Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:2463
Civiel recht; Goederenrecht
Kort geding
16,308 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2463 text/xml public 2026-04-01T11:03:01 2025-09-09 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-09 200.352.108_01 Uitspraak Kort geding NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Goederenrecht Burgerlijk Wetboek Boek 3 298 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2463 text/html public 2026-04-01T10:56:03 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2463 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-09-2025 / 200.352.108_01 Appel van vonnis waarin de voorzieningenrechter beslag tot levering op een onroerende zaak opheft in weerwil van een door beslaglegger gepretendeerd voorkeursrecht. Niet relevant of tussen beslaglegger en verkoper na aanbieding van de zaak een koopovereenkomst tot stand is gekomen, omdat de derde-koper een ouder recht tot levering heeft. Mede omdat beslaglegger zelf mede-veroorzaakt heeft dat bij verkoper en derde-koper een verkeerde indruk omtrent de wens het voorkeursrecht uit te oefenen is kunnen ontstaan, geen afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid van hoofdregel artikel 3:298 BW. Volgt bekrachtiging van het vonnis. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.352.108/01 arrest in kort geding van 9 september 2025 in de zaak van de vennootschap naar Belgisch recht Vamm-Rack Europe B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna te noemen “Vamm-Rack”, advocaat: mr. B.J. van de Wijnckel te Oostburg, tegen [YY] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen “ [YY] ”, advocaat: mr. J.P.G. van Roeyen te Terneuzen, op het bij exploot van dagvaarding van 25 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 januari 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen Vamm-Rack als gedaagde en [YY] als eiseres. 1 De kern van de zaak 1.1. [YY] heeft een bedrijventerrein aan [C] in [B] (gemeente [C] ) in eigendom gehad. In 2020 heeft [YY] een deel van dit terrein aan Vamm-Rack verkocht en geleverd. Daarbij is ook een voorkeursrecht voor Vamm-Rack voor de rest van het terrein overeengekomen. In 2022 is weer een deel van het terrein verkocht, waarbij Vamm-Rack geen gebruik van haar voorkeursrecht heeft gemaakt. In 2024 heeft [YY] het laatste deel van het terrein verkocht aan [A] . [YY] ging er daarbij vanuit dat Vamm-Rack geen gebruik van haar voorkeursrecht wenste te maken. 1.2. De notaris die de leveringsakte voor dit laatste deel zou passeren, meende echter dat het aan [A] verkochte deel eerst nog aan Vamm-Rack aangeboden moest worden, voordat aan [A] geleverd zou kunnen worden. [YY] heeft dat gedaan en Vamm-Rack heeft laten weten nu wel van haar voorkeursrecht gebruik te maken. Vervolgens is tussen [YY] en Vamm-Rack gecorrespondeerd over overige voorwaarden. 1.3. In november 2024 heeft Vamm-Rack conservatoir beslag tot levering laten leggen. Daarop heeft [YY] in kort geding, onder meer, opheffing van dat beslag gevorderd, te bepalen dat het verkochte door [YY] , met medewerking van de notaris geleverd mag worden en dat Vamm-Rack die levering niet mag frustreren of beletten. Deze vorderingen heeft de voorzieningenrechter toegewezen, omdat hij van oordeel is dat [A] een sterker recht op levering heeft dan Vamm-Rack. 1.4. Het hof komt tot hetzelfde oordeel en zal het vonnis van de voorzieningenrechter daarom bekrachtigen voor wat betreft de proceskostenveroordeling. 2 Het verloop van het geding 2.1. Voor het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/429857 / KG ZA 24-600) verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2.2. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 25 februari 2025, met grieven en producties; de memorie van antwoord met producties; de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. 2.3. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De feiten 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.2. [YY] was eigenaresse van het bedrijventerrein aan [C] in [B] (gemeente [C] ) , dat bestaat uit meerdere aaneengesloten (kadastrale)percelen. 3.3. In 2020 heeft [YY] een gedeelte van haar bedrijventerrein aan Vamm-Rack verkocht en geleverd. In de betreffende koopovereenkomst staat, voor zover hier van belang: “Koper [Vamm-Rack: hof] is met verkoper [ [YY] : hof] overeengekomen dat er sprake is van een eerste optie van koop met betrekking tot de overige objecten met ondergrond, erf en verdere aanhorigheden, staande en gelegen aan [C] [B] (e.e.a. nader uit te werken).” En: “Op de koopovereenkomst is Nederlands recht van toepassing.” 3.4. In de leveringsakte is destijds, voor zover hier van belang, opgenomen: “VOORKEURSRECHT TOT KOOP Ingeval de verkoper [ [YY] : hof] of diens rechtverkrijgende(n) onder algemene titel, hierna ook te noemen aanbieder, voornemens is de aan hem in eigendom toebehorende onroerende goederen gelegen nabij [C] te [B] , thans kadastraal bekend als gemeente [C] sectie [--] nummers [perceelnummer A] , [perceelnummer B] en [perceelnummer C] , of een gedeelte daarvan te vervreemden in de zin, als hierna sub n aangeven, is hij verplicht hetgeen hij wil gaan vervreemden of waarop hij het genotsrecht wil vestigen, eerst aan de koper [Vamm-Rack: hof] of diens rechtverkrijgende(n) onder algemene titel, hierna te noemen: voorkeursgerechtigde te koop aan te bieden, zulks overeenkomstig de hierna volgende bepalingen.” 3.5. In 2022 heeft [YY] een tweede gedeelte van het bedrijventerrein verkocht aan een derde. Vamm-Rack heeft toen desgevraagd medegedeeld geen gebruik te maken van haar voorkeursrecht. 3.6. Van eind 2022 tot 8 maart 2023 hebben [YY] en Vamm-Rack onderhandeld over de verkoop van (delen van) het laatste nog aan [YY] in eigendom toebehorende gedeelte van het bedrijventerrein (perceel [perceelnummer D] , verder het “perceel”). Op 8 maart 2023 heeft de makelaar van [YY] aan [YY] een e-mail gestuurd met de volgende inhoud: “ [persoon A] van Vamm-Rack heeft mij zojuist telefonisch laten weten toch verder af te zien van de aankoop van het laatste gedeelte van de site. Al met al zou e.e.a. voor hem te duur gaan worden, was zijn reactie.” 3.7. Op 6 september 2023 is bij het perceel een bord “te koop” geplaatst. 3.8. Bij schriftelijke overeenkomst van 6 juni 2024 heeft [YY] het perceel verkocht aan [A] . Daarna is op enig moment op het bord “te koop” tevens een grote sticker “verkocht” aangebracht. 3.9. In de periode tussen 6 september 2023 en 4 november 2024 hebben (de bestuurders van) Vamm-Rack meermalen (rechtstreeks) contact gehad met [A] , waarbij [A] zich steeds als koper en toekomstig eigenaar van het perceel heeft gepresenteerd. Dit onder meer in een Whatsapp-groep die op 11 juni 2024 door [persoon B] (die werkzaam was voor [A] ) is aangemaakt en waarvan naast beide bestuurders van Vamm-Rack ook de eigenaar van het in 2022 verkochte gedeelte van het bedrijventerrein deel uitmaakte. In die app-groep schrijft [persoon B] , voor zover hier van belang: “Hoi, [F] [ [persoon B] , hof] hier... heb even een appgroep gemaakt met [persoon A] [bestuurder Vamm-Rack, hof], [D] [ [A] , hof] en [E] [derde eigenaar, hof]. Als de resultaten van de bodemonderzoeken goed zijn, dan neemt [D] dit jaar het laatste stuk interjute [het bedrijventerrein, hof] af. Het leek ons wel een goed idee om even met z'n allen samen te komen voor bijvoorbeeld een broodje en een koffie, zodat we elkaar een beetje leren kennen. We hebben er zin in en het zou mooi zijn als we onderling goede contacten hebben.” En: “Dit is de vve appgroep” 3.10. In de appgroep laat [persoon A] , bestuurder van Vamm-Rack, weten voor die kennismaking open te staan en vraagt hij om zijn medebestuurder ook aan de groep toe te voegen, wat daarna ook is gebeurd. 3.11. Tegenover [A] , noch tegenover [YY] heeft Vamm-Rack zich toen, of op enig ander moment tussen 6 september 2023 en 4 november 2024 op enige wijze uitgelaten over haar voorkeursrecht, daarnaar of daarop ver- of gewezen of jegens hen enig voorbehoud uitgesproken in het kader van dat voorkeursrecht. 3.12.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2463 text/xml public 2026-04-01T11:03:01 2025-09-09 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-09 200.352.108_01 Uitspraak Kort geding NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Goederenrecht Burgerlijk Wetboek Boek 3 298 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2463 text/html public 2026-04-01T10:56:03 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2463 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-09-2025 / 200.352.108_01 Appel van vonnis waarin de voorzieningenrechter beslag tot levering op een onroerende zaak opheft in weerwil van een door beslaglegger gepretendeerd voorkeursrecht. Niet relevant of tussen beslaglegger en verkoper na aanbieding van de zaak een koopovereenkomst tot stand is gekomen, omdat de derde-koper een ouder recht tot levering heeft. Mede omdat beslaglegger zelf mede-veroorzaakt heeft dat bij verkoper en derde-koper een verkeerde indruk omtrent de wens het voorkeursrecht uit te oefenen is kunnen ontstaan, geen afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid van hoofdregel artikel 3:298 BW. Volgt bekrachtiging van het vonnis. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.352.108/01 arrest in kort geding van 9 september 2025 in de zaak van de vennootschap naar Belgisch recht Vamm-Rack Europe B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna te noemen “Vamm-Rack”, advocaat: mr. B.J. van de Wijnckel te Oostburg, tegen [YY] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen “ [YY] ”, advocaat: mr. J.P.G. van Roeyen te Terneuzen, op het bij exploot van dagvaarding van 25 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 januari 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen Vamm-Rack als gedaagde en [YY] als eiseres. 1 De kern van de zaak 1.1. [YY] heeft een bedrijventerrein aan [C] in [B] (gemeente [C] ) in eigendom gehad. In 2020 heeft [YY] een deel van dit terrein aan Vamm-Rack verkocht en geleverd. Daarbij is ook een voorkeursrecht voor Vamm-Rack voor de rest van het terrein overeengekomen. In 2022 is weer een deel van het terrein verkocht, waarbij Vamm-Rack geen gebruik van haar voorkeursrecht heeft gemaakt. In 2024 heeft [YY] het laatste deel van het terrein verkocht aan [A] . [YY] ging er daarbij vanuit dat Vamm-Rack geen gebruik van haar voorkeursrecht wenste te maken. 1.2. De notaris die de leveringsakte voor dit laatste deel zou passeren, meende echter dat het aan [A] verkochte deel eerst nog aan Vamm-Rack aangeboden moest worden, voordat aan [A] geleverd zou kunnen worden. [YY] heeft dat gedaan en Vamm-Rack heeft laten weten nu wel van haar voorkeursrecht gebruik te maken. Vervolgens is tussen [YY] en Vamm-Rack gecorrespondeerd over overige voorwaarden. 1.3. In november 2024 heeft Vamm-Rack conservatoir beslag tot levering laten leggen. Daarop heeft [YY] in kort geding, onder meer, opheffing van dat beslag gevorderd, te bepalen dat het verkochte door [YY] , met medewerking van de notaris geleverd mag worden en dat Vamm-Rack die levering niet mag frustreren of beletten. Deze vorderingen heeft de voorzieningenrechter toegewezen, omdat hij van oordeel is dat [A] een sterker recht op levering heeft dan Vamm-Rack. 1.4. Het hof komt tot hetzelfde oordeel en zal het vonnis van de voorzieningenrechter daarom bekrachtigen voor wat betreft de proceskostenveroordeling. 2 Het verloop van het geding 2.1. Voor het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/429857 / KG ZA 24-600) verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2.2. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 25 februari 2025, met grieven en producties; de memorie van antwoord met producties; de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. 2.3. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De feiten 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.2. [YY] was eigenaresse van het bedrijventerrein aan [C] in [B] (gemeente [C] ) , dat bestaat uit meerdere aaneengesloten (kadastrale)percelen. 3.3. In 2020 heeft [YY] een gedeelte van haar bedrijventerrein aan Vamm-Rack verkocht en geleverd. In de betreffende koopovereenkomst staat, voor zover hier van belang: “Koper [Vamm-Rack: hof] is met verkoper [ [YY] : hof] overeengekomen dat er sprake is van een eerste optie van koop met betrekking tot de overige objecten met ondergrond, erf en verdere aanhorigheden, staande en gelegen aan [C] [B] (e.e.a. nader uit te werken).” En: “Op de koopovereenkomst is Nederlands recht van toepassing.” 3.4. In de leveringsakte is destijds, voor zover hier van belang, opgenomen: “VOORKEURSRECHT TOT KOOP Ingeval de verkoper [ [YY] : hof] of diens rechtverkrijgende(n) onder algemene titel, hierna ook te noemen aanbieder, voornemens is de aan hem in eigendom toebehorende onroerende goederen gelegen nabij [C] te [B] , thans kadastraal bekend als gemeente [C] sectie [--] nummers [perceelnummer A] , [perceelnummer B] en [perceelnummer C] , of een gedeelte daarvan te vervreemden in de zin, als hierna sub n aangeven, is hij verplicht hetgeen hij wil gaan vervreemden of waarop hij het genotsrecht wil vestigen, eerst aan de koper [Vamm-Rack: hof] of diens rechtverkrijgende(n) onder algemene titel, hierna te noemen: voorkeursgerechtigde te koop aan te bieden, zulks overeenkomstig de hierna volgende bepalingen.” 3.5. In 2022 heeft [YY] een tweede gedeelte van het bedrijventerrein verkocht aan een derde. Vamm-Rack heeft toen desgevraagd medegedeeld geen gebruik te maken van haar voorkeursrecht. 3.6. Van eind 2022 tot 8 maart 2023 hebben [YY] en Vamm-Rack onderhandeld over de verkoop van (delen van) het laatste nog aan [YY] in eigendom toebehorende gedeelte van het bedrijventerrein (perceel [perceelnummer D] , verder het “perceel”). Op 8 maart 2023 heeft de makelaar van [YY] aan [YY] een e-mail gestuurd met de volgende inhoud: “ [persoon A] van Vamm-Rack heeft mij zojuist telefonisch laten weten toch verder af te zien van de aankoop van het laatste gedeelte van de site. Al met al zou e.e.a. voor hem te duur gaan worden, was zijn reactie.” 3.7. Op 6 september 2023 is bij het perceel een bord “te koop” geplaatst. 3.8. Bij schriftelijke overeenkomst van 6 juni 2024 heeft [YY] het perceel verkocht aan [A] . Daarna is op enig moment op het bord “te koop” tevens een grote sticker “verkocht” aangebracht. 3.9. In de periode tussen 6 september 2023 en 4 november 2024 hebben (de bestuurders van) Vamm-Rack meermalen (rechtstreeks) contact gehad met [A] , waarbij [A] zich steeds als koper en toekomstig eigenaar van het perceel heeft gepresenteerd. Dit onder meer in een Whatsapp-groep die op 11 juni 2024 door [persoon B] (die werkzaam was voor [A] ) is aangemaakt en waarvan naast beide bestuurders van Vamm-Rack ook de eigenaar van het in 2022 verkochte gedeelte van het bedrijventerrein deel uitmaakte. In die app-groep schrijft [persoon B] , voor zover hier van belang: “Hoi, [F] [ [persoon B] , hof] hier... heb even een appgroep gemaakt met [persoon A] [bestuurder Vamm-Rack, hof], [D] [ [A] , hof] en [E] [derde eigenaar, hof]. Als de resultaten van de bodemonderzoeken goed zijn, dan neemt [D] dit jaar het laatste stuk interjute [het bedrijventerrein, hof] af. Het leek ons wel een goed idee om even met z'n allen samen te komen voor bijvoorbeeld een broodje en een koffie, zodat we elkaar een beetje leren kennen. We hebben er zin in en het zou mooi zijn als we onderling goede contacten hebben.” En: “Dit is de vve appgroep” 3.10. In de appgroep laat [persoon A] , bestuurder van Vamm-Rack, weten voor die kennismaking open te staan en vraagt hij om zijn medebestuurder ook aan de groep toe te voegen, wat daarna ook is gebeurd. 3.11. Tegenover [A] , noch tegenover [YY] heeft Vamm-Rack zich toen, of op enig ander moment tussen 6 september 2023 en 4 november 2024 op enige wijze uitgelaten over haar voorkeursrecht, daarnaar of daarop ver- of gewezen of jegens hen enig voorbehoud uitgesproken in het kader van dat voorkeursrecht. 3.12.
Volledig
Toen het perceel aan [A] geleverd zou worden, heeft de aangezochte notaris zijn ministerie (vooralsnog) geweigerd, omdat het perceel volgens hem eerst nog aan Vamm-Rack moest worden aangeboden, vanwege haar voorkeursrecht. 3.13. Daarop heeft [YY] op 30 oktober 2024 de volgende brief aan Vamm-Rack gestuurd: “Betreft: Aanbieding voorkeursrecht van koop betreffende onroerende zaak Geachte heer/mevrouw, Conform de voorwaarden vastgelegd in de akte van levering ( [naam akte] , geregistreerd op [datum] ), waarbij VAMM-RACK Europe B.V. een voorkeursrecht van koop is verleend, bieden wij u hierbij de betreffende onroerende zaak aan voor een koopprijs van € 1.600.000,- kosten koper (k.k.). Wij verzoeken u binnen een termijn van twee weken na ontvangst van deze brief uw bereidheid kenbaar te maken om op de gestelde voorwaarden tot koop over te gaan, zoals vastgelegd in de akte. Uw reactie kan per aangetekend schrijven of per e-mail gericht worden aan ondergetekende. Bij geen reactie binnen de gestelde termijn vervalt het voorkeursrecht, en behouden wij ons het recht voor om de onroerende zaak aan een derde partij te vervreemden. Wij zien uw reactie graag spoedig tegemoet.” 3.14. Bij e-mail van 4 november 2024 heeft Vamm-Rack aan [YY] bericht “ deze gebouwen en gronden ” te willen aankopen en al contact te hebben gehad met de bank, die op het eerste gezicht geen reden ziet waarom geen goedkeuring zou worden gegeven. Vervolgens is tussen [YY] en Vamm-Rack gecorrespondeerd over de precieze omvang van wat (welke percelen) nu aangeboden werd en over overige met de verkoop gepaard gaande voorwaarden. 3.15. Op 14 november 2024 heeft Vamm-Rack ten laste van [YY] , conservatoir beslag tot levering laten leggen op het perceel. 3.16. Op 7 februari 2025, na het vonnis in eerste aanleg, is het perceel alsnog aan [A] geleverd. 4 Standpunten van partijen en het dictum van de voorzieningenrechter. In eerste aanleg 4.1. In eerste aanleg heeft [YY] , na wijziging van eis (het hierna vetgedrukte deel betreft de wijziging van eis), voor zover hier van belang gevorderd: “Primair: 1. te bepalen dat het ten laste van [YY] door Vamm-Rack op de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [kadastrale aanduiding] is opgeheven dan wel als opgeheven beschouwd dient te worden OF: het ten laste van [YY] door Vamm-Rack op de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [kadastrale aanduiding] zoals in de dagvaarding genoemd op te heffen; 2. te bepalen en/of te oordelen dat [YY] na opheffing van het beslag onder 1 gerechtigd is om de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [perceelnummer D] en de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , kadastraal bekend gemeente [C] , [perceelnummer E] (het perceel met transformatorhuisje) aan [A] te leveren en dat de notaris gerechtigd is de levering tot stand te brengen en de notariële levering kan plaatsvinden door de te verlijden notariële (leverings)akte; 3. te bepalen dat Vamm-Rack de levering genoemd onder 2 door [YY] aan [A] in het geheel niet mag blokkeren/frustreren en/of Vamm-Rack te veroordelen om de levering genoemd onder 2 door [YY] aan [A] in het geheel niet te blokkeren/frustreren onder meer doch niet uitsluitend door een beroep te doen op het voorkeursrecht en/of enige ander recht en/of het bestaan van een koopovereenkomst tussen Vamm-Rack en [YY] ten aanzien van de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [perceelnummer D] en de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , kadastraal bekend gemeente [C] , [perceelnummer E] (het perceel met transformatorhuisje), zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan dat Vamm-Rack hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 250.000,- 4. voor zover nodig te bepalen en/of te oordelen dat Vamm-Rack na de levering genoemd onder 2 door [YY] aan [A] wel gerechtigd is om alle argumenten/juridische verweren in een bodemprocedure (bijvoorbeeld tot vernietiging van de levering) jegens [YY] en/of [A] aan te voeren, waarbij deze alsdan (opnieuw) in rechte zullen worden beoordeeld en uiteraard tevens ook de mogelijkheid van een hoger beroep tegen het vonnis in kort geding voor Vamm-Rack openstaat, zulks onverminderd het feit dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;” Een en ander met veroordeling van Vamm-Rack in de kosten van het geding. 4.2. [YY] heeft daartoe – samengevat en voor zover hier van belang – aangevoerd dat het haar vrij stond om het perceel aan een derde te verkopen. Vamm-Rack had immers, na onderhandeld te hebben en meerdere biedingen te hebben gedaan, medegedeeld niet (meer) te willen aankopen. Daarmee heeft Vamm-Rack afstand van haar voorkeursrecht gedaan. In elk geval heeft Vamm-Rack haar rechten uit hoofde van het voorkeursrecht verwerkt. Vamm-Rack wist immers dat het perceel te koop stond en dat er een koper ( [A] ) was gevonden. Met die koper heeft Vamm-Rack zelfs meermaals contact gehad en toch heeft hij nooit aan die koper of aan [YY] laten weten alsnog van zijn voorkeursrecht gebruik te willen maken, aldus [YY] . 4.3. Vamm-Rack heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [YY] , met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [YY] in de proceskosten. 4.4. Bij vonnis van 31 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter het volgende dictum uitgesproken: “5.1. verklaart [YY] niet-ontvankelijk in het vierde onderdeel van de primaire vordering van de gewijzigde eis; 5.2. heft op het in opdracht van Vamm-Rack op 14 november 2024 ten laste van [YY] gelegde beslag tot levering van het perceel staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [kadastrale aanduiding] ; 5.3. verstaat dat [YY] gerechtigd is, maar ook verplicht is, om aan de levering van de eigendom van het perceel staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [kadastrale aanduiding] en het perceel staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend, gemeente [C] , [perceelnummer E] aan [A] mee te werken en verstaat dat de notaris op grond van zijn ministerieplicht de hiertoe strekkende akten dient te verlijden en vervolgens in de daartoe bestemde openbare registers dient te doen inschrijven; 5.4. verbiedt Vamm-Rack om de onbelaste leveringen van de eigendom van de onder sub 5.3. van dit vonnis vermelde percelen van [YY] aan [A] op welke wijze dan ook te frustreren en/of te beletten en/of te (ver-)hinderen en veroordeelt Vamm-Rack uiterlijk twee dagen na betekening van dit vonnis een dwangsom van € 5.000,00 aan [YY] te betalen voor elke met dit verbod strijdige handeling en/of elk met dit verbod strijdig nalaten te vermeerderen met € 5.000,00 voor elke dag, dan wel dagdeel, dat de met dit verbod strijdige handeling en/of met dit verbod strijdig nalaten voortduurt, alles tot een maximum van € 250.000,00; 5.5. veroordeelt Vamm-Rack in de kosten van dit geding die aan de zijde van [YY] worden begroot op € 2.484,37 te vermeerderen met de na-kosten van € 179,00, zonder betekening van dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening na betekening van dit vonnis en alle kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen nadat zij verschuldigd zijn geworden, indien en voor zover Vamm-Rack deze kosten alsdan onbetaald heeft gelaten; 5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.7. wijst af het meer of anders gevorderde.” In hoger beroep 4.5. Vamm-Rack vordert in het hoger beroep dat het vonnis wordt vernietigd, de vorderingen van [YY] (alsnog) worden afgewezen met veroordeling van [YY] in de kosten in beide instanties en tot terugbetaling van wat Vamm-Rack uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg al aan [YY] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente.
Volledig
Toen het perceel aan [A] geleverd zou worden, heeft de aangezochte notaris zijn ministerie (vooralsnog) geweigerd, omdat het perceel volgens hem eerst nog aan Vamm-Rack moest worden aangeboden, vanwege haar voorkeursrecht. 3.13. Daarop heeft [YY] op 30 oktober 2024 de volgende brief aan Vamm-Rack gestuurd: “Betreft: Aanbieding voorkeursrecht van koop betreffende onroerende zaak Geachte heer/mevrouw, Conform de voorwaarden vastgelegd in de akte van levering ( [naam akte] , geregistreerd op [datum] ), waarbij VAMM-RACK Europe B.V. een voorkeursrecht van koop is verleend, bieden wij u hierbij de betreffende onroerende zaak aan voor een koopprijs van € 1.600.000,- kosten koper (k.k.). Wij verzoeken u binnen een termijn van twee weken na ontvangst van deze brief uw bereidheid kenbaar te maken om op de gestelde voorwaarden tot koop over te gaan, zoals vastgelegd in de akte. Uw reactie kan per aangetekend schrijven of per e-mail gericht worden aan ondergetekende. Bij geen reactie binnen de gestelde termijn vervalt het voorkeursrecht, en behouden wij ons het recht voor om de onroerende zaak aan een derde partij te vervreemden. Wij zien uw reactie graag spoedig tegemoet.” 3.14. Bij e-mail van 4 november 2024 heeft Vamm-Rack aan [YY] bericht “ deze gebouwen en gronden ” te willen aankopen en al contact te hebben gehad met de bank, die op het eerste gezicht geen reden ziet waarom geen goedkeuring zou worden gegeven. Vervolgens is tussen [YY] en Vamm-Rack gecorrespondeerd over de precieze omvang van wat (welke percelen) nu aangeboden werd en over overige met de verkoop gepaard gaande voorwaarden. 3.15. Op 14 november 2024 heeft Vamm-Rack ten laste van [YY] , conservatoir beslag tot levering laten leggen op het perceel. 3.16. Op 7 februari 2025, na het vonnis in eerste aanleg, is het perceel alsnog aan [A] geleverd. 4 Standpunten van partijen en het dictum van de voorzieningenrechter. In eerste aanleg 4.1. In eerste aanleg heeft [YY] , na wijziging van eis (het hierna vetgedrukte deel betreft de wijziging van eis), voor zover hier van belang gevorderd: “Primair: 1. te bepalen dat het ten laste van [YY] door Vamm-Rack op de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [kadastrale aanduiding] is opgeheven dan wel als opgeheven beschouwd dient te worden OF: het ten laste van [YY] door Vamm-Rack op de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [kadastrale aanduiding] zoals in de dagvaarding genoemd op te heffen; 2. te bepalen en/of te oordelen dat [YY] na opheffing van het beslag onder 1 gerechtigd is om de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [perceelnummer D] en de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , kadastraal bekend gemeente [C] , [perceelnummer E] (het perceel met transformatorhuisje) aan [A] te leveren en dat de notaris gerechtigd is de levering tot stand te brengen en de notariële levering kan plaatsvinden door de te verlijden notariële (leverings)akte; 3. te bepalen dat Vamm-Rack de levering genoemd onder 2 door [YY] aan [A] in het geheel niet mag blokkeren/frustreren en/of Vamm-Rack te veroordelen om de levering genoemd onder 2 door [YY] aan [A] in het geheel niet te blokkeren/frustreren onder meer doch niet uitsluitend door een beroep te doen op het voorkeursrecht en/of enige ander recht en/of het bestaan van een koopovereenkomst tussen Vamm-Rack en [YY] ten aanzien van de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [perceelnummer D] en de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , kadastraal bekend gemeente [C] , [perceelnummer E] (het perceel met transformatorhuisje), zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan dat Vamm-Rack hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 250.000,- 4. voor zover nodig te bepalen en/of te oordelen dat Vamm-Rack na de levering genoemd onder 2 door [YY] aan [A] wel gerechtigd is om alle argumenten/juridische verweren in een bodemprocedure (bijvoorbeeld tot vernietiging van de levering) jegens [YY] en/of [A] aan te voeren, waarbij deze alsdan (opnieuw) in rechte zullen worden beoordeeld en uiteraard tevens ook de mogelijkheid van een hoger beroep tegen het vonnis in kort geding voor Vamm-Rack openstaat, zulks onverminderd het feit dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;” Een en ander met veroordeling van Vamm-Rack in de kosten van het geding. 4.2. [YY] heeft daartoe – samengevat en voor zover hier van belang – aangevoerd dat het haar vrij stond om het perceel aan een derde te verkopen. Vamm-Rack had immers, na onderhandeld te hebben en meerdere biedingen te hebben gedaan, medegedeeld niet (meer) te willen aankopen. Daarmee heeft Vamm-Rack afstand van haar voorkeursrecht gedaan. In elk geval heeft Vamm-Rack haar rechten uit hoofde van het voorkeursrecht verwerkt. Vamm-Rack wist immers dat het perceel te koop stond en dat er een koper ( [A] ) was gevonden. Met die koper heeft Vamm-Rack zelfs meermaals contact gehad en toch heeft hij nooit aan die koper of aan [YY] laten weten alsnog van zijn voorkeursrecht gebruik te willen maken, aldus [YY] . 4.3. Vamm-Rack heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [YY] , met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [YY] in de proceskosten. 4.4. Bij vonnis van 31 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter het volgende dictum uitgesproken: “5.1. verklaart [YY] niet-ontvankelijk in het vierde onderdeel van de primaire vordering van de gewijzigde eis; 5.2. heft op het in opdracht van Vamm-Rack op 14 november 2024 ten laste van [YY] gelegde beslag tot levering van het perceel staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [kadastrale aanduiding] ; 5.3. verstaat dat [YY] gerechtigd is, maar ook verplicht is, om aan de levering van de eigendom van het perceel staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend gemeente [C] , [kadastrale aanduiding] en het perceel staande en gelegen te [postcode] [B] , gemeente [C] , aan het adres [adres] , kadastraal bekend, gemeente [C] , [perceelnummer E] aan [A] mee te werken en verstaat dat de notaris op grond van zijn ministerieplicht de hiertoe strekkende akten dient te verlijden en vervolgens in de daartoe bestemde openbare registers dient te doen inschrijven; 5.4. verbiedt Vamm-Rack om de onbelaste leveringen van de eigendom van de onder sub 5.3. van dit vonnis vermelde percelen van [YY] aan [A] op welke wijze dan ook te frustreren en/of te beletten en/of te (ver-)hinderen en veroordeelt Vamm-Rack uiterlijk twee dagen na betekening van dit vonnis een dwangsom van € 5.000,00 aan [YY] te betalen voor elke met dit verbod strijdige handeling en/of elk met dit verbod strijdig nalaten te vermeerderen met € 5.000,00 voor elke dag, dan wel dagdeel, dat de met dit verbod strijdige handeling en/of met dit verbod strijdig nalaten voortduurt, alles tot een maximum van € 250.000,00; 5.5. veroordeelt Vamm-Rack in de kosten van dit geding die aan de zijde van [YY] worden begroot op € 2.484,37 te vermeerderen met de na-kosten van € 179,00, zonder betekening van dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening na betekening van dit vonnis en alle kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen nadat zij verschuldigd zijn geworden, indien en voor zover Vamm-Rack deze kosten alsdan onbetaald heeft gelaten; 5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.7. wijst af het meer of anders gevorderde.” In hoger beroep 4.5. Vamm-Rack vordert in het hoger beroep dat het vonnis wordt vernietigd, de vorderingen van [YY] (alsnog) worden afgewezen met veroordeling van [YY] in de kosten in beide instanties en tot terugbetaling van wat Vamm-Rack uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg al aan [YY] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente.
Volledig
Vamm-Rack heeft daartoe zes grieven geformuleerd. 4.6. [YY] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de voorzieningenrechter met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Vamm-Rack in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met rente. 4.7. Op de standpunten van partijen wordt in het navolgende, voor zover van belang, nader ingegaan. 5 De beoordeling Rechtsmacht 5.1. Vamm-Rack is gevestigd in België. Het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de herschikte EEX-Verordening. Ingevolge artikel 26 lid 1 van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. De omvang van het hoger beroep 5.2. Omdat [YY] daartegen geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld, ligt de door de voorzieningenrechter uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van [YY] met betrekking tot het primair onder 4 gevorderde in dit hoger beroep niet ter beslissing aan het hof voor. 5.3. Het vonnis waarbij het conservatoir beslag tot levering van Vamm-Rack is opgeheven, is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [YY] was daarna bevoegd om het perceel vrij van beslag te leveren aan [A] , wat op 7 februari 2025 ook is gebeurd. Door die levering is een wijziging opgetreden in de rechtstoestand met betrekking tot het perceel. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351 (Hubers/Forward) moet zo’n wijziging worden geëerbiedigd als die zich heeft voorgedaan in de periode tussen de opheffing van het beslag en de (eventuele) vernietiging van het vonnis. Zelfs als het hof in dit hoger beroep tot het oordeel zou komen dat de voorzieningenrechter het beslag ten onrechte heeft opgeheven en het vonnis zou vernietigen, kan en zal het beslag daardoor niet herleven. 5.4. Los van de vraag naar de spoedeisendheid heeft Vamm-Rack ondanks het voorgaande belang bij dit hoger beroep. Volgens vaste rechtspraak levert een veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg voor de partij die in die kosten is veroordeeld voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak (HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705). Dat geldt ook als de appelrechter in kort geding oordeelt dat er geen spoedeisend belang (meer) bij de in hoger beroep te beoordelen vordering is. De appelrechter moet ook dan beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daarvoor moet de appelrechter onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep. (Zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782). Grief tegen feitenvaststelling door de voorzieningenrechter? 5.5. Onder 0.4 van de appeldagvaarding voert Vamm-Rack aan dat het vonnis van de voorzieningenrechter geen volledige weergave van de relevante feiten bevat. Voor zover Vamm-Rack daarmee heeft bedoeld een grief te richten tegen de feitenvaststelling in eerste aanleg, is deze reeds behandeld omdat het hof hiervoor zelf de feiten heeft vastgesteld die het aan zijn oordeel ten grondslag legt. Grief 1 5.6. Met deze grief komt Vamm-Rack op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter om de eiswijzigingen van [YY] toe te laten. Vamm-Rack voert aan dat de wijziging van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde, omdat deze niet vóór de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter is aangekondigd. 5.7. Deze grief faalt. [YY] heeft de eiswijziging op de zitting bij akte ingediend. Vamm-Rack miskent dat [YY] op de voet van artikel 130 lid 1 Rv, zolang geen eindvonnis is gewezen, in beginsel bevoegd is haar eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen. Dat kan in beginsel dus ook nog ter zitting. Dat in het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken in artikel 10.1 is opgenomen dat een partij die een eis wenst te veranderen of vermeerderen, de inhoud van deze verandering of vermeerdering zo spoedig mogelijk en bij voorkeur vóór de mondelinge behandeling schriftelijk aan de wederpartij en aan de kortgedingrechter meedeelt, doet er niet aan af dat een rechter indiening ter zitting afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan toestaan. 5.8. In dat kader is van belang dat de door [YY] in het petitum aangebrachte wijzigingen (zie de vet gedrukte passages hiervoor onder 4.1) inhoudelijk niets wezenlijks aan de oorspronkelijk bij dagvaarding geformuleerde vorderingen veranderen of toevoegen. De formulering van de tekst van de eis is veranderd, maar materieel bezien blijft de strekking van hetgeen is gevorderd hetzelfde (dat geleverd kan worden aan [A] zonder beslag van Vamm-Rack). De reden voor wijziging van de formulering is dat in kort geding geen declaratoire uitspraak kan worden gedaan. Vamm-Rack heeft hier zelf al op geanticipeerd in haar conclusie van antwoord en is door de wijzigingen niet onredelijk benadeeld. 5.9. Nu ook overigens de wijzigingen van eis niet in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde, heeft de voorzieningenrechter deze terecht toegestaan en op die gewijzigde eis recht gedaan. Grief 2 5.10. Met deze grief stelt Vamm-Rack dat de voorzieningenrechter buiten de rechtsstrijd is getreden, door onder 5.3 van het dictum van het vonnis te verstaan dat [YY] “ ook verplicht is ” om aan de levering aan [A] mee te werken en dat de notaris “ op grond van zijn ministerieplicht de hiertoe strekkende akten dient te verlijden ”. Volgens VammRack heeft de voorzieningenrechter daarmee meer toegewezen dan [YY] heeft gevorderd. 5.11. Ook deze grief faalt. Zoals de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.3 heeft overwogen, is onweersproken dat op [YY] een (opeisbare) verbintenis en daarmee een verplichting rust om tot onbelaste levering van het perceel S 1917 aan [A] over te gaan. Vamm-Rack onderkent dat overigens zelf ook (2.3 van de appeldagvaarding: “ Dat kan juridisch worden uitgelegd als een verbintenis van [YY] die voortvloeit uit een overeenkomst met [A] ”). De leveringsplicht van [YY] is vervolgens uitdrukkelijk ter zitting in eerste aanleg besproken (proces-verbaal mondelinge behandeling 22 januari 2025, pag. 2, vierde paragraaf, Mr Van de Wijnckel: “ U merkt op dat de wederpartij stelt dat het spoedeisend belang ook is gelegen in het moeten voldoen aan leveringsverplichting ” en pag. 3, tweede paragraaf, Mr Van Roeyen: “ Ten aanzien van het spoedeisend belang merk ik op dat er een verplichting tot levering bestaat ten opzichte van [A] ”). Die verplichting van [YY] vloeit dus niet voort uit het dictum van de voorzieningenrechter, maar uit de stellingen van partijen en uit de onderliggende koopovereenkomst. In het verlengde daarvan geldt hetzelfde ten aanzien van de notaris ( [YY] heeft immers medewerking van de notaris nodig om aan de op haar rustende verplichting te kunnen voldoen). Ook de op de notaris rustende verplichting die de voorzieningenrechter in het dictum benoemt vloeit niet voort uit dat dictum, maar uit de wettelijke ministerieplicht van de notaris in combinatie met de stellingen van partijen rond de verplichting van [YY] . Aangezien een rechter de vordering moet uitleggen in het licht van de stellingen, is niet meer toegewezen dan gevraagd, 5.12. [YY] komt door de gewijzigde formulering van het dictum niet in een betere positie en Vamm-Rack niet in een slechtere dan wanneer conform petitum was toegewezen. [YY] zou met een dictum conform het petitum eveneens in staat gesteld zijn om het perceel vrij van beslag aan [A] te leveren. 5.13. Tot slot is volgens vaste rechtspraak de voorzieningenrechter in kort geding in mindere mate aan het petitum gebonden dan de bodemrechter. De voorzieningenrechter is bevoegd om, in afwijking van het petitum, een zodanige maatregel te treffen als in de omstandigheden van het geval passend is (HR 14-02-1947, NJ 1947/155). 5.14. Om voornoemde redenen valt het in dit geval uitgesproken dictum naar het oordeel van het hof dan ook binnen de rechtsstrijd en de bevoegdheid van de voorzieningenrechter. Grieven 3, 4 en 5 5.15. De grieven 3, 4 en 5 lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Volledig
Vamm-Rack heeft daartoe zes grieven geformuleerd. 4.6. [YY] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de voorzieningenrechter met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Vamm-Rack in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met rente. 4.7. Op de standpunten van partijen wordt in het navolgende, voor zover van belang, nader ingegaan. 5 De beoordeling Rechtsmacht 5.1. Vamm-Rack is gevestigd in België. Het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de herschikte EEX-Verordening. Ingevolge artikel 26 lid 1 van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. De omvang van het hoger beroep 5.2. Omdat [YY] daartegen geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld, ligt de door de voorzieningenrechter uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van [YY] met betrekking tot het primair onder 4 gevorderde in dit hoger beroep niet ter beslissing aan het hof voor. 5.3. Het vonnis waarbij het conservatoir beslag tot levering van Vamm-Rack is opgeheven, is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [YY] was daarna bevoegd om het perceel vrij van beslag te leveren aan [A] , wat op 7 februari 2025 ook is gebeurd. Door die levering is een wijziging opgetreden in de rechtstoestand met betrekking tot het perceel. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351 (Hubers/Forward) moet zo’n wijziging worden geëerbiedigd als die zich heeft voorgedaan in de periode tussen de opheffing van het beslag en de (eventuele) vernietiging van het vonnis. Zelfs als het hof in dit hoger beroep tot het oordeel zou komen dat de voorzieningenrechter het beslag ten onrechte heeft opgeheven en het vonnis zou vernietigen, kan en zal het beslag daardoor niet herleven. 5.4. Los van de vraag naar de spoedeisendheid heeft Vamm-Rack ondanks het voorgaande belang bij dit hoger beroep. Volgens vaste rechtspraak levert een veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg voor de partij die in die kosten is veroordeeld voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak (HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705). Dat geldt ook als de appelrechter in kort geding oordeelt dat er geen spoedeisend belang (meer) bij de in hoger beroep te beoordelen vordering is. De appelrechter moet ook dan beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daarvoor moet de appelrechter onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep. (Zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782). Grief tegen feitenvaststelling door de voorzieningenrechter? 5.5. Onder 0.4 van de appeldagvaarding voert Vamm-Rack aan dat het vonnis van de voorzieningenrechter geen volledige weergave van de relevante feiten bevat. Voor zover Vamm-Rack daarmee heeft bedoeld een grief te richten tegen de feitenvaststelling in eerste aanleg, is deze reeds behandeld omdat het hof hiervoor zelf de feiten heeft vastgesteld die het aan zijn oordeel ten grondslag legt. Grief 1 5.6. Met deze grief komt Vamm-Rack op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter om de eiswijzigingen van [YY] toe te laten. Vamm-Rack voert aan dat de wijziging van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde, omdat deze niet vóór de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter is aangekondigd. 5.7. Deze grief faalt. [YY] heeft de eiswijziging op de zitting bij akte ingediend. Vamm-Rack miskent dat [YY] op de voet van artikel 130 lid 1 Rv, zolang geen eindvonnis is gewezen, in beginsel bevoegd is haar eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen. Dat kan in beginsel dus ook nog ter zitting. Dat in het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken in artikel 10.1 is opgenomen dat een partij die een eis wenst te veranderen of vermeerderen, de inhoud van deze verandering of vermeerdering zo spoedig mogelijk en bij voorkeur vóór de mondelinge behandeling schriftelijk aan de wederpartij en aan de kortgedingrechter meedeelt, doet er niet aan af dat een rechter indiening ter zitting afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan toestaan. 5.8. In dat kader is van belang dat de door [YY] in het petitum aangebrachte wijzigingen (zie de vet gedrukte passages hiervoor onder 4.1) inhoudelijk niets wezenlijks aan de oorspronkelijk bij dagvaarding geformuleerde vorderingen veranderen of toevoegen. De formulering van de tekst van de eis is veranderd, maar materieel bezien blijft de strekking van hetgeen is gevorderd hetzelfde (dat geleverd kan worden aan [A] zonder beslag van Vamm-Rack). De reden voor wijziging van de formulering is dat in kort geding geen declaratoire uitspraak kan worden gedaan. Vamm-Rack heeft hier zelf al op geanticipeerd in haar conclusie van antwoord en is door de wijzigingen niet onredelijk benadeeld. 5.9. Nu ook overigens de wijzigingen van eis niet in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde, heeft de voorzieningenrechter deze terecht toegestaan en op die gewijzigde eis recht gedaan. Grief 2 5.10. Met deze grief stelt Vamm-Rack dat de voorzieningenrechter buiten de rechtsstrijd is getreden, door onder 5.3 van het dictum van het vonnis te verstaan dat [YY] “ ook verplicht is ” om aan de levering aan [A] mee te werken en dat de notaris “ op grond van zijn ministerieplicht de hiertoe strekkende akten dient te verlijden ”. Volgens VammRack heeft de voorzieningenrechter daarmee meer toegewezen dan [YY] heeft gevorderd. 5.11. Ook deze grief faalt. Zoals de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.3 heeft overwogen, is onweersproken dat op [YY] een (opeisbare) verbintenis en daarmee een verplichting rust om tot onbelaste levering van het perceel S 1917 aan [A] over te gaan. Vamm-Rack onderkent dat overigens zelf ook (2.3 van de appeldagvaarding: “ Dat kan juridisch worden uitgelegd als een verbintenis van [YY] die voortvloeit uit een overeenkomst met [A] ”). De leveringsplicht van [YY] is vervolgens uitdrukkelijk ter zitting in eerste aanleg besproken (proces-verbaal mondelinge behandeling 22 januari 2025, pag. 2, vierde paragraaf, Mr Van de Wijnckel: “ U merkt op dat de wederpartij stelt dat het spoedeisend belang ook is gelegen in het moeten voldoen aan leveringsverplichting ” en pag. 3, tweede paragraaf, Mr Van Roeyen: “ Ten aanzien van het spoedeisend belang merk ik op dat er een verplichting tot levering bestaat ten opzichte van [A] ”). Die verplichting van [YY] vloeit dus niet voort uit het dictum van de voorzieningenrechter, maar uit de stellingen van partijen en uit de onderliggende koopovereenkomst. In het verlengde daarvan geldt hetzelfde ten aanzien van de notaris ( [YY] heeft immers medewerking van de notaris nodig om aan de op haar rustende verplichting te kunnen voldoen). Ook de op de notaris rustende verplichting die de voorzieningenrechter in het dictum benoemt vloeit niet voort uit dat dictum, maar uit de wettelijke ministerieplicht van de notaris in combinatie met de stellingen van partijen rond de verplichting van [YY] . Aangezien een rechter de vordering moet uitleggen in het licht van de stellingen, is niet meer toegewezen dan gevraagd, 5.12. [YY] komt door de gewijzigde formulering van het dictum niet in een betere positie en Vamm-Rack niet in een slechtere dan wanneer conform petitum was toegewezen. [YY] zou met een dictum conform het petitum eveneens in staat gesteld zijn om het perceel vrij van beslag aan [A] te leveren. 5.13. Tot slot is volgens vaste rechtspraak de voorzieningenrechter in kort geding in mindere mate aan het petitum gebonden dan de bodemrechter. De voorzieningenrechter is bevoegd om, in afwijking van het petitum, een zodanige maatregel te treffen als in de omstandigheden van het geval passend is (HR 14-02-1947, NJ 1947/155). 5.14. Om voornoemde redenen valt het in dit geval uitgesproken dictum naar het oordeel van het hof dan ook binnen de rechtsstrijd en de bevoegdheid van de voorzieningenrechter. Grieven 3, 4 en 5 5.15. De grieven 3, 4 en 5 lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Volledig
