Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-10-28
ECLI:NL:GHSHE:2025:2969
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
5,413 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2969 text/xml public 2026-02-12T10:33:47 2025-10-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-28 200.320.633_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2969 text/html public 2026-02-12T10:30:20 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2969 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 28-10-2025 / 200.320.633_01 Tussenuitspraak, verzet tegen dwangbevel Bpf (artikel 21 lid 5 Wet Bpf 2000). Bewijswaardering; Bpf moet toelichten welk bedrag toewijsbaar is gelet op het niet volledig geleverde bewijs. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.320.633/01 arrest van 28 oktober 2025 in de zaak van de stichting Pensioenfonds Vervoer, voorheen genaamd stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als Bpf Vervoer, advocaat: mr. S.K. Tuithof te Haarlem, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. M. Spaa te Leiden, als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 12 maart 2024 en 13 mei 2025 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 9272679 \ CV EXPL 21-2949 gewezen vonnis van 19 januari 2022. 8 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 13 mei 2025; de aanvullende memorie van de zijde van Bpf Vervoer met producties; de aanvullende antwoordmemorie van de zijde van [geïntimeerde] . Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 9 De verdere beoordeling Enkele procesrechtelijke overwegingen 9.1.1. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 13 mei 2025 aan Bpf Vervoer de gelegenheid gegeven om de producties 6 tot en met 13 in het geding te brengen en om te reageren op de producties 11 en 12 die [geïntimeerde] bij antwoordmemorie na enquête in het geding heeft gebracht. Het hof heeft overwogen dat Bpf Vervoer een aanvullende memorie mag nemen met dit uitsluitende doel en dat [geïntimeerde] een aanvullende antwoordmemorie mag nemen uitsluitend met het doel om te reageren op producties 6 tot en met 13. 9.1.2. Het hof constateert dat Bpf Vervoer zich niet heeft gehouden aan deze instructie. Zij heeft niet uitsluitend gereageerd op producties 11 en 12 van [geïntimeerde] maar ook zelf nieuwe producties in het geding gebracht. Het hof is van oordeel dat dit niet was toegelaten en dat [geïntimeerde] (terecht) in zijn antwoordmemorie niet meer daarop is ingegaan. Het hof acht dit in strijd met de eisen van een goede procesorde, zal deze nieuwe producties (14 en 15) daarom niet meer bij de beoordeling betrekken en laat ze verder buiten beschouwing. 9.1.3. Volgens Bpf Vervoer moet het hof ook de producties 11 en 12 van [geïntimeerde] buiten beschouwing laten. Het hof zal dat niet doen. Bpf Vervoer heeft immers de gelegenheid gekregen om inhoudelijk te reageren op die producties. Het hof verwerpt het standpunt van Bpf Vervoer dat [geïntimeerde] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarop hij doelt. Uit de antwoordmemorie na enquête en uit het als productie 12 ingebrachte overzicht blijkt duidelijk dat [geïntimeerde] doelt op de betalingen die door zijn vader zijn gedaan aan de in deze procedure aan de orde zijnde werknemers (en nog enkele andere mutaties die het hof echter van minder belang acht zoals hierna zal blijken). Het standpunt van Bpf Vervoer dat de mutaties op de bankafrekening niet de originele bankafschriften betreffen, wil niet zeggen dat deze productie daarom geheel terzijde moet worden gelegd. De kern van het geschil 9.2. Het hof herhaalt, voor de duidelijkheid en voor zover nog van belang, eerst (kort) de kern van het geschil. [geïntimeerde] is ingeschreven geweest in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als eigenaar van een eenmanszaak. Volgens Bpf Vervoer zijn bij die onderneming personen werkzaam geweest op grond van een arbeidsovereenkomst, waarvoor deelneming in Bpf Vervoer verplicht is gesteld. Bpf Vervoer heeft een dwangbevel aan [geïntimeerde] laten betekenen en aanspraak gemaakt op achterstallige premies, wettelijke handelsrente en incassokosten. [geïntimeerde] heeft verzet ingesteld tegen het dwangbevel. Volgens [geïntimeerde] gaat het om vorderingen van Bpf Vervoer op de onderneming van zijn overleden vader, die frauduleus heeft gehandeld door de premienota’s bij zijn onderneming ‘te laten landen’. Ook zijn de premienota’s volgens [geïntimeerde] onjuist en onduidelijk. De bewijsopdracht 9.3.1. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 12 maart 2024 overwogen dat op Bpf Vervoer de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van de verschuldigdheid van de bedragen die zij op grond van het dwangbevel invordert. Het hof heeft Bpf Vervoer toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat en zo ja, welke personen op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van de onderneming van [geïntimeerde] zijn geweest. 9.3.2. Het hof heeft in rov. 6.3.2 van het tussenarrest van 13 mei 2025 overwogen dat het heeft begrepen dat de bewijslevering moet zien op [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] . Het hof begrijpt uit de aanvullende memorie van Bpf Vervoer dat die overweging juist is. De bewijswaardering 9.4. Het hof komt, op basis van alle voorhanden bewijsmiddelen, tot het oordeel dat Bpf Vervoer is geslaagd in de bewijslevering voor wat betreft [persoon A] , [persoon B] en [persoon D] . Voor wat betreft [persoon C] is Bpf Vervoer niet geslaagd in de bewijslevering. Het hof neemt in aanmerking dat niet in geschil is dat de hiervoor genoemde personen op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn geweest, dus dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:610 BW, maar dat het uitsluitend gaat om de beantwoording van de vraag bij wie de werknemers in dienst zijn geweest: bij [geïntimeerde] of bij de vader van [geïntimeerde] (hierna steeds: ‘de vader’). De hierna te noemen werknemers zijn als getuigen gehoord. Het hof zal hierna ingaan op hetgeen zij hebben verklaard. Er is ook schriftelijk bewijsmateriaal bijgebracht, ook van de andere werknemers. Het kan zo zijn dat de ene werknemer bij [geïntimeerde] en een andere bij de vader in dienst is geweest. Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen die partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin die partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst gesloten is, kunnen van belang zijn (HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2011:1615). [persoon A] , [persoon B] , [persoon D] 9.4.1. Uit de getuigenverklaring van [persoon A] volgt dat [persoon A] zelf [geïntimeerde] heeft aangesproken om voor hem te gaan werken. [persoon A] heeft verklaard dat hij door [geïntimeerde] toen in dienst is genomen. [persoon A] heeft weinig kunnen verklaren over de uitoefening van het werkgeversgezag, omdat hij heeft verklaard dat hij eigenlijk alles zelf regelde. Wat wél geregeld moest worden, regelde hij met [geïntimeerde] . [persoon A] heeft over de vader van [geïntimeerde] verklaard dat hij hem maar heel af en toe heeft gezien en amper werkgerelateerde dingen met de vader van [geïntimeerde] heeft besproken. 9.4.2. Uit de getuigenverklaring van [persoon B] blijkt dat hij door [geïntimeerde] in dienst is genomen en dat hij alles wat besproken moest worden met [geïntimeerde] (niet met de vader) besprak. Hij heeft opgezegd bij [geïntimeerde] . Uit de gehele verklaring van [persoon B] volgt dat hij steeds uitsluitend met [geïntimeerde] contact heeft gehad en niet met de vader.
Volledig
