) ontruimd worden vanwege de brand en de geëvacueerde bewoners zijn overgebracht naar een opvanglocatie. Als de brand was overgeslagen naar de daarboven en omliggende woningen, was dit levensgevaarlijk geweest voor de bewoners. Dat de gevolgen in dit geval beperkt zijn gebleven tot met name materiële schade, is niet aan de verdachte te danken.
De hele situatie is voor [slachtoffer] zeer intimiderend en beangstigend geweest. Uit de ter zitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring en de toelichting op de vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij nog steeds wordt herinnerd aan wat hij die avond heeft meegemaakt. Hij heeft nu nog wekelijks gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts vanwege psychische klachten. Hij is al zijn spullen kwijtgeraakt, waaronder foto’s van zijn overleden vrouw en haar lievelingsvaas waarin hij elke week een bloemetje zette. Hij voelt zich nog altijd erg onveilig, zowel thuis als op straat, en heeft last van nachtmerries en flashbacks. Ook is hij nog steeds bang voor de verdachte; zo bang dat hij het hof heeft gevraagd om een contact- en locatieverbod jegens hem aan de verdachte op te leggen. Het hof rekent het de verdachte zeer aan dat hij dit heeft aangericht.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Het hof heeft voorts gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden langere duur met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zoals door de verdediging is bepleit, zou bepaald onvoldoende recht doen aan de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Nu het hof de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis worden afgewezen.
Het hof ziet grond het namens de benadeelde partij verzochte contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard geen bezwaar te hebben tegen de oplegging van een contact- en locatieverbod. Met de advocaat-generaal zal het hof bepalen dat het locatieverbod geldt voor een straal van 500 meter rondom het wooncomplex aan de [adres] .
Aanvulling van de overwegingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij
Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank op pagina’s 5 en 6 van het vonnis waarvan beroep (onder het kopje ‘7 De benadeelde partij’). Het hof neemt deze overwegingen van de rechtbank dan ook over en maakt die tot de zijne.
Het hof overweegt in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank op pagina 6 van het vonnis onder het kopje ‘Immateriële schade’, eerste alinea, als volgt:
Door de advocaat van de benadeelde partij is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de benadeelde partij nog wekelijks gesprekken heeft met de praktijkondersteuner van de huisarts vanwege psychische klachten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften