Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-04
ECLI:NL:GHSHE:2025:2395
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
8,128 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2395 text/xml public 2026-05-01T11:06:47 2025-09-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-04 200.356.418_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Burgerlijk Wetboek Boek 1 265b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 810a Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2395 text/html public 2026-05-01T11:05:16 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2395 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-09-2025 / 200.356.418_01 Rechtmatigheidstoets. Artikel 1:265b lid 1 BW. Vast staat dat de kinderen niet binnen de voorliggende termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing terug kunnen naar (één van) de ouders. Niet mogelijk om het perspectief van de kinderen ter beoordeling voor te leggen. Het hof wijst in dit verband op de uitspraak van de HR van 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148. Afwijzing verzoek deskundigenonderzoek artikel 810a Rv. GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 4 september 2025 Zaaknummer : 200.356.418/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/427881 / JE RK 24-1913 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. J. Nederlof, tegen William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). Deze zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . Het hof merkt als belanghebbende aan: [de vader] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vader. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming , hierna te noemen: de raad. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties (het procesdossier in eerste aanleg), ingekomen ter griffie op 30 juni 2025, heeft de moeder verzocht: primair voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen, in die zin dat de uithuisplaatsing nog steeds is gericht op plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder; subsidiair op grond van artikel 810a Rv een deskundigenonderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) te gelasten. 2.2. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens de moeder desgevraagd verduidelijkt dat het hoger beroep zich niet richt tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, maar dat in hoger beroep wordt verzocht om het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beoordelen. Mocht het hof in dat laatste niet meegaan, blijft het hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd. 2.3. Er is geen verweerschrift ontvangen. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: mr. Nederlof; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ; de vader met een begeleider via een digitale beeldverbinding; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.5. De moeder is niet verschenen op de mondelinge behandeling. 2.6. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: - het V6-formulier van mr. Nederlof van 8 augustus 2025, met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 13 maart 2025. 3 De beoordeling 3.1. De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 3.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn met ingang van 21 augustus 2024 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling liep tot 21 augustus 2025. De GI heeft een verzoek ingediend bij de rechtbank tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. 3.3. Er is door de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 21 augustus 2024 tot 21 december 2024. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn sinds 11 juni 2024 uit huis geplaatst in een (crisis) verblijf pleegouder 24-uurs. 3.4. Bij tussenbeschikking van 19 december 2024 heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 21 april 2025. De rechtbank heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het resterende deel van het verzoek van de GI heeft de rechtbank aangehouden. De GI heeft het besluit genomen dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij (één van) de ouders is gelegen. De rechtbank heeft de raad verzocht om een onderzoek te verrichten naar het perspectief(besluit) betreffende de minderjarigen en, naar aanleiding daarvan, te rapporteren en te adviseren. 3.5. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de aan de GI verleende machtiging verlengd tot 21 augustus 2025. De rechtbank heeft geoordeeld dat de GI in redelijkheid tot het perspectiefbesluit is gekomen en dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij de ouders ligt. 3.6. De moeder kan zich met de beslissing omtrent het perspectief(besluit) niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.7. De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Op dit moment verblijft de moeder op grond van een rechterlijke machtiging in een zelfstandige unit op het terrein van [instantie 1] . De huidige machtiging loopt tot 11 september 2025 en zal naar verwachting worden verlengd. De moeder ontvangt haar medicatie nog steeds middels een depot omdat ze weigert deze zelf in te nemen. Het gaat niet goed met de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen op dit moment niet bij de moeder wonen. De moeder is echter van mening dat ze op termijn in staat zal zijn om voor de kinderen te zorgen. Ze wijst op het raadsrapport van 6 maart 2025, waaruit volgt dat de moeder in de basis de vaardigheden heeft om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zorgen. De moeder is het niet eens met het perspectief zoals door de GI is bepaald en door de rechtbank is bekrachtigd en verzoekt om nader onderzoek naar het perspectief van de kinderen. Door de raad is onvoldoende gekeken naar de specifieke behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en er is onvoldoende onderzocht of de aanvaardbare termijn voor de kinderen is verstreken. 3.8. De GI voert – samengevat – het volgende aan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich goed. Ze hebben thans dagelijks contact met de nieuwe pleegouders en gaan volgende week volledig bij het perspectief biedend pleeggezin wonen. De situatie rondom de moeder en de vader is erg onrustig. Er heeft vorig jaar slechts twee keer (in juli en in december) omgang tussen de ouders en de kinderen kunnen plaatsvinden. Met ingang van dit jaar hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] één keer in de drie weken een videobelmoment met de moeder en de vader. De GI ziet dat de moeder het lastig vindt om interactie met de kinderen aan te gaan. De vader is blij en aanwezig tijdens het videobellen en dat vinden de kinderen fijn om te zien. De GI onderzoekt een uitbreiding van de omgang met fysieke contactmomenten, maar daarbij is zorgvuldigheid geboden. Er is nog steeds veel onrust in de situatie van de ouders.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2395 text/xml public 2026-05-01T11:06:47 2025-09-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-04 200.356.418_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Burgerlijk Wetboek Boek 1 265b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 810a Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2395 text/html public 2026-05-01T11:05:16 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2395 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-09-2025 / 200.356.418_01 Rechtmatigheidstoets. Artikel 1:265b lid 1 BW. Vast staat dat de kinderen niet binnen de voorliggende termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing terug kunnen naar (één van) de ouders. Niet mogelijk om het perspectief van de kinderen ter beoordeling voor te leggen. Het hof wijst in dit verband op de uitspraak van de HR van 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148. Afwijzing verzoek deskundigenonderzoek artikel 810a Rv. GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 4 september 2025 Zaaknummer : 200.356.418/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/02/427881 / JE RK 24-1913 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. J. Nederlof, tegen William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). Deze zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . Het hof merkt als belanghebbende aan: [de vader] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vader. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming , hierna te noemen: de raad. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties (het procesdossier in eerste aanleg), ingekomen ter griffie op 30 juni 2025, heeft de moeder verzocht: primair voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen, in die zin dat de uithuisplaatsing nog steeds is gericht op plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder; subsidiair op grond van artikel 810a Rv een deskundigenonderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) te gelasten. 2.2. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens de moeder desgevraagd verduidelijkt dat het hoger beroep zich niet richt tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, maar dat in hoger beroep wordt verzocht om het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beoordelen. Mocht het hof in dat laatste niet meegaan, blijft het hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd. 2.3. Er is geen verweerschrift ontvangen. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: mr. Nederlof; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ; de vader met een begeleider via een digitale beeldverbinding; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.5. De moeder is niet verschenen op de mondelinge behandeling. 2.6. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: - het V6-formulier van mr. Nederlof van 8 augustus 2025, met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 13 maart 2025. 3 De beoordeling 3.1. De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 3.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn met ingang van 21 augustus 2024 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling liep tot 21 augustus 2025. De GI heeft een verzoek ingediend bij de rechtbank tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. 3.3. Er is door de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 21 augustus 2024 tot 21 december 2024. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn sinds 11 juni 2024 uit huis geplaatst in een (crisis) verblijf pleegouder 24-uurs. 3.4. Bij tussenbeschikking van 19 december 2024 heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 21 april 2025. De rechtbank heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het resterende deel van het verzoek van de GI heeft de rechtbank aangehouden. De GI heeft het besluit genomen dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij (één van) de ouders is gelegen. De rechtbank heeft de raad verzocht om een onderzoek te verrichten naar het perspectief(besluit) betreffende de minderjarigen en, naar aanleiding daarvan, te rapporteren en te adviseren. 3.5. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de aan de GI verleende machtiging verlengd tot 21 augustus 2025. De rechtbank heeft geoordeeld dat de GI in redelijkheid tot het perspectiefbesluit is gekomen en dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij de ouders ligt. 3.6. De moeder kan zich met de beslissing omtrent het perspectief(besluit) niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.7. De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Op dit moment verblijft de moeder op grond van een rechterlijke machtiging in een zelfstandige unit op het terrein van [instantie 1] . De huidige machtiging loopt tot 11 september 2025 en zal naar verwachting worden verlengd. De moeder ontvangt haar medicatie nog steeds middels een depot omdat ze weigert deze zelf in te nemen. Het gaat niet goed met de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen op dit moment niet bij de moeder wonen. De moeder is echter van mening dat ze op termijn in staat zal zijn om voor de kinderen te zorgen. Ze wijst op het raadsrapport van 6 maart 2025, waaruit volgt dat de moeder in de basis de vaardigheden heeft om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zorgen. De moeder is het niet eens met het perspectief zoals door de GI is bepaald en door de rechtbank is bekrachtigd en verzoekt om nader onderzoek naar het perspectief van de kinderen. Door de raad is onvoldoende gekeken naar de specifieke behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en er is onvoldoende onderzocht of de aanvaardbare termijn voor de kinderen is verstreken. 3.8. De GI voert – samengevat – het volgende aan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich goed. Ze hebben thans dagelijks contact met de nieuwe pleegouders en gaan volgende week volledig bij het perspectief biedend pleeggezin wonen. De situatie rondom de moeder en de vader is erg onrustig. Er heeft vorig jaar slechts twee keer (in juli en in december) omgang tussen de ouders en de kinderen kunnen plaatsvinden. Met ingang van dit jaar hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] één keer in de drie weken een videobelmoment met de moeder en de vader. De GI ziet dat de moeder het lastig vindt om interactie met de kinderen aan te gaan. De vader is blij en aanwezig tijdens het videobellen en dat vinden de kinderen fijn om te zien. De GI onderzoekt een uitbreiding van de omgang met fysieke contactmomenten, maar daarbij is zorgvuldigheid geboden. Er is nog steeds veel onrust in de situatie van de ouders.
Volledig
Een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij één van de ouders is op dit moment niet mogelijk. Het besluit ten aanzien van het perspectief dateert van mei 2024. Er is nadien onderzoek gedaan door de raad naar het perspectief van de kinderen en de raad heeft geconcludeerd dat het perspectief van de kinderen niet bij (één van) de ouders ligt. De kinderen hebben een hechtingsrelatie met de pleegouders maar niet met de vader of de moeder. De GI handhaaft het standpunt dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij (één van) de ouders is gelegen. 3.9. De vader voert – samengevat – het volgende aan. Na een (vrijwillige) crisisopname verblijft hij nu eveneens op vrijwillige basis bij [instantie 2] , in een begeleide woonvorm. De vader heeft veel last van de situatie. Het voelt voor hem alsof hij en de moeder geen kans hebben gehad om zelf voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zorgen. 3.10. Volgens de raad moet de focus voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] liggen op de hechtingsrelatie met het nieuwe, perspectief biedende pleeggezin. Het hechtingsproces met de vader en de moeder loopt erg ver achter. De vader en de moeder kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bieden wat het pleeggezin hen wel kan bieden. 3.11. Het hof overweegt het volgende. 3.11.1 De Hoge Raad (HR) heeft in de beschikking van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1112) overwogen dat indien de periode waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling is gegeven ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is verstreken, het hof aan de hand van de aangevoerde grieven dient te beoordelen of de bestreden beslissing terecht is gegeven. Het gaat in dit geval om een zogenoemde rechtmatigheidstoets. De periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verleend, loopt op grond van de bestreden beschikking over de periode van 21 april 2025 tot 21 augustus 2025. Deze termijn is inmiddels verstreken. Gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging tot uithuisplaatsing te laten toetsen. Het hof zal hiertoe overgaan. 3.11.2. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 3.11.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder erkend dat een terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij (één van) de ouders binnen de termijn van de voorliggende machtiging tot uithuisplaatsing niet tot de mogelijkheden behoort. De moeder heeft psychische problematiek en verblijft via een rechterlijke machtiging bij [instantie 1] . De medicatie die nog steeds via een depot moet worden toegediend omdat de moeder deze niet wil innemen heeft nog niet het gewenste effect. Er wordt binnen afzienbare termijn geen verbetering verwacht en de zorgmachtiging wordt naar verwachting verlengd. Terugkeer van de moeder naar haar vorige woning is niet mogelijk omdat de woningbouwvereniging heeft laten weten dat de moeder uit deze woning zal worden gezet in verband met het veroorzaken van voortdurende overlast in de buurt en de vele klachten van de buurtbewoners daarover. De vader heeft eveneens psychische problematiek en verblijft op vrijwillige basis in een begeleide woonvorm bij [instantie 2] . Hij woonde daar ook voordat hij een relatie had met de moeder maar heeft tijdens hun relatie met de moeder in haar woning gewoond. Het contact tussen de ouders en de kinderen is minimaal en gezien wordt dat met name de moeder moeite heeft met het aansluiten bij de kinderen. Er hebben vorig jaar slechts twee omgangsmomenten tussen de ouders en de kinderen kunnen plaatsvinden en met ingang van dit jaar hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alleen één keer per drie weken contact via beeldbellen met de ouders. Voor het hof is gelet op het vorenstaande duidelijk dat de kinderen niet terug konden worden geplaatst bij (één van) de ouders. De advocaat van de moeder heeft toegelicht dat het verzoek van de moeder in hoger beroep gericht is op toetsing van het perspectiefbesluit van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing en dat hij voor het geval dit niet kan het hof verzoekt om een beslissing te nemen over de machtiging tot uithuisplaatsing. Hieruit volgt dat het hoger beroep in de kern is ingesteld om het perspectiefbesluit ter beoordeling te kunnen voorleggen en niet is gericht tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing of een ander dictum. Zoals het hof de advocaat van de moeder heeft voorgehouden tijdens de mondelinge behandeling, is een hoger beroep niet bedoeld om pro forma op te komen tegen de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing, enkel om het perspectief van de kinderen ter beoordeling voor te kunnen leggen, terwijl vaststaat dat de kinderen niet (binnen de termijn van de voorliggende machtiging tot uithuisplaatsing hadden) kunnen terugkeren bij één van de ouders. Het hof wijst in dit verband op de uitspraak van de HR van 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148. Het gaat bij de beoordeling van een hoger beroep tegen een (verlenging van een) machtiging tot uithuisplaatsing in de eerste plaats om de vraag of is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW in dat kader kan de rechter het perspectief beoordelen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van een kind. Gelet op het vorenstaande doet deze situatie zich hier niet voor. De moeder heeft immers geen inhoudelijke grieven aangevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen. 3.11.4. De moeder heeft subsidiair verzocht om een artikel 810a lid 2 Rv onderzoek. Op grond van dat artikel kan de rechter in zaken betreffende kinderbeschermingsmaatregelen, zoals ondertoezichtstelling. uithuisplaatsing of beëindiging van het gezag, een deskundige benoemen, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. 3.11.5. Het hof overweegt dat de rechtbank bij tussenbeschikking van 19 december 2024 de raad heeft verzocht om een onderzoek te verrichten naar het perspectief betreffende de minderjarigen en, naar aanleiding daarvan, te rapporteren en te adviseren. De raad heeft in het kader van dit onderzoek advies ingewonnen bij deskundigen die bij de ouders betrokken zijn. In het rapport van 6 maart 2025 concludeert de raad – kort gezegd – dat de vader en de moeder niet binnen een voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvaardbare termijn hen de noodzakelijke basale zorg, stabiliteit en veiligheid kunnen bieden en dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij de ouders ligt. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen, de situatie waarin zij verkeren en de omstandigheid dat de situatie van de moeder naar eigen zeggen de komende periode niet zal veranderen, verwacht het hof dat een nieuw onderzoek niet kan leiden tot een andere beslissing in onderhavige zaak. Ook het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzet zich hiertegen. Het verzoek om een deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv zal het hof daarom afwijzen. 3.12. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.
Volledig
Een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij één van de ouders is op dit moment niet mogelijk. Het besluit ten aanzien van het perspectief dateert van mei 2024. Er is nadien onderzoek gedaan door de raad naar het perspectief van de kinderen en de raad heeft geconcludeerd dat het perspectief van de kinderen niet bij (één van) de ouders ligt. De kinderen hebben een hechtingsrelatie met de pleegouders maar niet met de vader of de moeder. De GI handhaaft het standpunt dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij (één van) de ouders is gelegen. 3.9. De vader voert – samengevat – het volgende aan. Na een (vrijwillige) crisisopname verblijft hij nu eveneens op vrijwillige basis bij [instantie 2] , in een begeleide woonvorm. De vader heeft veel last van de situatie. Het voelt voor hem alsof hij en de moeder geen kans hebben gehad om zelf voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zorgen. 3.10. Volgens de raad moet de focus voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] liggen op de hechtingsrelatie met het nieuwe, perspectief biedende pleeggezin. Het hechtingsproces met de vader en de moeder loopt erg ver achter. De vader en de moeder kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bieden wat het pleeggezin hen wel kan bieden. 3.11. Het hof overweegt het volgende. 3.11.1 De Hoge Raad (HR) heeft in de beschikking van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1112) overwogen dat indien de periode waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling is gegeven ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is verstreken, het hof aan de hand van de aangevoerde grieven dient te beoordelen of de bestreden beslissing terecht is gegeven. Het gaat in dit geval om een zogenoemde rechtmatigheidstoets. De periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verleend, loopt op grond van de bestreden beschikking over de periode van 21 april 2025 tot 21 augustus 2025. Deze termijn is inmiddels verstreken. Gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging tot uithuisplaatsing te laten toetsen. Het hof zal hiertoe overgaan. 3.11.2. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 3.11.