Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-09-04
ECLI:NL:GHSHE:2025:2391
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
7,346 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2391 text/xml public 2026-04-30T12:47:46 2025-09-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-04 200.353.557_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2391 text/html public 2026-04-30T12:47:09 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2391 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-09-2025 / 200.353.557_01 Opheffing bewind. Grond voor een bewind is niet langer aanwezig. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 4 september 2025 Zaaknummer: 200.353.557/01 Zaaknummer eerste aanleg: 10838739 OV VERZ 23-6859 in de zaak in hoger beroep van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. J.E. de Glopper. Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt: [de bewindvoerder] , vennoot van [V.O.F.] V.O.F , gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de bewindvoerder. Deze zaak gaat – in het kort – over het door de rechtbank afgewezen verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 9 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 april 2025, heeft [verzoeker] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het bewind alsnog zal worden opgeheven omdat er geen grond aanwezig is om het bewind te laten voortduren. Kosten rechtens. 2.2. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van [verzoeker] op 7 mei 2025; de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 20 mei 2025; het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van [verzoeker] op 1 juli 2025; de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 2 juli 2025. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [verzoeker] , bijgestaan door mr. De Glopper; de bewindvoerder (via een telefonische verbinding). 3 De beoordeling De feiten 3.1. Bij beschikking van 2 november 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, over de goederen die [verzoeker] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld, met benoeming van [de bewindvoerder] , vennoot van [V.O.F.] V.O.F., tot bewindvoerder. De procedure in eerste aanleg 3.2. [verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht om het bewind op te heffen. 3.3. De bewindvoerder heeft bij brief van 28 december 2023 op het verzoek van [verzoeker] gereageerd en voorgesteld om een zelfredzaamheidstraject te starten. 3.4. Bij brief van 4 januari 2024 heeft [verzoeker] aangegeven het zelfredzaamheidstraject te willen volgen en heeft hij verzocht om zijn verzoek tot opheffing van het bewind gedurende zes maanden aan te houden. 3.5. Op 1 augustus 2024 heeft de bewindvoerder het verslag over het zelfredzaamheidstraject van [verzoeker] bij de kantonrechter ingediend. Op 23 oktober 2024 heeft de bewindvoerder een aanvullende reactie bij de rechtbank ingediend. 3.6. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind afgewezen. De procedure in hoger beroep 3.7. [verzoeker] kan zich met deze beslissing van de kantonrechter niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.8. [verzoeker] voert – zakelijk weergegeven – het volgende aan. De grond voor het bewind is niet langer aanwezig. [verzoeker] betwist dat er destijds sprake was van een lichamelijke dan wel geestelijke toestand. De kantonrechter had in de instellingsbeschikking beter moeten motiveren op welke grond daar dan sprake van zou moeten zijn geweest. Bovendien zijn de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] inmiddels in positieve zin gewijzigd. Er is geen sprake meer van verslavingsproblematiek. Ook heeft [verzoeker] al jaren geen psychologische hulp meer. [verzoeker] is sinds juni 2021 in dienst van [B.V.] B.V.. Hij heeft met het inkomen uit dit dienstverband zijn schulden afgelost. [verzoeker] erkent dat de betalingen gedurende het zelfredzaamheidstraject tot 1 augustus 2024 niet allemaal vlekkeloos zijn verlopen, maar die fouten zijn inmiddels hersteld. Sinds 1 augustus 2024 heeft zich slechts één vergissing in de betaling van de rekeningen voorgedaan, terwijl [verzoeker] zelf zijn rekeningen is blijven voldoen. Dit heeft de kantonrechter onvoldoende in zijn oordeel betrokken. Het klopt dat [verzoeker] vorig jaar extra gelden heeft gevraagd voor de bekostiging van zijn huwelijk in Libië en voor zijn huwelijksreis. Ook stuurt [verzoeker] geld naar zijn echtgenote en naar zijn zus in Libië; dit is gebruikelijk binnen zijn cultuur. Hij heeft hier ook voldoende financiële middelen voor. [verzoeker] begrijpt dat hij een spaarpotje ‘achter de hand moet houden’. [verzoeker] vindt dat hij in staat moet worden gesteld om zelf zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Hij heeft inzicht in zijn inkomsten, uitgaven en vaste lasten. Ook beschikt [verzoeker] over een netwerk (de buurvrouw en vrienden) die hem kunnen helpen en die hij vertrouwt. De werkgever van [verzoeker] en personen uit het netwerk van [verzoeker] hebben bij de bewindvoerder verzoeken om extra gelden voor zijn huwelijk ingediend, omdat de bewindvoerder die verzoeken eerder aan [verzoeker] had geweigerd. Er bestaat nu wrijving tussen de bewindvoerder en [verzoeker] omdat het bewind gehandhaafd blijft, terwijl het bewind niet langer meer noodzakelijk is. [verzoeker] heeft – desgevraagd – verklaard dat hij, in geval van opheffing van het bewind, zou kunnen instemmen met de inschakelen van een professional via de gemeente of via maatschappelijk werk. 3.9. De bewindvoerder voert – zakelijk weergegeven – het volgende aan. Het klopt dat de schulden van [verzoeker] inmiddels zijn afgelost. Het is echter nog steeds noodzakelijk om het bewind voort te zetten vanwege aanhoudende problemen op het gebied van zelfredzaamheid. [verzoeker] beschikt over een beperkt niveau van de Nederlandse taal, wat leidt tot frequente fouten in de uitvoering van het zelfredzaamheidstraject. Ook in de periode van 1 augustus 2024 tot 9 januari 2025 heeft [verzoeker] nog fouten gemaakt bij de betaling van zijn rekeningen. Hij kiest dan de verkeerde crediteuren- of rekeningnummers. Op dit gebied heeft [verzoeker] – ondanks de coaching door de bewindvoerder – geen ontwikkeling doorgemaakt. [verzoeker] geeft weliswaar aan dat zijn omgeving hem kan helpen, maar de bewindvoerder maakt zich daar wel zorgen over. Zo doen personen uit het netwerk van [verzoeker] ook verzoeken aan de bewindvoerder om extra gelden aan [verzoeker] uit te betalen. Het netwerk houdt vooral rekening met het persoonlijke belang van [verzoeker] in plaats van met het financiële belang van [verzoeker] . Het is niet zo dat het netwerk misbruik maakt van [verzoeker] . Inmiddels is het zelfredzaamheidstraject formeel beëindigd. Dat betekent dat [verzoeker] geen rechten meer heeft om zelf zijn rekeningen te betalen. Bovendien vertoont [verzoeker] nog steeds tekenen van verkwisting. [verzoeker] verzoekt regelmatig om extra gelden naast zijn leefgeld (vanaf 30 april 2025 gaat het om een totaalbedrag van € 4.240,-) . Ook heeft [verzoeker] in 2024 zonder overleg twee maanden onbetaald verlof opgenomen. [verzoeker] houdt na de betaling van zijn vaste lasten € 1.000,- per maand over van zijn salaris; hiervan wordt een bedrag van € 250,- per maand gereserveerd voor onvoorziene uitgaven. Het banksaldo van [verzoeker] bedraagt nu € 5.500,-, maar had veel hoger kunnen zijn. De bewindvoerder vreest dat [verzoeker] zonder het bewind opnieuw financiële problemen krijgt. De motivering van de beslissing 3.10. Het hof overweegt het volgende. Het wettelijk kader 3.10.1.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:2391 text/xml public 2026-04-30T12:47:46 2025-09-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-04 200.353.557_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2391 text/html public 2026-04-30T12:47:09 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2391 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-09-2025 / 200.353.557_01 Opheffing bewind. Grond voor een bewind is niet langer aanwezig. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 4 september 2025 Zaaknummer: 200.353.557/01 Zaaknummer eerste aanleg: 10838739 OV VERZ 23-6859 in de zaak in hoger beroep van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. J.E. de Glopper. Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt: [de bewindvoerder] , vennoot van [V.O.F.] V.O.F , gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de bewindvoerder. Deze zaak gaat – in het kort – over het door de rechtbank afgewezen verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 9 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 april 2025, heeft [verzoeker] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het bewind alsnog zal worden opgeheven omdat er geen grond aanwezig is om het bewind te laten voortduren. Kosten rechtens. 2.2. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van [verzoeker] op 7 mei 2025; de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 20 mei 2025; het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van [verzoeker] op 1 juli 2025; de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 2 juli 2025. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [verzoeker] , bijgestaan door mr. De Glopper; de bewindvoerder (via een telefonische verbinding). 3 De beoordeling De feiten 3.1. Bij beschikking van 2 november 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, over de goederen die [verzoeker] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld, met benoeming van [de bewindvoerder] , vennoot van [V.O.F.] V.O.F., tot bewindvoerder. De procedure in eerste aanleg 3.2. [verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht om het bewind op te heffen. 3.3. De bewindvoerder heeft bij brief van 28 december 2023 op het verzoek van [verzoeker] gereageerd en voorgesteld om een zelfredzaamheidstraject te starten. 3.4. Bij brief van 4 januari 2024 heeft [verzoeker] aangegeven het zelfredzaamheidstraject te willen volgen en heeft hij verzocht om zijn verzoek tot opheffing van het bewind gedurende zes maanden aan te houden. 3.5. Op 1 augustus 2024 heeft de bewindvoerder het verslag over het zelfredzaamheidstraject van [verzoeker] bij de kantonrechter ingediend. Op 23 oktober 2024 heeft de bewindvoerder een aanvullende reactie bij de rechtbank ingediend. 3.6. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind afgewezen. De procedure in hoger beroep 3.7. [verzoeker] kan zich met deze beslissing van de kantonrechter niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De standpunten 3.8. [verzoeker] voert – zakelijk weergegeven – het volgende aan. De grond voor het bewind is niet langer aanwezig. [verzoeker] betwist dat er destijds sprake was van een lichamelijke dan wel geestelijke toestand. De kantonrechter had in de instellingsbeschikking beter moeten motiveren op welke grond daar dan sprake van zou moeten zijn geweest. Bovendien zijn de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] inmiddels in positieve zin gewijzigd. Er is geen sprake meer van verslavingsproblematiek. Ook heeft [verzoeker] al jaren geen psychologische hulp meer. [verzoeker] is sinds juni 2021 in dienst van [B.V.] B.V.. Hij heeft met het inkomen uit dit dienstverband zijn schulden afgelost. [verzoeker] erkent dat de betalingen gedurende het zelfredzaamheidstraject tot 1 augustus 2024 niet allemaal vlekkeloos zijn verlopen, maar die fouten zijn inmiddels hersteld. Sinds 1 augustus 2024 heeft zich slechts één vergissing in de betaling van de rekeningen voorgedaan, terwijl [verzoeker] zelf zijn rekeningen is blijven voldoen. Dit heeft de kantonrechter onvoldoende in zijn oordeel betrokken. Het klopt dat [verzoeker] vorig jaar extra gelden heeft gevraagd voor de bekostiging van zijn huwelijk in Libië en voor zijn huwelijksreis. Ook stuurt [verzoeker] geld naar zijn echtgenote en naar zijn zus in Libië; dit is gebruikelijk binnen zijn cultuur. Hij heeft hier ook voldoende financiële middelen voor. [verzoeker] begrijpt dat hij een spaarpotje ‘achter de hand moet houden’. [verzoeker] vindt dat hij in staat moet worden gesteld om zelf zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Hij heeft inzicht in zijn inkomsten, uitgaven en vaste lasten. Ook beschikt [verzoeker] over een netwerk (de buurvrouw en vrienden) die hem kunnen helpen en die hij vertrouwt. De werkgever van [verzoeker] en personen uit het netwerk van [verzoeker] hebben bij de bewindvoerder verzoeken om extra gelden voor zijn huwelijk ingediend, omdat de bewindvoerder die verzoeken eerder aan [verzoeker] had geweigerd. Er bestaat nu wrijving tussen de bewindvoerder en [verzoeker] omdat het bewind gehandhaafd blijft, terwijl het bewind niet langer meer noodzakelijk is. [verzoeker] heeft – desgevraagd – verklaard dat hij, in geval van opheffing van het bewind, zou kunnen instemmen met de inschakelen van een professional via de gemeente of via maatschappelijk werk. 3.9. De bewindvoerder voert – zakelijk weergegeven – het volgende aan. Het klopt dat de schulden van [verzoeker] inmiddels zijn afgelost. Het is echter nog steeds noodzakelijk om het bewind voort te zetten vanwege aanhoudende problemen op het gebied van zelfredzaamheid. [verzoeker] beschikt over een beperkt niveau van de Nederlandse taal, wat leidt tot frequente fouten in de uitvoering van het zelfredzaamheidstraject. Ook in de periode van 1 augustus 2024 tot 9 januari 2025 heeft [verzoeker] nog fouten gemaakt bij de betaling van zijn rekeningen. Hij kiest dan de verkeerde crediteuren- of rekeningnummers. Op dit gebied heeft [verzoeker] – ondanks de coaching door de bewindvoerder – geen ontwikkeling doorgemaakt. [verzoeker] geeft weliswaar aan dat zijn omgeving hem kan helpen, maar de bewindvoerder maakt zich daar wel zorgen over. Zo doen personen uit het netwerk van [verzoeker] ook verzoeken aan de bewindvoerder om extra gelden aan [verzoeker] uit te betalen. Het netwerk houdt vooral rekening met het persoonlijke belang van [verzoeker] in plaats van met het financiële belang van [verzoeker] . Het is niet zo dat het netwerk misbruik maakt van [verzoeker] . Inmiddels is het zelfredzaamheidstraject formeel beëindigd. Dat betekent dat [verzoeker] geen rechten meer heeft om zelf zijn rekeningen te betalen. Bovendien vertoont [verzoeker] nog steeds tekenen van verkwisting. [verzoeker] verzoekt regelmatig om extra gelden naast zijn leefgeld (vanaf 30 april 2025 gaat het om een totaalbedrag van € 4.240,-) . Ook heeft [verzoeker] in 2024 zonder overleg twee maanden onbetaald verlof opgenomen. [verzoeker] houdt na de betaling van zijn vaste lasten € 1.000,- per maand over van zijn salaris; hiervan wordt een bedrag van € 250,- per maand gereserveerd voor onvoorziene uitgaven. Het banksaldo van [verzoeker] bedraagt nu € 5.500,-, maar had veel hoger kunnen zijn. De bewindvoerder vreest dat [verzoeker] zonder het bewind opnieuw financiële problemen krijgt. De motivering van de beslissing 3.10. Het hof overweegt het volgende. Het wettelijk kader 3.10.1.
Volledig
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren: voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden. 3.10.2. Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve. 3.10.3. De kantonrechter heeft op 2 november 2018 het bewind over de goederen van [verzoeker] uitgesproken omdat hij ten gevolge van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat was om zelf ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Ook was sprake van problematische schulden. Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat [verzoeker] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de grond voor het bewind inmiddels is komen te vervallen. De bewindvoerder heeft weliswaar gesteld dat – ondanks dat de schulden van [verzoeker] inmiddels zijn afgelost – de voortzetting van het bewind nog steeds noodzakelijk is, maar deze stelling heeft [verzoeker] gemotiveerd weersproken. Zo heeft [verzoeker] onweersproken verklaard dat hij al jaren geen psychologische hulp meer ontvangt, dat er geen sprake meer is van verslavingsproblematiek en dat hij al jarenlang een vaste baan met een goed inkomen heeft. Wel is gebleken dat [verzoeker] soms moeite heeft met de Nederlandse taal en dat er mede daardoor soms zaken misgaan bij het betalen van rekeningen. Zo heeft [verzoeker] zich enkele keren vergist in rekening en/of factuurnummers. Dit levert naar het oordeel van het hof echter geen grond op voor de instandhouding van het bewind. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [verzoeker] over een netwerk beschikt dat hem bij het betalen van rekeningen en bij andere praktische zaken kan en wil helpen. De door de bewindvoerder over dit netwerk geuite zorgen, zal het hof passeren. Hoewel dit netwerk – namens [verzoeker] – de bewindvoerder om extra gelden heeft verzocht, is er geen sprake van misbruik of het uitoefenen van druk door derden op [verzoeker] . De bewindvoerder heeft dit ook erkend. Gebleken is dat het netwerk [verzoeker] alleen heeft willen helpen nadat de bewindvoerder de verzoeken om extra gelden van [verzoeker] voor zijn huwelijk in Libië had afgewezen. Daarbij komt dat [verzoeker] zich tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook bereid heeft verklaard om – wanneer hij problemen ervaart – de hulp van een professional zoals de gemeente of maatschappelijk werk in te schakelen, om hem te ondersteunen. Het hof verwijst naar de website [website] , ter zake de mogelijkheden daarvoor binnen de gemeente [gemeente] . Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat nog langer sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van [verzoeker] dat een bewind nog steeds noodzakelijk is. 3.10.4. Voor zover de bewindvoerder nog heeft aangevoerd dat het uitgavenpatroon van [verzoeker] maakt dat er sprake is van verkwisting, kan dat niet tot een ander oordeel leiden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de extra geldverzoeken van [verzoeker] hoofdzakelijk zijn terug te voeren op het huwelijk en de huwelijksreis van [verzoeker] in 2024. Verder biedt [verzoeker] zijn echtgenote en familie in Libië financiële ondersteuning, wat binnen zijn cultuur gebruikelijk is. Daarbij komt dat de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat [verzoeker] na de betaling van zijn vaste lasten € 1.000,- per maand van zijn salaris overhoudt, waarvan een bedrag van € 250,- per maand wordt gereserveerd voor onvoorziene uitgaven. Verder heeft de bewindvoerder verklaard dat [verzoeker] op dit moment een banksaldo heeft van € 5.500,- en heeft [verzoeker] verklaard dat hij begrijpt dat hij een spaarpotje ‘achter de hand moet houden’. Genoemde feiten en omstandigheden maken dat – naar het oordeel van het hof – van verkwisting geen sprake is. De grief van [verzoeker] slaagt derhalve. De slotsom 3.11. Het hof zal, op grond van het voorgaande, de beschikking waarvan beroep vernietigen en beslissen als hierna onder 4 vermeld. Aantekening in het Centraal Curatele- en bewindregister 3.12. Het hof zal hierna voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister. Proceskosten 3.13. Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. 4 De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 9 januari 2025; en opnieuw rechtdoende: wijst het inleidend verzoek van [verzoeker] om het bewind op te heffen, alsnog toe; heft op, met ingang van 1 oktober 2025 , het bewind over de goederen van [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986; bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden nadat het bewind is opgeheven de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een - zo mogelijk door hem voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, overlegt; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.C. Dumoulin en S.P.A. Wensink-Vergunst en is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren: voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden. 3.10.2. Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve. 3.10.3. De kantonrechter heeft op 2 november 2018 het bewind over de goederen van [verzoeker] uitgesproken omdat hij ten gevolge van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat was om zelf ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Ook was sprake van problematische schulden. Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat [verzoeker] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de grond voor het bewind inmiddels is komen te vervallen. De bewindvoerder heeft weliswaar gesteld dat – ondanks dat de schulden van [verzoeker] inmiddels zijn afgelost – de voortzetting van het bewind nog steeds noodzakelijk is, maar deze stelling heeft [verzoeker] gemotiveerd weersproken. Zo heeft [verzoeker] onweersproken verklaard dat hij al jaren geen psychologische hulp meer ontvangt, dat er geen sprake meer is van verslavingsproblematiek en dat hij al jarenlang een vaste baan met een goed inkomen heeft. Wel is gebleken dat [verzoeker] soms moeite heeft met de Nederlandse taal en dat er mede daardoor soms zaken misgaan bij het betalen van rekeningen. Zo heeft [verzoeker] zich enkele keren vergist in rekening en/of factuurnummers. Dit levert naar het oordeel van het hof echter geen grond op voor de instandhouding van het bewind. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [verzoeker] over een netwerk beschikt dat hem bij het betalen van rekeningen en bij andere praktische zaken kan en wil helpen. De door de bewindvoerder over dit netwerk geuite zorgen, zal het hof passeren. Hoewel dit netwerk – namens [verzoeker] – de bewindvoerder om extra gelden heeft verzocht, is er geen sprake van misbruik of het uitoefenen van druk door derden op [verzoeker] . De bewindvoerder heeft dit ook erkend. Gebleken is dat het netwerk [verzoeker] alleen heeft willen helpen nadat de bewindvoerder de verzoeken om extra gelden van [verzoeker] voor zijn huwelijk in Libië had afgewezen. Daarbij komt dat [verzoeker] zich tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook bereid heeft verklaard om – wanneer hij problemen ervaart – de hulp van een professional zoals de gemeente of maatschappelijk werk in te schakelen, om hem te ondersteunen. Het hof verwijst naar de website [website] , ter zake de mogelijkheden daarvoor binnen de gemeente [gemeente] . Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat nog langer sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van [verzoeker] dat een bewind nog steeds noodzakelijk is. 3.10.4. Voor zover de bewindvoerder nog heeft aangevoerd dat het uitgavenpatroon van [verzoeker] maakt dat er sprake is van verkwisting, kan dat niet tot een ander oordeel leiden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de extra geldverzoeken van [verzoeker] hoofdzakelijk zijn terug te voeren op het huwelijk en de huwelijksreis van [verzoeker] in 2024. Verder biedt [verzoeker] zijn echtgenote en familie in Libië financiële ondersteuning, wat binnen zijn cultuur gebruikelijk is. Daarbij komt dat de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat [verzoeker] na de betaling van zijn vaste lasten € 1.000,- per maand van zijn salaris overhoudt, waarvan een bedrag van € 250,- per maand wordt gereserveerd voor onvoorziene uitgaven. Verder heeft de bewindvoerder verklaard dat [verzoeker] op dit moment een banksaldo heeft van € 5.500,- en heeft [verzoeker] verklaard dat hij begrijpt dat hij een spaarpotje ‘achter de hand moet houden’. Genoemde feiten en omstandigheden maken dat – naar het oordeel van het hof – van verkwisting geen sprake is. De grief van [verzoeker] slaagt derhalve. De slotsom 3.11. Het hof zal, op grond van het voorgaande, de beschikking waarvan beroep vernietigen en beslissen als hierna onder 4 vermeld. Aantekening in het Centraal Curatele- en bewindregister 3.12. Het hof zal hierna voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister. Proceskosten 3.13. Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. 4 De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 9 januari 2025; en opnieuw rechtdoende: wijst het inleidend verzoek van [verzoeker] om het bewind op te heffen, alsnog toe; heft op, met ingang van 1 oktober 2025 , het bewind over de goederen van [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986; bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden nadat het bewind is opgeheven de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een - zo mogelijk door hem voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, overlegt; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.C. Dumoulin en S.P.A. Wensink-Vergunst en is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.