In de door Bpf Vervoer overgelegde arbeidsovereenkomst staat vermeld: “Hierbij verklaart ondergetekende [geïntimeerde] , h.o.d.n. DWT Transport en Transportbemiddeling dat hij onder navolgende voorwaarden in dienst heeft genomen [persoon B] (…)” [onderstreping hof]. Op de loonstroken is het adres van [geïntimeerde] vermeld, niet het adres van de vader. In de door Bpf Vervoer overgelegde conversatie per whatsapp tussen [persoon B] en [geïntimeerde] valt te lezen dat [persoon B] regelmatig vraagt waar het salaris blijft en dat [geïntimeerde] daarop reageert. [geïntimeerde] heeft in dit verband ook gecorrespondeerd met FNV, destijds gemachtigde van [persoon B] en mondeling geantwoord in een procedure bij de kantonrechter. 9.4.3. Uit de getuigenverklaring van [persoon D] blijkt dat hij bij indiensttreding met [geïntimeerde] heeft gesproken, bij [geïntimeerde] thuis. Hij heeft verklaard dat hij de arbeidsovereenkomst heeft geregeld met [geïntimeerde] en dat hij alles op werkgeversgebied met hem heeft geregeld. Hij heeft de vader maar één keer gezien. Op een arbeidsovereenkomst is vermeld: “Hierbij verklaart ondergetekende DWT Transport en bemiddeling, in deze vertegenwoordigd door [geïntimeerde] dat (…) [persoon D] (…) bij hem voor onbepaalde tijd in vaste dienst is getreden (…) [onderstreping hof]”. Dat document is niet door [persoon D] ondertekend. [persoon D] heeft als getuige ook verklaard dat hij zijn ontslag heeft ingediend bij [geïntimeerde] . 9.4.4. [geïntimeerde] heeft in zijn aanvullende antwoordmemorie aangevoerd dat hij is opgetreden als bedrijfsleider en dat dit blijkt uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] niet heeft aangevoerd dat hij ooit jegens [persoon A] , [persoon B] of [persoon D] kenbaar heeft gemaakt dat hij bedrijfsleider was en/of enkel in de hoedanigheid van gevolmachtigde van de vader optrad. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] bij hen de schijn heeft gewekt dat hij de werkgever was. Los daarvan constateert het hof dat het in de rede had gelegen dat dit standpunt eerder in deze procedure was ingenomen. Dit argument is voor het eerst in de aanvullende antwoordmemorie aangevoerd (en dus te laat). Uit de uittreksels van het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [geïntimeerde] en de vader over en weer gevolmachtigd waren (rov 3.2.2. en 3.2.3). [geïntimeerde] heeft steeds verklaard dat de vader als gevolmachtigde van hem allerlei transacties heeft verricht (en misbruik heeft gemaakt van die volmacht). [geïntimeerde] heeft echter pas in zijn allerlaatste processtuk ineens de omgekeerde situatie aangevoerd, te weten dat hij als gevolmachtigde van de vader is opgetreden en dat zijn communicatie met de werknemers is gedaan namens de vader als gevolmachtigde van de vader. Gelet op het moment waarop [geïntimeerde] dat standpunt heeft ingenomen (na de getuigenverhoren waaruit blijkt dat hij zich heeft gedragen als werkgever), acht het hof dat in strijd met de zogenaamde twee-conclusie-regel en de eisen van een goede procesorde, reden waarom het hof dit bij de beoordeling buiten beschouwing laat. Overigens acht het hof deze stellingen onaannemelijk in het licht van wat daartoe is aangevoerd. 9.4.5. In de arbeidsovereenkomst met [persoon B] wordt [geïntimeerde] vermeld als werkgever. In de arbeidsovereenkomst met [persoon D] lijkt de vader te worden genoemd als werkgever, maar in de genoemde handelsnaam komen de bewoordingen ‘administratie’ en/of ‘belastingadvies’ of ‘belastingadviezen’ niet voor (die onderdeel uitmaken van de handelsnamen van de vader). Bovendien is dat document niet door [persoon D] ondertekend. 9.4.6. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de vader over NIWO-vergunningen beschikte en dat de vader de lonen heeft betaald. Volgens [geïntimeerde] fraudeerde de vader en wilde de vader hem voor loonbelasting en pensioenpremies laten opdraaien. Het hof begrijpt dit aldus dat [geïntimeerde] niet over een NIWO-vergunning beschikte en de vader wel. Zonder vergunning mocht [geïntimeerde] geen personeel voor zijn onderneming laten rijden, hetgeen erop kan duiden dat de werknemers bij de vader in dienst waren. Dat kan ook worden afgeleid uit de ‘verklaringen dienstbetrekking’. Die verklaringen betreffen formulieren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat. Die verklaringen zijn echter niet gericht aan de werknemers of bedoeld voor de werknemers (het hof verwijst opnieuw naar rov. 9.4), maar voor de controlerende instanties. Het hof acht niet aannemelijk dat deze verklaringen steeds een juiste weergave waren van de werkelijkheid. Het hof acht veel aannemelijker dat [geïntimeerde] en zijn vader hebben gekozen voor een ‘constructie’ die (afhankelijk van welke instantie het betrof) de ene keer de indruk gaf dat de werknemers bij de vader in dienst waren (wanneer het ging om de NIWO-vergunning) en de andere keer dat de werknemers bij [geïntimeerde] in dienst waren (aanvankelijk de belastingdienst), maar dat van standpunt werd gewisseld wanneer dat goed uitkwam (de belastingaanslagen jegens [geïntimeerde] zijn vernietigd). Dat oordeel wordt ondersteund door de gebruikte handelsnamen die erg op elkaar lijken (zie rov. 3.2.2 en 3.2.3) maar die consequent niet volledig zijn gebruikt, waardoor het onderscheid nog moeilijker is (zoals op de arbeidsovereenkomsten en op de verklaringen van dienstbetrekking). Het hof ziet de loonbetalingen ook in deze context. Dat de lonen zijn betaald door de vader, wil niet zeggen dat [persoon A] , [persoon B] en/of [persoon D] dat wisten of zich daarvan bewust waren. En als zij dat wel waren, dan heeft Bpf Vervoer terecht aangevoerd dat het mogelijk is dat de vader bevrijdend heeft betaald voor [geïntimeerde] , zeker ook omdat de vader gevolmachtigde was. Daarbij komt dat in de door Bpf Vervoer overgelegd conversatie via whatsapp tussen [persoon B] en [geïntimeerde] valt te lezen dat [persoon B] regelmatig vraagt waar het salaris blijft (en soortgelijke vragen over onkostenvergoedingen) en dat [geïntimeerde] daarop reageert. [geïntimeerde] heeft op die regelmatig terugkerende vraag nooit laten weten dat [persoon B] dat aan de vader moest vragen of iets dergelijks. Hij heeft daar steeds zelf op gereageerd. Dat [geïntimeerde] in een zo laat stadium van de procedure toch nog een print van bankmutaties van de zakelijke rekening van de vader heeft kunnen overleggen, draagt niet bij aan zijn geloofwaardigheid. Het is overigens slechts een print van mutaties. Bpf Vervoer heeft terecht opgemerkt dat dit document kan zijn bewerkt en het hof sluit dat zeker niet uit. Zo staat bijvoorbeeld bij de afschrijving op 25 juli 2013 aan [persoon C] als kenmerk: ‘l’ en bij [persoon D] : ‘loo’. Daarnaast overweegt het hof nog het volgende. Ook als geen sprake is geweest van een door [geïntimeerde] en de vader opgezette constructie, gaat het hof ervan uit dat Bpf Vervoer het bewijs heeft geleverd. [persoon A] , [persoon B] en [persoon D] hebben immers begrepen dat [geïntimeerde] hun werkgever was (rov. 9.4). Dat het loon door de vader is voldaan, betekent niet dat zij wisten of moesten begrijpen dat de vader de werkgever was. Hetzelfde geldt voor de verklaringen dienstbetrekking aangezien die verklaringen niet aan hen zijn gericht en de vermelding van de handelsnaam onduidelijk althans onjuist was. [persoon C] 9.4.7. Uit de getuigenverklaring van [persoon C] volgt dat hij heeft begrepen dat hij voor de vader van [geïntimeerde] heeft gewerkt. Hij heeft verklaard dat [geïntimeerde] hem heeft voorgedragen bij de vader, met wie hij zelf geen contact heeft gehad, en dat hij vervolgens is begonnen met werken voor de vader van [geïntimeerde] . Het contract, de vergunning en de verklaring van dienstbetrekking stonden op naam van de vader en hij kreeg betaald van de vader. Het opnemen van vrije dagen regelde hij met [geïntimeerde] en hij heeft met [geïntimeerde] gesproken over het einde van zijn contract. 9.4.8. Het hof is van oordeel dat, gelet op het overwogene in rov. 9.4, [persoon C] bij de vader in dienst is geweest en dat [geïntimeerde] jegens hem duidelijk heeft gemaakt dat hij namens de vader optrad.
