Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-28
ECLI:NL:GHSHE:2025:2967
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.308.862/01 arrest van 28 oktober 2025 in de zaak van 1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [--] Advies B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. [++] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant sub 1] , [--] en [++] , en gezamenlijk als [appellant] (enkelvoud), advocaat: mr. R.M. de Hair te Venlo, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. [xx] Adviesgroep C.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. [yy] Consultancy B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 4. [AA] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , 5. [zz] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [geïntimeerde sub 1] , [xx] , [yy] , [AA] en [zz] , en gezamenlijk als [geïntimeerde] (enkelvoud), advocaat: mr. J.T.J. Gorissen te Heerlen. Dit arrest is het vervolg van de door het hof gewezen tussenarresten van 3 oktober 2023 (hierna: tussenarrest I) en 11 juni 2024 (hierna: tussenarrest II) in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/262514 / HA ZA 19-174 gewezen vonnissen van 19 juni 2019, 25 maart 2020, 15 april 2020, 22 juli 2020, 7 juli 2020 en 29 december 2021. 8 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 11 juni 2024 (hierna: tussenarrest II); het proces-verbaal van getuigenverhoor van 5 december 2024; het proces-verbaal van contra-enquête van 12 maart 2025; de memorie na enquête van [appellant] met producties; de memorie na enquête van [geïntimeerde] Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 9 De verdere beoordeling De inbreng van de assurantieportefeuille 9.1.1. In tussenarrest II heeft het hof [appellant] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat [geïntimeerde] zijn portefeuille niet in [xx] heeft ingebracht omdat de portefeuille in 2009 al geen eigendom meer van hem was dan wel dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor de inbreng van zijn assurantieportefeuille. [appellant] heeft [persoon A] (hierna: [persoon A] ) en [appellant sub 1] gehoord. In contra-enquête heeft [geïntimeerde] [geïntimeerde sub 1] gehoord. Het hof ziet aanleiding om eerst te beoordelen of [appellant] is geslaagd in het bewijs dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor de inbreng van zijn assurantieportefeuille. 9.1.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de samenwerking tussen [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] dateert van vóór 1 januari 2009, het moment van inbreng in [xx] , en dat de samenwerking tussen (indirect) [appellant sub 1] , [geïntimeerde sub 1] , [persoon A] en IBC plaatsvond onder de vlag van de vennootschap onder firma Personal Financial Strategies V.O.F. Vervolgens is, na het uittreden van IBC, de samenwerking tussen (indirect) [appellant sub 1] , [geïntimeerde sub 1] en [persoon A] voortgezet, maar dan in een andere juridische structuur. Na het uittreden van [persoon A] zijn [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] (indirect, via een aantal vennootschappen, zie het structuurschema in rov. 2.8. van het vonnis van 25 maart 2020) verdergegaan in [xx] . 9.1.3. Over het begin van de samenwerking heeft [persoon A] verklaard “Ergens in de periode 2002/2004 zijn [appellant sub 1] en ik een vof aan gegaan met IBC, [persoon B] . Omdat IBC dat wilde hebben we toen een uitgebreid boekwerk opgesteld over de voorwaarden, de samenwerking, wat is van wie, enzovoort. Op een bepaald moment is [geïntimeerde sub 1] daar bijgekomen. [persoon B] kende [geïntimeerde sub 1] en op zijn initiatief zijn we met elkaar in gesprek gegaan over de vraag of er synergie in zou zitten. Dat was zo en we zijn met elkaar doorgegaan. Op uw vraag of er afspraken zijn gemaakt over inb Tot die tijd is mijn portefeuille steeds apart gehouden en geadministreerd.[…] U houdt mij voor dat [appellant sub 1] heeft verklaart dat de afspraak steeds was “alles op een hoop gooien” en dan de opbrengst samen delen. Dat is volgens mij niet waar. Ieder had zijn eigen expertise en moest zijn eigen broek ophouden. Het was wel zo dat alles wat we met zijn drieën zouden opbouwen, dat we dat samen zouden delen.” Uit de verklaringen van [persoon A] , [appellant sub 1] , en [geïntimeerde sub 1] volgt dat zij zijn gaan samenwerken op basis van de afspraak dat zij de opbrengsten zouden delen waarbij ieder recht had op 1/3e deel. Uit de verklaringen volgt ook dat zij bij de start van hun samenwerking niet hebben gesproken over inbreng en een eventuele vergoeding daarvan. Volgens [persoon A] en [appellant sub 1] is de reden hiervoor dat hun inbreng ongeveer gelijk was en was er om die reden geen aanleiding om hierover afspraken te maken. Volgens [geïntimeerde sub 1] is de reden hiervoor dat er niets is ingebracht. 9.1.4. Over het moment waarop IBC uit de samenwerking is gestapt, heeft [persoon A] verklaard “In 2005, toen IBC eruit ging, is er ook niet gesproken over inbreng. Ik heb ook niet kunnen achterhalen of er toen iets is vastgelegd. […] Toen hebben we een wat lastige vennootschapsstructuur opgericht, waarbij de verdeling uiteindelijk ook weer was ieder 1/3.” [appellant sub 1] heeft hierover verklaard “[…] Op basis hiervan hebben wij afgerekend met IBC en is IBC uitgestapt. Daarna zijn wij met z’n drieën doorgegaan. Hierbij hebben we geen nieuwe afspraken gemaakt, we hebben alleen de structuur steeds veranderd.” [geïntimeerde sub 1] heeft hierover verklaard “Toen de samenwerking met IBC ophield, moest er met IBC worden afgerekend. Deze afrekening betrof alleen het gezamenlijk opgebouwde deel. Dit blijkt ook uit de correspondentie die ik voorafgaand aan dit getuigenverhoor heb toegestuurd. In deze afrekening zat ook een assurantieportefeuille. Deze hebben wij als IBC FS gezamenlijk aangekocht van de vader van een van de aandeelhouders van IBC. Vandaar dat daarover moest worden afgerekend.” Uit deze verklaringen volgt dat [persoon A] , [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] na het vertrek van IBC op dezelfde voet zijn doorgegaan en dat er geen nieuwe afspraken zijn gemaakt. 9.1.5. In 2009 is de samenwerking met [persoon A] geëindigd. [persoon A] heeft hierover verklaard “Ik ben zelf in 2009 gestopt. Bij de start van de samenwerking had ik ook eigen klanten die ik heb ingebracht. Toen ik stopte heb ik gezegd jullie gaan door met de klanten en ik ga me focussen op mijn werk als fiscaal adviseur. Er is toen ook niet afgerekend over mijn klanten, die zijn in de samenwerking achtergebleven. […] Na dat ik eruit ben gestapt ben ik op geen enkele manier betrokken geweest bij de samenwerking tussen [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] . Ik weet ook niks over de afspraken die [appellant sub 1] en [geïntimeerde sub 1] toen hebben gemaakt.” [appellant sub 1] heeft hierover verklaard “In 2009, bij de start van [xx] , hebben wij geen nieuwe afspraken gemaakt. […] U vraagt mij of er ten tijde van de uittreding van [persoon A] rekening is gehouden met de waarde van de inbreng van [geïntimeerde sub 1] . Het antwoord hierop is nee. Er was toen een structuur met drie beheervennootschappen en drie werkmaatschappijen met daaronder [AA] . De omzet liep toen terug en we hadden veel schulden. [persoon A] heeft toen gezegd we kijken naar de balans en ik draag mijn aandeel in [AA] aan jullie over tegen de intrinsieke waarde.” [geïntimeerde sub 1] heeft hierover verklaard “In 2009 vertrok [persoon A] en [xx] zat in moeilijk vaarwater. Toen hebben wij een werkoverleg gehad en in dat kader heb ik de exploitatie van de assurantieportefeuille van mijzelf binnen [xx] gebracht. Het eigendom van deze portefeuille bleef bij mij. U houdt mij voor dat in de procedure bij de rechtbank (en