Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-10-29
ECLI:NL:GHSHE:2025:3002
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
7,690 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/286
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 januari 2024, nummer BRE 22/4316, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
Partijen hebben ieder voor de zitting pleitnota’s toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota’s doorgestuurd naar de andere partij. Deze pleitnota’s worden met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is in 2015 getroffen door een zware hersenbloeding. Hij is toen enige tijd in het ziekenhuis en vervolgens in een revalidatiekliniek opgenomen. In 2018 was belanghebbende nog steeds aan het revalideren. Die revalidatie vond bij hem thuis plaats. Zijn ouders hebben hem in 2018 veelvuldig ondersteund in het revalidatieproces.
2.2.
Belanghebbende had in 2018 geen fiscale partner. Hij had de gedeeltelijke zorg voor zijn kinderen. De kinderen stonden niet op zijn adres ingeschreven.
2.3.
In de aangifte IB/PVV 2018 heeft belanghebbende een aftrekbaar bedrag aan uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 6.803 aangegeven. Dit bedrag is als volgt gespecificeerd:
Uitgaven voor hulpmiddelen € 2.165
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte + € 5.550
Drempel uitgaven specifieke zorgkosten -/- € 912
Aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 6.803
De uitgaven voor hulpmiddelen bestaan uit de kosten voor de aanschaf van een airconditioner ten bedrage van € 1.719 en de aanschaf van een bril ten bedrage van € 447.
Volgens een door belanghebbende opgestelde specificatie zijn in 2018 12.322 kilometers gereden (0,40 cent per km = € 4.928,80). Tot de opgegeven uitgaven voor vervoer behoren ook externe vervoerskosten (taxi e.d.) (€ 275,40) en kosten voor rijlessen (€ 233).
2.4.
De inspecteur heeft de aftrek uitgaven voor specifieke zorgkosten niet verleend. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.836. Tevens is bij beschikking € 271 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de inspecteur veroordeeld tot het vergoeden van immateriële schade tot een bedrag van € 500 aan belanghebbende vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Geschil
3.2.
Niet meer in geschil is dat de kosten van de bril niet aftrekbaar zijn en, bij een gegrond hoger beroep, de kilometervergoeding € 0,35 zou moeten bedragen. Op de zitting bij het hof heeft belanghebbende zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van het hulpmiddel (airconditioner) ingetrokken.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag IB/PVV 2018. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
Uitgaven voor hulpmiddel
4.1.
Een hulpmiddel kan op grond van artikel 6.17 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) voor aftrek in aanmerking komen. Een hulpmiddel komt alleen voor aftrek in aanmerking indien het hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt. Hoofdzakelijk wil zeggen voor 70% of meer.
4.2.
De airconditioner die belanghebbende heeft aangeschaft wordt ook gebruikt door personen die niet ziek of invalide zijn. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de airconditioner die is aangeschaft hoofdzakelijk (>70%) gebruikt wordt door zieke en/of invalide personen. De airconditioner komt reeds daarom niet voor de aftrek specifieke zorgkosten in aanmerking. Het is, anders dan belanghebbende meent, dus niet voldoende dat de airconditioner door belanghebbende uitsluitend wordt gebruikt vanwege zijn invaliditeit en dat de airconditioner uitsluitend door belanghebbende zelf wordt gebruikt.
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte
4.3.
Op grond van artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter b, Wet IB 2001 kunnen vervoerskosten wegens ziekte in aanmerking komen voor aftrek. Vervoerskosten zijn uitgaven voor bezoek aan medische hulpverleners of voor het ondergaan van een medische handeling en ook de overige op belastingplichtige drukkende kosten van vervoer voor zover zij meer bedragen dan de vervoerskosten van andere belastingplichtigen die niet ziek of invalide zijn maar overigens in dezelfde financiële en maatschappelijke positie verkeren als belanghebbende.
4.4.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in aftrek gebrachte vervoerskosten zijn gemaakt voor het ondergaan van een medische behandeling of bezoek aan medische hulpverleners. De door belanghebbende opgestelde specificatie (zie 2.3) is daarvoor onvoldoende, omdat daaruit niet blijkt dat op deze data medische behandelingen hebben plaatsgevonden. Ook met betrekking tot de externe vervoerskosten (zie 2.3) is niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten zijn gemaakt om een medische behandeling te ondergaan of een medische behandelaar te bezoeken.