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder erkend dat een terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij (één van) de ouders binnen de termijn van de voorliggende machtiging tot uithuisplaatsing niet tot de mogelijkheden behoort. De moeder heeft psychische problematiek en verblijft via een rechterlijke machtiging bij [instantie 1] . De medicatie die nog steeds via een depot moet worden toegediend omdat de moeder deze niet wil innemen heeft nog niet het gewenste effect. Er wordt binnen afzienbare termijn geen verbetering verwacht en de zorgmachtiging wordt naar verwachting verlengd. Terugkeer van de moeder naar haar vorige woning is niet mogelijk omdat de woningbouwvereniging heeft laten weten dat de moeder uit deze woning zal worden gezet in verband met het veroorzaken van voortdurende overlast in de buurt en de vele klachten van de buurtbewoners daarover. De vader heeft eveneens psychische problematiek en verblijft op vrijwillige basis in een begeleide woonvorm bij [instantie 2] . Hij woonde daar ook voordat hij een relatie had met de moeder maar heeft tijdens hun relatie met de moeder in haar woning gewoond. Het contact tussen de ouders en de kinderen is minimaal en gezien wordt dat met name de moeder moeite heeft met het aansluiten bij de kinderen. Er hebben vorig jaar slechts twee omgangsmomenten tussen de ouders en de kinderen kunnen plaatsvinden en met ingang van dit jaar hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alleen één keer per drie weken contact via beeldbellen met de ouders. Voor het hof is gelet op het vorenstaande duidelijk dat de kinderen niet terug konden worden geplaatst bij (één van) de ouders. De advocaat van de moeder heeft toegelicht dat het verzoek van de moeder in hoger beroep gericht is op toetsing van het perspectiefbesluit van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing en dat hij voor het geval dit niet kan het hof verzoekt om een beslissing te nemen over de machtiging tot uithuisplaatsing. Hieruit volgt dat het hoger beroep in de kern is ingesteld om het perspectiefbesluit ter beoordeling te kunnen voorleggen en niet is gericht tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing of een ander dictum. Zoals het hof de advocaat van de moeder heeft voorgehouden tijdens de mondelinge behandeling, is een hoger beroep niet bedoeld om pro forma op te komen tegen de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing, enkel om het perspectief van de kinderen ter beoordeling voor te kunnen leggen, terwijl vaststaat dat de kinderen niet (binnen de termijn van de voorliggende machtiging tot uithuisplaatsing hadden) kunnen terugkeren bij één van de ouders. Het hof wijst in dit verband op de uitspraak van de HR van 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148. Het gaat bij de beoordeling van een hoger beroep tegen een (verlenging van een) machtiging tot uithuisplaatsing in de eerste plaats om de vraag of is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW in dat kader kan de rechter het perspectief beoordelen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van een kind. Gelet op het vorenstaande doet deze situatie zich hier niet voor. De moeder heeft immers geen inhoudelijke grieven aangevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen. 3.11.4. De moeder heeft subsidiair verzocht om een artikel 810a lid 2 Rv onderzoek. Op grond van dat artikel kan de rechter in zaken betreffende kinderbeschermingsmaatregelen, zoals ondertoezichtstelling. uithuisplaatsing of beëindiging van het gezag, een deskundige benoemen, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. 3.11.5. Het hof overweegt dat de rechtbank bij tussenbeschikking van 19 december 2024 de raad heeft verzocht om een onderzoek te verrichten naar het perspectief betreffende de minderjarigen en, naar aanleiding daarvan, te rapporteren en te adviseren. De raad heeft in het kader van dit onderzoek advies ingewonnen bij deskundigen die bij de ouders betrokken zijn. In het rapport van 6 maart 2025 concludeert de raad – kort gezegd – dat de vader en de moeder niet binnen een voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvaardbare termijn hen de noodzakelijke basale zorg, stabiliteit en veiligheid kunnen bieden en dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij de ouders ligt. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen, de situatie waarin zij verkeren en de omstandigheid dat de situatie van de moeder naar eigen zeggen de komende periode niet zal veranderen, verwacht het hof dat een nieuw onderzoek niet kan leiden tot een andere beslissing in onderhavige zaak. Ook het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzet zich hiertegen. Het verzoek om een deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv zal het hof daarom afwijzen. 3.12. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.