Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-16
ECLI:NL:GHSHE:2025:2546
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
12,071 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2546 text/xml public 2026-05-20T11:58:30 2025-09-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-16 200.347.103_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Verbintenissenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:5172 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2546 text/html public 2026-05-20T11:53:12 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2546 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-09-2025 / 200.347.103_01 Huurrecht. Door de Staat aan mosselkweker verhuurd mosselperceel is vanwege een zandbank gedeeltelijk niet bruikbaar voor mosselkweek. Wanprestatie? Onrechtmatige daad? GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.347.103/01 arrest van 16 september 2025 in de zaak van [xx] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [xx] , advocaat: mr. L.J. van Langevelde te Bergen op Zoom, tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), zetelend te 's-Gravenhage, geïntimeerde, hierna aan te duiden als de Staat, advocaat: mr. K. Winterink te 's-Gravenhage, op het bij exploot van dagvaarding van 4 oktober 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 juli 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [xx] als eiseres en de Staat als gedaagde. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10458193 \ CV EXPL 23-919) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 2 augustus 2023. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven; de memorie van antwoord, met productie 8; de mondelinge behandeling, waarbij [xx] spreekaantekeningen heeft overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling de kern van het geschil 3.1.1. [xx] is mosselkweker en huurt daartoe diverse mosselpercelen van de Staat, waaronder het perceel [A] in de Waddenzee. Het perceel [A] van 14,5 hectare groot is met een optimalisatieronde van mosselpercelen, waarbij bestaande percelen opnieuw werden begrensd en nieuwe percelen werden uitgegeven, in de periode 2016-2021 in het plan van toedeling van de Commissie van Toedeling aan [xx] toegedeeld. Op het moment van uitgifte van de mosselpercelen middels huurovereenkomsten door de Staat in 2021 kon 4 hectare van dit perceel niet door [xx] worden gebruikt voor de mosselkweek vanwege de aanwezigheid van een zandbank. Daarmee is volgens [xx] niet voldaan aan de verplichting van de Staat als verhuurder om het toegedeelde aantal hectare toe te kennen en dit levert volgens [xx] een gebrek op aan het gehuurde. [xx] is van mening dat zij door deze toerekenbare tekortkoming van de Staat in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst met [xx] , schade lijdt. Ook heeft de Staat volgens [xx] onrechtmatig gehandeld, onder meer omdat haar een exploitatierecht is ontnomen en de Staat in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld bij de uitgifte van de mosselpercelen. 3.1.2. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de Staat heeft voldaan aan zijn verplichting als verhuurder door het perceel [A] daadwerkelijk en volledig aan [xx] ter beschikking te stellen. Voorts is geoordeeld dat geen sprake is van een gebrek aan het gehuurde, omdat hetgeen aan [xx] is verhuurd niet afwijkt van hetgeen daarvan mocht worden verwacht. De Staat is daarom niet tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Daarnaast is geoordeeld dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld. 3.1.3. Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter. Het hof licht dat oordeel hierna verder toe. de feiten 3.2. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.2.1. [YY] Beheer B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van zowel [xx] als [YY] B.V. (hierna: [YY] ). [xx] en [YY] exploiteren ieder een mosselkweekbedrijf. Beide zijn lid van de vereniging Producentenorganisatie van de Nederlandse Mosselcultuur (hierna: PO Mosselcultuur). De kweek van mosselen vindt plaats op percelen in de Waddenzee en de Oosterschelde, die daartoe worden verhuurd door de Staat. 3.2.2. De Staat heeft het areaal mosselpercelen in het verleden meermaals herijkt, dat wil zeggen dat (delen van) mosselpercelen werden ingenomen, bestaande percelen opnieuw werden begrensd en nieuwe percelen werden uitgegeven. Deze ‘optimalisatie’ heeft voor het laatst plaatsgevonden in 1995 (‘de finale ronde’). In 2008 is tussen de Staat (LNV), PO Mosselcultuur, Vereniging Vogelbescherming Nederland, Waddenvereniging, Stichting Wad en Vereniging Natuurmonumenten het ‘Convenant transitie mosselsector en natuurherstel Waddenzee’ (hierna: het Convenant) tot stand gekomen. In het Convenant zijn afspraken vastgelegd over de transitie van de mosselsector (de verandering in de wijze waarop de mosselsector zijn mosselzaad verkrijgt) en de bevordering van natuurherstel in de Waddenzee. Het Convenant heeft geleid tot een Plan van Uitvoering, waarin is overeengekomen dat een herijkingstraject (optimalisatie) voor de percelen in de Waddenzee zal gaan plaatsvinden, met PO Mosselcultuur als opdrachtgever. 3.2.3. PO Mosselcultuur heeft de uitgangspunten van de optimalisatie in juni 2016 neergelegd in de notitie ‘Voorbereiding Proces Optimalisatie Mosselpercelen’ (hierna: de Notitie). Een van die uitgangspunten luidt: “ De PO neemt het risico dat de beschikbaar gekomen perceel-hectares achteraf minder of ongeschikt blijken.” . 3.2.4. De algemene ledenvergadering heeft ter uitvoering van de optimalisatie een reglement (hierna: het Reglement) vastgesteld, waarvan de considerans, onder meer, luidt als volgt: “(…) in aanmerking nemende: (…) 2. Gelet op het belang van het behoud van een renderende kweek bestaat bij de Staat de bereidheid om in het kader van de sluiting in 2018 van gebieden overeenkomstig het Convenant (1) 200 ha aan nieuwe percelen in de Waddenzee (onbeproefd) ter beschikking te stellen aan de mosselsector en (2) het optimaliseren en flexibiliseren van bestaande percelen toe te staan. 3. Het oogmerk van het proces van optimalisatie is dat alle mosselkweekbedrijven beter zullen worden van het optimalisatieproces, hetgeen tot uiting kan komen in het produceren van meer mosselen, mosselen van een betere kwaliteit en/of mosselen van een lagere kostprijs. 4. Het Optimalisatiereglement beoogt voorts het proces van optimalisatie van kweekpercelen voor de toekomst als een regelmatig terugkerende routine te verankeren. 5. Het vormgeven en uitvoeren van beide ambities vindt plaats in een nauwe samenwerking en afstemming met de Staat. 6. Aldus zal het Optimalisatiereglement van toepassing zijn op nadere optimalisatierondes indien die na verloop van tijd wenselijk blijken en daartoe door de ledenvergadering van de Producentenorganisatie op voorstel van het bestuur wordt besloten. 7. De beoogde optimalisatie zal niet het karakter hebben van ‘klassieke’ optimalisatierondes door de Staat, zoals die in het verleden zijn doorgevoerd. Er zal géén compensatie van eventueel geleden verlies aan productiewaarde plaatsvinden. De inzet is vanuit de actuele situatie voor alle mosselkweekbedrijven een verbetering te realiseren ten opzichte van dat startpunt. 8. Er wordt gestreefd naar evenredigheid van optimalisatie, waarbij de Commissie van toedeling in wijsheid, redelijkheid en billijkheid met verschillen zal omgaan. Deze evenredigheid geldt zowel voor verschillen in oppervlak en waardering van de te verkrijgen hectares als van in te leveren hectares. Aldus zal geen gebruik gemaakt worden van het voorheen gebruikte system van Theoretische Productie Waardes (TPW’s) of vergelijkbaar systeem. De optimalisatie impliceert derhalve niet dat ieder bedrijf er bij een optimalisatieronde evenveel en tegelijkertijd beter van zal worden, al wordt daar natuurlijk wel naar gestreefd. 9.
Volledig
Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid vergen bij het tot stand brengen van de in dit reglement bedoeld optimalisatie, moet rekening gehouden worden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken. 10. De nieuw te verkrijgen hectares, zoals die voorvloeien uit het sluiten van gebieden in het kader van het Convenant, worden verdeeld naar rato van het zaadcijfer. 11. Het proces voorziet in een plan waarin de ruimte zoals die beschikbaar komt vanuit afspraken in het kader van het Convenant wordt verdeeld onder de huurders, in samenhang met het optimaliseren en flexibiliseren van bestaande percelen in de Waddenzee, alsook de Oosterschelde. 12. Het plan, bedoeld in overweging 11, voorziet in een aantal stappen. De Staat zal worden verzocht als bevoegd gezag en verhuurder van de percelen in te stemmen met de inhoud van het plan en de uitvoering daarvan. Goedkeuring van het plan vindt plaats in de algemene vergadering van de leden van de Producentenorganisatie. (…)” 3.2.5. In de toelichting op het Reglement is onder meer het volgende opgenomen: “(…) Achtergrond en uitgangspunten (…) Er wordt dus niet ingezet op compensatie van kwaliteitsverlies van percelen ten opzichte van een referentiedatum. De uitgangspositie is de huidige kwaliteit van de percelen. Het doel is die kwaliteit te verbeteren onder voorwaarde dat ieder bedrijf er beter van wordt. Dat ieder bedrijf er evenveel beter van wordt is praktisch niet realiseerbaar en daarom als voorwaarde niet zo scherp gesteld. Door de repeterende aanpak kan bijvoorbeeld iedere vijf jaar een ‘reguliere optimalisatie’ uit worden gevoerd en is het mogelijk en is ook het streven om eventuele onevenwichtigheden uit de ene ronde in een volgende ronde meer in balans te brengen. In die zin is het herzien en toewijzen van percelen ook niet een puur rekenkundige exercitie, zoals in het verleden, maar kan het ook het resultaat zijn van een kwalitatieve weging op basis van redelijkheid en billijkheid. Voor de toedeling van de nieuwe hectares in het kader van de transitie blijft het zaadcijfer het uitgangspunt. (…) Uitvoeringsorganisatie Commissie van toedeling Een belangrijke rol wordt vervuld door de Commissie van toedeling. Zij heeft een onafhankelijke positie. Zij vormt zich in de verschillende fasen van het optimalisatieproject een totaalbeeld van de voorstellen van de bedrijven (inventarisatie) en de daaruit voortvloeiende mogelijkheden voor het neerleggen en/of verleggen van percelen. De commissie stelt vervolgens een voorstel voor een plan van toedeling op. De Commissie draagt zorg voor het volgens het vastgestelde reglement uitvoeren van de optimalisatie. Zij zal daarbij de bedrijven zo veel keer als nodig in de gelegenheid stellen een toelichting te geven op hun wensen en voorkeuren en te reageren op conceptvoorstellen. Uiteindelijk is de opdracht van de Commissie van toedeling om een definitief plan te maken dat voldoet aan de geformuleerde uitgangspunten en dat kan rekenen op brede steun in de Algemene Ledenvergadering. (…) Commissie van beroep De Commissie van beroep kan bij bezwaar van een individueel bedrijf na de vaststelling in de Algemene Ledenvergadering de bezwaren horen en hierover een bindend advies uitbrengen. Zij toetst met name of de in het reglement vastgestelde procedures op een juiste wijze zijn gevolgd. Procedure uitvoering optimalisatie Inventarisatie De inventarisatie van ideeën en wensen zoals die leven bij de bedrijven vormt de eerste belangrijke stap bij de uitvoering van het optimalisatieproject. Hierbij kunnen bedrijven aangeven of zij kweekgrond zouden willen inleveren, op welke plaatsen en (ongeveer) hoeveel hectares. Verder kunnen zij aangeven op welke plaatsen zij aansluitend aan de bestaande percelen mogelijkheden zien tot optimalisatie, en/of ook in aanmerking willen komen voor kweekgrond elders die niet grenst aan de bestaande percelen van het betreffende bedrijf. Het bedrijf kan daarbij aangeven naar welk type grond (kweekkwaliteit) de voorkeur uitgaat. Samenwerkende bedrijven, waarvan de deelbedrijven in de praktijk als één bedrijf opereren, kunnen aangeven dat zij als eenheid behandeld willen worden. De inventarisatie vindt schriftelijk plaats. Onderdeel van de inventarisatie is dat de Commissie van toedeling alle bedrijven in de gelegenheid stelt om het inventarisatieformulier mondeling toe te lichten. Conceptplan van toedeling Na ontvangst van alle inventarisatieformulieren maakt de Commissie van toedeling een analyse van de ingediende wensen. (…) Op basis van de analyse komt de Commissie van toedeling tot een eerste conceptplan van toedeling. Toelichting concept plan van toedeling Na totstandkoming van dit eerste concept worden de daarin opgenomen deelvoorstellen per bedrijf toegestuurd aan het betreffende bedrijf en zo nodig toegelicht door de Commissie van toedeling. Opmerkingen en reacties naar aanleiding van dit voorstel worden door de Commissie aangehoord en vastgelegd en gebruikt bij het opstellen van het definitieve concept plan van toedeling. Definitief plan van toedeling Alle toelichtingen en reacties leiden tot het definitieve plan van toedeling door de Commissie van toedeling. Dit definitieve plan van toedeling wordt aangeboden aan het PO bestuur die dit plan zonder aanpassingen voorlegt aan de Algemene Ledenvergadering. Vaststelling plan van toedeling Het definitieve plan van toedeling wordt door het PO bestuur voorgelegd aan de Algemene Ledenvergadering. (…) Na vaststelling zal het plan van toedeling door de PO worden aangeboden aan het Ministerie van Economische Zaken. Mits uitvoerbaar zal het Ministerie het plan van toedeling verwerken in nieuw op te stellen huurovereenkomsten. (…)” 3.2.6. Over de uitgifte van de mosselpercelen is in artikel 13 lid 3 van het Reglement bepaald: “Het bestuur van de Producentenorganisatie zendt de door de ledenvergadering goedgekeurde definitieve toedeling toe aan de Staat met het verzoek dienovereenkomstig de mosselpercelen uit te geven.” 3.2.7. [xx] en [YY] hebben zich gezamenlijk (‘cluster BRU 27’) voor herverdeling aangemeld. 3.2.8. De Commissie van Toedeling (hierna: de CvT) heeft een voorlopig plan van toedeling opgesteld en aan de betrokken mosselkwekers gezonden. In dit plan is opgenomen dat aan nieuwe percelen aan cluster BRU 27 onder meer worden toegedeeld het perceel [perceel B] met een oppervlakte van 3,7 hectare en [A] met een oppervlakte van 14,5 hectare. 3.2.9. In reactie daarop hebben [xx] en [YY] bij brief van 21 april 2018 het volgende gesteld: “(…) Nieuwe percelen, [perceel B] is een goede locatie maar 3,7 ha consumptie grond is zeer mager voor onze cluster van 3,41%. Daarom willen wij u vragen om het perceel noord van ons van YE 58/87 iets naar het noorden te verschuiven (bijv. 150 m) zodat [perceel B] iets groter wordt. Ook willen wij u vragen om de benedenlijn van de vloedlijn van Barbé naar de roem te laten lopen, dit heeft 2 voordelen de beneden lijn vanaf YE 57 naar YE 116 is één rechte lijn dus duidelijk voor garnalen vissers en [perceel B] wordt iets groter. [perceel C] lijkt een aardige locatie. [A] is aan de zuidkant van het vak zandplaat en dus kleiner. Met laag water is ongeveer 275 m. bevaarbaar en aan de noordkant nog een droog stukje waar je in het voorjaar kan zaaien. Aangrenzende stroken aan percelen, [D] uitbreiding 4 ha willen wij graag ruilen voor uitbreiding [G] omdat de vleesgewichten daar aanzienlijk beter zijn. [E] uitbreiding 1 ha is redelijke halfwasgrond. [F] uitbreiding 1 ha is in onze ogen geen goede grond. Ruilen percelen, Wij willen [H] aan de zuidkant perceel niet ingeven omdat dit consumptie- grond is, wij hebben er 13 en 14 september 2016 zaad gezaaid en deze inmiddels consumptie mossels voor aanstaande seizoen staan er nog steeds (onze grootste)en hebben dus 2 winters overleeft. Het kan niet zo zijn dat we consumptiegrond kwijt raken. Dat we [I] kwijt raken, zijn wij ook niet gelukkig mee omdat er wel eens zaad valt. Ingeven van overige percelen op de lijst hebben wij geen moeite mee. (…)” 3.2.10.
Volledig
Op 18 mei 2018 is de zienswijze van [xx] en [YY] mondeling toegelicht. Het verslag daarvan luidt als volgt: “(…) Cluster vindt dat het weinig consumptiegrond krijgt (3,7 ha volgens eigen zeggen). De hoeveelheid consumptiegrond kan toenemen als het voorstel voor schuiven van grond in [T] , zoals gedaan in de zienswijze, wordt gevolgd. [A] : de zuidkant is zandplaat. Er blijft volgens het cluster een kleiner bruikbaar deel over dan aangegeven in het concept-plan. Cluster krijgt optimalisatie bij [D] , maar wil dat liever ruilen voor uitbreiding van [G] (betere opbrengsten). Dat is daar mogelijk. Optimalisatie van [F] zoals voorgesteld is volgens cluster niet bruikbaar. Cluster wil zuidkant [H] niet inleveren want dat is volgens cluster consumptiegrond. De noordkant kan wel worden ingeleverd. Cluster benadrukt tot slot dat het grootste probleem is dat het vindt dat het te weinig consumptiegrond krijgt. Deze optimalisatie is voor het cluster van levensbelang (“erop of eronder”). Zie verder zienswijze.” 3.2.11. Het definitieve plan van toedeling van de CvT is op 6 juni 2018 aangeboden aan PO Mosselcultuur en ter kennisneming aan de betrokken mosselkwekers gezonden. In dit plan is opgenomen dat aan nieuwe percelen aan cluster [J] onder meer worden toegedeeld het perceel [perceel B] met een oppervlakte van 4,6 hectare en [A] met een oppervlakte van 14,5 hectare. 3.2.12. In de begeleidende brief van de CvT bij het definitieve plan van toedeling aan [xx] en [YY] staat, onder meer: “(…) Bij deze beoordeling heeft de commissie besloten dat uw concept plan wordt aangepast. Het betreft de volgende wijziging(en): [perceel B] wordt vergroot van 3,7 ha. tot 4,6 ha. Ingeven van [H] wordt verminderd van 8 ha. naar 2 ha. [K] heeft een ander nummer gekregen, namelijk [L] (het blijft hetzelfde perceel) (…) Omdat de vermelde coördinaten en oppervlakten op de kaarten nog niet definitief zijn, kunnen aan de kaarten en tabellen geen rechten worden ontleend. (…)” 3.2.13. Het definitieve plan van toedeling is op 22 juni 2018 door de algemene ledenvergadering van PO Mosselcultuur goedgekeurd. Een aantal mosselkwekers is in beroep gegaan bij de Commissie van beroep (hierna: de CvB). [xx] en [YY] hebben dat niet gedaan. 3.2.14. In december 2019 is het uiteindelijke plan van toedeling, inclusief de door PO Mosselcultuur naar aanleiding van bindende adviezen van de CvB aangebrachte wijzigingen (hierna: het plan van toedeling) aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onderdeel van LNV (hierna: RVO) gezonden, met het verzoek aan dit plan uitvoering te geven. 3.2.15. [xx] en [YY] hebben in april 2021 nieuwe huurovereenkomsten ontvangen voor de periode van 1 mei 2021 tot en met 30 april 2024 en hebben de betreffende percelen in gebruik genomen. De huurovereenkomst bestaat uit twee delen: ‘Deel I Verhuur visrecht’ (de artikelen 1-4) en ‘Deel II Huurprijsberekening’ (considerans en de artikelen 5-12). In artikel 1 van de huurovereenkomst van [xx] (hierna: de huurovereenkomst) is het gehuurde omschreven als “het visrecht, uitsluitend voor zover dit betreft het kweken van mosselen en het vissen van schelpdieren en zeesterren op de hierna genoemde mosselpercelen: [M] [O] [P] [D] [Q] [A] [E] [R] [F] [H] [S] ” Artikel 5 (‘begrippen’) luidt: “In deze overeenkomst wordt verstaan onder: a. Huurjaar de periode 1 mei tot en met 30 april van het daaropvolgende jaar. b. Besomming de waarde die als uitgangspunt wordt genomen ten behoeve van de huurprijsberekening van alle ladingen mosselen die afkomstig zijn van de Staatsmosselpercelen van de Huurder in het Huurjaar. c. Bezaaibare oppervlakte het gedeelte van een mosselperceel dat geschikt is voor de mosselcultuur.” De huurprijs bestaat uit een ‘vastrechtgedeelte’ van 20% van de totale huursom en een ‘besommingafhankelijk deel’ van 80% (de artikelen 7-11). Het vastrecht wordt vastgesteld door omslag over alle huurders naar rato van de Bezaaibare oppervlakten van de gehuurde percelen uitgaande van de Bezaaibare oppervlakten zoals deze voor de huurder gelden per einde huurjaar (artikel 9). 3.2.16. [xx] heeft bij brief van 23 april 2021 kenbaar gemaakt de huurovereenkomst wat betreft perceel [A] “onder protest” aan te gaan, en heeft toegelicht: “(…) Wij hebben geconstateerd dat dit perceel niet de toegekende 14,5 ha is. Aan de zuidzijde van het perceel is zeker ruim 4 ha hoge zandplaat waar niet Gekweekt kan worden. Dit is ook geconstateerd door VA [visserijkundig ambtenaar; toevoeging hof] [persoon A] . Daarom vragen wij u om hier een oplossing voor te zoeken zodat we aan de toegekende 14,5 ha komen. (…)” 3.2.17. Het nieuwe perceel [perceel B] is toegedeeld en verhuurd aan [YY] . RVO heeft [YY] bij brief van 29 juli 2021 geïnformeerd dat is geconstateerd dat de aanvankelijk vastgestelde coördinaten van de nieuwe mosselpercelen [--] tot een te grote afwijking van de beoogde oppervlaktes van die percelen volgens het plan van toedeling leiden en dat om die reden de coördinaten van die percelen opnieuw zijn berekend. In het als bijlage 2 bij de brief gevoegde overzicht is met betrekking tot perceel [perceel B] vermeld dat de oppervlakte daarvan na herberekening 4,6 hectare is, gelijk aan de oppervlakte van dat perceel volgens het plan van toedeling. 3.2.18. [xx] heeft RVO op 5 april 2022 verzocht om aan haar bezwaar met betrekking tot het perceel [A] tegemoet te komen. De reactie daarop bij brief van 23 juni 2022 van ( [persoon B] , Teammanager Visserijregelingen Kust- en Binnenvisserij bij) RVO luidt als volgt: “(…) Oordeel (…) Ik ben tot het oordeel gekomen dat ik niet bereid ben om aan het verzoek om deze 4 hectare te compenseren te voldoen. (…) Onderbouwing Ten eerste worden individuele wijzigingsvoorstellen aan mosselpercelen na een optimalisatieronde niet goedgekeurd. Alleen in een gezamenlijk optimalisatieproject kunnen wijzigingsvoorstellen gedaan worden, die vervolgens in gezamenlijk beoordeeld worden. Daarbij is het niet gewenst, mede gelet op precedentwerking, om verzoeken van (individuele) mosselkwekers voor aanpassingen van de huidige mosselpercelen in behandeling te nemen. Verder is deze zandplaat ontstaan door natuurlijke omstandigheden. De kweek op mosselpercelen vindt plaats in de vrije natuur, wat betekent dat de geschiktheid van een mosselperceel voor de productie van mosselen aan natuurlijke veranderingen onderhevig is. Als gevolg van natuurlijke veranderingen kunnen hele mosselpercelen of delen daarvan ongeschikt worden voor de kweek. Compensatie voor het verlies of de achteruitgang van percelen als gevolg van natuurlijke omstandigheden kan ik niet compenseren. Tot slot wil ik u aangeven dat de 14,5 hectare dat aan u is toebedeeld een bruto oppervlakte is. Uiteindelijk zal de netto oppervlakte voor de opgave mosselbesomming leidend zijn. Volgende optimalisatieronde Ik wil u verzoeken om uw verzoek tot wijzigingen omtrent uw mosselpercelen in te brengen in een volgende optimalisatieronde. ( …)” 3.2.19. De gemachtigde van [xx] heeft zich bij brief van 2 augustus 2022 tot RVO gewend, met het verzoek om de afwijzing van het verzoek van [xx] in heroverweging te nemen en alsnog aan het bezwaar van [xx] tegemoet te komen. Aan dat verzoek is, ook na herhaling daarvan, geen gehoor gegeven. de vorderingen van [xx] en de beslissingen van de kantonrechter 3.3.1. In de onderhavige procedure heeft [xx] in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat de Staat (toerekenbaar) is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst van 1 mei 2021 althans jegens [xx] onrechtmatig heeft gehandeld, alsmede; II. de Staat veroordeelt tot vergoeding van de door [xx] geleden schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming althans als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede; III.