4.5.
Uitgaven voor extra rijlessen kunnen slechts in aanmerking komen als uitgaven voor ziekte of invaliditeit als deze lessen bedoeld zijn om de bediening van een hulpmiddel, in dit geval zou dat een aangepast voertuig zijn, bij te brengen. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende gebruik maakt van een aangepast voertuig. Volgens de factuur is sprake van opfrislessen in een automaat.
4.6.
Om voor aftrek voor “leefkilometers” in aanmerking te komen moet belanghebbende aannemelijk maken dat hij meer kosten maakt dan de “maatman”. Dat is de persoon die niet ziek/invalide is, maar overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden in gelijke positie verkeert. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan deze bewijslast heeft voldaan.
4.7.
Uit het vorenstaande volgt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor aftrek van uitgaven voor vervoer vanwege ziekte of invaliditeit, omdat niet aan de voorwaarden is voldaan.
Vertrouwensbeginsel
4.8.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient belanghebbende aannemelijk te maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.
4.9.
Belanghebbende heeft gewezen op het met de inspecteur plaatsgevonden overleg in mei 2018, naar aanleiding van de aangifte IB/PVV 2015. Dit overleg heeft geleid tot de acceptatie van de aftrek voor vervoerskosten in 2015, 2016 en 2017, aldus belanghebbende, ook al betroffen deze kosten niet slechts vervoer naar artsen, maar hingen deze kosten samen met begeleiding van het herstelproces door de ouders van belanghebbende. Belanghebbende stelt dat de omstandigheden in die jaren identiek waren, zodat hij erop mocht vertrouwen dat deze kosten, voor zover deze samenhangen met zijn revalidatie ook in 2018 in aftrek mochten worden gebracht.
4.10.
Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Uit de brieven van 16 mei 2018 en 21 juni 2018, waarin een weergave van het overleg in mei 2018 is opgenomen, blijkt dat de inspecteur van mening is dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat in 2015 vervoerskosten zijn gemaakt voor medische behandelingen. Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat met de inspecteur destijds is besproken dat de vervoerskosten in 2015 naar de medische instellingen zijn gemaakt door de ouders om hem in het revalidatieproces te ondersteunen en dat de inspecteur dus wist dat belanghebbende niet zelf werd vervoerd naar een medische behandelaar. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende dit zo mogen begrijpen dat ook de kosten in latere jaren, voor zover die betrekking hebben op het vervoer van de ouders naar belanghebbende om het revalidatieproces te ondersteunen in aftrek mogen worden gebracht.
Belanghebbende heeft een overzicht verstrekt van alle gemaakte vervoerskosten. Het hof acht echter niet aannemelijk gemaakt dat alle door belanghebbende in aftrek gebrachte vervoerskosten zijn gemaakt om het revalidatieproces te ondersteunen en ziet aanleiding om de vervoerskosten die in aftrek kunnen worden gebracht in goede justitie vast te stellen op € 3.000.
Voor dat geval heeft de inspecteur op de zitting verklaard akkoord te gaan met een aftrek in 2018, ook al hebben de kosten in een later jaar op belanghebbende gedrukt.
4.11.
Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet leiden tot een verdere vermindering van de aanslag IB/PVV 2018.
Tussenconclusie
4.12.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de aanslag IB/PVV 2018 moet worden verminderd met een bedrag van € 2.088 (€ 3.000 -/- € 912 (drempel uitgaven specifieke zorgkosten) tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.748.
Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële schade
4.13.
Belanghebbende heeft op 22 februari 2024 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Voor het hof geldt als uitgangspunt dat uitspraak moet worden gedaan binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld. Deze termijn is nog niet verstreken en daarom komt belanghebbende niet in aanmerking voor een vergoeding van immateriële schade.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht;
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de aanslag IB/PVV 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.748;
vermindert de beschikking belastingrente evenredig;
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 13,06;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 941,26.
De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers L.B.M. Klein Tank
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Zie Hoge Raad 15 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3847.
Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/286
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 januari 2024, nummer BRE 22/4316, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
Partijen hebben ieder voor de zitting pleitnota’s toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota’s doorgestuurd naar de andere partij. Deze pleitnota’s worden met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is in 2015 getroffen door een zware hersenbloeding. Hij is toen enige tijd in het ziekenhuis en vervolgens in een revalidatiekliniek opgenomen. In 2018 was belanghebbende nog steeds aan het revalideren. Die revalidatie vond bij hem thuis plaats. Zijn ouders hebben hem in 2018 veelvuldig ondersteund in het revalidatieproces.
2.2.
Belanghebbende had in 2018 geen fiscale partner. Hij had de gedeeltelijke zorg voor zijn kinderen. De kinderen stonden niet op zijn adres ingeschreven.
2.3.
In de aangifte IB/PVV 2018 heeft belanghebbende een aftrekbaar bedrag aan uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 6.803 aangegeven. Dit bedrag is als volgt gespecificeerd:
Uitgaven voor hulpmiddelen € 2.165
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte + € 5.550
Drempel uitgaven specifieke zorgkosten -/- € 912
Aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 6.803
De uitgaven voor hulpmiddelen bestaan uit de kosten voor de aanschaf van een airconditioner ten bedrage van € 1.719 en de aanschaf van een bril ten bedrage van € 447.
Volgens een door belanghebbende opgestelde specificatie zijn in 2018 12.322 kilometers gereden (0,40 cent per km = € 4.928,80). Tot de opgegeven uitgaven voor vervoer behoren ook externe vervoerskosten (taxi e.d.) (€ 275,40) en kosten voor rijlessen (€ 233).
2.4.
De inspecteur heeft de aftrek uitgaven voor specifieke zorgkosten niet verleend. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.836. Tevens is bij beschikking € 271 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de inspecteur veroordeeld tot het vergoeden van immateriële schade tot een bedrag van € 500 aan belanghebbende vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Geschil
3.2.
Niet meer in geschil is dat de kosten van de bril niet aftrekbaar zijn en, bij een gegrond hoger beroep, de kilometervergoeding € 0,35 zou moeten bedragen. Op de zitting bij het hof heeft belanghebbende zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van het hulpmiddel (airconditioner) ingetrokken.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag IB/PVV 2018. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
Uitgaven voor hulpmiddel
4.1.
Een hulpmiddel kan op grond van artikel 6.17 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) voor aftrek in aanmerking komen. Een hulpmiddel komt alleen voor aftrek in aanmerking indien het hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt. Hoofdzakelijk wil zeggen voor 70% of meer.
4.2.
De airconditioner die belanghebbende heeft aangeschaft wordt ook gebruikt door personen die niet ziek of invalide zijn. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de airconditioner die is aangeschaft hoofdzakelijk (>70%) gebruikt wordt door zieke en/of invalide personen. De airconditioner komt reeds daarom niet voor de aftrek specifieke zorgkosten in aanmerking. Het is, anders dan belanghebbende meent, dus niet voldoende dat de airconditioner door belanghebbende uitsluitend wordt gebruikt vanwege zijn invaliditeit en dat de airconditioner uitsluitend door belanghebbende zelf wordt gebruikt.
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte
4.3.
Op grond van artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter b, Wet IB 2001 kunnen vervoerskosten wegens ziekte in aanmerking komen voor aftrek. Vervoerskosten zijn uitgaven voor bezoek aan medische hulpverleners of voor het ondergaan van een medische handeling en ook de overige op belastingplichtige drukkende kosten van vervoer voor zover zij meer bedragen dan de vervoerskosten van andere belastingplichtigen die niet ziek of invalide zijn maar overigens in dezelfde financiële en maatschappelijke positie verkeren als belanghebbende.
4.4.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in aftrek gebrachte vervoerskosten zijn gemaakt voor het ondergaan van een medische behandeling of bezoek aan medische hulpverleners. De door belanghebbende opgestelde specificatie (zie 2.3) is daarvoor onvoldoende, omdat daaruit niet blijkt dat op deze data medische behandelingen hebben plaatsgevonden. Ook met betrekking tot de externe vervoerskosten (zie 2.3) is niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten zijn gemaakt om een medische behandeling te ondergaan of een medische behandelaar te bezoeken.
