Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-30
ECLI:NL:GHSHE:2025:237
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
26,118 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.911/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/21/76 R
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden te Helmond.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1, 3 t/m 7, van 5 december 2024, heeft [appellant] primair verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog een schone lei aan hem toe te kennen. Subsidiair heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen, met dien verstande dat de termijn van de schuldsaneringsregeling zal worden verlengd met een door het hof in goede justitie te bepalen periode.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] , bijgestaan door mr. Brunschot-van der Sanden;
mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 13 november 2024;
de brief met productie 1, 2 en 8 van mr. Van Brunschot-van der Sanden;
de brief van 10 januari 2025 met bijlagen van de bewindvoerder, overgelegd ter zitting;
de op de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van mr. Van Brunschot-van der Sanden.
Beoordeling
3.1.
Bij vonnis van 2 september 2021 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder beëindigd zonder toekenning van de schone lei, omdat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, te weten de informatieverplichting, de afdrachtverplichting en de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Volgens de rechtbank kan die tekortkoming ook aan [appellant] worden toegerekend. De rechtbank heeft geen, althans onvoldoende gronden gezien om te bepalen dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing mag blijven.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd:
“2.7 In het kader van de schuldsaneringsregeling rust op [appellant] de verplichting om de bewindvoerder tijdig te voorzien van alle voor zijn schuldsaneringsregeling relevante informatie. De nakoming van de informatieverplichting is zeer moeizaam verlopen, pas een paar dagen voor de zitting heeft [appellant] informatie verstrekt waar door de bewindvoerder al vele malen om gevraagd is. Tijdens de zitting is gebleken dat [appellant] belangrijke informatie omtrent de verkoop van zijn auto achter gehouden heeft. Door het ontbreken van benodigde gegevens is de bewindvoerder niet in staat de boedelachterstand correct te berekenen. Ook het al dan niet hebben van nieuwe schulden is door [appellant] niet aan de bewindvoerder bekend gemaakt. De bewindvoerder heeft hierover zelf informatie bij de belastingdienst opgevraagd. Nu de schuldenaar niet aan deze kernverplichting heeft voldaan is de bewindvoerder niet in staat geweest een juist toezicht op het verloop van de schuldsaneringsregeling te houden.
2.8.
Het uitgangspunt van de schuldsaneringsregeling is dat tegenover het uitzicht om weer met een schone lei verder te kunnen gaan van [appellant] een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning mag worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich niet maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk te sparen voor zijn schuldeisers. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [appellant] weliswaar fulltime gewerkt heeft, maar dat hij heeft nagelaten toeslagen over de jaren 2021, 2022 en 2023 aan te vragen.
[appellant] heeft gedurende de schuldsaneringsregeling zijn inkomen niet gemaximaliseerd en daardoor zijn schuldeisers benadeeld.
Doordat [appellant] geen aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan is een ambtshalve aanslag 2021 opgelegd die waarschijnlijk te hoog is en hiermee is de boedel ook benadeeld.
De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich de belangen van de schuldeisers onvoldoende heeft aangetrokken.
2.9.
Daarbij komt dat [appellant] nieuwe schulden voor een totaalbedrag van € 895,00 heeft laten ontstaan.
(…)
2.12.
De rechtbank overweegt voorts dat [appellant] ruimschoots is gewaarschuwd en geïnformeerd over de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De bewindvoerder heeft [appellant] herhaaldelijk uitgelegd wat van hem met betrekking tot het nakomen van de verplichtingen werd verwacht. Daarnaast is op 27 september 2024 een verhoor gepland om de ontstane problemen met de [appellant] te bespreken. [appellant] is zonder opgaaf van reden niet aanwezig geweest bij het verhoor.
De rechtbank acht de geconstateerde tekortkomingen voldoende ernstig om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”
3.4.
[appellant] heeft in zijn beroepschrift en ter zitting – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij wel heeft voldaan aan de informatie- en inspanningsverplichting, zij het erg laat. Hij erkent dat dat niet correct was, maar dat kwam door zijn zus ernstig ziek was en vervolgens is overleden, waar [appellant] zelf erg onder heeft geleden. Hij heeft dan de neiging zijn kop in het zand te steken. Verder heeft [appellant] erkend dat hij een boedelachterstand heeft laten ontstaan. Volgens [appellant] is die achterstand minder dan de achterstand die de bewindvoerder in haar brief van 10 januari 2025 heeft berekend (€ 2.593,71). Hij legt zich echter neer bij de door de bewindvoerder berekende achterstand en heeft dat bedrag inmiddels gestort op de derdenrekening van zijn advocaat. Hij heeft dit zelf bij elkaar gespaard. Dit bedrag komt dan, als het beroep van [appellant] slaagt, ten gunste van de boedel. In dat bedrag zit ook het bedrag van € 500,00 dat hij voor de auto heeft ontvangen, waarvan hij meent dat dat eigenlijk niet hoeft te worden afgedragen, omdat de auto was vrijgelaten. Met betrekking tot de nieuwe schuld van € 895,00 heeft [appellant] aangevoerd dat die niet op de boedel drukt. Bovendien heeft hij daarvoor inmiddels telefonisch een betalingsregeling met de Belastingdienst aangeboden. Die schuld kan in twaalf maandelijkse termijnen worden afbetaald. Daarnaast heeft hij inmiddels ook de aangiften IB 2022 en 2023 gedaan, waar een teruggaaf uit voortvloeit van ongeveer € 2.600,00 die bij een geslaagd beroep nog aan de boedel toekomt en ligt de aangifte IB 2021 klaar voor verzending. Ook daaruit verwacht [appellant] nog een teruggaaf te krijgen die dan ten gunste van de boedel komt.
3.5.
[appellant] is sterk gemotiveerd te voldoen aan de verplichtingen die op hem rusten, wat ook blijkt uit het feit dat hij direct na de teloorgang van zijn onderneming fulltime is gaan werken en gedurende de hele looptijd van de WSNP heeft gewerkt en hij nu alle informatie heeft aangeleverd en alle aanvragen en aangiftes die hij moest doen heeft gedaan. In het licht van de te maken belangenafweging ligt een verlenging (als al niet meteen alsnog een schone lei kan worden verleend) dan ook meer in de rede.
3.6.
De bewindvoerder heeft in haar brief van 10 januari 2025 – kort weergegeven –aangevoerd dat de boedelachterstand, inclusief misgelopen toeslagen (€ 2.199,-), op dit moment € 2.593,71 bedraagt, dat er sinds de zitting op 13 november 2024 niets meer van [appellant] is vernomen en dat er niet meer is afgelost aan de boedelachterstand. De bewindvoerder heeft desgevraagd ter zitting beaamd dat [appellant] , gehoord wat hij ter zitting heeft verklaard, inmiddels alle aanvragen (toeslagen) en aangiftes (belastingen) die hij moest doen heeft gedaan. Verder heeft zij gezegd dat zij nog steeds niet veel vertrouwen in [appellant] heeft wat betreft de nakoming van de verplichtingen bij een verlenging van de regeling. Maar zij wil [appellant] de kans ook niet ontnemen. Volgens haar is de toepassing van de schuldsaneringsregeling terecht beëindigd zonder verlening van de schone lei.
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.7.1.
Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.911/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/21/76 R
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden te Helmond.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1, 3 t/m 7, van 5 december 2024, heeft [appellant] primair verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog een schone lei aan hem toe te kennen. Subsidiair heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen, met dien verstande dat de termijn van de schuldsaneringsregeling zal worden verlengd met een door het hof in goede justitie te bepalen periode.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] , bijgestaan door mr. Brunschot-van der Sanden;
mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 13 november 2024;
de brief met productie 1, 2 en 8 van mr. Van Brunschot-van der Sanden;
de brief van 10 januari 2025 met bijlagen van de bewindvoerder, overgelegd ter zitting;
de op de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van mr. Van Brunschot-van der Sanden.
Beoordeling
3.1.
Bij vonnis van 2 september 2021 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder beëindigd zonder toekenning van de schone lei, omdat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, te weten de informatieverplichting, de afdrachtverplichting en de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Volgens de rechtbank kan die tekortkoming ook aan [appellant] worden toegerekend. De rechtbank heeft geen, althans onvoldoende gronden gezien om te bepalen dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing mag blijven.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd:
“2.7 In het kader van de schuldsaneringsregeling rust op [appellant] de verplichting om de bewindvoerder tijdig te voorzien van alle voor zijn schuldsaneringsregeling relevante informatie. De nakoming van de informatieverplichting is zeer moeizaam verlopen, pas een paar dagen voor de zitting heeft [appellant] informatie verstrekt waar door de bewindvoerder al vele malen om gevraagd is. Tijdens de zitting is gebleken dat [appellant] belangrijke informatie omtrent de verkoop van zijn auto achter gehouden heeft. Door het ontbreken van benodigde gegevens is de bewindvoerder niet in staat de boedelachterstand correct te berekenen. Ook het al dan niet hebben van nieuwe schulden is door [appellant] niet aan de bewindvoerder bekend gemaakt. De bewindvoerder heeft hierover zelf informatie bij de belastingdienst opgevraagd. Nu de schuldenaar niet aan deze kernverplichting heeft voldaan is de bewindvoerder niet in staat geweest een juist toezicht op het verloop van de schuldsaneringsregeling te houden.
2.8.
Het uitgangspunt van de schuldsaneringsregeling is dat tegenover het uitzicht om weer met een schone lei verder te kunnen gaan van [appellant] een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning mag worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich niet maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk te sparen voor zijn schuldeisers. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [appellant] weliswaar fulltime gewerkt heeft, maar dat hij heeft nagelaten toeslagen over de jaren 2021, 2022 en 2023 aan te vragen.
[appellant] heeft gedurende de schuldsaneringsregeling zijn inkomen niet gemaximaliseerd en daardoor zijn schuldeisers benadeeld.
Doordat [appellant] geen aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan is een ambtshalve aanslag 2021 opgelegd die waarschijnlijk te hoog is en hiermee is de boedel ook benadeeld.
De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich de belangen van de schuldeisers onvoldoende heeft aangetrokken.
2.9.
Daarbij komt dat [appellant] nieuwe schulden voor een totaalbedrag van € 895,00 heeft laten ontstaan.
(…)
2.12.
De rechtbank overweegt voorts dat [appellant] ruimschoots is gewaarschuwd en geïnformeerd over de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De bewindvoerder heeft [appellant] herhaaldelijk uitgelegd wat van hem met betrekking tot het nakomen van de verplichtingen werd verwacht. Daarnaast is op 27 september 2024 een verhoor gepland om de ontstane problemen met de [appellant] te bespreken. [appellant] is zonder opgaaf van reden niet aanwezig geweest bij het verhoor.
De rechtbank acht de geconstateerde tekortkomingen voldoende ernstig om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”
3.4.
[appellant] heeft in zijn beroepschrift en ter zitting – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij wel heeft voldaan aan de informatie- en inspanningsverplichting, zij het erg laat. Hij erkent dat dat niet correct was, maar dat kwam door zijn zus ernstig ziek was en vervolgens is overleden, waar [appellant] zelf erg onder heeft geleden. Hij heeft dan de neiging zijn kop in het zand te steken. Verder heeft [appellant] erkend dat hij een boedelachterstand heeft laten ontstaan. Volgens [appellant] is die achterstand minder dan de achterstand die de bewindvoerder in haar brief van 10 januari 2025 heeft berekend (€ 2.593,71). Hij legt zich echter neer bij de door de bewindvoerder berekende achterstand en heeft dat bedrag inmiddels gestort op de derdenrekening van zijn advocaat. Hij heeft dit zelf bij elkaar gespaard. Dit bedrag komt dan, als het beroep van [appellant] slaagt, ten gunste van de boedel. In dat bedrag zit ook het bedrag van € 500,00 dat hij voor de auto heeft ontvangen, waarvan hij meent dat dat eigenlijk niet hoeft te worden afgedragen, omdat de auto was vrijgelaten. Met betrekking tot de nieuwe schuld van € 895,00 heeft [appellant] aangevoerd dat die niet op de boedel drukt. Bovendien heeft hij daarvoor inmiddels telefonisch een betalingsregeling met de Belastingdienst aangeboden. Die schuld kan in twaalf maandelijkse termijnen worden afbetaald. Daarnaast heeft hij inmiddels ook de aangiften IB 2022 en 2023 gedaan, waar een teruggaaf uit voortvloeit van ongeveer € 2.600,00 die bij een geslaagd beroep nog aan de boedel toekomt en ligt de aangifte IB 2021 klaar voor verzending. Ook daaruit verwacht [appellant] nog een teruggaaf te krijgen die dan ten gunste van de boedel komt.
3.5.
[appellant] is sterk gemotiveerd te voldoen aan de verplichtingen die op hem rusten, wat ook blijkt uit het feit dat hij direct na de teloorgang van zijn onderneming fulltime is gaan werken en gedurende de hele looptijd van de WSNP heeft gewerkt en hij nu alle informatie heeft aangeleverd en alle aanvragen en aangiftes die hij moest doen heeft gedaan. In het licht van de te maken belangenafweging ligt een verlenging (als al niet meteen alsnog een schone lei kan worden verleend) dan ook meer in de rede.
3.6.
De bewindvoerder heeft in haar brief van 10 januari 2025 – kort weergegeven –aangevoerd dat de boedelachterstand, inclusief misgelopen toeslagen (€ 2.199,-), op dit moment € 2.593,71 bedraagt, dat er sinds de zitting op 13 november 2024 niets meer van [appellant] is vernomen en dat er niet meer is afgelost aan de boedelachterstand. De bewindvoerder heeft desgevraagd ter zitting beaamd dat [appellant] , gehoord wat hij ter zitting heeft verklaard, inmiddels alle aanvragen (toeslagen) en aangiftes (belastingen) die hij moest doen heeft gedaan. Verder heeft zij gezegd dat zij nog steeds niet veel vertrouwen in [appellant] heeft wat betreft de nakoming van de verplichtingen bij een verlenging van de regeling. Maar zij wil [appellant] de kans ook niet ontnemen. Volgens haar is de toepassing van de schuldsaneringsregeling terecht beëindigd zonder verlening van de schone lei.
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.7.1.
Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.911/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/21/76 R
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden te Helmond.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1, 3 t/m 7, van 5 december 2024, heeft [appellant] primair verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog een schone lei aan hem toe te kennen. Subsidiair heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen, met dien verstande dat de termijn van de schuldsaneringsregeling zal worden verlengd met een door het hof in goede justitie te bepalen periode.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] , bijgestaan door mr. Brunschot-van der Sanden;
mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 13 november 2024;
de brief met productie 1, 2 en 8 van mr. Van Brunschot-van der Sanden;
de brief van 10 januari 2025 met bijlagen van de bewindvoerder, overgelegd ter zitting;
de op de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van mr. Van Brunschot-van der Sanden.
Beoordeling
3.1.
Bij vonnis van 2 september 2021 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder beëindigd zonder toekenning van de schone lei, omdat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, te weten de informatieverplichting, de afdrachtverplichting en de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Volgens de rechtbank kan die tekortkoming ook aan [appellant] worden toegerekend. De rechtbank heeft geen, althans onvoldoende gronden gezien om te bepalen dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing mag blijven.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd:
“2.7 In het kader van de schuldsaneringsregeling rust op [appellant] de verplichting om de bewindvoerder tijdig te voorzien van alle voor zijn schuldsaneringsregeling relevante informatie. De nakoming van de informatieverplichting is zeer moeizaam verlopen, pas een paar dagen voor de zitting heeft [appellant] informatie verstrekt waar door de bewindvoerder al vele malen om gevraagd is. Tijdens de zitting is gebleken dat [appellant] belangrijke informatie omtrent de verkoop van zijn auto achter gehouden heeft. Door het ontbreken van benodigde gegevens is de bewindvoerder niet in staat de boedelachterstand correct te berekenen. Ook het al dan niet hebben van nieuwe schulden is door [appellant] niet aan de bewindvoerder bekend gemaakt. De bewindvoerder heeft hierover zelf informatie bij de belastingdienst opgevraagd. Nu de schuldenaar niet aan deze kernverplichting heeft voldaan is de bewindvoerder niet in staat geweest een juist toezicht op het verloop van de schuldsaneringsregeling te houden.
2.8.
Het uitgangspunt van de schuldsaneringsregeling is dat tegenover het uitzicht om weer met een schone lei verder te kunnen gaan van [appellant] een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning mag worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich niet maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk te sparen voor zijn schuldeisers. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [appellant] weliswaar fulltime gewerkt heeft, maar dat hij heeft nagelaten toeslagen over de jaren 2021, 2022 en 2023 aan te vragen.
[appellant] heeft gedurende de schuldsaneringsregeling zijn inkomen niet gemaximaliseerd en daardoor zijn schuldeisers benadeeld.
Doordat [appellant] geen aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan is een ambtshalve aanslag 2021 opgelegd die waarschijnlijk te hoog is en hiermee is de boedel ook benadeeld.
De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich de belangen van de schuldeisers onvoldoende heeft aangetrokken.
2.9.
Daarbij komt dat [appellant] nieuwe schulden voor een totaalbedrag van € 895,00 heeft laten ontstaan.
(…)
2.12.
De rechtbank overweegt voorts dat [appellant] ruimschoots is gewaarschuwd en geïnformeerd over de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De bewindvoerder heeft [appellant] herhaaldelijk uitgelegd wat van hem met betrekking tot het nakomen van de verplichtingen werd verwacht. Daarnaast is op 27 september 2024 een verhoor gepland om de ontstane problemen met de [appellant] te bespreken. [appellant] is zonder opgaaf van reden niet aanwezig geweest bij het verhoor.
De rechtbank acht de geconstateerde tekortkomingen voldoende ernstig om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”
3.4.
[appellant] heeft in zijn beroepschrift en ter zitting – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij wel heeft voldaan aan de informatie- en inspanningsverplichting, zij het erg laat. Hij erkent dat dat niet correct was, maar dat kwam door zijn zus ernstig ziek was en vervolgens is overleden, waar [appellant] zelf erg onder heeft geleden. Hij heeft dan de neiging zijn kop in het zand te steken. Verder heeft [appellant] erkend dat hij een boedelachterstand heeft laten ontstaan. Volgens [appellant] is die achterstand minder dan de achterstand die de bewindvoerder in haar brief van 10 januari 2025 heeft berekend (€ 2.593,71). Hij legt zich echter neer bij de door de bewindvoerder berekende achterstand en heeft dat bedrag inmiddels gestort op de derdenrekening van zijn advocaat. Hij heeft dit zelf bij elkaar gespaard. Dit bedrag komt dan, als het beroep van [appellant] slaagt, ten gunste van de boedel. In dat bedrag zit ook het bedrag van € 500,00 dat hij voor de auto heeft ontvangen, waarvan hij meent dat dat eigenlijk niet hoeft te worden afgedragen, omdat de auto was vrijgelaten. Met betrekking tot de nieuwe schuld van € 895,00 heeft [appellant] aangevoerd dat die niet op de boedel drukt. Bovendien heeft hij daarvoor inmiddels telefonisch een betalingsregeling met de Belastingdienst aangeboden. Die schuld kan in twaalf maandelijkse termijnen worden afbetaald. Daarnaast heeft hij inmiddels ook de aangiften IB 2022 en 2023 gedaan, waar een teruggaaf uit voortvloeit van ongeveer € 2.600,00 die bij een geslaagd beroep nog aan de boedel toekomt en ligt de aangifte IB 2021 klaar voor verzending. Ook daaruit verwacht [appellant] nog een teruggaaf te krijgen die dan ten gunste van de boedel komt.
3.5.
[appellant] is sterk gemotiveerd te voldoen aan de verplichtingen die op hem rusten, wat ook blijkt uit het feit dat hij direct na de teloorgang van zijn onderneming fulltime is gaan werken en gedurende de hele looptijd van de WSNP heeft gewerkt en hij nu alle informatie heeft aangeleverd en alle aanvragen en aangiftes die hij moest doen heeft gedaan. In het licht van de te maken belangenafweging ligt een verlenging (als al niet meteen alsnog een schone lei kan worden verleend) dan ook meer in de rede.
3.6.
De bewindvoerder heeft in haar brief van 10 januari 2025 – kort weergegeven –aangevoerd dat de boedelachterstand, inclusief misgelopen toeslagen (€ 2.199,-), op dit moment € 2.593,71 bedraagt, dat er sinds de zitting op 13 november 2024 niets meer van [appellant] is vernomen en dat er niet meer is afgelost aan de boedelachterstand. De bewindvoerder heeft desgevraagd ter zitting beaamd dat [appellant] , gehoord wat hij ter zitting heeft verklaard, inmiddels alle aanvragen (toeslagen) en aangiftes (belastingen) die hij moest doen heeft gedaan. Verder heeft zij gezegd dat zij nog steeds niet veel vertrouwen in [appellant] heeft wat betreft de nakoming van de verplichtingen bij een verlenging van de regeling. Maar zij wil [appellant] de kans ook niet ontnemen. Volgens haar is de toepassing van de schuldsaneringsregeling terecht beëindigd zonder verlening van de schone lei.
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.7.1.
Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.911/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/21/76 R
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden te Helmond.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1, 3 t/m 7, van 5 december 2024, heeft [appellant] primair verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog een schone lei aan hem toe te kennen. Subsidiair heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen, met dien verstande dat de termijn van de schuldsaneringsregeling zal worden verlengd met een door het hof in goede justitie te bepalen periode.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] , bijgestaan door mr. Brunschot-van der Sanden;
mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 13 november 2024;
de brief met productie 1, 2 en 8 van mr. Van Brunschot-van der Sanden;
de brief van 10 januari 2025 met bijlagen van de bewindvoerder, overgelegd ter zitting;
de op de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van mr. Van Brunschot-van der Sanden.
Beoordeling
3.1.
Bij vonnis van 2 september 2021 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder beëindigd zonder toekenning van de schone lei, omdat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, te weten de informatieverplichting, de afdrachtverplichting en de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Volgens de rechtbank kan die tekortkoming ook aan [appellant] worden toegerekend. De rechtbank heeft geen, althans onvoldoende gronden gezien om te bepalen dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing mag blijven.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd:
“2.7 In het kader van de schuldsaneringsregeling rust op [appellant] de verplichting om de bewindvoerder tijdig te voorzien van alle voor zijn schuldsaneringsregeling relevante informatie. De nakoming van de informatieverplichting is zeer moeizaam verlopen, pas een paar dagen voor de zitting heeft [appellant] informatie verstrekt waar door de bewindvoerder al vele malen om gevraagd is. Tijdens de zitting is gebleken dat [appellant] belangrijke informatie omtrent de verkoop van zijn auto achter gehouden heeft. Door het ontbreken van benodigde gegevens is de bewindvoerder niet in staat de boedelachterstand correct te berekenen. Ook het al dan niet hebben van nieuwe schulden is door [appellant] niet aan de bewindvoerder bekend gemaakt. De bewindvoerder heeft hierover zelf informatie bij de belastingdienst opgevraagd. Nu de schuldenaar niet aan deze kernverplichting heeft voldaan is de bewindvoerder niet in staat geweest een juist toezicht op het verloop van de schuldsaneringsregeling te houden.
2.8.
Het uitgangspunt van de schuldsaneringsregeling is dat tegenover het uitzicht om weer met een schone lei verder te kunnen gaan van [appellant] een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning mag worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich niet maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk te sparen voor zijn schuldeisers. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [appellant] weliswaar fulltime gewerkt heeft, maar dat hij heeft nagelaten toeslagen over de jaren 2021, 2022 en 2023 aan te vragen.
[appellant] heeft gedurende de schuldsaneringsregeling zijn inkomen niet gemaximaliseerd en daardoor zijn schuldeisers benadeeld.
Doordat [appellant] geen aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan is een ambtshalve aanslag 2021 opgelegd die waarschijnlijk te hoog is en hiermee is de boedel ook benadeeld.
De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich de belangen van de schuldeisers onvoldoende heeft aangetrokken.
2.9.
Daarbij komt dat [appellant] nieuwe schulden voor een totaalbedrag van € 895,00 heeft laten ontstaan.
(…)
2.12.
De rechtbank overweegt voorts dat [appellant] ruimschoots is gewaarschuwd en geïnformeerd over de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De bewindvoerder heeft [appellant] herhaaldelijk uitgelegd wat van hem met betrekking tot het nakomen van de verplichtingen werd verwacht. Daarnaast is op 27 september 2024 een verhoor gepland om de ontstane problemen met de [appellant] te bespreken. [appellant] is zonder opgaaf van reden niet aanwezig geweest bij het verhoor.
De rechtbank acht de geconstateerde tekortkomingen voldoende ernstig om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”
3.4.
[appellant] heeft in zijn beroepschrift en ter zitting – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij wel heeft voldaan aan de informatie- en inspanningsverplichting, zij het erg laat. Hij erkent dat dat niet correct was, maar dat kwam door zijn zus ernstig ziek was en vervolgens is overleden, waar [appellant] zelf erg onder heeft geleden. Hij heeft dan de neiging zijn kop in het zand te steken. Verder heeft [appellant] erkend dat hij een boedelachterstand heeft laten ontstaan. Volgens [appellant] is die achterstand minder dan de achterstand die de bewindvoerder in haar brief van 10 januari 2025 heeft berekend (€ 2.593,71). Hij legt zich echter neer bij de door de bewindvoerder berekende achterstand en heeft dat bedrag inmiddels gestort op de derdenrekening van zijn advocaat. Hij heeft dit zelf bij elkaar gespaard. Dit bedrag komt dan, als het beroep van [appellant] slaagt, ten gunste van de boedel. In dat bedrag zit ook het bedrag van € 500,00 dat hij voor de auto heeft ontvangen, waarvan hij meent dat dat eigenlijk niet hoeft te worden afgedragen, omdat de auto was vrijgelaten. Met betrekking tot de nieuwe schuld van € 895,00 heeft [appellant] aangevoerd dat die niet op de boedel drukt. Bovendien heeft hij daarvoor inmiddels telefonisch een betalingsregeling met de Belastingdienst aangeboden. Die schuld kan in twaalf maandelijkse termijnen worden afbetaald. Daarnaast heeft hij inmiddels ook de aangiften IB 2022 en 2023 gedaan, waar een teruggaaf uit voortvloeit van ongeveer € 2.600,00 die bij een geslaagd beroep nog aan de boedel toekomt en ligt de aangifte IB 2021 klaar voor verzending. Ook daaruit verwacht [appellant] nog een teruggaaf te krijgen die dan ten gunste van de boedel komt.
3.5.
[appellant] is sterk gemotiveerd te voldoen aan de verplichtingen die op hem rusten, wat ook blijkt uit het feit dat hij direct na de teloorgang van zijn onderneming fulltime is gaan werken en gedurende de hele looptijd van de WSNP heeft gewerkt en hij nu alle informatie heeft aangeleverd en alle aanvragen en aangiftes die hij moest doen heeft gedaan. In het licht van de te maken belangenafweging ligt een verlenging (als al niet meteen alsnog een schone lei kan worden verleend) dan ook meer in de rede.
3.6.
De bewindvoerder heeft in haar brief van 10 januari 2025 – kort weergegeven –aangevoerd dat de boedelachterstand, inclusief misgelopen toeslagen (€ 2.199,-), op dit moment € 2.593,71 bedraagt, dat er sinds de zitting op 13 november 2024 niets meer van [appellant] is vernomen en dat er niet meer is afgelost aan de boedelachterstand. De bewindvoerder heeft desgevraagd ter zitting beaamd dat [appellant] , gehoord wat hij ter zitting heeft verklaard, inmiddels alle aanvragen (toeslagen) en aangiftes (belastingen) die hij moest doen heeft gedaan. Verder heeft zij gezegd dat zij nog steeds niet veel vertrouwen in [appellant] heeft wat betreft de nakoming van de verplichtingen bij een verlenging van de regeling. Maar zij wil [appellant] de kans ook niet ontnemen. Volgens haar is de toepassing van de schuldsaneringsregeling terecht beëindigd zonder verlening van de schone lei.
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.7.1.
Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.911/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/21/76 R
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden te Helmond.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1, 3 t/m 7, van 5 december 2024, heeft [appellant] primair verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog een schone lei aan hem toe te kennen. Subsidiair heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen, met dien verstande dat de termijn van de schuldsaneringsregeling zal worden verlengd met een door het hof in goede justitie te bepalen periode.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] , bijgestaan door mr. Brunschot-van der Sanden;
mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 13 november 2024;
de brief met productie 1, 2 en 8 van mr. Van Brunschot-van der Sanden;
de brief van 10 januari 2025 met bijlagen van de bewindvoerder, overgelegd ter zitting;
de op de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van mr. Van Brunschot-van der Sanden.
Beoordeling
3.1.
Bij vonnis van 2 september 2021 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder beëindigd zonder toekenning van de schone lei, omdat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, te weten de informatieverplichting, de afdrachtverplichting en de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Volgens de rechtbank kan die tekortkoming ook aan [appellant] worden toegerekend. De rechtbank heeft geen, althans onvoldoende gronden gezien om te bepalen dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing mag blijven.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd:
“2.7 In het kader van de schuldsaneringsregeling rust op [appellant] de verplichting om de bewindvoerder tijdig te voorzien van alle voor zijn schuldsaneringsregeling relevante informatie. De nakoming van de informatieverplichting is zeer moeizaam verlopen, pas een paar dagen voor de zitting heeft [appellant] informatie verstrekt waar door de bewindvoerder al vele malen om gevraagd is. Tijdens de zitting is gebleken dat [appellant] belangrijke informatie omtrent de verkoop van zijn auto achter gehouden heeft. Door het ontbreken van benodigde gegevens is de bewindvoerder niet in staat de boedelachterstand correct te berekenen. Ook het al dan niet hebben van nieuwe schulden is door [appellant] niet aan de bewindvoerder bekend gemaakt. De bewindvoerder heeft hierover zelf informatie bij de belastingdienst opgevraagd. Nu de schuldenaar niet aan deze kernverplichting heeft voldaan is de bewindvoerder niet in staat geweest een juist toezicht op het verloop van de schuldsaneringsregeling te houden.
2.8.
Het uitgangspunt van de schuldsaneringsregeling is dat tegenover het uitzicht om weer met een schone lei verder te kunnen gaan van [appellant] een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning mag worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich niet maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk te sparen voor zijn schuldeisers. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [appellant] weliswaar fulltime gewerkt heeft, maar dat hij heeft nagelaten toeslagen over de jaren 2021, 2022 en 2023 aan te vragen.
[appellant] heeft gedurende de schuldsaneringsregeling zijn inkomen niet gemaximaliseerd en daardoor zijn schuldeisers benadeeld.
Doordat [appellant] geen aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan is een ambtshalve aanslag 2021 opgelegd die waarschijnlijk te hoog is en hiermee is de boedel ook benadeeld.
De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich de belangen van de schuldeisers onvoldoende heeft aangetrokken.
2.9.
Daarbij komt dat [appellant] nieuwe schulden voor een totaalbedrag van € 895,00 heeft laten ontstaan.
(…)
2.12.
De rechtbank overweegt voorts dat [appellant] ruimschoots is gewaarschuwd en geïnformeerd over de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De bewindvoerder heeft [appellant] herhaaldelijk uitgelegd wat van hem met betrekking tot het nakomen van de verplichtingen werd verwacht. Daarnaast is op 27 september 2024 een verhoor gepland om de ontstane problemen met de [appellant] te bespreken. [appellant] is zonder opgaaf van reden niet aanwezig geweest bij het verhoor.
De rechtbank acht de geconstateerde tekortkomingen voldoende ernstig om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”
3.4.
[appellant] heeft in zijn beroepschrift en ter zitting – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij wel heeft voldaan aan de informatie- en inspanningsverplichting, zij het erg laat. Hij erkent dat dat niet correct was, maar dat kwam door zijn zus ernstig ziek was en vervolgens is overleden, waar [appellant] zelf erg onder heeft geleden. Hij heeft dan de neiging zijn kop in het zand te steken. Verder heeft [appellant] erkend dat hij een boedelachterstand heeft laten ontstaan. Volgens [appellant] is die achterstand minder dan de achterstand die de bewindvoerder in haar brief van 10 januari 2025 heeft berekend (€ 2.593,71). Hij legt zich echter neer bij de door de bewindvoerder berekende achterstand en heeft dat bedrag inmiddels gestort op de derdenrekening van zijn advocaat. Hij heeft dit zelf bij elkaar gespaard. Dit bedrag komt dan, als het beroep van [appellant] slaagt, ten gunste van de boedel. In dat bedrag zit ook het bedrag van € 500,00 dat hij voor de auto heeft ontvangen, waarvan hij meent dat dat eigenlijk niet hoeft te worden afgedragen, omdat de auto was vrijgelaten. Met betrekking tot de nieuwe schuld van € 895,00 heeft [appellant] aangevoerd dat die niet op de boedel drukt. Bovendien heeft hij daarvoor inmiddels telefonisch een betalingsregeling met de Belastingdienst aangeboden. Die schuld kan in twaalf maandelijkse termijnen worden afbetaald. Daarnaast heeft hij inmiddels ook de aangiften IB 2022 en 2023 gedaan, waar een teruggaaf uit voortvloeit van ongeveer € 2.600,00 die bij een geslaagd beroep nog aan de boedel toekomt en ligt de aangifte IB 2021 klaar voor verzending. Ook daaruit verwacht [appellant] nog een teruggaaf te krijgen die dan ten gunste van de boedel komt.
3.5.
[appellant] is sterk gemotiveerd te voldoen aan de verplichtingen die op hem rusten, wat ook blijkt uit het feit dat hij direct na de teloorgang van zijn onderneming fulltime is gaan werken en gedurende de hele looptijd van de WSNP heeft gewerkt en hij nu alle informatie heeft aangeleverd en alle aanvragen en aangiftes die hij moest doen heeft gedaan. In het licht van de te maken belangenafweging ligt een verlenging (als al niet meteen alsnog een schone lei kan worden verleend) dan ook meer in de rede.
3.6.
De bewindvoerder heeft in haar brief van 10 januari 2025 – kort weergegeven –aangevoerd dat de boedelachterstand, inclusief misgelopen toeslagen (€ 2.199,-), op dit moment € 2.593,71 bedraagt, dat er sinds de zitting op 13 november 2024 niets meer van [appellant] is vernomen en dat er niet meer is afgelost aan de boedelachterstand. De bewindvoerder heeft desgevraagd ter zitting beaamd dat [appellant] , gehoord wat hij ter zitting heeft verklaard, inmiddels alle aanvragen (toeslagen) en aangiftes (belastingen) die hij moest doen heeft gedaan. Verder heeft zij gezegd dat zij nog steeds niet veel vertrouwen in [appellant] heeft wat betreft de nakoming van de verplichtingen bij een verlenging van de regeling. Maar zij wil [appellant] de kans ook niet ontnemen. Volgens haar is de toepassing van de schuldsaneringsregeling terecht beëindigd zonder verlening van de schone lei.
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.7.1.
Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 30 januari 2025
Zaaknummer : 200.348.911/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/21/76 R
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden te Helmond.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1, 3 t/m 7, van 5 december 2024, heeft [appellant] primair verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog een schone lei aan hem toe te kennen. Subsidiair heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen, met dien verstande dat de termijn van de schuldsaneringsregeling zal worden verlengd met een door het hof in goede justitie te bepalen periode.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] , bijgestaan door mr. Brunschot-van der Sanden;
mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 13 november 2024;
de brief met productie 1, 2 en 8 van mr. Van Brunschot-van der Sanden;
de brief van 10 januari 2025 met bijlagen van de bewindvoerder, overgelegd ter zitting;
de op de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van mr. Van Brunschot-van der Sanden.
Beoordeling
3.1.
Bij vonnis van 2 september 2021 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder beëindigd zonder toekenning van de schone lei, omdat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, te weten de informatieverplichting, de afdrachtverplichting en de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Volgens de rechtbank kan die tekortkoming ook aan [appellant] worden toegerekend. De rechtbank heeft geen, althans onvoldoende gronden gezien om te bepalen dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing mag blijven.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd:
“2.7 In het kader van de schuldsaneringsregeling rust op [appellant] de verplichting om de bewindvoerder tijdig te voorzien van alle voor zijn schuldsaneringsregeling relevante informatie. De nakoming van de informatieverplichting is zeer moeizaam verlopen, pas een paar dagen voor de zitting heeft [appellant] informatie verstrekt waar door de bewindvoerder al vele malen om gevraagd is. Tijdens de zitting is gebleken dat [appellant] belangrijke informatie omtrent de verkoop van zijn auto achter gehouden heeft. Door het ontbreken van benodigde gegevens is de bewindvoerder niet in staat de boedelachterstand correct te berekenen. Ook het al dan niet hebben van nieuwe schulden is door [appellant] niet aan de bewindvoerder bekend gemaakt. De bewindvoerder heeft hierover zelf informatie bij de belastingdienst opgevraagd. Nu de schuldenaar niet aan deze kernverplichting heeft voldaan is de bewindvoerder niet in staat geweest een juist toezicht op het verloop van de schuldsaneringsregeling te houden.
2.8.
Het uitgangspunt van de schuldsaneringsregeling is dat tegenover het uitzicht om weer met een schone lei verder te kunnen gaan van [appellant] een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning mag worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich niet maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk te sparen voor zijn schuldeisers. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [appellant] weliswaar fulltime gewerkt heeft, maar dat hij heeft nagelaten toeslagen over de jaren 2021, 2022 en 2023 aan te vragen.
[appellant] heeft gedurende de schuldsaneringsregeling zijn inkomen niet gemaximaliseerd en daardoor zijn schuldeisers benadeeld.
Doordat [appellant] geen aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan is een ambtshalve aanslag 2021 opgelegd die waarschijnlijk te hoog is en hiermee is de boedel ook benadeeld.
De rechtbank is van oordeel dat [appellant] zich de belangen van de schuldeisers onvoldoende heeft aangetrokken.
2.9.
Daarbij komt dat [appellant] nieuwe schulden voor een totaalbedrag van € 895,00 heeft laten ontstaan.
(…)
2.12.
De rechtbank overweegt voorts dat [appellant] ruimschoots is gewaarschuwd en geïnformeerd over de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De bewindvoerder heeft [appellant] herhaaldelijk uitgelegd wat van hem met betrekking tot het nakomen van de verplichtingen werd verwacht. Daarnaast is op 27 september 2024 een verhoor gepland om de ontstane problemen met de [appellant] te bespreken. [appellant] is zonder opgaaf van reden niet aanwezig geweest bij het verhoor.
De rechtbank acht de geconstateerde tekortkomingen voldoende ernstig om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”
3.4.
[appellant] heeft in zijn beroepschrift en ter zitting – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij wel heeft voldaan aan de informatie- en inspanningsverplichting, zij het erg laat. Hij erkent dat dat niet correct was, maar dat kwam door zijn zus ernstig ziek was en vervolgens is overleden, waar [appellant] zelf erg onder heeft geleden. Hij heeft dan de neiging zijn kop in het zand te steken. Verder heeft [appellant] erkend dat hij een boedelachterstand heeft laten ontstaan. Volgens [appellant] is die achterstand minder dan de achterstand die de bewindvoerder in haar brief van 10 januari 2025 heeft berekend (€ 2.593,71). Hij legt zich echter neer bij de door de bewindvoerder berekende achterstand en heeft dat bedrag inmiddels gestort op de derdenrekening van zijn advocaat. Hij heeft dit zelf bij elkaar gespaard. Dit bedrag komt dan, als het beroep van [appellant] slaagt, ten gunste van de boedel. In dat bedrag zit ook het bedrag van € 500,00 dat hij voor de auto heeft ontvangen, waarvan hij meent dat dat eigenlijk niet hoeft te worden afgedragen, omdat de auto was vrijgelaten. Met betrekking tot de nieuwe schuld van € 895,00 heeft [appellant] aangevoerd dat die niet op de boedel drukt. Bovendien heeft hij daarvoor inmiddels telefonisch een betalingsregeling met de Belastingdienst aangeboden. Die schuld kan in twaalf maandelijkse termijnen worden afbetaald. Daarnaast heeft hij inmiddels ook de aangiften IB 2022 en 2023 gedaan, waar een teruggaaf uit voortvloeit van ongeveer € 2.600,00 die bij een geslaagd beroep nog aan de boedel toekomt en ligt de aangifte IB 2021 klaar voor verzending. Ook daaruit verwacht [appellant] nog een teruggaaf te krijgen die dan ten gunste van de boedel komt.
3.5.
[appellant] is sterk gemotiveerd te voldoen aan de verplichtingen die op hem rusten, wat ook blijkt uit het feit dat hij direct na de teloorgang van zijn onderneming fulltime is gaan werken en gedurende de hele looptijd van de WSNP heeft gewerkt en hij nu alle informatie heeft aangeleverd en alle aanvragen en aangiftes die hij moest doen heeft gedaan. In het licht van de te maken belangenafweging ligt een verlenging (als al niet meteen alsnog een schone lei kan worden verleend) dan ook meer in de rede.
3.6.
De bewindvoerder heeft in haar brief van 10 januari 2025 – kort weergegeven –aangevoerd dat de boedelachterstand, inclusief misgelopen toeslagen (€ 2.199,-), op dit moment € 2.593,71 bedraagt, dat er sinds de zitting op 13 november 2024 niets meer van [appellant] is vernomen en dat er niet meer is afgelost aan de boedelachterstand. De bewindvoerder heeft desgevraagd ter zitting beaamd dat [appellant] , gehoord wat hij ter zitting heeft verklaard, inmiddels alle aanvragen (toeslagen) en aangiftes (belastingen) die hij moest doen heeft gedaan. Verder heeft zij gezegd dat zij nog steeds niet veel vertrouwen in [appellant] heeft wat betreft de nakoming van de verplichtingen bij een verlenging van de regeling. Maar zij wil [appellant] de kans ook niet ontnemen. Volgens haar is de toepassing van de schuldsaneringsregeling terecht beëindigd zonder verlening van de schone lei.
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.7.1.
Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken.
Beoordeling
Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
3.7.2.
Het hof is van oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [appellant] heeft namelijk in de eerste plaats niet aan de informatieplicht voldaan. Dat blijkt uit de verscheidene verslagen en uit de reactie van de bewindvoerder op het beroepschrift en uit wat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard. Zo heeft [appellant] niet altijd op tijd de financiële gegevens toegestuurd, heeft hij de bewindvoerder niet gemeld dat hij geen aangifte IB 2021 had gedaan en daarom een ambtshalve aanslag had ontvangen en heeft hij pas bij de eindzitting in eerste aanleg melding gemaakt van de verkoop van zijn auto.
3.7.3.
Hierbij komt dat [appellant] een nieuwe schuld heeft gemaakt. Het gaat om een bedrag van € 895,- doordat de aangifte inkomstenbelasting 2021 niet is gedaan. Het hof is van oordeel dat [appellant] zelf aangifte had moeten doen als hij niet in staat was om zijn boekhouder te betalen. Dat een betalingsregeling is getroffen, doet niet af van het ontstaan van de schuld.
3.7.4.
Ook staat vast dat [appellant] een boedelachterstand (in ieder geval tot en met 10 januari 2025 berekend op € 2.593,71) heeft laten ontstaan. De boedelachterstand kan mogelijk iets hoger zijn, omdat de bewindvoerder de beschikking van de zorgtoeslag 2024 nog niet heeft ontvangen.
3.7.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat vast is komen te staan dat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten.
3.7.6.
Het hof is van oordeel dat de tekortkomingen [appellant] ook kunnen worden toegerekend. [appellant] is en was namelijk op de hoogte van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling. Bij aanvang van de schuldsaneringsregeling wordt een schuldenaar over de verplichtingen geïnformeerd en moet de schuldenaar een formulier met de regels daarvan ondertekenen. Daarnaast is [appellant] bij herhaling door de bewindvoerder in de verslagen erop gewezen dat hij nog stukken, zoals bankafschriften en de inkomensgegevens, moest overleggen. De bewindvoerder heeft [appellant] ook meerdere keren in de correspondentie erop gewezen dat hij recht heeft op zorgtoeslag en dat hij dit moest aanvragen. [appellant] is dus voldoende gewaarschuwd. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien de bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven. Ook niet in het licht dat de zus van [appellant] in oktober 2024 is overleden. Het hof heeft er begrip voor dat dit impact heeft (gehad) op het leven van [appellant] , maar het is het hof gebleken dat [appellant] over de gehele looptijd van de schuldsanering zijn verplichtingen niet is nagekomen.
3.7.7.
Het hof ziet echter aanleiding om de wettelijke schuldsaneringsregeling na afloop van de reguliere duur te verlengen ingevolge artikel 349a lid 2 en 3 FW. Het hof is namelijk van oordeel dat thans nog geen schone lei kan worden verleend, maar dat de verwachting gerechtvaardigd is dat dit na een verlenging van de termijn wel mogelijk zal zijn, mits [appellant] gedurende die verlenging zijn aanvankelijke tekortkomingen herstelt en geen nieuwe tekortkomingen laat ontstaan. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat [appellant] inmiddels alle aangiftes voor de inkomstenbelasting heeft gedaan, of heeft klaarstaan voor verzending en dat te verwachten valt dat hij geld terugkrijgt van de Belastingdienst dat ten goede komt aan de boedel/schuldeisers. Verder heeft [appellant] ter zitting verklaard dat het bedrag van de boedelachterstand (€ 2.593,71) op de derdenrekening van mr. Van Brunschot-van der Sanden is gestort. Dit geld kan dus doorgestort worden naar de bewindvoerder. Daarnaast heeft [appellant] verklaard dat hij bereid is om een eventueel nader boedeltekort ten gevolge van wijzigingen in het vrij te laten bedrag als gevolg van de verkoop van zijn auto ook nog aan te zuiveren. Verder neemt het hof in zijn afweging mee dat [appellant] gedurende de gehele looptijd van de schuldsanering fulltime heeft gewerkt en dat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard, hoewel zij er geen vertrouwen in heeft dat hij alle verplichtingen gaat nakomen, niet onwelwillend tegenover een verlenging van de schuldsanering te staan.
3.7.8.
Het hof zal daarom de termijn van de schuldsanering verlengen voor de duur die nodig is om te voldoen aan volgende voorwaarden, met een maximum van twee jaar:
Het bedrag dat op de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] staat wordt onmiddellijk overgemaakt naar de bewindvoerder;
Alle bedragen die [appellant] nog gaat ontvangen van de Belastingdienst ten aanzien van de inkomstenbelasting over de jaren 2021 tot en met 2023 worden ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
[appellant] doet tijdig, en dus vóór 1 mei 2025, aangifte inkomstenbelasting 2024 en een eventueel daaruit voorvloeiende teruggaaf wordt ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
Van de hiervoor bedoelde aangifte inkomstenbelasting 2024, alsmede daarop volgende beschikking(en) stuurt [appellant] gelijktijdig, respectievelijk direct na ontvangst, een afschrift aan de bewindvoerder. Ditzelfde geldt voor aangiften en beschikkingen over de jaren 2021 t/m 2023 voor zover nog niet aan de bewindvoerder toegezonden;
[appellant] stuurt ommegaand na de datum van deze beschikking een afschrift van de beschikking inzake de zorgtoeslag 2024 aan de bewindvoerder, indien en voor zover een dergelijk afschrift niet al aan de bewindvoerder is gestuurd;
De schuld aan de Belastingdienst van € 895,00 wordt conform de ter zitting genoemde betalingsregeling tijdig en volledig afgelost. Indien een termijn niet tijdig wordt voldaan, dan wel zodra de laatste termijn is voldaan, informeert [appellant] de bewindvoerder daar onmiddellijk over;
[appellant] betaalt vanaf 2 september 2024 maandelijks en tijdig het bewindvoerdersalaris, te vermeerderen met de verschuldigde omzetbelasting, aan de bewindvoerder.
De overige verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling, voor zover niet hierboven uitdrukkelijk vermeld, moet [appellant] ook naar behoren nakomen. De verplichting tot het afdragen van een maandelijkse boedelafdracht ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren is met ingang van 2 september 2024 vervallen.
3.7.9.
Nu het hof van oordeel is dat een verlenging geïndiceerd is, zal de verlenging – gegeven de cassatietermijn van 8 dagen als voortvloeiend uit artikel 355 lid 2 Fw jo 351 lid 5 Fw en behoudens het geval dat cassatie wordt ingesteld – ingaan op 7 februari 2025, nu in de periode van 2 september 2024 tot aan het onherroepelijk worden van onderhavige beschikking de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling voor [appellant] niet golden/gelden (Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935).
Beoordeling
Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
3.7.2.
Het hof is van oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [appellant] heeft namelijk in de eerste plaats niet aan de informatieplicht voldaan. Dat blijkt uit de verscheidene verslagen en uit de reactie van de bewindvoerder op het beroepschrift en uit wat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard. Zo heeft [appellant] niet altijd op tijd de financiële gegevens toegestuurd, heeft hij de bewindvoerder niet gemeld dat hij geen aangifte IB 2021 had gedaan en daarom een ambtshalve aanslag had ontvangen en heeft hij pas bij de eindzitting in eerste aanleg melding gemaakt van de verkoop van zijn auto.
3.7.3.
Hierbij komt dat [appellant] een nieuwe schuld heeft gemaakt. Het gaat om een bedrag van € 895,- doordat de aangifte inkomstenbelasting 2021 niet is gedaan. Het hof is van oordeel dat [appellant] zelf aangifte had moeten doen als hij niet in staat was om zijn boekhouder te betalen. Dat een betalingsregeling is getroffen, doet niet af van het ontstaan van de schuld.
3.7.4.
Ook staat vast dat [appellant] een boedelachterstand (in ieder geval tot en met 10 januari 2025 berekend op € 2.593,71) heeft laten ontstaan. De boedelachterstand kan mogelijk iets hoger zijn, omdat de bewindvoerder de beschikking van de zorgtoeslag 2024 nog niet heeft ontvangen.
3.7.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat vast is komen te staan dat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten.
3.7.6.
Het hof is van oordeel dat de tekortkomingen [appellant] ook kunnen worden toegerekend. [appellant] is en was namelijk op de hoogte van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling. Bij aanvang van de schuldsaneringsregeling wordt een schuldenaar over de verplichtingen geïnformeerd en moet de schuldenaar een formulier met de regels daarvan ondertekenen. Daarnaast is [appellant] bij herhaling door de bewindvoerder in de verslagen erop gewezen dat hij nog stukken, zoals bankafschriften en de inkomensgegevens, moest overleggen. De bewindvoerder heeft [appellant] ook meerdere keren in de correspondentie erop gewezen dat hij recht heeft op zorgtoeslag en dat hij dit moest aanvragen. [appellant] is dus voldoende gewaarschuwd. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien de bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven. Ook niet in het licht dat de zus van [appellant] in oktober 2024 is overleden. Het hof heeft er begrip voor dat dit impact heeft (gehad) op het leven van [appellant] , maar het is het hof gebleken dat [appellant] over de gehele looptijd van de schuldsanering zijn verplichtingen niet is nagekomen.
3.7.7.
Het hof ziet echter aanleiding om de wettelijke schuldsaneringsregeling na afloop van de reguliere duur te verlengen ingevolge artikel 349a lid 2 en 3 FW. Het hof is namelijk van oordeel dat thans nog geen schone lei kan worden verleend, maar dat de verwachting gerechtvaardigd is dat dit na een verlenging van de termijn wel mogelijk zal zijn, mits [appellant] gedurende die verlenging zijn aanvankelijke tekortkomingen herstelt en geen nieuwe tekortkomingen laat ontstaan. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat [appellant] inmiddels alle aangiftes voor de inkomstenbelasting heeft gedaan, of heeft klaarstaan voor verzending en dat te verwachten valt dat hij geld terugkrijgt van de Belastingdienst dat ten goede komt aan de boedel/schuldeisers. Verder heeft [appellant] ter zitting verklaard dat het bedrag van de boedelachterstand (€ 2.593,71) op de derdenrekening van mr. Van Brunschot-van der Sanden is gestort. Dit geld kan dus doorgestort worden naar de bewindvoerder. Daarnaast heeft [appellant] verklaard dat hij bereid is om een eventueel nader boedeltekort ten gevolge van wijzigingen in het vrij te laten bedrag als gevolg van de verkoop van zijn auto ook nog aan te zuiveren. Verder neemt het hof in zijn afweging mee dat [appellant] gedurende de gehele looptijd van de schuldsanering fulltime heeft gewerkt en dat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard, hoewel zij er geen vertrouwen in heeft dat hij alle verplichtingen gaat nakomen, niet onwelwillend tegenover een verlenging van de schuldsanering te staan.
3.7.8.
Het hof zal daarom de termijn van de schuldsanering verlengen voor de duur die nodig is om te voldoen aan volgende voorwaarden, met een maximum van twee jaar:
Het bedrag dat op de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] staat wordt onmiddellijk overgemaakt naar de bewindvoerder;
Alle bedragen die [appellant] nog gaat ontvangen van de Belastingdienst ten aanzien van de inkomstenbelasting over de jaren 2021 tot en met 2023 worden ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
[appellant] doet tijdig, en dus vóór 1 mei 2025, aangifte inkomstenbelasting 2024 en een eventueel daaruit voorvloeiende teruggaaf wordt ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
Van de hiervoor bedoelde aangifte inkomstenbelasting 2024, alsmede daarop volgende beschikking(en) stuurt [appellant] gelijktijdig, respectievelijk direct na ontvangst, een afschrift aan de bewindvoerder. Ditzelfde geldt voor aangiften en beschikkingen over de jaren 2021 t/m 2023 voor zover nog niet aan de bewindvoerder toegezonden;
[appellant] stuurt ommegaand na de datum van deze beschikking een afschrift van de beschikking inzake de zorgtoeslag 2024 aan de bewindvoerder, indien en voor zover een dergelijk afschrift niet al aan de bewindvoerder is gestuurd;
De schuld aan de Belastingdienst van € 895,00 wordt conform de ter zitting genoemde betalingsregeling tijdig en volledig afgelost. Indien een termijn niet tijdig wordt voldaan, dan wel zodra de laatste termijn is voldaan, informeert [appellant] de bewindvoerder daar onmiddellijk over;
[appellant] betaalt vanaf 2 september 2024 maandelijks en tijdig het bewindvoerdersalaris, te vermeerderen met de verschuldigde omzetbelasting, aan de bewindvoerder.
De overige verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling, voor zover niet hierboven uitdrukkelijk vermeld, moet [appellant] ook naar behoren nakomen. De verplichting tot het afdragen van een maandelijkse boedelafdracht ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren is met ingang van 2 september 2024 vervallen.
3.7.9.
Nu het hof van oordeel is dat een verlenging geïndiceerd is, zal de verlenging – gegeven de cassatietermijn van 8 dagen als voortvloeiend uit artikel 355 lid 2 Fw jo 351 lid 5 Fw en behoudens het geval dat cassatie wordt ingesteld – ingaan op 7 februari 2025, nu in de periode van 2 september 2024 tot aan het onherroepelijk worden van onderhavige beschikking de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling voor [appellant] niet golden/gelden (Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935).
Beoordeling
Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
3.7.2.
Het hof is van oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [appellant] heeft namelijk in de eerste plaats niet aan de informatieplicht voldaan. Dat blijkt uit de verscheidene verslagen en uit de reactie van de bewindvoerder op het beroepschrift en uit wat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard. Zo heeft [appellant] niet altijd op tijd de financiële gegevens toegestuurd, heeft hij de bewindvoerder niet gemeld dat hij geen aangifte IB 2021 had gedaan en daarom een ambtshalve aanslag had ontvangen en heeft hij pas bij de eindzitting in eerste aanleg melding gemaakt van de verkoop van zijn auto.
3.7.3.
Hierbij komt dat [appellant] een nieuwe schuld heeft gemaakt. Het gaat om een bedrag van € 895,- doordat de aangifte inkomstenbelasting 2021 niet is gedaan. Het hof is van oordeel dat [appellant] zelf aangifte had moeten doen als hij niet in staat was om zijn boekhouder te betalen. Dat een betalingsregeling is getroffen, doet niet af van het ontstaan van de schuld.
3.7.4.
Ook staat vast dat [appellant] een boedelachterstand (in ieder geval tot en met 10 januari 2025 berekend op € 2.593,71) heeft laten ontstaan. De boedelachterstand kan mogelijk iets hoger zijn, omdat de bewindvoerder de beschikking van de zorgtoeslag 2024 nog niet heeft ontvangen.
3.7.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat vast is komen te staan dat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten.
3.7.6.
Het hof is van oordeel dat de tekortkomingen [appellant] ook kunnen worden toegerekend. [appellant] is en was namelijk op de hoogte van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling. Bij aanvang van de schuldsaneringsregeling wordt een schuldenaar over de verplichtingen geïnformeerd en moet de schuldenaar een formulier met de regels daarvan ondertekenen. Daarnaast is [appellant] bij herhaling door de bewindvoerder in de verslagen erop gewezen dat hij nog stukken, zoals bankafschriften en de inkomensgegevens, moest overleggen. De bewindvoerder heeft [appellant] ook meerdere keren in de correspondentie erop gewezen dat hij recht heeft op zorgtoeslag en dat hij dit moest aanvragen. [appellant] is dus voldoende gewaarschuwd. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien de bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven. Ook niet in het licht dat de zus van [appellant] in oktober 2024 is overleden. Het hof heeft er begrip voor dat dit impact heeft (gehad) op het leven van [appellant] , maar het is het hof gebleken dat [appellant] over de gehele looptijd van de schuldsanering zijn verplichtingen niet is nagekomen.
3.7.7.
Het hof ziet echter aanleiding om de wettelijke schuldsaneringsregeling na afloop van de reguliere duur te verlengen ingevolge artikel 349a lid 2 en 3 FW. Het hof is namelijk van oordeel dat thans nog geen schone lei kan worden verleend, maar dat de verwachting gerechtvaardigd is dat dit na een verlenging van de termijn wel mogelijk zal zijn, mits [appellant] gedurende die verlenging zijn aanvankelijke tekortkomingen herstelt en geen nieuwe tekortkomingen laat ontstaan. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat [appellant] inmiddels alle aangiftes voor de inkomstenbelasting heeft gedaan, of heeft klaarstaan voor verzending en dat te verwachten valt dat hij geld terugkrijgt van de Belastingdienst dat ten goede komt aan de boedel/schuldeisers. Verder heeft [appellant] ter zitting verklaard dat het bedrag van de boedelachterstand (€ 2.593,71) op de derdenrekening van mr. Van Brunschot-van der Sanden is gestort. Dit geld kan dus doorgestort worden naar de bewindvoerder. Daarnaast heeft [appellant] verklaard dat hij bereid is om een eventueel nader boedeltekort ten gevolge van wijzigingen in het vrij te laten bedrag als gevolg van de verkoop van zijn auto ook nog aan te zuiveren. Verder neemt het hof in zijn afweging mee dat [appellant] gedurende de gehele looptijd van de schuldsanering fulltime heeft gewerkt en dat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard, hoewel zij er geen vertrouwen in heeft dat hij alle verplichtingen gaat nakomen, niet onwelwillend tegenover een verlenging van de schuldsanering te staan.
3.7.8.
Het hof zal daarom de termijn van de schuldsanering verlengen voor de duur die nodig is om te voldoen aan volgende voorwaarden, met een maximum van twee jaar:
Het bedrag dat op de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] staat wordt onmiddellijk overgemaakt naar de bewindvoerder;
Alle bedragen die [appellant] nog gaat ontvangen van de Belastingdienst ten aanzien van de inkomstenbelasting over de jaren 2021 tot en met 2023 worden ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
[appellant] doet tijdig, en dus vóór 1 mei 2025, aangifte inkomstenbelasting 2024 en een eventueel daaruit voorvloeiende teruggaaf wordt ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
Van de hiervoor bedoelde aangifte inkomstenbelasting 2024, alsmede daarop volgende beschikking(en) stuurt [appellant] gelijktijdig, respectievelijk direct na ontvangst, een afschrift aan de bewindvoerder. Ditzelfde geldt voor aangiften en beschikkingen over de jaren 2021 t/m 2023 voor zover nog niet aan de bewindvoerder toegezonden;
[appellant] stuurt ommegaand na de datum van deze beschikking een afschrift van de beschikking inzake de zorgtoeslag 2024 aan de bewindvoerder, indien en voor zover een dergelijk afschrift niet al aan de bewindvoerder is gestuurd;
De schuld aan de Belastingdienst van € 895,00 wordt conform de ter zitting genoemde betalingsregeling tijdig en volledig afgelost. Indien een termijn niet tijdig wordt voldaan, dan wel zodra de laatste termijn is voldaan, informeert [appellant] de bewindvoerder daar onmiddellijk over;
[appellant] betaalt vanaf 2 september 2024 maandelijks en tijdig het bewindvoerdersalaris, te vermeerderen met de verschuldigde omzetbelasting, aan de bewindvoerder.
De overige verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling, voor zover niet hierboven uitdrukkelijk vermeld, moet [appellant] ook naar behoren nakomen. De verplichting tot het afdragen van een maandelijkse boedelafdracht ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren is met ingang van 2 september 2024 vervallen.
3.7.9.
Nu het hof van oordeel is dat een verlenging geïndiceerd is, zal de verlenging – gegeven de cassatietermijn van 8 dagen als voortvloeiend uit artikel 355 lid 2 Fw jo 351 lid 5 Fw en behoudens het geval dat cassatie wordt ingesteld – ingaan op 7 februari 2025, nu in de periode van 2 september 2024 tot aan het onherroepelijk worden van onderhavige beschikking de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling voor [appellant] niet golden/gelden (Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935).
Beoordeling
Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
3.7.2.
Het hof is van oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [appellant] heeft namelijk in de eerste plaats niet aan de informatieplicht voldaan. Dat blijkt uit de verscheidene verslagen en uit de reactie van de bewindvoerder op het beroepschrift en uit wat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard. Zo heeft [appellant] niet altijd op tijd de financiële gegevens toegestuurd, heeft hij de bewindvoerder niet gemeld dat hij geen aangifte IB 2021 had gedaan en daarom een ambtshalve aanslag had ontvangen en heeft hij pas bij de eindzitting in eerste aanleg melding gemaakt van de verkoop van zijn auto.
3.7.3.
Hierbij komt dat [appellant] een nieuwe schuld heeft gemaakt. Het gaat om een bedrag van € 895,- doordat de aangifte inkomstenbelasting 2021 niet is gedaan. Het hof is van oordeel dat [appellant] zelf aangifte had moeten doen als hij niet in staat was om zijn boekhouder te betalen. Dat een betalingsregeling is getroffen, doet niet af van het ontstaan van de schuld.
3.7.4.
Ook staat vast dat [appellant] een boedelachterstand (in ieder geval tot en met 10 januari 2025 berekend op € 2.593,71) heeft laten ontstaan. De boedelachterstand kan mogelijk iets hoger zijn, omdat de bewindvoerder de beschikking van de zorgtoeslag 2024 nog niet heeft ontvangen.
3.7.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat vast is komen te staan dat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten.
3.7.6.
Het hof is van oordeel dat de tekortkomingen [appellant] ook kunnen worden toegerekend. [appellant] is en was namelijk op de hoogte van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling. Bij aanvang van de schuldsaneringsregeling wordt een schuldenaar over de verplichtingen geïnformeerd en moet de schuldenaar een formulier met de regels daarvan ondertekenen. Daarnaast is [appellant] bij herhaling door de bewindvoerder in de verslagen erop gewezen dat hij nog stukken, zoals bankafschriften en de inkomensgegevens, moest overleggen. De bewindvoerder heeft [appellant] ook meerdere keren in de correspondentie erop gewezen dat hij recht heeft op zorgtoeslag en dat hij dit moest aanvragen. [appellant] is dus voldoende gewaarschuwd. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien de bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven. Ook niet in het licht dat de zus van [appellant] in oktober 2024 is overleden. Het hof heeft er begrip voor dat dit impact heeft (gehad) op het leven van [appellant] , maar het is het hof gebleken dat [appellant] over de gehele looptijd van de schuldsanering zijn verplichtingen niet is nagekomen.
3.7.7.
Het hof ziet echter aanleiding om de wettelijke schuldsaneringsregeling na afloop van de reguliere duur te verlengen ingevolge artikel 349a lid 2 en 3 FW. Het hof is namelijk van oordeel dat thans nog geen schone lei kan worden verleend, maar dat de verwachting gerechtvaardigd is dat dit na een verlenging van de termijn wel mogelijk zal zijn, mits [appellant] gedurende die verlenging zijn aanvankelijke tekortkomingen herstelt en geen nieuwe tekortkomingen laat ontstaan. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat [appellant] inmiddels alle aangiftes voor de inkomstenbelasting heeft gedaan, of heeft klaarstaan voor verzending en dat te verwachten valt dat hij geld terugkrijgt van de Belastingdienst dat ten goede komt aan de boedel/schuldeisers. Verder heeft [appellant] ter zitting verklaard dat het bedrag van de boedelachterstand (€ 2.593,71) op de derdenrekening van mr. Van Brunschot-van der Sanden is gestort. Dit geld kan dus doorgestort worden naar de bewindvoerder. Daarnaast heeft [appellant] verklaard dat hij bereid is om een eventueel nader boedeltekort ten gevolge van wijzigingen in het vrij te laten bedrag als gevolg van de verkoop van zijn auto ook nog aan te zuiveren. Verder neemt het hof in zijn afweging mee dat [appellant] gedurende de gehele looptijd van de schuldsanering fulltime heeft gewerkt en dat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard, hoewel zij er geen vertrouwen in heeft dat hij alle verplichtingen gaat nakomen, niet onwelwillend tegenover een verlenging van de schuldsanering te staan.
3.7.8.
Het hof zal daarom de termijn van de schuldsanering verlengen voor de duur die nodig is om te voldoen aan volgende voorwaarden, met een maximum van twee jaar:
Het bedrag dat op de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] staat wordt onmiddellijk overgemaakt naar de bewindvoerder;
Alle bedragen die [appellant] nog gaat ontvangen van de Belastingdienst ten aanzien van de inkomstenbelasting over de jaren 2021 tot en met 2023 worden ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
[appellant] doet tijdig, en dus vóór 1 mei 2025, aangifte inkomstenbelasting 2024 en een eventueel daaruit voorvloeiende teruggaaf wordt ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
Van de hiervoor bedoelde aangifte inkomstenbelasting 2024, alsmede daarop volgende beschikking(en) stuurt [appellant] gelijktijdig, respectievelijk direct na ontvangst, een afschrift aan de bewindvoerder. Ditzelfde geldt voor aangiften en beschikkingen over de jaren 2021 t/m 2023 voor zover nog niet aan de bewindvoerder toegezonden;
[appellant] stuurt ommegaand na de datum van deze beschikking een afschrift van de beschikking inzake de zorgtoeslag 2024 aan de bewindvoerder, indien en voor zover een dergelijk afschrift niet al aan de bewindvoerder is gestuurd;
De schuld aan de Belastingdienst van € 895,00 wordt conform de ter zitting genoemde betalingsregeling tijdig en volledig afgelost. Indien een termijn niet tijdig wordt voldaan, dan wel zodra de laatste termijn is voldaan, informeert [appellant] de bewindvoerder daar onmiddellijk over;
[appellant] betaalt vanaf 2 september 2024 maandelijks en tijdig het bewindvoerdersalaris, te vermeerderen met de verschuldigde omzetbelasting, aan de bewindvoerder.
De overige verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling, voor zover niet hierboven uitdrukkelijk vermeld, moet [appellant] ook naar behoren nakomen. De verplichting tot het afdragen van een maandelijkse boedelafdracht ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren is met ingang van 2 september 2024 vervallen.
3.7.9.
Nu het hof van oordeel is dat een verlenging geïndiceerd is, zal de verlenging – gegeven de cassatietermijn van 8 dagen als voortvloeiend uit artikel 355 lid 2 Fw jo 351 lid 5 Fw en behoudens het geval dat cassatie wordt ingesteld – ingaan op 7 februari 2025, nu in de periode van 2 september 2024 tot aan het onherroepelijk worden van onderhavige beschikking de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling voor [appellant] niet golden/gelden (Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935).
Beoordeling
Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
3.7.2.
Het hof is van oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [appellant] heeft namelijk in de eerste plaats niet aan de informatieplicht voldaan. Dat blijkt uit de verscheidene verslagen en uit de reactie van de bewindvoerder op het beroepschrift en uit wat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard. Zo heeft [appellant] niet altijd op tijd de financiële gegevens toegestuurd, heeft hij de bewindvoerder niet gemeld dat hij geen aangifte IB 2021 had gedaan en daarom een ambtshalve aanslag had ontvangen en heeft hij pas bij de eindzitting in eerste aanleg melding gemaakt van de verkoop van zijn auto.
3.7.3.
Hierbij komt dat [appellant] een nieuwe schuld heeft gemaakt. Het gaat om een bedrag van € 895,- doordat de aangifte inkomstenbelasting 2021 niet is gedaan. Het hof is van oordeel dat [appellant] zelf aangifte had moeten doen als hij niet in staat was om zijn boekhouder te betalen. Dat een betalingsregeling is getroffen, doet niet af van het ontstaan van de schuld.
3.7.4.
Ook staat vast dat [appellant] een boedelachterstand (in ieder geval tot en met 10 januari 2025 berekend op € 2.593,71) heeft laten ontstaan. De boedelachterstand kan mogelijk iets hoger zijn, omdat de bewindvoerder de beschikking van de zorgtoeslag 2024 nog niet heeft ontvangen.
3.7.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat vast is komen te staan dat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten.
3.7.6.
Het hof is van oordeel dat de tekortkomingen [appellant] ook kunnen worden toegerekend. [appellant] is en was namelijk op de hoogte van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling. Bij aanvang van de schuldsaneringsregeling wordt een schuldenaar over de verplichtingen geïnformeerd en moet de schuldenaar een formulier met de regels daarvan ondertekenen. Daarnaast is [appellant] bij herhaling door de bewindvoerder in de verslagen erop gewezen dat hij nog stukken, zoals bankafschriften en de inkomensgegevens, moest overleggen. De bewindvoerder heeft [appellant] ook meerdere keren in de correspondentie erop gewezen dat hij recht heeft op zorgtoeslag en dat hij dit moest aanvragen. [appellant] is dus voldoende gewaarschuwd. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien de bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven. Ook niet in het licht dat de zus van [appellant] in oktober 2024 is overleden. Het hof heeft er begrip voor dat dit impact heeft (gehad) op het leven van [appellant] , maar het is het hof gebleken dat [appellant] over de gehele looptijd van de schuldsanering zijn verplichtingen niet is nagekomen.
3.7.7.
Het hof ziet echter aanleiding om de wettelijke schuldsaneringsregeling na afloop van de reguliere duur te verlengen ingevolge artikel 349a lid 2 en 3 FW. Het hof is namelijk van oordeel dat thans nog geen schone lei kan worden verleend, maar dat de verwachting gerechtvaardigd is dat dit na een verlenging van de termijn wel mogelijk zal zijn, mits [appellant] gedurende die verlenging zijn aanvankelijke tekortkomingen herstelt en geen nieuwe tekortkomingen laat ontstaan. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat [appellant] inmiddels alle aangiftes voor de inkomstenbelasting heeft gedaan, of heeft klaarstaan voor verzending en dat te verwachten valt dat hij geld terugkrijgt van de Belastingdienst dat ten goede komt aan de boedel/schuldeisers. Verder heeft [appellant] ter zitting verklaard dat het bedrag van de boedelachterstand (€ 2.593,71) op de derdenrekening van mr. Van Brunschot-van der Sanden is gestort. Dit geld kan dus doorgestort worden naar de bewindvoerder. Daarnaast heeft [appellant] verklaard dat hij bereid is om een eventueel nader boedeltekort ten gevolge van wijzigingen in het vrij te laten bedrag als gevolg van de verkoop van zijn auto ook nog aan te zuiveren. Verder neemt het hof in zijn afweging mee dat [appellant] gedurende de gehele looptijd van de schuldsanering fulltime heeft gewerkt en dat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard, hoewel zij er geen vertrouwen in heeft dat hij alle verplichtingen gaat nakomen, niet onwelwillend tegenover een verlenging van de schuldsanering te staan.
3.7.8.
Het hof zal daarom de termijn van de schuldsanering verlengen voor de duur die nodig is om te voldoen aan volgende voorwaarden, met een maximum van twee jaar:
Het bedrag dat op de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] staat wordt onmiddellijk overgemaakt naar de bewindvoerder;
Alle bedragen die [appellant] nog gaat ontvangen van de Belastingdienst ten aanzien van de inkomstenbelasting over de jaren 2021 tot en met 2023 worden ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
[appellant] doet tijdig, en dus vóór 1 mei 2025, aangifte inkomstenbelasting 2024 en een eventueel daaruit voorvloeiende teruggaaf wordt ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
Van de hiervoor bedoelde aangifte inkomstenbelasting 2024, alsmede daarop volgende beschikking(en) stuurt [appellant] gelijktijdig, respectievelijk direct na ontvangst, een afschrift aan de bewindvoerder. Ditzelfde geldt voor aangiften en beschikkingen over de jaren 2021 t/m 2023 voor zover nog niet aan de bewindvoerder toegezonden;
[appellant] stuurt ommegaand na de datum van deze beschikking een afschrift van de beschikking inzake de zorgtoeslag 2024 aan de bewindvoerder, indien en voor zover een dergelijk afschrift niet al aan de bewindvoerder is gestuurd;
De schuld aan de Belastingdienst van € 895,00 wordt conform de ter zitting genoemde betalingsregeling tijdig en volledig afgelost. Indien een termijn niet tijdig wordt voldaan, dan wel zodra de laatste termijn is voldaan, informeert [appellant] de bewindvoerder daar onmiddellijk over;
[appellant] betaalt vanaf 2 september 2024 maandelijks en tijdig het bewindvoerdersalaris, te vermeerderen met de verschuldigde omzetbelasting, aan de bewindvoerder.
De overige verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling, voor zover niet hierboven uitdrukkelijk vermeld, moet [appellant] ook naar behoren nakomen. De verplichting tot het afdragen van een maandelijkse boedelafdracht ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren is met ingang van 2 september 2024 vervallen.
3.7.9.
Nu het hof van oordeel is dat een verlenging geïndiceerd is, zal de verlenging – gegeven de cassatietermijn van 8 dagen als voortvloeiend uit artikel 355 lid 2 Fw jo 351 lid 5 Fw en behoudens het geval dat cassatie wordt ingesteld – ingaan op 7 februari 2025, nu in de periode van 2 september 2024 tot aan het onherroepelijk worden van onderhavige beschikking de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling voor [appellant] niet golden/gelden (Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935).
Beoordeling
Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
3.7.2.
Het hof is van oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [appellant] heeft namelijk in de eerste plaats niet aan de informatieplicht voldaan. Dat blijkt uit de verscheidene verslagen en uit de reactie van de bewindvoerder op het beroepschrift en uit wat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard. Zo heeft [appellant] niet altijd op tijd de financiële gegevens toegestuurd, heeft hij de bewindvoerder niet gemeld dat hij geen aangifte IB 2021 had gedaan en daarom een ambtshalve aanslag had ontvangen en heeft hij pas bij de eindzitting in eerste aanleg melding gemaakt van de verkoop van zijn auto.
3.7.3.
Hierbij komt dat [appellant] een nieuwe schuld heeft gemaakt. Het gaat om een bedrag van € 895,- doordat de aangifte inkomstenbelasting 2021 niet is gedaan. Het hof is van oordeel dat [appellant] zelf aangifte had moeten doen als hij niet in staat was om zijn boekhouder te betalen. Dat een betalingsregeling is getroffen, doet niet af van het ontstaan van de schuld.
3.7.4.
Ook staat vast dat [appellant] een boedelachterstand (in ieder geval tot en met 10 januari 2025 berekend op € 2.593,71) heeft laten ontstaan. De boedelachterstand kan mogelijk iets hoger zijn, omdat de bewindvoerder de beschikking van de zorgtoeslag 2024 nog niet heeft ontvangen.
3.7.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat vast is komen te staan dat [appellant] in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten.
3.7.6.
Het hof is van oordeel dat de tekortkomingen [appellant] ook kunnen worden toegerekend. [appellant] is en was namelijk op de hoogte van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling. Bij aanvang van de schuldsaneringsregeling wordt een schuldenaar over de verplichtingen geïnformeerd en moet de schuldenaar een formulier met de regels daarvan ondertekenen. Daarnaast is [appellant] bij herhaling door de bewindvoerder in de verslagen erop gewezen dat hij nog stukken, zoals bankafschriften en de inkomensgegevens, moest overleggen. De bewindvoerder heeft [appellant] ook meerdere keren in de correspondentie erop gewezen dat hij recht heeft op zorgtoeslag en dat hij dit moest aanvragen. [appellant] is dus voldoende gewaarschuwd. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien de bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven. Ook niet in het licht dat de zus van [appellant] in oktober 2024 is overleden. Het hof heeft er begrip voor dat dit impact heeft (gehad) op het leven van [appellant] , maar het is het hof gebleken dat [appellant] over de gehele looptijd van de schuldsanering zijn verplichtingen niet is nagekomen.
3.7.7.
Het hof ziet echter aanleiding om de wettelijke schuldsaneringsregeling na afloop van de reguliere duur te verlengen ingevolge artikel 349a lid 2 en 3 FW. Het hof is namelijk van oordeel dat thans nog geen schone lei kan worden verleend, maar dat de verwachting gerechtvaardigd is dat dit na een verlenging van de termijn wel mogelijk zal zijn, mits [appellant] gedurende die verlenging zijn aanvankelijke tekortkomingen herstelt en geen nieuwe tekortkomingen laat ontstaan. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat [appellant] inmiddels alle aangiftes voor de inkomstenbelasting heeft gedaan, of heeft klaarstaan voor verzending en dat te verwachten valt dat hij geld terugkrijgt van de Belastingdienst dat ten goede komt aan de boedel/schuldeisers. Verder heeft [appellant] ter zitting verklaard dat het bedrag van de boedelachterstand (€ 2.593,71) op de derdenrekening van mr. Van Brunschot-van der Sanden is gestort. Dit geld kan dus doorgestort worden naar de bewindvoerder. Daarnaast heeft [appellant] verklaard dat hij bereid is om een eventueel nader boedeltekort ten gevolge van wijzigingen in het vrij te laten bedrag als gevolg van de verkoop van zijn auto ook nog aan te zuiveren. Verder neemt het hof in zijn afweging mee dat [appellant] gedurende de gehele looptijd van de schuldsanering fulltime heeft gewerkt en dat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard, hoewel zij er geen vertrouwen in heeft dat hij alle verplichtingen gaat nakomen, niet onwelwillend tegenover een verlenging van de schuldsanering te staan.
3.7.8.
Het hof zal daarom de termijn van de schuldsanering verlengen voor de duur die nodig is om te voldoen aan volgende voorwaarden, met een maximum van twee jaar:
Het bedrag dat op de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] staat wordt onmiddellijk overgemaakt naar de bewindvoerder;
Alle bedragen die [appellant] nog gaat ontvangen van de Belastingdienst ten aanzien van de inkomstenbelasting over de jaren 2021 tot en met 2023 worden ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
[appellant] doet tijdig, en dus vóór 1 mei 2025, aangifte inkomstenbelasting 2024 en een eventueel daaruit voorvloeiende teruggaaf wordt ommegaand na ontvangst door [appellant] doorgestort naar de bewindvoerder;
Van de hiervoor bedoelde aangifte inkomstenbelasting 2024, alsmede daarop volgende beschikking(en) stuurt [appellant] gelijktijdig, respectievelijk direct na ontvangst, een afschrift aan de bewindvoerder. Ditzelfde geldt voor aangiften en beschikkingen over de jaren 2021 t/m 2023 voor zover nog niet aan de bewindvoerder toegezonden;
[appellant] stuurt ommegaand na de datum van deze beschikking een afschrift van de beschikking inzake de zorgtoeslag 2024 aan de bewindvoerder, indien en voor zover een dergelijk afschrift niet al aan de bewindvoerder is gestuurd;
De schuld aan de Belastingdienst van € 895,00 wordt conform de ter zitting genoemde betalingsregeling tijdig en volledig afgelost. Indien een termijn niet tijdig wordt voldaan, dan wel zodra de laatste termijn is voldaan, informeert [appellant] de bewindvoerder daar onmiddellijk over;
[appellant] betaalt vanaf 2 september 2024 maandelijks en tijdig het bewindvoerdersalaris, te vermeerderen met de verschuldigde omzetbelasting, aan de bewindvoerder.
De overige verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling, voor zover niet hierboven uitdrukkelijk vermeld, moet [appellant] ook naar behoren nakomen. De verplichting tot het afdragen van een maandelijkse boedelafdracht ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren is met ingang van 2 september 2024 vervallen.
3.7.9.
Nu het hof van oordeel is dat een verlenging geïndiceerd is, zal de verlenging – gegeven de cassatietermijn van 8 dagen als voortvloeiend uit artikel 355 lid 2 Fw jo 351 lid 5 Fw en behoudens het geval dat cassatie wordt ingesteld – ingaan op 7 februari 2025, nu in de periode van 2 september 2024 tot aan het onherroepelijk worden van onderhavige beschikking de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling voor [appellant] niet golden/gelden (Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935).