Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-02
ECLI:NL:GHSHE:2025:2380
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.343.203/01 arrest van 2 september 2025 in de zaak van Nationale Maatschappij tot Restaureren & Herbestemmen van Cultureel Erfgoed B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als BOEI, advocaat: mr. S. Hartog te Alkmaar, tegen RWE Generation NL B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als RWE, advocaat: mr. A.J. Schurink te Amsterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 2 april 2024, als hersteld bij exploot van 1 juli 2024, ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 januari 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen BOEI als eiseres en RWE als gedaagde. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/385571/ HA ZA 22-499) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep, met productie H1; het herstelexploot; de memorie van grieven, met producties H2 en H3; de memorie van antwoord, met productie 9; de mondelinge behandeling op 23 juni 2025, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de bij H12-formulier van 12 juni 2025 door BOEI toegezonden producties H4 tot en met H8, die zij bij de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3 De beoordeling Feiten 3.1. In rov. 2.1 tot en met 2.9 van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank feiten vastgesteld. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling. Het hof zal deze feiten hierna, vernummerd tot rov. 3.1.1 tot en met 3.1.8 en 3.1.11 weergeven en hier nog twee nieuwe feiten in rov. 3.1.9 en 3.1.10 aan toevoegen. 3.1.1. BOEI heeft in 2011 van Essent, de rechtsvoorganger van RWE, een voormalige energiecentrale gekocht: de Dongecentrale in Geertruidenberg (hierna: de “centrale”). 3.1.2. In 2010 heeft BOEI in opdracht van RWE onderzoek gedaan naar de herbestemmingsmogelijkheden van de centrale. BOEI was op dat moment nog niet als koper in beeld. In het rapport van 4 juni 2010 van BOEI (pag. 15) is onder andere als aandachtspunt benoemd: “ Een aantal zaken is nog niet onderzocht (constructie, bodem, asbest, sloop(=kosten)). Wij adviseren deze aspecten onderzoek in een vervolgtraject in beeld te brengen. Voor asbestsanering en aanpassingen in de constructie zijn op basis van ervaring wel stelposten opgenomen in de begroting. ” 3.1.3. Op 27 december 2011 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten waarbij de centrale voor € 1,- is verkocht aan BOEI. De centrale omvat meerdere gebouwen en 16.661 m2 grond. Voorafgaand aan de koopovereenkomst is een ‘Heads of Terms’ overeengekomen, die door RWE op 25 oktober 2011 is getekend en door BOEI op 21 september 2011. Daarin is, voor zover relevant, opgenomen: “ 9. Asbest Ten aanzien van een mogelijke sanering van asbest, aanwezig in de panden die Essent verkoopt aan BOEI, hanteren zowel Essent als BOEI de volgende drie uitgangspunten: a. er wordt uitgegaan van feitelijk/huidig gebruik; b. kosten voor een eventuele sanering van asbest kan alleen betrekking hebben op asbest dat direct waarneembaar is én tevens bij feitelijk en huidig gebruik van het pand zou kunnen leiden tot persoonlijk letsel/risico; c. verwijdering van asbest kan/mag nooit leiden tot sloop van het gebouw of delen daarvan. | In opdracht van BOEI heeft bureau SEARCH een asbest inventarisatie uitgevoerd van de Dongecentrale. Bureau SEARCH heeft becijferd (overzicht dd. 9 juni 2011) dat de kosten van sanering van alle spoedeisende zaken in de Dongecentrale € 237.000 (...) bedraagt. Essent is bereid om BOEI voor dit zelfde bedrag te compenseren op voorwaarde dat BOEI alle panden overneemt van Essent en aanvaardt “in de huidige staat” en dat het risico, verantwoordelijkheid en aansprakelijk 14.4 Verkoper levert het Verkochte aan Koper inclusief aanwezige nucliden, een en ander zoals beschreven in de bij Partijen genoegzaam bekende brief van Verkoper aan Koper van 4 mei 2011. Koper aanvaardt de aanwezige nucliden. Verkoper verklaart bereid te zijn om jaarlijks, voor het laatst in 2017, op haar kosten controles en metingen naar de aanwezigheid van nucliden uit te voeren. ” 3.1.5. Sanitas en RPS hebben onderzoek gedaan naar het in de centrale aanwezige asbest en hierover op 6 april, 21 april en 19 mei 2011 gerapporteerd. Als aanleiding vermeldt RPS in haar rapport van 19 mei 2011 (pag. 14): “ De aanleiding tot de asbestinventarisatie is dat ten behoeve van de renovatie van de onderzochte gebouwen een sloopvergunning vereist is. Ten behoeve van deze aanvraag dient een asbestinventarisatie rapport overlegd te worden. Indien uit de uitgevoerde asbestinventarisatie blijkt dat bepaalde ruimten niet toegankelijk zijn, wordt geadviseerd een aanvullende asbestinventarisatie type A te laten uitvoeren. Indien uit de uitgevoerde asbestinventarisatie blijkt dat bepaalde locaties niet zonder destructief onderzoek te inventariseren zijn en er een vermoeden op de aanwezigheid van asbest op deze locaties is, verplicht de vergunningverlener in de sloopvergunning tot een aanvullende asbestinventarisatie type B. ” 3.1.6. Uit het rapport van RPS blijkt dat de inventarisatie ziet op direct waarneembaar asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructiedelen in een bouwwerk of object. Uit het onderzoek blijkt dat er diverse asbesthoudende en asbestverdachte materialen aanwezig zijn in de centrale. Het onderzoek omvat niét de inventarisatie van niet-direct waarneembaar asbest. Onder andere het dak van de centrale is niet onderzocht. Verder is een aantal locaties niet onderzocht, omdat destructief onderzoek niet mogelijk was. Voor die locaties bestaat wel het vermoeden dat er asbest aanwezig is. Dit zijn onder andere ruimten achter vaste wand-, vloer- en plafonddelen en de technische installaties (inwendig). 3.1.7. Zoals uit de head of terms en de koopovereenkomst blijkt heeft bureau SEARCH de kosten voor het verwijderen van de spoedeisende zaken in kaart gebracht en hierover gerapporteerd op 9 juni 2011. Op 1 juni 2011 schrijft BOEI aan bureau SEARCH: “ Afspraak is dat Essent de voor de huidige bestemming noodzakelijk asbestsanering doet en wij de asbestsanering voor nieuw functie. ” 3.1.8. In 2014 hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt ten aanzien van de nucliden. In de brief van 30 april 2014 van RWE aan BOEI is opgenomen (hierna: de “Afsprakenbrief’): “(…) De radioactiviteit betreft een besmetting met Cesium 137. De stralingsintensiteit hiervan neemt geleidelijk af waardoor medio 2016 deze naar verwachting onder norm van het Besluit Stralingsbescherming komt. Tot dat moment is de bestemming vergunningplichtig. Behalve de aanwezigheid van de radioactiviteit is ook de aanwezigheid van asbest bij u bekend. Aanwezigheid van asbest in oude bedrijfsgebouwen komt veelvuldig voor. Het verwijderen en afvoeren hiervan beschouwen wij als behorend tot het 'normaal’ bedrijfsrisico van BOEi. Wij vinden dat deze redenering echter niet opgaat voor de besmetting met Cesium 137. Wij blijven dit beschouwen als onze verantwoordelijkheid en zullen alle extra kosten voor onze rekening nemen met betrekking tot overschrijving van de vergunning, de ontmanteling en het afvoeren van het radioactief materiaal. Ook de uit de vergunning voortkomende verplichtingen zullen voor de resterende looptijd door ons worden uitgevoerd. Omdat BOEi eigenaar is van gebouw en installaties, is en blijft BOEi hiervoor wettelijk aansprakelijk. Resumerend is het volgende afgesproken: (...) Afvoer radioactief materiaal De verwijdering en afvoer van het radioactief besmet materiaal geschiedt niet eerder dan het moment dat de bron onder de norm van het Besluit Stralingsbescherming komt en niet langer vergunningplichtig is, tenzij het Agentscha Zij heeft bij haar dagvaarding in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van RWE in de kosten van de procedure. 3.3.2. RWE heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van BOEI in de kosten van de procedure. 3.3.3. RWE heeft expliciet aangegeven geen appel in te stellen ter zake haar vordering ten aanzien van olieleidingen. Het hof gaat er daarom vanuit dat het niet hoeft te beslissen op deze vordering. Het vonnis waarvan beroep is in zoverre dus niet aan de orde in hoger beroep. Plan van aanpak 3.4.1. Zoals hiervoor is aangegeven, heeft BOEI in haar memorie van grieven niet al haar grieven genummerd. RWE heeft de niet-genummerde grieven zelf genummerd in haar memorie van antwoord. Het hof gaat van die nummering van RWE uit. Dit betekent dat er zes grieven zijn, genummerd 1, 2, 4, 5, 6 en 7 (omdat een grief 3 in de memorie van grieven ontbreekt). 3.4.2. Grief 1 is een algemene grief die gericht is tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van tekortkomingen aan de zijde van RWE. Grief 2 heeft specifiek betrekking op overwegingen van de rechtbank met betrekking tot asbest, en grief 4 op die met betrekking tot nucliden. Grief 5 gaat over de haloninstallatie. De rechtbank heeft het beroep van BOEI op dwaling verworpen. Daartegen komt BOEI expliciet op met grief 6. Grief 7 betreft een veeggrief. 3.4.3. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen, als volgt. Aan de vorderingen van BOEI ligt de stelling ten grondslag dat RWE tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen, althans dat er sprake is van dwaling. Het hof zal hierna per deelonderwerp – asbest, nucliden – bespreken of er sprake is van tekortschieten dan wel dwaling. Tot slot komt het standpunt van BOEI dat RWE is tekortgeschoten in haar verplichting om de haloninstallatie te verwijderen aan de orde. Asbest 3.5.1. Zoals hiervoor is overwogen, heeft grief 2 van BOEI specifiek betrekking op overwegingen van de rechtbank met betrekking tot asbest. Het betreft rov. 2.23 tot en met 2.26 van het vonnis waarvan beroep. In die overwegingen komt de rechtbank komt op basis van de koopovereenkomst tot het oordeel dat de centrale geschikt was voor het beoogde gebruik. Van non-conformiteit is geen sprake, aldus de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat een schending van de mededelingsplicht door RWE is niet komen vast te staan. 3.5.2. BOEI heeft haar standpunt ten aanzien van asbest als volgt samengevat. Tijdens werkzaamheden aan de ketel, welke uitgevoerd werden in opdracht van RWE om te voldoen aan haar verplichting om het radioactief materiaal uit het gekochte te verwijderen, bleek dat er sprake was van een buitensporige hoeveelheid asbest, waar in de onderzoeken geen rekening mee gehouden was. Hierdoor heeft de installatie niet de eigenschappen die het voor het overeengekomen gebruik nodig heeft, te weten cultuur, horeca, leisure en entertainment. Daarvoor is namelijk nodig dat alle installaties verwijderd worden, hetgeen nu niet mogelijk is, althans niet zonder geconfronteerd te worden met buitensporig hoge kosten (non-conformiteit). Uit nadere verklaringen van een medewerker van RWE, zijnde een senior boiler ingenieur (hof: BOEI doelt hiermee op [persoon A] ), bleek dat RWE voorafgaand aan de koop op de hoogte was van deze buitensporige hoeveelheid asbestbronnen en hier geen mededelingen over gedaan heeft naar BOEI. Hiermee heeft RWE niet voldaan aan haar mededelingsplicht, waardoor sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van RWE en BOEI heeft gedwaald over deze hoeveelheid asbest. Aldus – steeds – BOEI. 3.5.3. Het hof stelt voorop dat de vraag of RWE tekortgeschoten is in de nakoming van de koopovereenkomst, in het bijzonder of de centrale non-conform was, dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 7:17 BW. Op grond van artikel 7:17 BW moet d BOEI stelt dat er sprake is van een buitensporige hoeveelheid asbest in de centrale die zeer lastig te verwijderen is met een hoge risico-kwalificatie. Daargelaten dat BOEI dit onvoldoende concreet heeft onderbouwd, zodat dit niet als vaststaand kan worden aangenomen, geldt het volgende. Partijen hebben in de koopovereenkomst wegens de aanwezige asbest een (risico)verdeling afgesproken. RWE zou BOEI compenseren voor, kort gezegd, de direct waarneembare asbest, met het oog op asbest-veiligheid. Met asbest-veilig werd niet bedoeld dat de installatie asbestvrij zou worden geleverd, maar enkel dat bij het feitelijk en huidig gebruik -dus het gebruik ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst- geen gevaar voor de mens zou bestaan naar aanleiding van direct contact met asbest. Dit heeft zij ook gedaan. Daartegenover stond dat de risico’s en kosten in verband met de resterende asbest voor rekening van BOEI zouden komen. Voor zover BOEI van opvatting is dat dit niet geldt als er na de koop een buitensporige hoeveelheid asbest zou worden aangetroffen, vindt die opvatting geen steun in de bewoordingen van de overeenkomst tussen partijen, noch anderszins. 3.5.11. RWE heeft naar voren gebracht dat de commerciële logica van de transactie voor haar was dat zij het boek kon sluiten. RWE was bereid om de centrale – vastgoed van aanzienlijke omvang op een perceel van meer dan 16.000 m2 – tegen een prijs van 1 euro te verkopen en BOEI te compenseren voor de aanwezigheid van asbest (door betaling van € 237.000,- conform de kostenraming van bureau Search van 9 juni 2011). Daar stond voor haar tegenover dat BOEI bepaalde risico’s zou accepteren. Daarom is ook genoemde (risico)verdeling in verband met asbest tot stand gekomen. BOEI heeft een en ander niet althans niet voldoende bestreden. Zij heeft alleen aangegeven dat RWE door de verkoop van de centrale ook aanzienlijke ontmantelingskosten heeft bespaard. Daarop heeft RWE gereageerd door te stellen als zij gesaneerd had, zij een heel waardevol stuk land had gehad dat zij had kunnen verkopen. Hoe dit verder ook zij, het hof volgt RWE in haar visie dat het de intentie van partijen was bij de overeenkomst, in het bijzonder van de bepalingen over risico’s en kosten, dat partijen na uitvoering daarvan van elkaar af zouden zijn, en dat RWE dus ook niet geconfronteerd zou kunnen worden met nagekomen claims van BOEI, onder meer in verband met de aanwezigheid van asbest, zoals in deze procedure nu wel het geval is. 3.5.12. Naar het oordeel van het hof had BOEI dit bij het sluiten van de koopovereenkomst redelijkerwijs moeten begrijpen. Bij de uitleg van de door partijen gemaakte afspraken, heeft het hof tevens gelet op de hoedanigheid van partijen. Beide partijen hebben te gelden als professionele partijen. Dat de organisatie van BOEI indertijd, rond 2010 en 2011, kleiner was dan nu, maakt het voorgaande niet wezenlijk anders. 3.5.13. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof de ruimte voor BOEI om zich erop te beroepen dat de centrale non-conform is en dat zij gedwaald heeft relatief beperkt. Daar is mede in aanmerking genomen dat het in deze zaak gaat om de koop van een voormalige energiecentrale, waarbij bekend is dat daarin asbest aanwezig is en dit voorafgaand aan de koop ook expliciet voorwerp van onderzoek en besprekingen tussen partijen is geweest. Het hof heeft niettemin onder ogen gezien dat wel sprake kan zijn van non-conformiteit/dwaling, in het bijzonder als RWE haar mededelingsplicht jegens BOEI heeft geschonden. 3.5.14. Zoals hiervoor is overwogen, gaat BOEI ervan uit dat RWE de centrale zelf heeft ontworpen, gebouwd en intensief heeft onderhouden en suggereert daarmee dat RWE uit dien hoofde specifieke kennis had of geacht werd te hebben over alle soorten aanwezige asbest. RWE heeft dat echter in een ander licht geplaatst door uit te leggen dat RWE weliswaar opdracht heeft gegeven voor de bouw maar dit soort projecten niet zelf uitvoert maar aanbesteedt a Er was zoals gezegd geen enkele indicatie voor RWE dat deze relevant zou zijn. Beide partijen wisten dat er meer asbest aanwezig was en partijen hadden specifieke afspraken gemaakt omtrent de aanwezigheid van asbest en de verwijdering daarvan, zoals hiervoor is weergegeven. Ook heeft er asbestonderzoek plaatsgevonden. Dat RWE in het kader van dat onderzoek informatie heeft achtergehouden, is gesteld noch gebleken. Van schending van de in de koopovereenkomst opgenomen informatieplichten door RWE, waaronder het bepaalde in artikel 10, is dan ook niet gebleken. Daarnaast kan het hof op grond van de ter beschikking staande gegevens niet vaststellen dat de asbest die is vermeld in fragmenten uit productie 46 en 44 waarnaar BOEI verwijst bijzonder problematisch is. Niet aangenomen kan daarom worden dat als BOEI voorafgaand aan de koop beschikt had over de ontwerpdocumentatie en daarmee meer kennis had gehad over de aanwezigheid van asbest, zij de koopovereenkomst niet gesloten zou hebben, althans niet onder dezelfde voorwaarden. Aldus ontbreekt ook het ingevolge artikel 6:228 BW voor een geslaagd beroep op dwaling vereiste causaal verband. Tot slot heeft RWE haar betwisting dat de aanwezige asbest een probleem vormde, gemotiveerd en gedocumenteerd. Zij heeft aangegeven dat zij terug is gegaan naar werkorders om te kijken of er in de periode van 2005 tot 2010 aanwijzingen bestonden voor specifieke asbestbronnen. Dat is volgens RWE niet het geval. Ter illustratie heeft RWE een voorbeeld van zo’n werkorder overgelegd (productie 9). 3.5.18. In het licht van het voorgaande heeft BOEI onvoldoende concreet onderbouwd dat RWE niet aan haar mededelingsplicht op grond van de koopovereenkomst voldaan. Indien BOEI meer had willen weten over de resterende asbest, had het op haar weg gelegen om RWE daarover (nader) te bevragen en eventueel voor te stellen daarnaar (verdergaand) onderzoek te doen (vgl. HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG8788, rov. 4.2.4). Dit heeft zij evenwel niet gedaan. 3.5.19. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot de conclusie dat de aanwezigheid van asbest de centrale niet non-conform maakt. RWE is niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst voor zover het gaat om het verwijderen van asbest. Ook heeft zij geen mededelingsplicht terzake geschonden. Duidelijk is dat de bedoeling van BOEI was om de centrale een andere bestemming te geven. Dit heeft BOEI ook tot op zekere hoogte kunnen doen, nu de voormalige centrale fungeert als evenementenlocatie. RWE heeft omtrent de (financiële) haalbaarheid van de herbestemming geen garanties gegeven en ook niet de gerechtvaardigde verwachting bij BOEI gewekt dat zij (al) haar eventuele toekomstplannen zou kunnen realiseren. Het hof is daarom, evenals de rechtbank, van oordeel dat de centrale geschikt was voor het beoogde gebruik als bedoeld in artikel 7:17 BW. 3.5.20. Nu BOEI geen mededelingsplicht heeft geschonden, is van dwaling als bedoeld in artikel 6:228 aanhef en onder b BW evenmin sprake. Voor de volledigheid merkt het hof op dat er ook geen sprake is van dwaling als bedoeld in artikel 6:228 aanhef en onder a BW. Niet gebleken is dat RWE onjuiste inlichtingen heeft verstrekt omtrent de aanwezigheid van asbest. Ook is er geen sprake van wederzijdse dwaling (artikel 6:228 aanhef en onder c BW), reeds niet omdat aan de kant van RWE geen onjuiste voorstelling heeft gehad omtrent de aanwezigheid van asbest. Zij is immers steeds van uitgegaan dat er meer asbest was dan verwijderd zou worden en dat zij niet wist precies hoeveel en waar. 3.5.21. Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat het aan het bewijsaanbod om [persoon A] als getuige te horen voorbij gaat. Nu BOEI gelet op het voorgaande haar stellingen op het onderhavige geschilpunt (asbest) onvoldoende onderbouwd heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door RWE, komt het hof aan bewijslevering ook verder niet toe. De slotsom is dat grief 2 faalt. Nucliden 3.6.1. Grief 4 van BOEI heeft specifi Partijen gaan er vanuit dat geen sanering zal plaatsvinden. RWE neemt de (beperkte) verplichting op zich om controles en metingen uit te voeren. De reden voor dat laatste is dat RWE kennis had van de installaties van de centrale, en BOEI niet. 3.6.7. Binnen dit kader, komt aan de Afsprakenbrief niet de vergaande betekenis toe die BOEI daaraan toekent. BOEI kon daaraan redelijkerwijs niet de verwachting ontlenen dat de nucliden onder alle omstandigheden verwijderd zouden worden door RWE en dat de kosten daarvan voor rekening van RWE zouden komen. Anders dan BOEI, leest het hof in de Afsprakenbrief geen onbeperkte garantie, inhoudende dat RWE verantwoordelijk was voor sanering. Dit geldt ook als deze wordt bezien in onderling verband en samenhang wordt beschouwd met bedoelde e-mail d.d. 17 april 2014. Ter nadere toelichting dient het volgende. 3.6.8. Partijen zijn er bij het sluiten van de koopovereenkomst van uitgegaan dat er een concentratie van nucliden kleiner dan 10 Bq/g in de ketel achter zou blijven na 2017. Dat zou met zich meebrengen dat BOEI zonder vergunningsplicht over de centrale zou kunnen beschikken. Onder de toen geldende norm zou het materiaal dan zonder speciale verplichtingen als sloopmateriaal kunnen worden afgevoerd. Het idee was dus dat BOEI (en dus niet RWE) de ketel vanaf 2017 zou kunnen slopen. 3.6.9. Na het sluiten van de koopovereenkomst hebben partijen aanleiding gezien om aanvullende afspraken te maken. Partijen verschillen van mening over de uitleg van deze nadere afspraken, in het bijzonder de Afsprakenbrief. Volgens RWE houden deze afspraken in dat RWE de (destijds) vergunningplichtige nucliden (met activiteitsconcentratie > 10 Bq/g) voor haar rekening zou nemen en dat zij bereid was deze te verwijderen als het Agentschap zou eisen dat de nucliden eerder verwijderd zouden worden (zie het eerste bulletpoint op blz. 2 van de Afsprakenbrief). Volgens BOEI houden de afspraken in dat RWE sowieso alle nucliden, ongeacht of deze wel of niet onder de norm zouden komen, voor rekening van RWE zou verwijderen maar dat alleen het moment nog niet vaststond. Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven wie gelijk heeft, omdat zelfs als BOEI gevolgd moet worden in haar uitleg, dit nog niet betekent dat RWE ook het risico op zich heeft genomen van toekomstige normwijzigingen voor de nucliden en een ongeclausuleerde garantie heeft afgegeven, ongeacht hoe de omstandigheden er in de toekomst uitzien. Dat ligt niet voor de hand, nu -zoals hiervoor is overwogen- het uitgangspunt bij het sluiten van de koopovereenkomst was dat het risico met betrekking tot nucliden juist bij BOEI kwam te liggen. De achtergrond van het maken van de nadere afspraken in 2014 was dat het ingewikkelder bleek dan partijen in 2011 hadden gedacht om de vergunning op naam van RWE te laten staan. Ten tijde van het maken van de nadere afspraken in 2014 was nog niet bekend dat de norm met een factor 100 naar beneden bijgesteld zou worden tot 0,01 Bq/g. Hiermee hielden partijen bij het maken van deze nadere afspraken dus geen rekening. Dus zelfs als de lezing van BOEI gevolgd moet worden dan reikt de afspraak niet verder dan dat RWE weliswaar de nucliden zou verwijderen maar enkel in de situatie dat de norm op 10 Bq/g lag zodat de kosten van verwijdering beperkt zouden zijn. Het hof is daarom van oordeel dat BOEI deze afspraken niet aldus mocht begrijpen dat RWE ook in geval een toekomstige normwijziging, nog steeds de kosten voor het verwijderen van de nucliden zou dragen. Een dergelijke lezing is te verstrekkend gelet op de bij het sluiten van de koopovereenkomst overeengekomen risicoverdeling. De zin in de e-mail van 17 april 2014 ‘ Als afvoer door wettelijke eisen complexer wordt, is dat ons probleem ’ maakt dat niet anders. Deze kan geen betrekking hebben gehad op de normwijziging in 2018, omdat deze normwijziging pas in 2016 bekend werd. Het hof merkt nog op dat RWE in 2017 radioactief besmette pijpen (met nucliden boven de norm van 1