4.5.
Uitgaven voor extra rijlessen kunnen slechts in aanmerking komen als uitgaven voor ziekte of invaliditeit als deze lessen bedoeld zijn om de bediening van een hulpmiddel, in dit geval zou dat een aangepast voertuig zijn, bij te brengen. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende gebruik maakt van een aangepast voertuig. Volgens de factuur is sprake van opfrislessen in een automaat.
4.6.
Om voor aftrek voor “leefkilometers” in aanmerking te komen moet belanghebbende aannemelijk maken dat hij meer kosten maakt dan de “maatman”. Dat is de persoon die niet ziek/invalide is, maar overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden in gelijke positie verkeert. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan deze bewijslast heeft voldaan.
4.7.
Uit het vorenstaande volgt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor aftrek van uitgaven voor vervoer vanwege ziekte of invaliditeit, omdat niet aan de voorwaarden is voldaan.
Vertrouwensbeginsel
4.8.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient belanghebbende aannemelijk te maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.
4.9.
Belanghebbende heeft gewezen op het met de inspecteur plaatsgevonden overleg in mei 2018, naar aanleiding van de aangifte IB/PVV 2015. Dit overleg heeft geleid tot de acceptatie van de aftrek voor vervoerskosten in 2015, 2016 en 2017, aldus belanghebbende, ook al betroffen deze kosten niet slechts vervoer naar artsen, maar hingen deze kosten samen met begeleiding van het herstelproces door de ouders van belanghebbende. Belanghebbende stelt dat de omstandigheden in die jaren identiek waren, zodat hij erop mocht vertrouwen dat deze kosten, voor zover deze samenhangen met zijn revalidatie ook in 2018 in aftrek mochten worden gebracht.
4.10.
Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Uit de brieven van 16 mei 2018 en 21 juni 2018, waarin een weergave van het overleg in mei 2018 is opgenomen, blijkt dat de inspecteur van mening is dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat in 2015 vervoerskosten zijn gemaakt voor medische behandelingen. Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat met de inspecteur destijds is besproken dat de vervoerskosten in 2015 naar de medische instellingen zijn gemaakt door de ouders om hem in het revalidatieproces te ondersteunen en dat de inspecteur dus wist dat belanghebbende niet zelf werd vervoerd naar een medische behandelaar. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende dit zo mogen begrijpen dat ook de kosten in latere jaren, voor zover die betrekking hebben op het vervoer van de ouders naar belanghebbende om het revalidatieproces te ondersteunen in aftrek mogen worden gebracht.
Belanghebbende heeft een overzicht verstrekt van alle gemaakte vervoerskosten. Het hof acht echter niet aannemelijk gemaakt dat alle door belanghebbende in aftrek gebrachte vervoerskosten zijn gemaakt om het revalidatieproces te ondersteunen en ziet aanleiding om de vervoerskosten die in aftrek kunnen worden gebracht in goede justitie vast te stellen op € 3.000.
Voor dat geval heeft de inspecteur op de zitting verklaard akkoord te gaan met een aftrek in 2018, ook al hebben de kosten in een later jaar op belanghebbende gedrukt.
4.11.
Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet leiden tot een verdere vermindering van de aanslag IB/PVV 2018.
Tussenconclusie
4.12.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de aanslag IB/PVV 2018 moet worden verminderd met een bedrag van € 2.088 (€ 3.000 -/- € 912 (drempel uitgaven specifieke zorgkosten) tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.748.
Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële schade
4.13.
Belanghebbende heeft op 22 februari 2024 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Voor het hof geldt als uitgangspunt dat uitspraak moet worden gedaan binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld. Deze termijn is nog niet verstreken en daarom komt belanghebbende niet in aanmerking voor een vergoeding van immateriële schade.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht;
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de aanslag IB/PVV 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.748;
vermindert de beschikking belastingrente evenredig;
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 13,06;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 941,26.
De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers L.B.M. Klein Tank
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Zie Hoge Raad 15 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3847.
Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht