Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-16
ECLI:NL:GHSHE:2025:2537
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
6,095 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2537 text/xml public 2026-05-11T10:53:14 2025-09-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-16 200.334.753_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Verbintenissenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:3388 Wet op het notarisambt 23 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2537 text/html public 2026-05-11T10:45:40 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2537 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-09-2025 / 200.334.753_01 Is uit ambt ontzette notaris die zelf faillissement heeft aangevraagd van de besloten vennootschap aan wie hij als notaris was verbonden persoonlijk aansprakelijk jegens de verhuurder voor schade wegens huurderving, omdat de curator de huurovereenkomst tussen de besloten vennootschap en verhuurder voortijdig heeft opgezegd. Doel en strekking artikel 23 Wna; schending ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.334.753/01 arrest van 16 september 2025 in de zaak van 1 [appellant sub 1] , wonende te [woonplaats] 2. Beheermaatschappij [xx] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] appellanten, hierna tezamen in enkelvoud aan te duiden als [xx] , advocaat: mr. J.J.F. van de Voort te Doorn, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [yy] , advocaat: mr. J. van Baaren te Breda. als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 januari 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/400741 / HA ZA 22-433 gewezen vonnis van 17 mei 2023. 5 De kern van de zaak Deze zaak betreft een geschil tussen een verhuurder, [xx] , en [yy] als voormalig notaris. De besloten vennootschap waarvan [yy] enig bestuurder / aandeelhouder was, te weten Notariskantoor [yy] B.V., huurde een pand van [xx] . [yy] is bij beslissing van de Kamer van het Notariaat de maatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd en tijdens het hoger beroep tegen deze beslissing in een andere tuchtrechtelijke zaak bij beslissing van de Kamer van het Notariaat geschorst voor de duur van twee maanden. Het gevolg is uiteindelijk geweest dat Notariskantoor [yy] B.V. in staat van faillissement is verklaard en dat de curator de huurovereenkomst met [xx] veel eerder dan de overeengekomen looptijd van tien jaar heeft opgezegd. In deze zaak staat de vraag centraal of [yy] persoonlijk aansprakelijk is jegens [xx] voor de door [xx] in verband met de voortijdige opzegging gestelde geleden schade. 6 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 6.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 9 januari 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 29 februari 2024; de memorie van grieven met een productie; de memorie van antwoord; de akte uitlating na memorie van antwoord van 17 september 2024; de antwoordakte van 15 oktober 2024. 6.2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 7 De beoordeling 7.1. De feiten 7.1.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 7.1.2. [xx] is eigenaar van een kantoorpand gelegen aan [adres] . 7.1.3. [yy] is voormalig notaris en was als notaris en enig bestuurder/aandeelhouder verbonden aan Notariskantoor [yy] B.V. 7.1.4. Notariskantoor [yy] B.V. is voor de uitoefening van haar notarispraktijk op 1 mei 2017 met [xx] een huurovereenkomst aangegaan om voornoemd kantoorpand te huren voor de duur van tien jaar. 7.1.5. In het kader van de afwikkeling van een nalatenschap heeft een cliënt tegen [yy] -in diens hoedanigheid van notaris- klachten ingediend. Deze klachten zijn door de Kamer voor het Notariaat gegrond bevonden en hebben er toe geleid dat [yy] bij beslissing van 12 april 2021 de tuchtmaatregel van ontzetting uit het ambt is opgelegd. Hangende het hoger beroep tegen deze beslissing is [yy] in een andere tuchtrechtelijke kwestie bij beslissing van 25 mei 2021 geschorst voor de duur van twee maanden met ingang van 1 juli 2021. Beide tuchtrechtelijke uitspraken hebben in hoger beroep stand gehouden. 7.1.6. Bij vonnis van 29 juni 2021 is Notariskantoor [yy] B.V. in staat van faillissement verklaard. In het faillissementsverslag valt onder andere te lezen: “ De schorsing leidt ertoe dat het protocol gedurende de schorsing moet worden waargenomen voor rekening en risico van de geschorste notaris. In verband met de kosten die de waarneming met zich zou brengen en in verband met de mogelijkheid dat de beslissing tol ontzetting uit het ambt in hoger beroep zou standhouden, heeft de heer [yy] besloten om over te gaan tot de eigen aangifte van het faillissement. (…) " 7.1.7. Bij brief van 6 juli 2021 heeft de curator de huur van het kantoorpand opgezegd tegen 6 oktober 2021. 7.1.8. Bij brief van 16 juni 2022 heeft [xx] [yy] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de schade die [xx] als gevolg van de huuropzegging door de curator heeft geleden. 7.1.9. [yy] heeft het bestaan van aansprakelijkheid bij e-mail van 11 juli 2022 betwist. 7.2. De procedure in eerste aanleg 7.2.1. [xx] heeft - samengevat - in eerste aanleg gevorderd: te verklaren voor recht dat [yy] onrechtmatig jegens [xx] heeft gehandeld; [yy] te veroordelen om aan [xx] te vergoeden de door [xx] als gevolg daarvan geleden schade, op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente, en [yy] te veroordelen in de kosten van deze procedure, met inbegrip van de beslagkosten. 7.2.2. [yy] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en opheffing van het gelegde beslag met veroordeling in de proceskosten. 7.2.3. De rechtbank heeft - kort gezegd - de vorderingen van [xx] afgewezen en [xx] veroordeeld in de kosten van de procedure. De rechtbank is niet overgegaan tot opheffing van het gelegde beslag omdat een daartoe strekkende vordering van [yy] in reconventie ontbrak en het verzoek tot opheffing ook niet nader is onderbouwd zodat geen belangenafweging kan worden gemaakt. 7.3. De procedure in hoger beroep 7.3.1. [xx] is het niet eens met deze uitspraak en is met zes grieven in hoger beroep gekomen. [xx] heeft in hoger beroep - kort gezegd - gevorderd: het bestreden vonnis te vernietigen; de vorderingen van [xx] in eerste aanleg (hiervoor weergegeven in r.o. 7.2.1.) alsnog volledig toe te wijzen, [yy] te veroordelen om aan [xx] terug te betalen het bedrag dat [xx] uit hoofde van het bestreden vonnis aan [yy] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente; [yy] te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente, en het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 7.3.2. [yy] heeft - kort gezegd - geconcludeerd tot: bekrachtiging van het bestreden vonnis; afwijzing van de grieven, en veroordeling van [xx] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 7.4. Beslispunten in het hoger beroep In hoger beroep ligt opnieuw de vraag voor of [yy] jegens [xx] onrechtmatig heeft gehandeld -zoals [xx] heeft gesteld en [yy] heeft betwist- en zo ja of [yy] moet worden veroordeeld om de door [xx] als gevolg daarvan geleden schade te vergoeden. [xx] heeft zich primair erop beroepen dat [yy] heeft gehandeld in strijd met de op grond van artikel 23 lid 1 Wet op het Notarisambt (Wna) op hem rustende wettelijke plicht. Subsidiair heeft [xx] zich erop beroepen dat [yy] heeft gehandeld in strijd met de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Beide grondslagen liggen in hoger beroep opnieuw ter beoordeling voor. 7.5. Schending artikel 23 Wna? 7.5.1. Het hof begrijpt de stellingen van [xx] aldus dat de schending van artikel 23 Wna bestaat uit het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, dat heeft geleid tot schorsing en ontzetting, waardoor de financiële verplichtingen niet meer konden worden nagekomen. Volgens [xx] had [yy] -nadat hij tegen meerdere tuchtrechtelijke maatregelen was aangelopen- de manier waarop hij het ambt uitoefende zodanig moeten verbeteren dat hij geen risico (meer) zou lopen om geschorst te worden en/of uit het ambt ontzet te worden.
Volledig
In ieder geval had hij die handelingen moeten nalaten waarvan hij redelijkerwijze had moeten verwachten dat zij ertoe konden leiden dat hij te eniger tijd niet zou kunnen voldoen aan zijn financiële verplichtingen. Het hof begrijpt dat [xx] met dit laatste doelt op handelingen die hebben geleid tot de tuchtrechtelijke maatregel tot schorsing/ontzetting uit het ambt, maar ook de beslissing om niet voor waarneming zorg te dragen gedurende de schorsing alsmede de aanvrage van het faillissement van Notariskantoor [yy] B.V. 7.5.2. [yy] heeft er als eerste op gewezen dat niet op [yy] maar op Notariskantoor [yy] B.V. de financiële verplichting rustte om de huurpenningen te betalen. Artikel 23 Wna gold niet voor Notariskantoor [yy] B.V., maar enkel voor [yy] . [yy] heeft echter nooit enige financiële verplichting jegens [xx] gehad. Daarom is volgens [yy] de in artikel 23 Wna neergelegde grondslag niet aan de orde. [yy] heeft verder -onder andere- betwist dat hij artikel 23 Wna heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Als hij wel onrechtmatig gehandeld zou hebben, dan is deze niet aan hem toerekenbaar en ontbreekt het causaal verband. Ook is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste, aldus nog steeds [yy] . 7.5.3. Het wettelijk kader is als volgt. Op grond van artikel 23 Wna eerste lid is het de notaris verboden, rechtstreeks of middellijk, handelingen te verrichten of na te laten waarvan hij redelijkerwijs moet verwachten dat zij ertoe kunnen leiden, dat hij te eniger tijd niet zal kunnen voldoen aan zijn financiële verplichtingen. In het tweede lid van dit artikel staat dat het de notaris in ieder geval is verboden: leningen aan te gaan, behoudens voor zover deze redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefening van het ambt of voor persoonlijke doeleinden; leningen te verstrekken aan degene die partij is bij een akte of die rechtstreeks of middellijk betrokken is bij een rechtshandeling waarop de akte betrekking heeft; zich borg te stellen of anderszins in te staan voor schulden van anderen, behoudens voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van het ambt of voor persoonlijke doeleinden. Artikel 93 lid 1 Wna bepaalt dat notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. Op grond van artikel 103 Wna kan de Kamer voor het notariaat, indien zij oordeelt dat een tegen een notaris gerezen bedenking gegrond is, de volgende tuchtmaatregelen opleggen: a. een waarschuwing; b. een berisping; c. een geldboete; d. de ontzegging van de bevoegdheid tot het aanwijzen van een toegevoegd notaris, voor bepaalde of onbepaalde duur; e. de schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van ten hoogste zes maanden; f. de ontzetting uit het ambt. Verder staat in artikel 21 Wna eerste lid dat de notaris verplicht is de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten, behoudens het bepaalde in het tweede, derde, en vierde lid. Volgens het tweede lid is de notaris verplicht zijn dienst te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem verlangd wordt leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft. 7.5.4. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een schending van artikel 23 Wna en overweegt daartoe als volgt. Het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, dat heeft geleid tot de sanctie van schorsing en vervolgens ontzetting uit het ambt van notaris alsmede het nalaten om de ambtsuitoefening te verbeteren zijn geen handelingen als bedoeld in artikel 23 Wna. Zoals de rechtbank heeft overwogen zag het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen/nalaten door [yy] niet op schending van artikel 23 Wna, maar op andere handelingen. Hiertegen heeft [xx] geen grief gericht en [xx] heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat dit tuchtrechtelijk handelen wel onder de reikwijdte van artikel 23 Wna valt. Het is ook niet dit tuchtrechtelijk handelen/nalaten als zodanig dat ertoe heeft geleid dat Notariskantoor [yy] B.V. uiteindelijk niet meer aan haar financiële verplichtingen kon voldoen, maar de opgelegde sanctie tot schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee maanden op grond van artikel 103 Wna, in combinatie met andere omstandigheden. Die omstandigheden zijn dat [yy] als enige notaris verbonden was aan het kantoor en hij uit kostenoverwegingen niet voor waarneming heeft gezorgd gedurende de periode van schorsing, hetgeen er toe heeft geleid dat [yy] het faillissement van Notariskantoor [yy] B.V. heeft aangevraagd en deze laatste niet meer aan haar financiële verplichtingen jegens [xx] kon voldoen. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden in de wet of parlementaire geschiedenis -en [xx] heeft deze ook niet gesteld, laat staan onderbouwd- dat bedoeld is om tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, ongeacht welk handelen, dat tot financiële consequenties voor verhuurders leidt onder de reikwijdte van artikel 23 Wna te brengen. Hetzelfde geldt voor de beslissing van [yy] om vanwege de kosten niet voor waarneming te zorgen en de beslissing om het eigen faillissement van Notariskantoor [yy] B.V. aan te vragen. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 23 (dat ten tijde van het wetsvoorstel nog artikel 20 was) staat op pagina 3, 13, 14 en 15 van de Memorie van Toelichting het volgende (Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 706, nr. 3). Op pagina 3 staat: “(…) Tevens is duidelijk wat de strekking van de wetgeving moet zijn: het scheppen van een zo groot mogelijk zekerheid dat notarissen de kwaliteiten in zich verenigen welke voor een goede beroepsuitoefening en dienstverlening vereist zijn. (…)” Op pagina 13 staat: “Voor het handhaven van een goede kwaliteit van de notariële dienstverlening en het vertrouwen dat het publiek in het notariaat mag stellen, is een adequaat en goed georganiseerd toezicht op het financiële beheer van de notariële praktijk onmisbaar. Alleen dan kan tijdig worden gesignaleerd of er een situatie is ontstaan welke de notariële bediening in gevaar kan brengen en het nemen van maatregelen via het tuchtrecht noodzakelijk maakt. (…)” Op pagina 14 en 15 staat: “(…) In het wetsvoorstel worden ook meer waarborgen geschapen met het oog op een mogelijke insolventie van de notaris. Derden voor wie de notaris in verband met zijn werkzaamheden tijdelijk geld onder zich neemt worden beter beschermd tegen déconfitures, fraude daaronder begrepen, door de invoering van een bijzondere rekening waarop deze gelden gestort moeten worden. De wet verbindt daaraan het gevolg dat deze gelden afgescheiden worden van het eigen vermogen van de notaris, waardoor wordt voorkomen dat de gestorte gelden door vermenging in dit vermogen opgaan (artikel 22). Dat speciaal voor notarissen de verplichting tot het houden van een bijzondere rekening wordt ingevoerd waarop derdengelden moeten worden gestort, houdt verband met het feit dat de notaris op grond van zijn wettelijke taak in verschillende opzichten een monopoliepositie heeft die zijn rechtvaardiging vindt in de waarborgen die de verplichte tussenkomst van de notaris aan het publiek biedt. Het ligt voor de hand daarbij dan ook waarborgen met het oog op een mogelijke insolventie van de notaris te scheppen. In dit verband wordt eveneens het financiële toezicht op de notarissen verscherpt, o.a. door de verplichting om jaarlijks zijn financiële administratie voorzien van een verslag betreffende het onderzoek van een accountant bij het Bureau financieel toezicht notarissen in te dienen (artikel 105).