Volledig
Volgens Bpf Vervoer moet aan de verklaring van getuige [persoon C] minder gewicht moet worden gehecht omdat hij bevriend is met [geïntimeerde] . Dat [persoon C] bevriend is geraakt met [geïntimeerde] en dat hij voorafgaand aan het getuigenverhoor telefonisch contact heeft gehad met [geïntimeerde] , betekent echter niet dat zijn verklaring onjuist is. Het hof herhaalt (zie rov. 9.4) dat mogelijk is dat de ene werknemer bij [geïntimeerde] en een andere bij de vader in dienst is geweest. De gevolgen van deze bewijswaardering 9.5.1. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter het dwangbevel van 16 april 2021 buiten werking stelt en dat Bpf Vervoer wordt verplicht tot terugbetaling van de ten laste van hem geëxecuteerde bedragen. 9.5.2. De kantonrechter heeft de vordering om het dwangbevel buiten werking te stellen toegewezen. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het dwangbevel deels niet juist is (voor zover het betrekking heeft op [persoon C] , [persoon E] , [persoon F] , (F.C.) [geïntimeerde] , [persoon G] en [persoon H] ). Dat leidt ertoe dat de kantonrechter naar het oordeel van het hof het dwangbevel terecht buiten effect heeft gesteld. Het hof is voornemens het bestreden vonnis op dat onderdeel te bekrachtigen. Het hof is voorts op grond van het voorgaande van oordeel dat er geen rechtsgeldige titel was voor de door Bpf Vervoer getroffen executiemaatregelen. Bpf Vervoer is verplicht de geëxecuteerde bedragen aan [geïntimeerde] terug te betalen. De kantonrechter heeft die vordering afgewezen. Het hof is voornemens het bestreden vonnis op dat onderdeel te vernietigen en die vordering alsnog toe te wijzen. 9.5.3. Bpf Vervoer heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van € 83.512,89, te vermeerderen met rente en kosten. In hoger beroep heeft Bpf Vervoer haar vordering enigszins anders geformuleerd. Zij heeft gevorderd (uitvoerbaar bij voorraad): [geïntimeerde] alsnog te veroordelen tot betaling van € 83.512,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van de facturen tot aan de dag der algehele voldoening en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide procedures, waaronder een veroordeling tot terugbetaling van de reeds betaalde proceskosten ad € 2.630,55 in eerste aanleg, en in de nakosten van beide instanties. 9.5.4. Bpf Vervoer heeft in haar memorie van grieven toegelicht dat volgens haar in totaal een bedrag is voldaan van € 129.159,96 en dat nog een bedrag resteert van € 83.512,89. Op grond van het voorgaande acht het hof € 83.512,89 niet toewijsbaar. Bpf Vervoer dient een akte te nemen waarin zij inzichtelijk maakt welk bedrag voor welke werknemer verschuldigd is. Omdat Bpf Vervoer alleen is geslaagd in de bewijslevering voor wat betreft [persoon A] , [persoon B] en [persoon D] gaat het om: (zie rov. 6.3.2): J.H. [persoon A] : 2004 tot en met 2009 D.J. [persoon B] : 2007 tot en met 2009 2015 tot 1 februari 2017 J. [persoon D] 2015 tot 1 februari 2017. Bpf Vervoer dient in die akte een uitsplitsing te maken per persoon per jaar. Bpf Vervoer dient in haar akte tevens in te gaan op hetgeen [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft aangevoerd over creditfacturen waarmee volgens hem ten onrechte geen rekening is gehouden (voor zover dat na de nieuwe berekening nog aan de orde is) en hetgeen [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep heeft aangevoerd over de bedragen die inmiddels zijn geïnd middels het dwangbevel uit 2015 dan wel 2021. 9.5.5. Bpf Vervoer heeft wettelijke rente gevorderd, maar in het dwangbevel is gerekend met wettelijke handelsrente. Het is het hof niet aanstonds duidelijk waarom wettelijke handelsrente verschuldigd zou kunnen zijn. Bpf Vervoer dient dat toe te lichten en indien nodig ook op dit punt een nieuwe berekening te maken. Het hof is voorlopig van oordeel dat wettelijke rente toewijsbaar is vanaf de vervaldata van de facturen, met dien verstande dat de wettelijke rente dan niet toewijsbaar is over het gehele bedrag van de facturen. Het hof kan dat op die manier toewijzen. Het heeft echter de voorkeur dat Bpf Vervoer inzichtelijk maakt wat het hiervoor weergegeven oordeel betekent voor de wettelijke (handels)rente en duidelijk maakt welk bedrag aan wettelijke (handels)rente verschuldigd is vanaf wanneer. 9.5.6. Klaarblijkelijk is in het gevorderde bedrag van € 83.512,89 ook een bedrag begrepen voor buitengerechtelijke kosten. Bpf Vervoer dient inzichtelijk te maken welke consequenties het hiervoor weergegeven oordeel heeft voor dat bedrag. De wijze van voortprocederen 9.6. Het hof zal Bpf Vervoer in de gelegenheid stellen een akte te nemen, uitsluitend met het doel zoals hiervoor weergegeven in rov. 9.5.4 tot en met 9.5.6. [geïntimeerde] mag daarna met een antwoordakte reageren, uitsluitend om te reageren op de akte van Bpf Vervoer. 10 De uitspraak Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep: verwijst de zaak naar de rol van 25 november 2025 voor een akte aan de zijde van Bpf Vervoer zoals weergegeven in rov. 9.6, waarna [geïntimeerde] in de gelegenheid zal worden gesteld een antwoordakte te nemen; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Smorenburg, M. van Ham en M.E. Bruning en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 oktober 2025. griffier rolraadsheer