Vamm-Rack komt hiermee – samengevat – op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het beslag moet worden opgeheven omdat, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat met betrekking tot het perceel ook tussen Vamm-Rack en [YY] een koopovereenkomst tot stand is gekomen, [A] een sterker recht op levering heeft dan Vamm-Rack. 5.16. Volgens Vamm-Rack heeft zij een ouder recht op levering dan [A] , omdat haar recht kan worden teruggevoerd (zo begrijpt het hof) op een, bij de transactie in 2020 overeengekomen, zogeheten “voorkooprecht” naar Belgisch recht (appeldagvaarding onder 4.5). Dit is volgens Vamm-Rack een recht op levering onder opschortende voorwaarde. Zij beroept zich op de voorrang van artikel 3:298 BW. Subsidiair stelt Vamm-Rack dat redelijkheid en billijkheid tot afwijking van de hoofdregel van artikel 3:298 BW nopen. 5.17. Het hof zal deze grieven verwerpen. Het oordeel van de voorzieningenrechter is juist. 5.18. Het hof zal in het midden laten of tussen Vamm-Rack en [YY] na de aanbieding bij brief van 30 oktober 2023 wel of niet een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Vamm-Rack heeft gemotiveerd gesteld dat dat wel het geval is en [YY] heeft dat gemotiveerd weersproken. Voor het oordeel in deze zaak is dat echter niet relevant, omdat dat in beide gevallen hetzelfde moet luiden. Geen koopovereenkomst. 5.19. Indien en voor zover geen koopovereenkomst tussen [YY] en Vamm-Rack tot stand is gekomen en het voorkeursrecht nog zou gelden, geeft dit voorkeursrecht, op zichzelf aan Vamm-Rack geen recht op levering (van een voorkooprecht is geen sprake, zie hierna). Die omstandigheid is voldoende grond om het door Vamm-Rack gelegde conservatoir beslag tot levering op te heffen. Wel een koopovereenkomst 5.20. Indien en voor zover wel een koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen Vamm-Rack en [YY] geldt het volgende. Voorkooprecht 5.21. Het door Vamm-Rack gestelde voorkooprecht is een wettelijke figuur naar Belgisch recht. Het Nederlands recht kent een dergelijke wettelijke bepaling niet. [YY] heeft gemotiveerd betwist dat zo’n Belgisch voorkooprecht bij de transactie tussen Vamm-Rack en [YY] in 2020 is overeengekomen. Los van de vraag of uit dat voorkooprecht al zou volgen dat het recht op levering ontstaat op het moment dat het voorkooprecht zelf gevestigd wordt, verwerpt het hof de stelling dat een dergelijk recht tussen [YY] en Vamm-Rack overeengekomen is. 5.22. Het hof stelt vast dat een dergelijk recht niet blijkt uit de tekst van de koopovereenkomst uit 2020 (zie 3.3) en evenmin uit de leveringsakte uit 2020 (zie 3.4). 5.23. Ook valt de stelling moeilijk te rijmen met het standpunt dat Vamm-Rack in de email 12 november 2023 van haar advocaat inneemt (en waarop zij zich onder 0.5 van de appeldagvaarding nog steeds beroept). In die e-mail stelt Vamm-Rack immers bij monde van haar advocaat dat het voorkeursrecht niet vervalt wanneer zij niet binnen 14 dagen na het aanbod alle voorwaarden van [YY] heeft aanvaard, omdat Vamm-Rack enkel binnen die termijn hoeft te bevestigen van haar voorkeursrecht gebruik te willen maken. Daarna moeten partijen nog over de verdere voorwaarden in onderhandeling treden, aldus de advocaat in deze e-mail. Bij een voorkooprecht naar Belgisch recht valt er echter niks te onderhandelen. De voorkoopgerechtigde kan accepteren tegen de met een derde overeengekomen voorwaarden, of niet. Zo ja, ontstaat een recht op levering aan de zijde van de voorkoopgerechtigde. Zo nee, mag aan de derde verkocht en geleverd worden. 5.24. Tot slot weerspreekt het feit dat op de koopovereenkomst uitdrukkelijk Nederlands recht van toepassing is verklaard (zie 3.3), dat daar een rechtsfiguur naar Belgisch recht in overeengekomen zou zijn. 5.25. Op grond van het voorgaande heeft Vamm-Rack onvoldoende onderbouwd dat in 2020 een voorkooprecht naar Belgisch recht is overeengekomen en dat Vamm-Rack meer of minder toekomt dan het in de leveringsakte geformuleerde voorkeursrecht. Bovendien leent deze procedure zich niet voor nadere bewijslevering. Dat Vamm-Rack een ouder recht tot levering dan dat van [A] heeft op grond van een voorkooprecht, kan in deze procedure in elk geval niet worden vastgesteld. Koopovereenkomst zonder voorkooprecht 5.26. Wie heeft er dan het oudste recht als er wel ook tussen Vamm-Rack en [YY] een koopovereenkomst tot stand is gekomen, maar dus geen sprake is van een voorkooprecht? 5.27. Volgens Vamm-Rack is de koopovereenkomst met betrekking tot het perceel tussen haar en [YY] tot stand gekomen door de e-mail van 13 november 2024 van de advocaat van Vamm-Rack aan de advocaat van [YY] . In die e-mail schreef de advocaat van Vamm-Rack dat alle voorwaarden uit een e-mail van 4 november 2025 van de advocaat van [YY] werden aanvaard. Wat die voorwaarden precies inhielden is in dit verband niet relevant. 5.28. Maar, tussen partijen is niet in geschil dat de koopovereenkomst tussen [YY] en [A] tot stand is gekomen op 6 juni 2024; ruim vijf maanden eerder dus. Daarmee staat vast dat [A] een ouder recht op levering heeft dan Vamm-Rack kan hebben. In de verhouding [A] – Vamm-Rack gaat [A] op grond van artikel 3:298 BW dan ook voor. Redelijkheid en billijkheid 5.29. Vamm-Rack heeft subsidiair gesteld dat, voor zover [A] een ouder recht heeft dan zij, op grond van redelijkheid en billijkheid van de hoofdregel van artikel 3:298 BW moet worden afgeweken. 5.30. Vamm-Rack heeft ter onderbouwing hiervan aangevoerd dat [YY] en [A] al voor het sluiten van de koopovereenkomst op 6 juni 2024 wisten van het voorkeursrecht van Vamm-Rack. Door desondanks de koop te sluiten zonder Vamm-Rack eerst in de gelegenheid te stellen haar voorkeursrecht uit te oefenen, hebben [YY] en [A] bewust het risico genomen dat Vamm-Rack alsnog (het hof begrijpt nadat de overeenkomst tussen [YY] en [A] gesloten was) haar voorkeursrecht zou willen uitoefenen, aldus Vamm-Rack. Vamm-Rack sluit zelfs een “ bewust opzetje ” tussen [YY] en [A] niet uit. 5.31. Het hof merkt in dit verband op dat waar [YY] en [A] volgens Vamm-Rack bewust het hierboven omschreven risico hebben genomen, Vamm-Rack dat zelf ook heeft gedaan, door op geen enkel moment tussen 6 september 2023 en 4 november 2024 [YY] en/of [A] op haar voorkeursrecht te wijzen of daaraan te herinneren. Dat terwijl Vamm-Rack wist dat [YY] actief doende was om het perceel aan een derde te koop aan te bieden en, later, dat er ook een koper was gevonden die het perceel (getuige in ieder geval het gesprek in de appgroep en de vermelding “verkocht” op het te koop bord) ook daadwerkelijk had gekocht. Vamm-Rack heeft desgevraagd ter zitting verklaard bewust niets over haar voorkeursrecht te hebben gezegd, omdat zij wilde afwachten hoe een en ander zou uitpakken en hoopte dat de prijs nog wel zou dalen, naar aanleiding van de uitkomsten van het bodemonderzoek. Vamm-Rack heeft daarmee het risico genomen dat [YY] en [A] , wetende dat Vamm-Rack in maart 2023 na langdurig onderhandelen uitdrukkelijk van aankoop van (delen van) het perceel had af gezien, in de veronderstelling kwamen en bleven, dat Vamm-Rack geen belangstelling voor het kopen van het perceel (meer) had en haar voorkeursrecht niet zou willen uitoefenen. 5.32. In dat licht ziet het hof bij de huidige stand van zaken geen aanwijzingen dat [YY] en [A] bewust en te kwader trouw gezamenlijk zijn opgetrokken met het doel Vamm-Rack te benadelen of anderszins onrechtmatig jegens Vamm-Rack hebben gehandeld. Ook in dit verband geldt dat voor een ander oordeel nadere bewijsvoering noodzakelijk zou zijn, waarvoor deze procedure zich niet leent, zodat daaraan niet kan worden toegekomen. 5.33. Dat de veronderstelling bij [YY] en [A] achteraf gezien mogelijk onjuist was, en dat [YY] door het perceel niet eerst nogmaals aan Vamm-Rack aan te bieden alvorens het aan [A] te verkopen, mogelijk wanprestatie pleegt jegens Vamm-Rack, maakt dit niet anders. Temeer niet omdat Vamm-Rack door haar houding (zie 3.7 t/m 3.11) zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van die (mogelijk) onjuiste, maar gezien het feitelijk verloop niet onverklaarbare, veronderstelling. 5.34.