Volledig
Ook wordt de bepaling die het de notaris verbiedt bepaalde rechtshandelingen te verrichten die een nadelige invloed kunnen hebben op zijn financiële positie uitgebreid met het verbod om leningen te verstrekken aan cliënten (artikel 20).” 7.5.5. Uit deze citaten volgt dat de Wna en de norm van artikel 23 strekken tot bescherming van de notariële dienstverlening. Dat houdt, zoals de rechtbank heeft overwogen, mede verband met het feit dat een notaris uit hoofde van zijn notariële werkzaamheden omvangrijke bedragen ontvangt. Aan artikel 23 Wna ligt het maatschappelijk belang ten grondslag dat de maatschappij er op moet kunnen vertrouwen dat deze aan de notaris toevertrouwde bedragen veilig en zeker zijn. Dit is een ander belang dan dat van een verhuurder die een huurovereenkomst is aangegaan met een (notaris)kantoor. De norm van artikel 23 Wna strekt niet zover dat het ook het financiële belang van verhuurders van een notaris(kantoor) beschermt tegen het onbetaald laten van huurtermijnen. 7.5.6. Ook de uitspraak van de Kamer voor het Notariaat van 19 februari 2020, waarnaar [xx] nog heeft verwezen leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak ging het om een situatie waarin wel sprake was van een schending van artikel 23 Wna omdat de notaris niet had voldaan aan de normen die bij en krachtens de Wna worden gesteld aan de liquiditeitspositie van zijn kantoor en van hem in privé. Naar aanleiding daarvan legt de Kamer voor het Notariaat de maatregel van ontzetting uit het ambt op. Dat is een andere situatie dan die hier aan de orde is. 7.5.7. De conclusie is dat er geen sprake is van een schending van artikel 23 Wna. 7.6. Heeft [yy] gehandeld in strijd met de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt 7.6.1. De volgende vraag die het hof moet beantwoorden is, of [yy] , zoals [xx] heeft gesteld, een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. [xx] legt hier dezelfde handelingen aan ten grondslag, weergegeven in r.o. 7.5.1 hiervoor. 7.6.2. [yy] heeft gemotiveerd betwist dat hij een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm in acht moest nemen jegens [xx] . 7.6.3. Het hof overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of een notaris jegens een derde heeft gehandeld in overeenstemming met de van hem in het concrete geval te verwachten zorg, komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moet mede acht worden geslagen op de functie van de notaris in het maatschappelijk verkeer en de belangen die hij dient. Verder geldt dat bij het antwoord op de vraag of sprake is van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, de burgerlijke rechter betekenis kan toekennen aan het oordeel van de tuchtrechter over het gewraakte handelen. Daarbij moet echter in aanmerking worden genomen dat het tuchtrecht in de eerste plaats tot doel heeft, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsuitoefening te bevorderen. In een tuchtprocedure staat, aan de hand van andere maatstaven dan die worden gehanteerd bij de beoordeling van de civiele aansprakelijkheid en zonder de in een civiele procedure geldende bewijsregels, ter beoordeling of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming heeft gehandeld met de voor de desbetreffende beroepsgroep geldende normen en gedragsregels. Deze kenmerken brengen met zich dat aan het oordeel van de tuchtrechter dat in strijd is gehandeld met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels, niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm. Het hof leidt dit af uit de uitspraken van de Hoge Raad van 13 oktober 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AW2082, r.o. 4.4.1. en 4.4.3.) en van 29 januari 2021 (ECLI:NL:HR:2021:149, r.o. 3.2.1) 7.6.4. Ten aanzien van de functie van de notaris in het maatschappelijk verkeer heeft de Hoge Raad diverse keren geoordeeld dat die functie hem onder bijzondere omstandigheden verplicht tot een zekere zorg voor de belangen van derden die mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:831, r.o. 3.4.3. en 3.4.4. ( Novartis ) alsmede de uitspraak van de Hoge Raad van 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2850). Deze zorgplicht kan ertoe leiden dat de notaris gegronde redenen heeft als bedoeld in art. 21 lid 2 Wna om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren of op te schorten. Verleent hij de gevraagde dienst toch, dan kan dit zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de betrokken derde(n) meebrengen. 7.6.5. Anders dan waarvan [xx] lijkt uit te gaan moet het dus gaan om bijzondere omstandigheden. Verder volgt uit de jurisprudentie dat er een mogelijke betrokkenheid moet zijn van de belangen van derden bij concrete ambtsverrichtingen / de dienstverlening van de notaris. Dit strookt ook met de hiervoor weergeven strekking van de Wna. De door [xx] genoemde omstandigheden brengen niet met zich dat aan deze criteria is voldaan. [xx] heeft een financieel belang te weten: het betaald krijgen van de huurpenningen. Dit is -anders dan [xx] stelt en anders dan in de door hem aangehaalde jurisprudentie- geen belang dat betrokken is bij een (concrete) ambtsverrichting van, of dienstverlening door, de notaris. Het voert te ver om van een notaris te verwachten dat hij bij elke dienstverrichting aan een cliënt zijn handelen afstemt op het belang van de verhuurder. Daarbij komt dat er tussen het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en het door [xx] gestelde financiële nadeel meerdere gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. [yy] wijst in dat verband op i) de klager die een klacht indient, ii) de klacht die moet leiden tot een schorsing, iii) het besluit om in verband met de kosten van waarneming daartoe niet over te gaan, iv) opzegging van de huurovereenkomst door de curator en v) het daadwerkelijk lijden van schade. Het was dan ook ten tijde van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet al zonder meer duidelijk dat dit tot financieel nadeel van de verhuurder zou leiden. Ook de andere gestelde omstandigheden leiden ieder op zich dan wel in onderling verband bezien niet tot de door [xx] gestelde verstrekkende zorgplicht. Dat [yy] notaris was, hij een ambtseed heeft afgelegd, [xx] daardoor op de gegoedheid van hem als notaris heeft vertrouwd alsook het feit dat [yy] als enige notaris aan het kantoor was verbonden en slechts door hem omzet kon worden gegenereerd om de huur te betalen zijn geen dusdanig bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Deze omstandigheden waren aan [xx] bekend en zonder onderbouwing valt niet in te zien waarom verhuurders van panden waarin een notariskantoor wordt uitgeoefend beter beschermd zouden moeten worden dan andere verhuurders. Hetzelfde geldt voor de duur van de huurovereenkomst (tien jaar) en het feit dat [xx] daardoor investeringen ten behoeve van Notariskantoor [yy] B.V. in het kantoorpand heeft gedaan en voorgeschoten, die door Notariskantoor [yy] B.V. in 120 maanden zouden worden terugbetaald. Dit valt naar het oordeel van het hof ook onder het normale bedrijfsrisico van [xx] als verhuurder. Het hof komt daarom tot de conclusie dat [xx] onvoldoende heeft onderbouwd dat [yy] als notaris een bijzondere zorgplicht jegens hem heeft geschonden. Het hof kan daarom de verdere verweren van [yy] onbesproken laten. 7.6.6. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe. Nu het hof van oordeel is dat [yy] in zijn verhouding tot [xx] als verhuurder geen wettelijke of ongeschreven (zorgvuldigheids)norm heeft geschonden in het kader van zijn beroepsuitoefening als notaris, betekent dit dat, als [xx] [yy] wil aanspreken wegens handelen bij zijn taakvervulling als bestuurder van Notariskantoor [yy] B.V. daarvoor een verhoogde aansprakelijkheidsmaatstaf geldt. Deze houdt -kort gezegd- in dat [yy] persoonlijk een ernstig verwijt van zijn handelwijze kan worden gemaakt (zie 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745). [xx] heeft zich niet beroepen op die verhoogde aansprakelijkheidsmaatstaf en overigens ook geen feiten gesteld die een beroep daarop zou kunnen rechtvaardigen. 7.7.