Volledig
de Staat veroordeelt tot nakoming door [xx] een mosselperceel in de Waddenzee of Oosterschelde van 14,5 hectare toe te delen, hetzij door verplaatsing van het mosselperceel [A] zodat dit bestaat uit 14,5 hectare goede, bruikbare en bezaaibare kweekgrond, hetzij door een ander aan [xx] verhuurd mosselperceel met een areaal van 4 hectare te vergroten, dan wel op een wijze door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, althans de Staat te veroordelen om de onrechtmatige toestand op deze wijze te beëindigen in de vorm van een vergoeding in natura; IV. een en ander onder veroordeling van de Staat in de kosten van het geding. 3.3.2. Op hetgeen [xx] aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door de Staat gevoerde verweren zal het hof, voor zover in hoger beroep van belang, hierna ingaan. 3.3.3. In het eindvonnis van 10 juli 2024 heeft de kantonrechter (samengevat) overwogen dat de huurovereenkomst het uitvloeisel is van het plan van toedeling zoals dat uiteindelijk door de PO Mosselcultuur is vastgesteld, na daartoe de procedure te hebben gevolgd die in het Reglement is neergelegd. Het perceel [A] van 14,5 hectare, dat als één van de mosselpercelen aan [xx] is toegedeeld, betreft niet een door de Staat zelf aangewezen perceel, maar behoort het tot het areaal mosselpercelen dat in 2017 door PO Mosselcultuur is geselecteerd. De Staat heeft – onder andere – het perceel [A] zoals dat destijds is uitgebakend met een grootte van 14,5 hectare, dat wil zeggen het visrecht met betrekking tot die percelen, aan [xx] verhuurd en ook daadwerkelijk en volledig aan haar ter beschikking gesteld. De Staat heeft daarmee voldaan aan zijn verplichting als verhuurder om het gehuurde ter beschikking te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is (artikel 7:203 BW). De kantonrechter heeft verder overwogen dat [xx] er in de procedure die tot het uiteindelijke plan van toedeling en dus tot de huurovereenkomst heeft geleid, op heeft gewezen dat het perceel [A] vanwege de aanwezigheid van een zandbank voor een deel niet bruikbaar en daarom ‘kleiner’ was. Dat dit er niet toe niet toe heeft geleid dat de CvT het perceel heeft aangepast, maakt niet dat sprake is van een gebrek. Hetgeen aan [xx] is verhuurd wijkt immers niet af van hetgeen daarvan op grond van het plan van toedeling mocht worden verwacht, zodat [xx] zich niet op de aanwezigheid van een gebrek kan beroepen (artikel 7:204 BW). De kantonrechter heeft [xx] niet gevolgd in haar stelling dat de Staat is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. [xx] is evenmin gevolgd in haar standpunt dat de Staat in de gegeven omstandigheden onrechtmatig heeft gehandeld. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de Staat niet in strijd met het exploitatierecht van [xx] , dan wel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vorderingen van [xx] afgewezen en [xx] in de proceskosten veroordeeld. het geschil in hoger beroep 3.4.1. [xx] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [xx] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. 3.4.2. [xx] heeft in de inleiding op de grieven aangevoerd dat zij het hof verzoekt de inhoud van haar stukken uit de eerste aanleg als herhaald en ingelast te beschouwen. Het hof kan niet zonder meer aan dat verzoek gehoor geven. Uit de memorie van grieven moet voldoende kenbaar zijn (zowel voor het hof als voor de Staat) tegen welke beslissingen en oordelen van de rechtbank het hoger beroep is gericht, wat daarvoor de redenen zijn en wat [xx] bedoelt aan te voeren. Die gronden moeten behoorlijk naar voren zijn gebracht (vgl. HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:970). 3.4.3. De Staat heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, zo nodig met verbetering en aanvulling van gronden, met veroordeling van [xx] in de kosten van de procedure. de verhouding tussen het plan van toedeling van de CvT en de huurovereenkomst met de Staat (grief 1) 3.5.1. [xx] heeft aangevoerd dat het onjuist is dat de Staat overeenkomstig het plan van toedeling nieuwe huurovereenkomsten met de mosselkwekers aangaat en dat het perceel [A] niet een door de Staat aangewezen perceel betreft. Volgens [xx] is het uiteindelijk aan de Staat als eigenaar en verhuurder van de mosselpercelen om de percelen en de afbakening daarvan vast te stellen. De Staat was nauw betrokken bij het aanwijzen van de mosselpercelen en de optimalisatieronde, en heeft ook het onderhavige perceel [A] aangewezen. De Staat was ook niet gehouden het plan van toedeling te verwerken in nieuwe huurovereenkomsten als het niet uitvoerbaar zou zijn. Met betrekking tot het perceel [A] had de Staat redelijkerwijs moeten concluderen dat de uitgifte van dat mosselperceel vanwege de aanwezigheid van een zandbank niet uitvoerbaar was. De Staat heeft de stellingen weersproken. 3.5.2. Het hof leidt uit de stukken, zoals die hiervoor deels zijn weergegeven onder de vaststaande feiten en zoals die zijn toegelicht door partijen, af dat de optimalisatieronde die uiteindelijk heeft geresulteerd in de uitgifte van perceel [A] aan [xx] een gevolg is van de door de Staat met de sector (de PO Mosselcultuur) en natuurbeschermingsorganisaties gemaakte afspraken over de transitie van de mosselsector. De behoefte aan optimalisatie was ingegeven enerzijds vanwege de overgang van bodemberoerende mosselzaadvisserij naar mosselzaadinvanginstallaties of andere methoden om zaad in te vangen of te kweken, en anderzijds vanwege het gegeven dat mosselpercelen onderhevig zijn aan de dynamiek van de zee. De PO Mosselcultuur zou zorgdragen voor de optimalisatie en daartoe zijn afspraken gemaakt, die onder andere zijn neergelegd in het door de ledenvergadering van de PO Mosselcultuur opgestelde Reglement. In de kern komen die afspraken erop neer dat de mosselsector zelf op de in het Reglement beschreven wijze en via de beschreven procedure zou komen tot een definitieve verdeling en toedeling van de beschikbare kweekgrond. Het op die wijze tot stand gekomen definitieve plan van toedeling zou bindend zijn voor de leden. Afgesproken is voorts dat de Staat het definitieve plan, mits uitvoerbaar, zou verwerken in nieuw op te stellen huurovereenkomsten. 3.5.3. Dat alles is tussen partijen als zodanig niet in geschil. Met haar grief voert [xx] in de kern aan dat de Staat bij die uiteindelijke uitgifte van de mosselpercelen met nieuwe huurovereenkomsten als uitwerking van het op de hiervoor beschreven wijze tot stand gekomen definitieve plan van toedeling, alsnog een zelfstandige plicht had om te beoordelen of de uit te geven percelen juist waren vastgesteld en afgebakend. Het hof volgt haar niet in dat betoog. 3.5.4. De Staat betwist niet een rol te hebben gehad bij het inventariseren van de mosselpercelen. Een visserijkundig ambtenaar van de Staat is betrokken geweest bij het aanwijzen van de zoekgebieden en binnen die gebieden zijn door de PO Mosselcultuur nieuwe mosselpercelen aangewezen die naar verwachting geschikt zouden zijn. Door de PO Mosselcultuur is daarbij uitdrukkelijk het risico aanvaard dat de beschikbaar gekomen perceel-hectares achteraf minder of ongeschikt blijken (vgl. rov. 3.2.3 hiervoor). De 200 hectare naar verwachting geschikte kweekgrond zou tijdens de optimalisatieronde door herbegrenzing van bestaande mosselpercelen of het creëren van nieuwe mosselpercelen door de PO Mosselcultuur onder mosselkwekers worden verdeeld. Alle mosselkwekers die mee wilden dingen naar kweekgrond, waaronder [xx] , hebben zich gecommitteerd aan de beschreven procedure van verdeling van deze schaarse percelen. Daarin is voor een teleurgestelde kweker ook voorzien in de mogelijkheid van het instellen van beroep. Het oogmerk van het proces is dat alle mosselkwekers er beter van zouden worden (vgl. de considerans bij het Reglement, nr. 3). Uitgangspunt is voorts dat zal worden gestreefd naar een evenredigheid van optimalisatie, maar dit impliceert niet dat ieder bedrijf er bij een optimalisatieronde evenveel en tegelijkertijd beter van zal worden (vgl. de considerans bij het Reglement, nr.
Volledig
8). Dat alles brengt het hof tot het oordeel dat een zorgvuldige procedure is overeengekomen tussen alle betrokken partijen, die ook is gevolgd. Het verdelen van deze schaarse percelen op een redelijke en evenwichtige manier is een complexe en langdurige aangelegenheid. De CvT heeft op clusterniveau gekeken naar een evenredige verdeling van het totale voor de sector beschikbare areaal, waarbij ieder cluster (naar verhouding) nagenoeg evenveel bruikbare kweekgrond heeft gekregen. Het feit dat de Staat pas na de totstandkoming van een definitief – door de ledenvergadering goedgekeurd – plan van toedeling over zou gaan tot de daadwerkelijke uitgifte van de percelen aan de mosselkwekers, illustreert dat de uitvoering alleen in gang kon worden gezet als er een afgewogen totaalverdeling gereed zou zijn. Daarmee rijmt niet de stelling van [xx] dat de Staat na de gereedkoming daarvan nog een eigenstandige afweging had moeten maken en al helemaal niet dat dat op individueel niveau zou moeten plaatsvinden. Wijziging op individueel niveau zou vanwege de systematiek en het beschikbare areaal immers ook gevolgen hebben voor de aan een of meer andere kwekers toegedeelde percelen. Dat er ook na de definitieve verdeling altijd nog wel ergens een te gebruiken perceel beschikbaar zou zijn, zoals [xx] tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld, is weersproken door de Staat en ook overigens gelet op de bijzondere aard van het gehuurde niet aannemelijk. Het gegeven dat niet iedereen volledig tevreden zou zijn met de uitkomst van de verdeling is inherent aan de onderhavige verdeling van de beperkte percelen en daarmee is ook rekening gehouden. Daarmee komt dat voor risico van de kwekers, in dit geval voor risico van [xx] . 3.5.5. Het is ook niet zo dat alleen [xx] heeft geklaagd over het aan hem verhuurde. De Staat heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat ook andere mosselkwekers minder tevreden zijn over (een deel van) de aan hen toegedeelde percelen, vanwege de (water)kwaliteit daarvan. Ook dat heeft invloed op de opbrengst. En ook dat dient voor risico te komen van de kwekers. 3.5.6. Slechts indien het plan van toedeling niet uitvoerbaar zou zijn, kon de Staat nog afwijken of ingrijpen. De aanwezigheid van een zandbank op perceel [A] maakt het plan van toedeling niet ‘niet uitvoerbaar’. Het hof herhaalt dat het risico dat percelen achteraf niet of minder geschikt zouden zijn, uitdrukkelijk is aanvaard. De Staat heeft tijdens de mondelinge behandeling bij wijze van voorbeeld toegelicht dat het plan niet uitvoerbaar zou kunnen zijn in geval van opgekomen publiekrechtelijke beperkingen (bijvoorbeeld volgend uit de Omgevingswet). Dat is niet aan de orde. 3.5.7. Tot slot overweegt het hof nog het volgende. De Staat heeft een huurovereenkomst gesloten met [xx] . Klaarblijkelijk bedoelt [xx] dat de Staat hem een ander aanbod had moeten doen (een ander of groter perceel), dus dat de Staat niet heeft gehandeld zoals [xx] op grond van artikel 3:14 BW en/of in het kader van de precontractuele fase van de Staat mocht verwachten. Wat [xx] van de Staat in het kader van de precontractuele fase mocht verlangen, is hiervoor weergegeven. De eisen van redelijkheid en billijkheid die ook in die fase een rol spelen, brengen op de hiervoor weergegeven gronden niet mee dat de Staat een groter perceel moest aanbieden dan het door de CvT toegedeelde perceel. Op artikel 3:14 BW zal hierna nog nader worden ingegaan. 3.5.8. De grief slaagt niet. kent het mosselperceel [A] een gebrek als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW (grief 2)? 3.6.1. [xx] heeft aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hetgeen aan [xx] is verhuurd niet afwijkt van hetgeen daarvan op grond van het plan van toedeling mocht worden verwacht. Uit het plan van toedeling noch uit de begeleidende brief volgt namelijk de aanwezigheid van een zandbank. Een doorsnee huurder mag bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst met betrekking tot een nieuw mosselperceel verwachten dat dat perceel op het moment van uitgifte volledig bruikbaar en bezaaibaar zal zijn (geobjectiveerde uitleg van de definitie van ‘gebrek’). Ook indien hetgeen mocht worden verwacht ontleend zou moeten worden aan de verhuurde zaak in kwestie, dan heeft met betrekking tot het onderhavige perceel [A] te gelden dat een doorsnee huurder niet van de aanwezigheid van de zandbank op dat perceel op de hoogte kon zijn geweest. De Staat heeft de stellingen weersproken. 3.6.2. Het hof is van oordeel dat aan het feit dat de zandbank niet expliciet staat benoemd in het plan van toedeling geen doorslaggevende betekenis toekomt. De Staat wijst er terecht op dat van een professionele mosselkweker als [xx] verwacht mag worden dat zij bekend is met de dynamische aard van percelen in de Waddenzee. Dat geldt niet alleen voor [xx] , maar voor alle mosselkwekers die lid zijn van PO Mosselcultuur en die hebben meegedaan aan de optimalisatieronde. Het standpunt van [xx] dat het hof moet uitgaan van een doorsnee huurder, baat hem daarom niet. Alleen al vanwege die veranderlijkheid is een exacte beschrijving niet aan de orde, anders dan de afbakening op basis van coördinaten en hectares zoals die is gehanteerd. Het gehuurde omvat het visrecht (mosselkweek) op het op die basis afgebakende perceel. Daarbij komt dat [xx] al vóór het definitieve plan van toedeling op de hoogte was van de aanwezigheid van de zandbank. Zij heeft dit immers al in 2018 in zowel haar schriftelijke als in haar mondelinge reactie op het concept plan van toedeling aan de CvT gemeld (vgl. rov. 3.2.9 en 3.2.10 hiervoor). 3.6.3. Anders dan [xx] heeft betoogd, ziet het hof voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [xx] mocht verwachten dat perceel [A] als nieuw uitgegeven mosselperceel volledig bruikbaar en bezaaibaar zou zijn. Allereerst geldt dat dat nergens staat, zoals [xx] tijdens de mondelinge behandeling ook heeft erkend. Evenmin volgt dit uit ‘het proces van optimalisatie’ als zodanig. Zoals het hof hiervoor in rov. 3.5.4 al heeft overwogen, volgt uit dit traject dat weliswaar werd gestreefd naar een verbetering voor de mosselkwekers, op basis waarvan mocht worden verwacht dat alle kwekers er in zijn totaliteit na de herverdeling op vooruit zouden gaan, maar ook dat het risico op het verkrijgen van (gedeeltelijk) minder bruikbare percelen daarin is onderkend en verdisconteerd. Optimalisatie was een ambitie en daarbij zijn geen garanties verstrekt. Bovendien heeft [xx] de huurovereenkomst getekend terwijl zij op de hoogte was van de aanwezigheid van de zandbank. Dat zij dit “onder protest” heeft gedaan is niet relevant. Als zij bezwaren had tegen het definitieve plan van toedeling, stond het haar vrij om daartegen beroep in te stellen zoals bedoeld in artikel 14 van het Reglement. Daar hadden haar bezwaren aan de orde kunnen en moeten komen. Door dit niet te doen, en de huurovereenkomst te tekenen, heeft zij de in haar visie “ondermaatse” staat van het gehuurde aanvaard. 3.6.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [xx] aangevoerd dat zij heeft nagelaten beroep in te stellen tegen het definitieve plan van toedeling omdat de bij het hele proces betrokken visserijkundig ambtenaar Laros haar had toegezegd dat het een en ander door de Staat bij het aangaan van de huurovereenkomsten zou worden gecorrigeerd. Dit betreft een nieuwe grief. De Staat heeft daartegen bezwaar gemaakt. De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven worden aangevoerd. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd. Beide situaties doen zich niet voor. Er is ook geen sprake van nieuw gebleken feiten en omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. De grief wordt om die reden niet beoordeeld.
Volledig
Het aanbod om [persoon A] als getuige te horen is niet ter zake doende en wordt gepasseerd. 3.6.5. Bij dit alles komt nog dat de Staat er terecht op heeft gewezen dat uit de in de huurovereenkomst neergelegd systematiek op basis waarvan de huurprijs wordt bepaald volgt dat over de in het gehuurde gesitueerde zandbank geen huur wordt betaald. Immers, in de huurovereenkomst wordt onderscheid gemaakt tussen het uit te geven ‘mosselperceel’ en de ‘bezaaibare oppervlakte’ daarvan. De bezaaibare oppervlakte is in artikel 5 sub c van de huurovereenkomst gedefinieerd als “het gedeelte van een mosselperceel dat geschikt is voor de mosselcultuur”. De huurprijs die [xx] betaalt, is gerelateerd aan de bezaaibare oppervlakte. De huurprijs bestaat voor een deel uit ‘vastrecht’ (20%) en is voor een deel ‘besommingsafhankelijk’ (80%). Het vastrecht wordt jaarlijks vastgesteld en omgeslagen over de bezaaibare oppervlakte van de mosselpercelen. Het besommingsafhankelijke deel wordt berekend aan de hand van de waarde van de van de mosselpercelen afkomstige ladingen mosselen. Mocht dus blijken dat een perceel om welke reden dan ook minder zou opbrengen, dat heeft dat op deze wijze gevolgen voor de verschuldigde huur. Het standpunt dat ieder nieuw perceel 100% bruikbaar en bezaaibaar zou zijn, rijmt niet met deze systematiek: die zou in dat geval niet nodig zijn geweest. Dat dit alleen zou gelden voor de situatie van achteruitgang van het mosselperceel ná het aangaan van de huurovereenkomst, blijkt nergens uit. Dit alles draagt bij aan het oordeel dat de aanwezigheid van de zandbank niet kan worden aangemerkt als een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW. 3.6.6. Grief 2 treft geen doel. heeft de Staat onrechtmatig gehandeld (grief 3)? 3.7.1. Uit het voorgaande volgt al dat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst door de Staat. De daarop betrekking hebbende stellingen slagen al om die reden niet. 3.7.2. [xx] heeft verder onder verwijzing naar grief 1 aangevoerd dat het uiteindelijk aan de Staat als bevoegd gezag en als eigenaar en verhuurder van de mosselpercelen is, om de mosselpercelen vast te stellen en uit te geven. Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het uitgeven van nieuwe mosselpercelen door het sluiten van nieuwe huurovereenkomsten met mosselkwekers dient de Staat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, in acht te nemen. De Staat heeft de stellingen gemotiveerd weersproken. 3.7.3. Zoals het hof hiervoor in rov. 3.5.1 en verder al heeft geoordeeld, had de Staat bij de uitgifte van de percelen en het aangaan van de huurovereenkomsten niet een zelfstandige plicht om te beoordelen of de in het plan van toedeling gemaakte vaststelling en verdeling van de percelen op individueel niveau passend was, anders dan de vraag of het plan uitvoerbaar was. Er is een zorgvuldige procedure afgesproken die met waarborgen voor de mosselkwekers is omkleed, waarin de verdeling van de gronden is overgelaten aan de sector. Die procedure is gevolgd en heeft geleid tot het definitieve plan van toedeling. De aanwezigheid van een zandbank maakte het plan niet ‘niet uitvoerbaar’. In zoverre treft de grief geen doel. [xx] wijst er echter terecht op dat de Staat bij het uitgeven van nieuwe mosselpercelen niet in strijd mag handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 3.7.4. Op grond van artikel 3:14 BW mag een bevoegdheid die krachtens het burgerlijk recht aan een overheidslichaam toekomt, immers niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Tot de regels van publiekrecht behoren de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit betekent dat een overheidslichaam bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht moet nemen. Op dit punt verschilt de positie van een overheidslichaam van die van een private partij (vgl. o.a. HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778). 3.7.5. [xx] heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging in het eigendomsrecht van [xx] , als gevolg waarvan de Staat in strijd met het evenredigheidsbeginsel, maar ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, heeft gehandeld. Het niet kunnen kweken van mosselen op 4 hectare van het perceel [A] op het moment van uitgifte van dat perceel vormt een inmenging in het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht (hierna: EP) op het ongestoord genot van dat eigendom. De inmenging betreft de regulering van eigendom als bedoeld in de derde volzin van die bepaling. [xx] bevindt zich in een wezenlijk andere situatie dan andere mosselkwekers die na de optimalisatieronde in ieder geval bij aanvang van de huurovereenkomst een volledig bruikbaar en bezaaibaar mosselperceel huurden van de Staat, aldus [xx] . 3.7.6. [xx] heeft niet duidelijk gemaakt op welke concrete en feitelijke wijze een inbreuk is gemaakt op het door artikel 1 EP beschermde recht op ongestoord genot van eigendom. Er is geen eigendom ontnomen en er is geen sprake van (publiekrechtelijke) eigendomsregulering. [xx] en de Staat (als grondeigenaar) hebben als private contractspartijen een overeenkomst van verhuur gesloten, waarbij aan [xx] een visrecht is verhuurd ten aanzien van een perceel waarvan [xx] wist dat op het moment van de uitgifte op 4 hectare van dat perceel een zandbank was gelegen. Op welke wijze de Staat daarmee in strijd met artikel 1 EP heeft gehandeld, is niet toereikend gesteld. 3.7.7. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel is niet voldoende onderbouwd. [xx] heeft in zijn toelichting op de grief aangevoerd dat zij zich in een wezenlijk andere situatie bevindt dan andere mosselkwekers die na de optimalisatieronde in ieder geval bij aanvang van de huurovereenkomst een volledig bruikbaar en bezaaibaar mosselperceel huurden van de Staat. De Staat heeft dat betwist en onweersproken toegelicht dat ook ten aanzien van andere percelen sprake is van ontevreden mosselkwekers, omdat zij (zij het om andere redenen) niet tevreden zijn over de bruikbaarheid (opbrengsten) van het aan hen toegedeelde perceel. Ook de vergelijking met de correctie die heeft plaatsgevonden ten aanzien van een deel van de percelen [--] treft geen doel. Ook in hoger beroep heeft [xx] niet weersproken de toelichting door de Staat dat de coördinaten van deze deelpercelen overeenkomstig het plan van toedeling zijn aangepast en dat deze correctie juist niet heeft geleid tot een vergroting van het voor verdeling beschikbare areaal en een afwijking van het plan van toedeling. De door [xx] beoogde aanpassing op de door haar gestelde gronden betreft een wezenlijk andere situatie. Er is geen sprake van rechtsongelijkheid. 3.7.8. De grief slaagt niet. conclusie en proceskosten 3.8.1. Grief 4 is een veeggrief en heeft geen zelfstandige betekenis. Uit het voorgaande volgt dat deze geen doel treft. Voor bewijslevering is gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen geen plaats. Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. 3.8.2. Het hof zal [xx] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Staat zullen vastgesteld worden op: griffierechten € 798,- salaris advocaat € 2.428,- (2 punt(en) x tarief II) nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.404,- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.