Volledig
Vamm-Rack komt hiermee – samengevat – op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het beslag moet worden opgeheven omdat, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat met betrekking tot het perceel ook tussen Vamm-Rack en [YY] een koopovereenkomst tot stand is gekomen, [A] een sterker recht op levering heeft dan Vamm-Rack. 5.16. Volgens Vamm-Rack heeft zij een ouder recht op levering dan [A] , omdat haar recht kan worden teruggevoerd (zo begrijpt het hof) op een, bij de transactie in 2020 overeengekomen, zogeheten “voorkooprecht” naar Belgisch recht (appeldagvaarding onder 4.5). Dit is volgens Vamm-Rack een recht op levering onder opschortende voorwaarde. Zij beroept zich op de voorrang van artikel 3:298 BW. Subsidiair stelt Vamm-Rack dat redelijkheid en billijkheid tot afwijking van de hoofdregel van artikel 3:298 BW nopen. 5.17. Het hof zal deze grieven verwerpen. Het oordeel van de voorzieningenrechter is juist. 5.18. Het hof zal in het midden laten of tussen Vamm-Rack en [YY] na de aanbieding bij brief van 30 oktober 2023 wel of niet een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Vamm-Rack heeft gemotiveerd gesteld dat dat wel het geval is en [YY] heeft dat gemotiveerd weersproken. Voor het oordeel in deze zaak is dat echter niet relevant, omdat dat in beide gevallen hetzelfde moet luiden. Geen koopovereenkomst. 5.19. Indien en voor zover geen koopovereenkomst tussen [YY] en Vamm-Rack tot stand is gekomen en het voorkeursrecht nog zou gelden, geeft dit voorkeursrecht, op zichzelf aan Vamm-Rack geen recht op levering (van een voorkooprecht is geen sprake, zie hierna). Die omstandigheid is voldoende grond om het door Vamm-Rack gelegde conservatoir beslag tot levering op te heffen. Wel een koopovereenkomst 5.20. Indien en voor zover wel een koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen Vamm-Rack en [YY] geldt het volgende. Voorkooprecht 5.21. Het door Vamm-Rack gestelde voorkooprecht is een wettelijke figuur naar Belgisch recht. Het Nederlands recht kent een dergelijke wettelijke bepaling niet. [YY] heeft gemotiveerd betwist dat zo’n Belgisch voorkooprecht bij de transactie tussen Vamm-Rack en [YY] in 2020 is overeengekomen. Los van de vraag of uit dat voorkooprecht al zou volgen dat het recht op levering ontstaat op het moment dat het voorkooprecht zelf gevestigd wordt, verwerpt het hof de stelling dat een dergelijk recht tussen [YY] en Vamm-Rack overeengekomen is. 5.22. Het hof stelt vast dat een dergelijk recht niet blijkt uit de tekst van de koopovereenkomst uit 2020 (zie 3.3) en evenmin uit de leveringsakte uit 2020 (zie 3.4). 5.23. Ook valt de stelling moeilijk te rijmen met het standpunt dat Vamm-Rack in de email 12 november 2023 van haar advocaat inneemt (en waarop zij zich onder 0.5 van de appeldagvaarding nog steeds beroept). In die e-mail stelt Vamm-Rack immers bij monde van haar advocaat dat het voorkeursrecht niet vervalt wanneer zij niet binnen 14 dagen na het aanbod alle voorwaarden van [YY] heeft aanvaard, omdat Vamm-Rack enkel binnen die termijn hoeft te bevestigen van haar voorkeursrecht gebruik te willen maken. Daarna moeten partijen nog over de verdere voorwaarden in onderhandeling treden, aldus de advocaat in deze e-mail. Bij een voorkooprecht naar Belgisch recht valt er echter niks te onderhandelen. De voorkoopgerechtigde kan accepteren tegen de met een derde overeengekomen voorwaarden, of niet. Zo ja, ontstaat een recht op levering aan de zijde van de voorkoopgerechtigde. Zo nee, mag aan de derde verkocht en geleverd worden. 5.24. Tot slot weerspreekt het feit dat op de koopovereenkomst uitdrukkelijk Nederlands recht van toepassing is verklaard (zie 3.3), dat daar een rechtsfiguur naar Belgisch recht in overeengekomen zou zijn. 5.25. Op grond van het voorgaande heeft Vamm-Rack onvoldoende onderbouwd dat in 2020 een voorkooprecht naar Belgisch recht is overeengekomen en dat Vamm-Rack meer of minder toekomt dan het in de leveringsakte geformuleerde voorkeursrecht. Bovendien leent deze procedure zich niet voor nadere bewijslevering. Dat Vamm-Rack een ouder recht tot levering dan dat van [A] heeft op grond van een voorkooprecht, kan in deze procedure in elk geval niet worden vastgesteld. Koopovereenkomst zonder voorkooprecht 5.26. Wie heeft er dan het oudste recht als er wel ook tussen Vamm-Rack en [YY] een koopovereenkomst tot stand is gekomen, maar dus geen sprake is van een voorkooprecht? 5.27. Volgens Vamm-Rack is de koopovereenkomst met betrekking tot het perceel tussen haar en [YY] tot stand gekomen door de e-mail van 13 november 2024 van de advocaat van Vamm-Rack aan de advocaat van [YY] . In die e-mail schreef de advocaat van Vamm-Rack dat alle voorwaarden uit een e-mail van 4 november 2025 van de advocaat van [YY] werden aanvaard. Wat die voorwaarden precies inhielden is in dit verband niet relevant. 5.28. Maar, tussen partijen is niet in geschil dat de koopovereenkomst tussen [YY] en [A] tot stand is gekomen op 6 juni 2024; ruim vijf maanden eerder dus. Daarmee staat vast dat [A] een ouder recht op levering heeft dan Vamm-Rack kan hebben. In de verhouding [A] – Vamm-Rack gaat [A] op grond van artikel 3:298 BW dan ook voor. Redelijkheid en billijkheid 5.29. Vamm-Rack heeft subsidiair gesteld dat, voor zover [A] een ouder recht heeft dan zij, op grond van redelijkheid en billijkheid van de hoofdregel van artikel 3:298 BW moet worden afgeweken. 5.30. Vamm-Rack heeft ter onderbouwing hiervan aangevoerd dat [YY] en [A] al voor het sluiten van de koopovereenkomst op 6 juni 2024 wisten van het voorkeursrecht van Vamm-Rack. Door desondanks de koop te sluiten zonder Vamm-Rack eerst in de gelegenheid te stellen haar voorkeursrecht uit te oefenen, hebben [YY] en [A] bewust het risico genomen dat Vamm-Rack alsnog (het hof begrijpt nadat de overeenkomst tussen [YY] en [A] gesloten was) haar voorkeursrecht zou willen uitoefenen, aldus Vamm-Rack. Vamm-Rack sluit zelfs een “ bewust opzetje ” tussen [YY] en [A] niet uit. 5.31. Het hof merkt in dit verband op dat waar [YY] en [A] volgens Vamm-Rack bewust het hierboven omschreven risico hebben genomen, Vamm-Rack dat zelf ook heeft gedaan, door op geen enkel moment tussen 6 september 2023 en 4 november 2024 [YY] en/of [A] op haar voorkeursrecht te wijzen of daaraan te herinneren. Dat terwijl Vamm-Rack wist dat [YY] actief doende was om het perceel aan een derde te koop aan te bieden en, later, dat er ook een koper was gevonden die het perceel (getuige in ieder geval het gesprek in de appgroep en de vermelding “verkocht” op het te koop bord) ook daadwerkelijk had gekocht. Vamm-Rack heeft desgevraagd ter zitting verklaard bewust niets over haar voorkeursrecht te hebben gezegd, omdat zij wilde afwachten hoe een en ander zou uitpakken en hoopte dat de prijs nog wel zou dalen, naar aanleiding van de uitkomsten van het bodemonderzoek. Vamm-Rack heeft daarmee het risico genomen dat [YY] en [A] , wetende dat Vamm-Rack in maart 2023 na langdurig onderhandelen uitdrukkelijk van aankoop van (delen van) het perceel had af gezien, in de veronderstelling kwamen en bleven, dat Vamm-Rack geen belangstelling voor het kopen van het perceel (meer) had en haar voorkeursrecht niet zou willen uitoefenen. 5.32. In dat licht ziet het hof bij de huidige stand van zaken geen aanwijzingen dat [YY] en [A] bewust en te kwader trouw gezamenlijk zijn opgetrokken met het doel Vamm-Rack te benadelen of anderszins onrechtmatig jegens Vamm-Rack hebben gehandeld. Ook in dit verband geldt dat voor een ander oordeel nadere bewijsvoering noodzakelijk zou zijn, waarvoor deze procedure zich niet leent, zodat daaraan niet kan worden toegekomen. 5.33. Dat de veronderstelling bij [YY] en [A] achteraf gezien mogelijk onjuist was, en dat [YY] door het perceel niet eerst nogmaals aan Vamm-Rack aan te bieden alvorens het aan [A] te verkopen, mogelijk wanprestatie pleegt jegens Vamm-Rack, maakt dit niet anders. Temeer niet omdat Vamm-Rack door haar houding (zie 3.7 t/m 3.11) zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van die (mogelijk) onjuiste, maar gezien het feitelijk verloop niet onverklaarbare, veronderstelling. 5.34.