Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-16
ECLI:NL:GHSHE:2025:2541
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
11,298 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2541 text/xml public 2026-05-13T10:51:24 2025-09-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-16 200.341.687_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Verbintenissenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:1419 Burgerlijk Wetboek Boek 7 750 Burgerlijk Wetboek Boek 7 40 Burgerlijk Wetboek Boek 6 86 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2541 text/html public 2026-05-13T10:42:23 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2541 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-09-2025 / 200.341.687_01 Kwalificatie overeenkomst (overeenkomst van aanneming van werk ex artikel 7:750 BW of overeenkomst van opdracht ex artikel 7:400 BW). Zijn partijen tussentijdse opzegmogelijkheid voor opdrachtnemer overeengekomen? Redelijke opzegtermijn? Zuivering verzuim ex artikel 6:86 BW? GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.341.687/01 arrest van 16 september 2025 in de zaak van Stichting Wonenbreburg , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als Wonenbreburg, advocaat: mr. R.P.G. Schelvis te Tilburg, tegen VanderValk+DeGroot B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] geïntimeerde, hierna aan te duiden als Vandervalk, advocaat: mr. J.P.A. Greuters te Arnhem, op het bij exploot van dagvaarding van 21 mei 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 februari 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen Wonenbreburg als eiseres en Vandervalk als gedaagde. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/412787 / HA ZA 23-432) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met productie 1; de memorie van grieven met productie 2; de memorie van antwoord met producties 1 tot en met 3; de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. 2.2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De zaak in het kort Partijen hebben op 7 juni 2017 met elkaar een (raam)overeenkomst voor bepaalde tijd (twee jaar) gesloten met als ingangsdatum 1 april 2017. Op grond van deze overeenkomst verrichtte Vandervalk in opdracht van Wonenbreburg, kort gezegd, rioleringswerkzaamheden. De overeenkomst tussen partijen is tweemaal verlengd, de laatste keer tot 31 maart 2027. Vandervalk heeft de overeenkomst bij brief van 28 december 2022 opgezegd tegen 1 april 2023. Vervolgens is er tussen partijen discussie ontstaan over de vraag of Vandervalk de overeenkomst tussentijds kon opzeggen en als dat het geval is, of Vandervalk de juiste opzegtermijn in acht heeft genomen. Vandervalk heeft vanaf 1 april 2023 geen werkzaamheden meer voor Wonenbreburg verricht. In deze procedure stelt Wonenbreburg dat Vandervalk door de opzegging tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de overeenkomst. Zij vordert, kortgezegd, een verklaring voor recht dat zij de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig per 1 april 2023 buitengerechtelijk heeft ontbonden en dat Vandervalk aansprakelijk is voor de schade die zij door de tekortkoming lijdt/heeft geleden. De rechtbank heeft de vorderingen van Wonenbreburg in eerste aanleg afgewezen. Wonenbreburg komt hiervan in hoger beroep. 4 De feiten 4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 4.1.1. Wonenbreburg richt zich als sociale woningcorporatie in Breda en Tilburg op het huisvesten van mensen met een beperkte kans op de particuliere woningmarkt. De woningportefeuille van Wonenbreburg omvat een kleine 30.000 woningen. 4.1.2. Vandervalk is met name actief in het rioleringsbeheer. 4.1.3. Op 7 juni 2017 hebben Wonenbreburg en Vandervalk een raamovereenkomst inzake rioleringsbeheer met elkaar gesloten. In (de bijlagen bij) deze overeenkomst is onder meer nader uiteengezet welke werkzaamheden Vandervalk in opdracht van Wonenbreburg dient te verrichten en tegen welke vergoeding. Verder zijn de Algemene Inkoopvoorwaarden van WonenBreburg van toepassing verklaard. 4.1.4. Op grond van artikel 3 sub a van de raamovereenkomst trad deze in werking op 1 april 2017, had zij een looptijd van twee jaar, eindigde zij op 31 maart 2019 en vond er geen automatische verlenging plaats. 4.1.5. Partijen hebben hun samenwerking verlengd. Die verlenging is vastgelegd in Addendum I dat partijen hebben ondertekend op 12 april 2019. 4.1.6. In Addendum I staat - voor zover in hoger beroep relevant - het volgende vermeld: “ Komen als volgt overeen: I. De overeenkomst met drie jaar te verlengen tot 31 maart 2022, waarna de overeenkomst van rechtswege eindigt. (...). 4. Voor het overige blijven alle bepalingen van bovengenoemd overeenkomst onveranderd van kracht. ” 4.1.7. Partijen hebben hun samenwerking vervolgens opnieuw verlengd met ingang van 31 maart 2022. De verlenging is vastgelegd in Addendum II, dat door partijen is ondertekend op 23 respectievelijk 30 maart 2022. 4.1.8. In Addendum II staat - voor zover thans van belang - het volgende vermeld: “ Komen als volgt overeen. 1. De boven vermelde raamovereenkomst met vijf jaar te verlengen tot 31 maart 2027 waarna de overeenkomst van rechtswege eindigt. (...) 4. In plaats van de Algemene inkoopvoorwaarden WonenBreburg 15-7-2013 versie 2.0, genoemd in de Raamovereenkomst zullen de Algemene inkoopvoorwaarden voor Leveringen, Diensten en Werken Aedes model 2.2 maart 2018, welke bijgesloten zijn en waarvan leverancier verklaart deze te hebben ontvangen, vanaf de verlengingsdatum van toepassing zijn. 5. Ten aanzien van de rangorde van de van de toepassing verklaarde documenten geldt dat bij strijdigheid tussen de documenten de, naar oordeel van opdrachtgever, meest gunstigste voorwaarden voor opdracht gever gelden. 6. Voor het overige blijven alle bepalingen van de Raamovereenkomst onverkort van kracht. 7. Bij veranderingen in wet- en regelgeving (waaronder aanbestedingsplicht voor woningcorporaties) waarop Opdrachtgever geen invloed uit kan oefenen, is Opdrachtgever gerechtigd de overeenkomst per direct te ontbinden zonder recht op schadevergoeding. ” 4.1.9. Artikel 1 van de hiervoor genoemde Aedes-voorwaarden geeft de volgende definitie van het begrip ‘dienst(en)’: “ de door de Opdrachtnemer te verrichten werkzaamheden ten behoeve van een specifieke behoefte van de Opdrachtgever, niet zijnde Werken of Leveringen (…)”. Het begrip ‘werk(en)’ wordt als volgt gedefinieerd: “ uitvoeren van overeengekomen werkzaamheden (aanneming van werk, 7:750 BW), niet zijnde Leveringen of Diensten .” 4.1.10. In artikel 40 van de Aedes-voorwaarden staat vermeld: “ Artikel 40 Opzegging Elk van de Partijen is gerechtigd de Overeenkomst op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn zoals bepaald in de Overeenkomst. Indien geen opzegtermijn in de Overeenkomst is opgenomen, kan de Overeenkomst worden opgezegd met inachtneming van een redelijke opzegtermijn, mede gelet op de duur van de Overeenkomst. Daarbij geldt ingeval van een duurovereenkomst de volgende richtlijn: contractduur 0 tot 2 jaar: opzegtermijn 3 maanden: contractduur 2 tot 4 jaar: opzegtermijn 6 maanden: contractduur 4 tot 10 jaar: opzegtermijn 8 maanden, contractduur meer dan 10 jaar: opzegtermijn 1 jaar. Dit artikel is niet van toepassing op Werken. In dat geval is artikel 36 van toepassing. ” Artikel 36.6 van de Aedes-voorwaarden vermeldt, voor zover van belang: “ De Opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de Overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. (…)” 4.1.11. Bij brief van 28 december 2022 heeft Vandervalk Wonenbreburg medegedeeld de samenwerking met WonenBreburg tussentijds op te zeggen per 31 maart 2023 vanwege bedrijfseconomische redenen (fors hogere kosten van toeleveranciers, toegenomen brandstofprijzen en krapte op de arbeidsmarkt) en gedrag van huurders tegenover het personeel van Vandervalk. 4.1.12.
Volledig
Wonenbreburg heeft bij brief van 3 februari 2023 hierop gereageerd en Vandervalk medegedeeld dat de overeenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan en niet tussentijds kan worden opgezegd en voorts dat zij niet akkoord gaat met de opzegging. 4.1.13. Bij e-mailbericht van 23 februari 2023 heeft Vandervalk een eerste opzet van verbeterpunten aan Wonenbreburg toegestuurd en voorgesteld om elkaar op 16 maart 2023 om 13.30 uur op het kantoor van Wonenbreburg te ontmoeten. 4.1.14. De advocaat van Vandervalk heeft bij brief van 24 februari 2023 aan Wonenbreburg toegelicht dat de reden van opzegging niet alleen gelegen is in gewijzigde marktomstandigheden, maar ook in de wijze waarop de samenwerking door Wonenbreburg werd vormgegeven. Vandervalk heeft verder medegedeeld dat zij haar opzegging bij brief van 28 december 2022 tegen 1 april 2023 handhaaft en heeft daarbij onder meer verwezen naar artikel 40 van de Aedes-voorwaarden. 4.1.15. Bij e-mailbericht van 29 maart 2023 om 7.58 uur heeft Vandervalk aan Wonenbreburg, voor zover van belang, het volgende medegedeeld: “ Ik heb begrepen dat wij nog geen reactie hebben ontvangen. Hierbij informeer ik jullie dat we de externe telefoondienst opdracht gaan geven om de bellers van WonenBreburg vanaf aanstaande vrijdag 31 maart te informeren dat ze rechtstreeks contact moeten zoeken met hun contactpersoon bij WonenBreburg. Ook tijdens kantoortijden worden diegene die bellen na 31 maart netjes doorverwezen naar hun contactpersoon bij WonenBreburg. De werkzaamheden die bij ons binnenkomen en tot en met aanstaande vrijdag 31 maart verholpen kunnen worden, zullen we uiteraard gewoon uitvoeren. We stellen voor om de afspraak van volgende week woensdag, 5 april om 9.00 te annuleren. ” 4.1.16. Bij brief van 29 maart 2023 heeft de advocaat van Wonenbreburg op de brief van de advocaat van Vandervalk van 24 februari 2023 gereageerd. Hij heeft nogmaals te kennen gegeven dat partijen tussentijdse opzegging niet zijn overeengekomen en verder dat Vandervalk, voor zover zij de overeenkomst toch zou kunnen opzeggen, geen redelijke opzegtermijn heeft gehanteerd. Tot slot heeft Wonenbreburg Vandervalk onder meer verzocht en gesommeerd om uiterlijk diezelfde dag om 17.00 uur te bevestigen dat zij haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst tegenover Wonenbreburg zal blijven nakomen. 4.1.17. Bij e-mailbericht van 29 maart 2023 om 17.33 uur heeft de advocaat van Vandervalk aan de advocaat van Wonenbreburg nogmaals het standpunt uiteengezet dat de overeenkomst tussentijds kon worden opgezegd. Namens Vandervalk is daarnaast, voor zover van belang, het volgende bericht: “ (…) Indien WonenBreburg haar standpunt dat een tussentijdse beëindiging niet mogelijk is en aldus Vandervalkendegroot meent te kunnen dwingen om tegen de huidige tarieven de overeenkomst voort te zetten tot 1 april 2028, legt Vandervalkendegroot haar werkzaamheden neer per 1 april 2023. Vandervalkendegroot is bereid om WonenBreburg ter wille te zijn en ondanks haar opzegging de werkzaamheden voort te zetten tot uiterlijk 8 maanden te rekenen vanaf haar opzegging bij brief d.d. 28 december 2022, derhalve tot 1 september 2023, mits wordt bevestigd dat de overeenkomst is geëindigd per 1 september 2023 en partijen terzake de beëindiging van deze overeenkomst per 1 september 2023 elkaar over en weer algehele en finale kwijting verlenen. ” 4.1.18. De advocaat van Wonenbreburg heeft vervolgens bij e-mailbericht van 30 maart 2023 aan de advocaat van Vandervalk onder meer medegedeeld dat de overeenkomst door Wonenbreburg per 1 april 2023 buitengerechtelijk zal worden ontbonden, indien Vandervalk weigerachtig is en blijft om de overeenkomst gestand te blijven doen en dat dit een laatste poging c.q. sommatie is aan het adres van Vandervalk tot deugdelijke nakoming. 4.1.19. Bij e-mailbericht van 31 maart 2023 om 12.10 uur heeft de advocaat van Vandervalk aan de advocaat van Wonenbreburg het volgende bericht: “ Partijen verschillen van mening over de vraag of Vandervalkendegroot de overeenkomst voortijdig mag opzeggen. Die vraag zal Vandervalkendegroot aan de rechter voorleggen. Indien de rechter beslist dat het Vandervalkendegroot was toegestaan de overeenkomst tussentijds op te zeggen, zal Vandervalkendegroot de na de opzegging uitgevoerde werkzaamheden alsnog in rekening brengen tegen haar huidige commerciële markt- conforme tarieven zoals zij deze thans ook elders in rekening brengt onder aftrek van de daarvoor van WonenBreburg ontvangen vergoedingen. In de periode tot aan vonnis zal Vandervalkendegroot de werkzaamheden conform overeenkomst blijven uitvoeren waarbij Vandervalkendegroot ervan uitgaat dat WonenBreburg haar verplichtingen als opdrachtgever ook nakomt. ” 4.1.20. In de avond van 31 maart 2023 heeft Vandervalk geconstateerd dat op de website van Wonenbreburg werd gemeld dat voor storingen en reparaties aangaande het rioolbeheer met ingang van 31 maart 2023 geen zaken meer werd gedaan met Vandervalk. Op 31 maart 2023 om 21.37 uur heeft zij Wonenbreburg bij e-mailbericht hiervan op de hoogte gesteld en vervolgens medegedeeld dat zij haar bedrijfsvoering zo heeft georganiseerd dat zij alle werkzaamheden volgens de overeenkomst kan uitvoeren en dat door de keuze van Wonenbreburg om vanaf 31 maart 2023 geen gebruik meer te maken van de diensten van Vandervalk de instandhouding van die organisatie niet meer opportuun is. 4.1.21. Bij e-mail van 4 april 2023 heeft de advocaat Wonenbreburg de eerder aangekondigde ontbinding (zie rov. 4.1.18) per 1 april 2023 bevestigd en daarnaast aanspraak gemaakt op vervangende schadevergoeding. 5 De vorderingen in eerste aanleg en de beslissing van de rechtbank 5.1. Wonenbreburg heeft in eerste aanleg, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd: I. voor recht te verklaren dat Wonenbreburg de raamovereenkomst en de daarop volgende Addenda I en II met Vandervalk rechtsgeldig per 1 april 2023 buitengerechtelijk heeft ontbonden, dan wel, indien in rechte wordt geoordeeld dat die buitengerechtelijke ontbinding niet rechtsgeldig is, de raamovereenkomst en de Addenda I en II tussen Wonenbreburg en Vandervalk alsnog te ontbinden; II. voor recht te verklaren dat Vandervalk op de voet van artikel 6:265 juncto 6:74 BW juncto 6:277 BW aansprakelijk is voor de schade die Wonenbreburg lijdt en nog zal lijden als gevolg van de onder I. genoemde ontbinding, welke schade nader dient te worden opgemaakt en te worden vereffend bij staat: III. Vandervalk te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente. 5.1.1. Wonenbreburg heeft, kort samengevat, aan haar vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. Vandervalk heeft in strijd met de contractuele afspraken de raamovereenkomst opgezegd. Wonenbreburg heeft Vandervalk diverse malen gesommeerd om haar verplichtingen uit de overeenkomst deugdelijk na te komen, maar Vandervalk was hiertoe niet volledig bereid. Hierdoor is Vandervalk in verzuim komen te verkeren, zodat Wonenbreburg gerechtigd was de overeenkomst tussentijds te ontbinden en Vandervalk gehouden is de door Wonenbreburg als gevolg van de tekortkoming geleden schade te vergoeden. 5.2. Vandervalk heeft hiertegen verweer gevoerd, waarop hierna, voor zover in hoger beroep van belang, zal worden ingegaan. 5.3. Bij vonnis van 21 februari 2024 heeft de rechtbank de vorderingen van Wonenbreburg afgewezen en Wonenbreburg uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat het e-mailbericht van Vandervalk van 31 maart 2024 (het hof begrijpt het e-mailbericht van 31 maart 2023 om 12:10 uur) een volledige toezegging tot deugdelijke nakoming behelst, nu dit e-mailbericht zo moet worden gelezen dat Vandervalk – in afwachting van het vonnis van de rechter – gedurende de opzegtermijn van acht maanden haar werkzaamheden zou continueren conform de overeenkomst tussen partijen.
Volledig
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Vandervalk hiermee tijdig gehoor gegeven aan de sommatie van WonenBreburg van 30 maart 2023, zodat Vandervalk niet in verzuim is komen te verkeren, en is sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van Wonenbreburg, omdat zij door Vandervalk uit te sluiten van het werk en vast te houden aan de ontbinding zelf in verzuim is komen te verkeren. De bereidheid van Vandervalk tot deugdelijke nakoming hoefde niet vergezeld te gaan van een aanbod tot schadevergoeding, omdat op dat moment nog geen sprake was van enige schade aan de zijde van Wonenbreburg, aldus de rechtbank. 6 De vorderingen in hoger beroep 6.1. Wonenbreburg voert in hoger beroep twee grieven (met subgrieven) aan en concludeert tot: vernietiging van het bestreden vonnis; alsnog toewijzing van haar vorderingen (in eerste aanleg, hof); - veroordeling van Vandervalk in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente; - veroordeling van Vandervalk tot terugbetaling van de door Wonenbreburg op grond van het bestreden vonnis aan haar betaalde proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 6.2. Vandervalk bestrijdt de grieven en concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en veroordeling van Wonenbreburg in de kosten van dit hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente. 7 De beoordeling in hoger beroep Omvang van het hoger beroep 7.1. Gelet op de grieven en de toelichting daarop legt Wonenbreburg het geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. Mocht Vandervalk de overeenkomst tussentijds opzeggen? 7.2. Wonenbreburg baseert haar vorderingen in de eerste plaats op haar stelling dat Vandervalk de overeenkomst niet tussentijds mocht opzeggen. Beoordeeld dient dus te worden of de overeenkomst van partijen in een tussentijdse opzegmogelijkheid voor Vandervalk voorziet. 7.3. In de raamovereenkomst is, behalve de ontbindings- en opzeggingsbevoegdheid voor beide partijen in de in artikel 3 genoemde specifieke gevallen, geen opzegregeling (voor de opdrachtnemer) opgenomen. Dit is evenmin het geval in de Algemene Inkoopvoorwaarden van Wonenbreburg die in de raamovereenkomst van toepassing zijn verklaard. In Addendum II zijn in plaats van voornoemde voorwaarden de Aedes-voorwaarden van toepassing verklaard. Hierin is wel een opzegregeling opgenomen. Deze houdt, kort gezegd, in dat in geval van ‘werken’ uitsluitend de opdrachtgever een opzegbevoegdheid heeft (artikel 36) en dat in geval van ‘diensten’ beide partijen bevoegd zijn de overeenkomst op te zeggen (artikel 40). Vandervalk heeft haar opzegging gegrond op artikel 40 van de Aedes-voorwaarden. 7.4. Wonenbreburg meent echter dat de overeenkomst van partijen een overeenkomst van aanneming van werk is zoals bedoeld in artikel 7:750 BW. Zij voert daartoe aan dat Vandervalk overwegend belast was met rioleringsreparaties en onderhoudswerk. Deze werkzaamheden vallen volgens haar onder ‘werken’, omdat hierbij sprake is van het tot stand brengen van stoffelijk werk. Daarmee is artikel 36 van de Aedes-voorwaarden van toepassing en mocht Vandervalk de overeenkomst niet tussentijds opzeggen, aldus Wonenbreburg. Vandervalk betwist dit. Zij voert in dat verband aan dat zij zich voornamelijk bezighield met het verhelpen van storingen (verstoppingen). Volgens haar zijn deze werkzaamheden aan te merken als diensten en was er tussen partijen sprake van een overeenkomst van opdracht (art. 7:400 BW). Kwalificatie van de overeenkomst 7.5. Voor de beantwoording van de vraag of Vandervalk bevoegd was de overeenkomst tussentijds op te zeggen, is de kwalificatie van de overeenkomst tussen partijen dus van belang. 7.5.1. Hiervoor moet eerst de inhoud van de overeenkomst worden vastgesteld. Dit moet plaatsvinden door uitleg van die overeenkomst. Hierbij zijn van doorslaggevende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar wat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 , r.o. 4.5 en HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1354, r.o. 3.2) en wat partijen daarbij over en weer van elkaar mochten verwachten. De wijze waarop partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst, moet daarbij ook in aanmerking worden genomen. 7.5.2. De werkzaamheden die Vandervalk op grond van de overeenkomst diende uit te voeren, staan omschreven in bijlage 3 van de raamovereenkomst (‘Specificatie, voorwaarden Dienstverlening of Leveringen’). In deze bijlage worden, voor zover van belang, het oplossen van storingen en uitvoeren van werkopdrachten aan het rioleringsstelsel, het uitvoeren van herstelwerkzaamheden ten behoeve van het (blijvend) verhelpen van een storing en het reinigen en schoonmaken van het rioleringsstelsel genoemd. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben beide partijen nader toegelicht dat de door Vandervalk op basis van de overeenkomst verrichte werkzaamheden in de praktijk overwegend bestonden uit het oplossen van storingen aan het rioleringsstelsel (het verhelpen van verstoppingen) en dat de door Vandervalk uitgevoerde onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan het rioleringsstelsel slechts van ondergeschikte betekenis waren. 7.5.3. Vervolgens komt het hof toe aan de kwalificatie van de overeenkomst. Op grond van artikel 7:750 lid 1 BW is aanneming van werk de overeenkomst waarbij de ene partij, de aannemer, zich tegenover de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld. Doorslaggevend voor de kwalificatie van de overeenkomst is dus of het gaat om werkzaamheden die bestaan uit het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard. Is dat niet het geval, dan kan sprake zijn van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW. 7.5.4. Nu gebleken is dat de door Vandervalk voor Wonenbreburg uitgevoerde werkzaamheden feitelijk vooral bestonden uit het oplossen van storingen (verstoppingen) in het rioleringsstelsel, kan de overeenkomst tussen partijen naar het oordeel van het hof niet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van aanneming van werk. Deze werkzaamheden kunnen niet worden gezien als het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard. Met het verhelpen van verstoppingen wordt het rioleringsstelsel immers niet veranderd, verbeterd of verbouwd. Overigens is namens Wonenbreburg tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook betoogd dat het ontstoppen van de riolering een dienst is. Gelet hierop gaat het hof er bij de verdere beoordeling dan ook van uit dat tussen partijen sprake is van een overeenkomst van opdracht. 7.5.5. Wonenbreburg biedt in haar memorie van grieven nog bewijs aan van haar stelling dat de werkzaamheden van Vandervalk in overwegende mate liggen op het gebied van onderhoud, herstel en reparatie en dus vallen onder aanneming van werk. Gelet op wat hiervoor is overwogen, doet dit bewijsaanbod niet ter zake. Het hof gaat daarom hieraan voorbij. Tussentijdse opzegmogelijkheid? 7.6. Het voorgaande betekent dat in dit geval artikel 40 van de Aedes-voorwaarden geldt. Zoals al eerder overwogen, bepaalt dit artikel dat beide partijen gerechtigd zijn de overeenkomst op te zeggen. Anders dan Wonenbreburg kennelijk meent, staat artikel 7:408 lid 2 BW daaraan niet in de weg. Het is juist dat dit artikel bepaalt dat de opdrachtnemer die de overeenkomst van opdracht is aangegaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, behoudens gewichtige redenen, de overeenkomst slechts kan opzeggen, indien zij voor onbepaalde duur geldt en niet door volbrenging eindigt. Het artikel is echter van regelend recht, artikel 7:413 BW. Van deze bepaling kan dus bij overeenkomst worden afgeweken, wat ook is gebeurd door middel van de toepasselijk verklaring van de Aedes-voorwaarden. 7.7. Wonenbreburg stelt echter dat de toepasselijk verklaring van de Aedes-voorwaarden slechts een formaliteit was en dat partijen met het toepasselijk verklaren van de Aedes-voorwaarden niet voor ogen hebben gehad om opeens een tussentijdse opzeggingsbevoegdheid voor de opdrachtnemer overeen te komen.
Volledig
7.7.1. Voor zover Wonenbreburg hiermee bedoelt te stellen dat artikel 40 van de Aedes-voorwaarden toepassing mist, omdat het de bedoeling van partijen was om met Addendum II de samenwerking tussen partijen opnieuw met vijf jaar te verlengen zonder tussentijdse opzegmogelijkheid, kan het hof haar hierin evenmin volgen. Wonenbreburg geeft zelf in haar memorie van grieven aan dat er tijdens de onderhandelingen over de tekst van Addendum II ook overleg tussen partijen is geweest over de toepasselijke set algemene voorwaarden. Hieruit leidt het hof af dat partijen er welbewust voor hebben gekozen om bij de tweede verlenging van de overeenkomst in plaats van de eigen algemene voorwaarden van Wonenbreburg de Aedes-voorwaarden, een door veel woningcorporaties in Nederland gehanteerde set voorwaarden, op de overeenkomst van toepassing te verklaren. Uitgangspunt is dan dat de gehele set van de Aedes-voorwaarden – en daarmee ook artikel 40 – op de overeenkomst van toepassing is. Dit is alleen anders als er een uitdrukkelijk voorbehoud is gemaakt ten aanzien van een specifieke bepaling uit die algemene voorwaarden. Dat Wonenbreburg in dit geval een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van artikel 40 van de Aedes-voorwaarden, volgt niet uit de tekst van Addendum II en is ook overigens niet gesteld of gebleken. De omstandigheid dat over de inhoud van de Aedes-voorwaarden niet afzonderlijk door partijen is onderhandeld, doet er evenmin aan af dat partijen met de uitdrukkelijke toepasselijk verklaring van deze algemene voorwaarden in Addendum II hieraan, en dus ook aan het bepaalde in artikel 40, gebonden zijn. Vandervalk mocht er naar het oordeel van het hof dan ook van uitgaan dat zij de overeenkomst, ondanks de omstandigheid dat deze met Addendum II opnieuw voor bepaalde tijd (vijf jaar) was verlengd, op grond van artikel 40 van de Aedes-voorwaarden tussentijds mocht opzeggen. 7.7.2. Het aanbod van Wonenbreburg om te bewijzen dat zij op geen enkele wijze de bedoeling heeft gehad om een tussentijdse opzegbevoegdheid overeen te komen, doet gelet op wat hiervoor is overwogen niet ter zake en zal eveneens worden gepasseerd. 7.8. Wonenbreburg beroept zich verder nog op artikel 5 van Addendum II. Dit artikel bepaalt dat bij strijdige bepalingen in de documenten (het hof begrijpt dat hiermee de raamovereenkomst, Addendum I, Addendum II en de Aedes-voorwaarden worden bedoeld) de meest gunstige bepaling voor Wonenbreburg als opdrachtgever geldt. Wonenbreburg meent dat de voor bepaalde tijd verlengde overeenkomst eindigend op 31 maart 2027 niet tussentijds door Vandervalk opgezegd kan worden, nu de tekst van het Addendum II (de artikelen 1 en 5) prevaleert boven de aan Van der Valk toekomende opzegbevoegdheid op de voet van artikel 40 van de Aedes-voorwaarden. 7.8.1. Van strijdige bepalingen zoals bedoeld in artikel 5 van Addendum II is naar het oordeel van het hof echter geen sprake. Uit de tekst van de raamovereenkomst en de beide Addenda volgt niet dat partijen de tussentijdse opzegbevoegdheid voor Vandervalk uitdrukkelijk hebben uitgesloten en evenmin is bepaald dat uitsluitend Wonenbreburg bevoegd was de overeenkomst tussentijds op te zeggen. Weliswaar bepaalt Addendum II in artikel 7 dat Wonenbreburg als opdrachtgever gerechtigd is de overeenkomst per direct te ontbinden, maar deze bevoegdheid, die een andere wijze van beëindiging van de overeenkomst is dan opzegging, geldt zoals blijkt uit de tekst van dat artikel in het specifieke geval van veranderingen in wet- en regelgeving (waaronder de aanbestedingsplicht voor woningcorporaties). Deze bepaling levert dus ook geen strijdigheid met artikel 40 Aedes-voorwaarden op. Het beroep van Wonenbreburg op artikel 5 van Addendum II kan dus niet slagen. 7.9. Op grond van wat hierboven is overwogen, komt het hof tot de conclusie dat Vandervalk op grond van artikel 40 van de Aedes-voorwaarden de overeenkomst tussen partijen tussentijds mocht opzeggen. Opzegtermijn 7.10. Daarvoor stelt Wonenbreburg zich op het standpunt dat Vandervalk geen redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen en dat ook dit een tekortkoming van Vandervalk in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst oplevert. Bij de bepaling van een redelijke opzegtermijn moet naar de mening van Wonenbreburg worden uitgegaan van de duur van de samenwerking van partijen ten tijde van de opzegging door Vandervalk, gerekend vanaf de ingangsdatum van de raamovereenkomst. Op grond van artikel 40 van de Aedes-voorwaarden had Vandervalk dan een opzegtermijn van acht maanden in acht moeten nemen en had zij tot 1 september 2024 haar verplichtingen uit de overeenkomst moeten nakomen, aldus Wonenbreburg. Vandervalk is echter van mening dat voor de bepaling van een redelijke opzeggingstermijn moet worden uitgegaan van de duur van de tweede verlenging van de overeenkomst (Addendum II). Nu deze op het moment van de opzegging door Vandervalk negen maanden duurde, moet de door Vandervalk gehanteerde opzegtermijn van drie maanden redelijk worden geacht, aldus Vandervalk. 7.10.1. Het hof overweegt hierover het volgende. Artikel 40 van de Aedes-voorwaarden bepaalt dat elk van partijen gerechtigd is de overeenkomst op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn, zoals bepaald in de overeenkomst. Indien geen opzegtermijn in de overeenkomst is opgenomen, zoals hier het geval, kan de overeenkomst worden opgezegd met inachtneming van een redelijke termijn, mede gelet op de duur van de overeenkomst. In het geval van een duurovereenkomst geeft artikel 40 als richtlijn dat de opzegtermijn bij een contractduur van 0 tot 2 jaar drie maanden, bij een contractduur van 2 tot 4 jaar zes maanden, bij een contractduur van 4 tot 10 jaar acht maanden en bij een contractduur van meer dan 10 jaar een jaar bedraagt. 7.10.2. Het hof stelt vast dat de overeenkomst tussen partijen kan worden aangemerkt als een duurovereenkomst. Vandervalk heeft zich tegenover Wonenbreburg immers voor langere tijd verbonden om telkens terugkerende prestaties te verrichten. Naar het oordeel van het hof dient voor de vaststelling van de opzegtermijn daarom worden aangesloten bij voornoemde richtlijn van artikel 40. Weliswaar gaat het hier om een richtlijn en niet om een harde regel, maar geen van partijen voert argumenten aan op grond waarvan hiervan zou moeten worden afgeweken. Gelet op de standpunten van beide partijen in de processtukken over de duur van de opzegtermijn die Vandervalk in acht had moeten nemen, gaan zij kennelijk zelf ook uit van deze richtlijn. 7.10.3. Een redelijke uitleg van de richtlijn brengt naar het oordeel van het hof mee dat voor de vaststelling van de duur van de overeenkomst tussen partijen in de zin van artikel 40 van de Aedes-voorwaarden moet worden gerekend vanaf de ingangsdatum van de raamovereenkomst (7 juni 2017) tot de einddatum van Addendum II op 31 maart 2027, zijnde de datum waarop de overeenkomst tussen partijen zonder opzegging zou zijn geëindigd. De raamovereenkomst en daarmee de samenwerking tussen partijen is immers op 7 juni 2017 ingegaan. Door de twee verlengingen van de raamovereenkomst is deze samenwerking steeds voortgezet. Zonder opzegging zou deze samenwerking vanaf de ingangsdatum van de raamovereenkomst (7 juni 2017) tot de einddatum van de opzegging (31 maart 2027) onafgebroken negen jaar en negen maanden hebben geduurd. Gelet op voornoemde richtlijn moet een opzegtermijn van acht maanden dan redelijk worden geacht. Ook los van de richtlijn acht het hof deze opzegtermijn overigens redelijk. 7.10.4. Dit betekent dat Vandervalk de overeenkomst niet tegen 1 april 2023 maar tegen 1 september 2023 had moeten opzeggen. Door een te korte opzegtermijn in acht te nemen, is Vandervalk dan ook in zoverre tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Verzuim 7.11. Voordat Wonenbreburg de overeenkomst tussen partijen op grond van deze tekortkoming kon ontbinden en aanspraak kan maken op vergoeding van de schade die zij lijdt of heeft geleden door deze tekortkoming c.q. de ontbinding, moet Vandervalk in verzuim zijn (vgl. artikelen 6:265 lid 2 en 6:74 lid 2 BW). 7.12.
Volledig
Wonenbreburg stelt in dat verband dat Vandervalk door haar opzegging bij brief van 28 december 2022 al van rechtswege in verzuim was, omdat deze opzegging is aan te merken als een mededeling als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW. Vandervalk betwist dit. Volgens haar kon zij met haar opzegging niet al in verzuim zijn, omdat Wonenbreburg haar op 29 maart 2023 en 30 maart 2023 nog expliciet in gebreke heeft gesteld dan wel haar heeft gesommeerd om te bevestigen dat de overeenkomst deugdelijk door Vandervalk zou worden nagekomen. Voor zover zij door haar opzegging tegen 1 april 2023 wel in verzuim is komen te verkeren, meent Vandervalk dat zij met de bevestiging in haar e-mail van 31 maart 2023 om 12.10 uur dat zij de werkzaamheden conform de overeenkomst zou uitvoeren, het verzuim heeft gezuiverd als bedoeld in artikel 6:86 BW. 7.12.1. Voorop moet worden gesteld dat in bepaalde gevallen het verzuim zonder ingebrekestelling, dus van rechtswege, intreedt. Hiervan is onder meer sprake als de contractspartij uit een mededeling van zijn wederpartij moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten (artikel 6:83 sub c BW). Ook als de wederpartij aan zijn contractspartij te kennen geeft dat hij tekort zal schieten in de nakoming van een verbintenis die nog niet opeisbaar is, treedt het verzuim van rechtswege in (vgl. artikel 6:80 lid 1 sub b BW en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2334, rov. 3.4.2). 7.12.2. In haar brief van 28 december 2022 aan Wonenbreburg heeft Vandervalk de overeenkomst tussen partijen opgezegd per 31 maart 2023. Hieruit heeft Wonenbreburg naar het oordeel van het hof moeten afleiden dat Vandervalk de overeengekomen werkzaamheden vanaf 1 april 2023 niet meer zal verrichten en dus tekort zal schieten in haar verplichting tot uitvoering van die werkzaamheden. Vandervalk is door de opzegging van rechtswege in verzuim komen te verkeren, ook voor zover haar verplichting tot uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden vanaf 31 maart 2023 op het moment van opzegging nog niet opeisbaar was. De sommaties van Wonenbreburg van 29 en 30 maart 2023 maken dat niet anders. Zuivering van verzuim? 7.13. Vervolgens moet worden vastgesteld of Vandervalk het verzuim met het e-mailbericht van haar advocaat van 31 maart 2023 om 12.10 uur heeft gezuiverd. Uit artikel 6:86 BW volgt dat een schuldenaar die met de nakoming van zijn verbintenis in verzuim is, zijn verzuim kan zuiveren door alsnog (1) behoorlijke nakoming en (2) betaling van de inmiddels verschuldigde schadevergoeding en van de kosten aan te bieden. Nakoming ziet in dit verband op de nakoming van de primaire prestatie ten aanzien waarvan de schuldenaar in verzuim is (MvT Inv. Parl Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6, p. 1254). Weigert de schuldeiser een aanbod dat aan de eisen van art. 6:86 BW voldoet, dan komt hij in beginsel in schuldeisersverzuim te verkeren (artikel 6:58 BW) en eindigt het verzuim van de schuldenaar (artikel 6:61 lid 1 BW). 7.13.1. Mede gelet op wat hiervoor onder 7.10.1 tot en met 7.10.4 is overwogen, kan naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval worden gesproken van een aanbod tot behoorlijke nakoming, indien aangeboden wordt de overeengekomen werkzaamheden zonder voorwaarde of voorbehoud tegen betaling van de in Addendum II overeengekomen tarieven gedurende de resterende vijf maanden van de opzegtermijn, dus tot 1 september 2023, uit te voeren. In de eerste plaats dient dan ook te worden beoordeeld of het aanbod van Vandervalk, zoals geformuleerd in haar e-mailbericht van 31 maart 2023 om 12:10 uur (hiervoor geciteerd in rov. 4.1.19), hieraan voldoet. 7.13.2. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval. In voornoemde brief heeft Vandervalk weliswaar toegezegd de werkzaamheden conform de overeenkomst (dus tegen de betaling van de in Addendum II vermelde tarieven) te zullen verrichten, maar heeft zij tegelijkertijd aangekondigd aan de rechter de vraag voor te leggen of zij de overeenkomst tussentijds mocht opzeggen. Vandervalk heeft in de brief vervolgens te kennen gegeven dat zij de na de opzegging uitgevoerde werkzaamheden alsnog tegen haar huidige commerciële tarieven in rekening brengt, indien de rechter beslist dat het Vandervalk was toegestaan de overeenkomst tussentijds op te zeggen. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden gesproken van een onvoorwaardelijk aanbod tot behoorlijke nakoming van de overeenkomst in de hiervoor onder rov. 7.13.1 bedoelde zin. Dit is ook niet het geval als het e-mailbericht van 31 maart 2023 in samenhang moet worden gezien met het e-mailbericht van de advocaat van Vandervalk van 29 maart 2023, waarin te kennen wordt gegeven dat Vandervalk bereid is de werkzaamheden uiterlijk 8 maanden, te rekenen vanaf de opzegging bij brief van 28 december 2022 (de opzegtermijn die Vandervalk in acht had moeten nemen), voort te zetten (zie rov. 4.1.17). Of Vandervalk de overeenkomst (uiteindelijk) behoorlijk zou nakomen, werd in de brief van 31 maart 2023 immers afhankelijk gesteld van de uitkomst van de door haar aangekondigde gerechtelijke procedure. Overigens was ook de door Vandervalk in het e-mailbericht van 29 maart 2023 uitgesproken bereidheid niet onvoorwaardelijk. Vandervalk was immers alleen tot voortzetting van de overeenkomst tot 1 september 2023 bereid, indien Wonenbreburg (onder meer) zou bevestigen dat partijen ten aanzien van de beëindiging van de overeenkomst elkaar over en weer finale kwijting zouden verlenen. 7.13.3. Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat Vandervalk met de e-mail van 31 maart 2023 om 12.10 uur haar verzuim niet heeft gezuiverd. Schuldeisersverzuim? 7.13.4. Het voorgaande brengt mee dat Wonenbreburg door het aanbod van Vandervalk te passeren niet in schuldeisersverzuim is komen te verkeren. Anders dan Vandervalk meent, is Wonenbreburg naar het oordeel van het hof evenmin in schuldeisersverzuim komen te verkeren door op 31 maart 2023 al een derde in te schakelen voor storingen en reparaties met betrekking tot het riool en dit aan externen (onder meer aan haar huurders via haar website) te communiceren. Gelet op de opzegging door Vandervalk tegen 1 april 2023, het e-mailbericht van Vandervalk van 29 maart 2023 om 7.58 uur (rov. 4.1.15), waarin Vandervalk heeft laten weten na 31 maart 2023 geen werkzaamheden meer voor Wonenbreburg te zullen verrichten, en het ontbreken van een aanbod tot behoorlijke nakoming in de daarop volgende e-mailcorrespondentie kon Wonenbreburg er niet op vertrouwen dat Vandervalk de overeenkomst ook na 31 maart 2023 onverminderd zou nakomen. Omdat 1 april 2023 op een zaterdag viel en storingen in (verstoppingen van) het riool in dat weekend meteen moesten worden verholpen, kon Wonenbreburg niet anders dan op 31 maart 2023 nog een vervanger regelen voor Vandervalk en dit direct aan haar huurders te communiceren. Gevolgen voor de vorderingen van Wonenbreburg 7.14. Zoals hiervoor vastgesteld, is Vandervalk door de overeenkomst op te zeggen zonder inachtneming van een redelijke opzegtermijn tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen. Op grond van artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Vandervalk beroept zich op deze tenzij-bepaling. Zij voert echter niets aan op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat haar tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Zij verwijst in dit verband slechts (nogmaals) naar haar aanbod in de e-mail van haar advocaat van 31 maart 2023 om 12.10 uur. Gelet op wat hierover is overwogen in rov. 7.13.2, leidt dit niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat Wonenbreburg de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig per 1 april 2023 buitengerechtelijk heeft ontbonden. De onder I gevorderde verklaring die hierop ziet (zie rov. 5.1), kan dan ook worden toegewezen. 7.15.
Volledig
Op grond van artikel 6:74 lid 1 BW en artikel 6:277 lid 1 BW is Vandervalk daarnaast aansprakelijk voor de schade die Wonenbreburg door de tekortkoming c.q. de ontbinding lijdt of zal lijden. Hierop ziet de onder II gevorderde verklaring voor recht. Wonenbreburg wenst dat de schade nader wordt opgemaakt bij staat. Voor een schadestaatprocedure moet de mogelijkheid dat er schade is of zal worden geleden aannemelijk zijn (vgl. HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328). Naar het oordeel van het hof is aan deze maatstaf voldaan. Wonenbreburg was vanaf 1 april 2023 gedurende de resterende vijf maanden van de opzegtermijn die Vandervalk in acht had moeten nemen immers aangewezen op een ander bedrijf in rioolbeheer. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de op dat moment geldende (commerciële) tarieven voor rioolbeheer hoger lagen dan de door partijen in het Addendum II overeengekomen tarieven. Op dit moment is begroting van de schade echter niet mogelijk, omdat Wonenbreburg nog niet duidelijk heeft gemaakt hoe hoog haar schade is. De onder II gevorderde verklaring voor recht is dus eveneens toewijsbaar. Bewijsaanbod 7.16. Voor zover aan de orde, heeft het hof het bewijsaanbod van Wonenbreburg hiervoor al gepasseerd. Aan tegenbewijslevering komt het hof evenmin toe, omdat Vandervalk, voor zover aan de orde, de stellingen van Wonenbreburg onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. 8 De slotsom 8.1. Uit wat hierboven is overwogen, volgt dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat de vorderingen van Wonenbreburg alsnog worden toegewezen. 8.2. Vandervalk zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. 8.2.1.. De kosten van eerste aanleg stelt het hof aan de zijde van Wonenbreburg vast op: Griffierecht € 676,00 Salaris advocaat/gemachtigde € 1.228,00 (2 punten maal tarief II) Totaal € 1.904,00 8.2.2. De kosten voor de procedure in hoger beroep stelt het hof aan de zijde van Wonenbreburg vast op: Griffierecht € 798,00 Salaris advocaat € 2.428,00 (2 punt(en) x appeltarief II) Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.404,00. 8.3. Het hof zal de door Wonenbreburg gevorderde wettelijke rente over voornoemde kosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing, nu Vandervalk daartegen geen afzonderlijk verweer voert. 8.4. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van Wonenbreburg om Vandervalk te veroordelen tot terugbetaling van de proceskosten die Wonenberburg op grond van het bestreden vonnis aan haar heeft voldaan, eveneens zal worden toegewezen op de grond dat Wonenbreburg deze onverschuldigd aan Vandervalk heeft betaald. Ook voor de daarover gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, omdat Vandervalk daartegen evenmin afzonderlijk verweer voert. 8.5. Het hof zal bovengenoemde veroordelingen zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 9 De uitspraak Het hof: vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 februari 2024; en in hoger beroep opnieuw rechtdoende: verklaart voor recht dat Wonenbreburg de raamovereenkomst en de daarop volgende Addenda I en II met Vandervalk rechtsgeldig per 1 april 2023 buitengerechtelijk heeft ontbonden; verklaart voor recht dat Vandervalk op de voet van artikel 6:265 BW juncto artikel 6:74 BW juncto artikel 6:277 BW aansprakelijk is voor de schade die Wonenbreburg lijdt en nog zal lijden als gevolg van de hiervoor genoemde ontbinding, welke schade nader dient te worden opgemaakt en te worden vereffend bij staat; veroordeelt Vandervalk in de kosten van beide instanties, aan de zijde van Wonenbreburg in eerste aanleg vastgesteld op € 1.904,00 en in het hoger beroep vastgesteld op € 3.404,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als Vandervalk niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening; veroordeelt Vandervalk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van beide instanties als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest zijn voldaan; veroordeelt Vandervalk tot terugbetaling van de proceskosten die Wonenbreburg op grond van het bestreden vonnis aan haar heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf de datum van de onverschuldigde betaling tot en met de dag van algehele voldoening; verklaart bovengenoemde proceskostenveroordelingen en veroordeling tot terugbetaling van al betaalde proecskosten uit hoofde van onverschuldigde betaling uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. Z.D. van Heesen-Laclé, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en R.L.G. Kraaijvanger en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2025. griffier rolraadsheer