in de procedure bij het hof tot nu toe) is vastgesteld dat [xx] eigenaa De als productie 5 overgelegde brief dateert van 23 september 2003 en is gericht aan de personen achter IBC. Deze brief ziet op samenwerking tussen (de onderneming van) [geïntimeerde sub 1] en (de onderneming van) IBC. Deze brief ziet niet op de samenwerking tussen (indirect) [appellant sub 1] , [geïntimeerde sub 1] en [persoon A] . De als producties 6, 7 en 8 overgelegde producties betreffen brieven van (indirect) [appellant sub 1] , [geïntimeerde sub 1] en [persoon A] (producties 6 en 7) dan wel [geïntimeerde sub 1] (productie 8) aan IBC over de afwikkeling van de samenwerking. Hierin wordt verwezen naar de gezamenlijk opgebouwde portefeuille in het kader van de vraag tegen welke prijs IBC die portefeuille kan overnemen. Ook deze brieven zien dus niet op de samenwerking tussen (indirect) [appellant sub 1] , [geïntimeerde sub 1] en [persoon A] . Dit alles maakt dat [appellant] er naar het oordeel van het hof bij de start van [xx] in 2009 vanuit mocht gaan dat [geïntimeerde] geen aanspraak maakte op vergoeding van zijn inbreng. [appellant] is dus geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor de inbreng van zijn assurantieportefeuille in [xx] 9.1.8. [geïntimeerde sub 1] heeft verklaard dat de vaststelling dat [xx] eigenaar was van de portefeuille onjuist is omdat de eigendom van die portefeuille altijd bij hem (althans een van de door hem beheerste vennootschappen) is gebleven. Naar aanleiding hiervan overweegt het hof het volgende. De rechtbank heeft in de bestreden vonnissen als vaststaand aangenomen dat [xx] eigenaar was van de door [geïntimeerde] ingebrachte assurantieportefeuille (zie bijvoorbeeld rov. 4.26 van het vonnis van 25 maart 2020) en ook de deskundige is hiervan uitgegaan. [geïntimeerde] heeft hiertegen geen grieven gericht en dus is ook het hof hiervan uitgegaan. [geïntimeerde] heeft aan de hiervoor genoemde verklaring van [geïntimeerde sub 1] in de memorie na enquête geen consequenties verbonden. Integendeel, in de memorie na enquête onder nr. 3.13 staat dat de hiervoor bedoelde verklaring niet afdoet aan het feit dat de portefeuille in [xx] is ingebracht. Het hof zal daarvan dus ook (blijven) uitgaan. De berekening van de uittreedvergoeding van [appellant] 9.2.1. De conclusie dat [appellant] is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor de inbreng van zijn assurantieportefeuille in [xx] , betekent dat de uittreedvergoeding van [appellant] moet worden berekend zonder daarbij rekening te houden met een vergoeding voor de inbreng van [geïntimeerde] In tussenarrest II heeft het hof reeds geoordeeld dat de belastinglatentie VPB en de naheffing omzetbelasting in de berekening moeten worden meegenomen. Dit resulteert in de volgende berekening Eigen vermogen [xx] - € 411.456,- Overige verschillen + € 1.116,- Naheffing omzetbelasting - € 92.599,- ------------------- Eigen vermogen - € 502.939,- Boekwinst assurantieportefeuille + € 720.690,- VPB latentie - € 111.735,- -------------------- Waarde onderneming € 106.016,- Aandeel [appellant] € 53.008,- In deze berekening komt de waarde van de onderneming € 1.000,- lager uit dan in de berekening in rov. 6.4.2. van tussenarrest II. Dit is veroorzaakt door een optelfout in de berekening in tussenarrest II. 9.2.2. [appellant] heeft dus recht op een uittreedvergoeding van € 53.008,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2019. De vordering van [geïntimeerde] ter zake vergoeding van zijn inbreng 9.3. De conclusie dat [appellant] is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen vergoeding zou ontvangen voor de inbreng van zijn assurantieportefeuille in [xx] , betekent voorts dat het hof de vordering van [geïntimeerde] ter zake vergoeding van zijn inbreng zal afwijzen. Het hof verwijst naar rov. 6.4.3. van tussenarrest II Het principale hoger beroep was gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de in hoger beroep vermeerderde vordering van [appellant] op [geïntimeerde] ter zake het aandeel van [appellant] in [xx] (vordering III) en tegen de compensatie van de proceskosten door de rechtbank. Tegen de toewijzing van vordering I en de (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen II, IV, V, VII en IX heeft [appellant] geen grieven gericht. [geïntimeerde] heeft in het incidentele hoger beroep een grief gericht tegen de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] ter zake het verschil in opnamen uit [xx] (vordering II). 9.5.2. In rov. 6.2.3. van tussenarrest II heeft het hof geoordeeld dat de rechtbank vordering II van [appellant] terecht heeft toegewezen voor een bedrag van € 69.807,50. Voor wat betreft vordering III volgt uit het rov. 9.2.2. hiervoor dat deze vordering moet worden toegewezen voor een bedrag van € 53.008,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2019. Dit betekent dat de vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen hij reeds heeft voldaan (vordering (iii) zoals in hoger beroep gewijzigd), niet kan worden toegewezen. De vorderingen van [geïntimeerde] 9.5.3. Het principale hoger beroep is gericht tegen de gedeeltelijke toewijzing van de in hoger beroep gewijzigde vordering van [geïntimeerde] ter zake de vergoeding van zijn inbreng (vordering (i)). Het incidentele hoger beroep is gericht tegen de gedeeltelijke afwijzing van deze vordering, tegen de afwijzing van de in hoger beroep gewijzigde vordering van [AA] en [zz] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid (vordering (ii)) en tegen de compensatie van de proceskosten door de rechtbank. 9.5.4. Uit rov. 9.3. hiervoor volgt dat vordering (i) van [geïntimeerde] moet worden afgewezen. In rov. 3.11.3. van tussenarrest I heeft het hof reeds geoordeeld dat de rechtbank de vordering (ii) van [AA] en [zz] terecht heeft afgewezen. Vordering (iii) ziet op de terugbetaling van hetgeen [geïntimeerde] naar aanleiding van de bestreden vonnissen aan [appellant] heeft betaald en moet gezien het voorgaande ook worden afgewezen. Conclusie 9.5.5. Dit alles maakt dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen voor wat betreft de afwijzing van vordering III van [appellant] en de toewijzing van vordering (i) van [geïntimeerde] Het hof zal vordering III van [appellant] alsnog toewijzen zoals hiervoor overwogen, vordering (i) van [geïntimeerde] alsnog afwijzen en de bestreden vonnissen voor het overige bekrachtigen. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. 9.5.6. Het hof ziet aanleiding om de proceskosten van de procedure in eerste aanleg in conventie te compenseren. Partijen zijn immers over en weer op een of meer punten in het ongelijk gesteld. Dit geldt ook voor de kosten van de deskundige. De omstandigheden van het geding geven aanleiding om deze gelijkelijk over partijen te verdelen. Het hof zal dit oordeel van de rechtbank dan ook bekrachtigen. Voor wat betreft de procedure in eerste aanleg in reconventie, geldt dat [geïntimeerde] de in het ongelijk gestelde partij is. Het hof zal [geïntimeerde] dan ook veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie. Deze zullen aan de zijde van [appellant] worden vastgesteld op € 4.425,- (2,5 punten x tarief V) aan salaris advocaat. 9.5.7. Zowel in het principale hoger beroep als in het incidentele hoger beroep geldt [geïntimeerde] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal [geïntimeerde] dan ook veroordelen in de kosten van het principale en het incidentele hoger beroep. De kosten van de procedure in het principale hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op Explootkosten € 129,96 Griffierechten € 5.689,- Salaris advocaat € 12.502,- (3,5 punten x tarief V) Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 18.498,96 De kosten van de procedure in het incidentele hog