Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-10
ECLI:NL:GHSHE:2025:2364
Strafrecht
Hoger beroep
12,168 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001524-23
Uitspraak : 10 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 mei 2023 in de strafzaak met parketnummer 03-202793-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte, met vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, ter zake van medeplegen van witwassen veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen sieraden aan de verdachte gelast.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit en subsidiair een voorwaardelijk verzoek gedaan om getuige [getuige] te horen. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd en verzocht om teruggave van het aangetroffen geldbedrag van € 15.000,00 zodat dit bedrag retour kan naar de rechtmatige eigenaar [getuige] en om teruggave van het geldbedrag van € 300,00, dat was gelegen tussen hoofddoeken in de kledingkast.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust.
Het hof zal, naar aanleiding van de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren, het vonnis waarvan beroep aanvullen met de navolgende overwegingen:
Aanvullende bewijsoverweging
Door de verdediging is ook ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is opnieuw aangevoerd dat de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het geld. De verdachte zou het geldbedrag in bewaring hebben genomen op verzoek van haar vriendin, [getuige] , die in een aanvullend proces-verbaal verhoor getuige PL2300-2021156477-3 d.d. 2 april 2022, in lijn met de verklaring van de verdachte heeft bevestigd dat het geld van haar afkomstig is, hetgeen tevens volgt uit de latere verklaring van [getuige] die is gehecht aan de door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota. Daarom kan niet zonder meer worden gezegd dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag waarop de verdenking ziet uit enig misdrijf afkomstig is, aldus de verdediging.
Het hof merkt op dat in de aan de pleitnota gehechte verklaring van [getuige] staat dat zij eind augustus 2021 aan de verdachte een geldbedrag in bewaring heeft weggegeven. De afschriften/screenshots die de getuige naar aanleiding van haar verklaring als getuige op 22 mei 2022 desgevraagd als bewijs dat het geld van haar was per e-mail de politie had doen toekomen betreffen echter deels de periode na augustus 2021. Bovendien, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen PL2300-2021156477-4 d.d. 2 april 2022, is op die afschriften/afbeeldingen niet te zien of het hier een aan [getuige] toebehorende bankrekening betreft en evenmin dat het geld, zoals zij heeft verklaard, door haar is gepind. Nadat zij hiermee door de verbalisant was geconfronteerd zegde zij toe opnieuw screenshots te maken van de gepinde bedragen, maar in het dossier zijn die door het hof niet aangetroffen. Ook bij de korte verklaring van [getuige] , aangehecht aan de op zitting in hoger beroep door de verdediging overgelegde pleitnota zijn deze destijds toegezegde screenshots die als bewijsstuk zouden kunnen dienen dat het haar geld betreft, niet toegevoegd.
Het hof is derhalve van oordeel dat de aanvullende verklaring van de getuige die is gehecht aan de door de raadsman overgelegde pleitnota, geen nieuwe feiten en omstandigheden bevat die tot een ander oordeel zouden moeten leiden dan in het vonnis is vermeld en verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Het hof acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde medeplegen van witwassen, heeft begaan.
Straftoemeting
In hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de strafoplegging heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een andere beslissing dan de rechtbank.
Beslag
Het hof verenigt zich met de beslissing op het beslag van de rechtbank. Van de door de verdediging vermelde geldbedragen van € 15.000,00 en € 300,00 ontbreekt een kennisgeving van inbeslagname in de onderhavige strafzaak. Derhalve zal het hof hierop geen beslissing nemen.
Voorwaardelijk verzoek
Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bij wijze van voorwaardelijk verzoek, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, verzocht om [getuige] als getuige te (doen) laten horen.
Het hof neemt bij de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek in aanmerking dat de verdediging meermaals de mogelijkheid heeft gehad om een verzoek in te dienen om [getuige] als getuige te (doen) laten horen, maar de verdediging heeft van deze mogelijkheden geen gebruik gemaakt. In hoger beroep is nimmer – noch bij appelschriftuur noch op een later moment – verzocht om het horen van [getuige] als getuige in de zaak van verdachte. Het had naar het oordeel van het hof in de rede gelegen het verzoek tot het horen van deze getuige reeds bij appelschriftuur in te dienen, althans op een eerder moment dan bij gelegenheid van pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep, te meer nu de verklaring van [getuige] al lang bekend was en er sinds het vonnis van de rechtbank niet van nieuwe feiten en omstandigheden is gebleken. Daarmee is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om de genoemde persoon als getuige te horen. Daarbij komt dat het hof tevens van oordeel is dat, nu de verdediging de wens tot het horen van de getuige heeft laten afhangen van de bewijsbeslissing van het hof met betrekking tot het tenlastegelegde en aldus gedaan in een laat stadium van het onderzoek ter terechtzitting - te weten ter gelegenheid van het pleidooi van de verdediging - het verzoek niet voldoet aan de aan een dergelijk verzoek te stellen eisen, te weten dat de verdediging tot het doen van een dergelijk verzoek het nodige initiatief neemt tot het doen van een stellig en duidelijk verzoek waaruit de noodzaak blijkt voor die nadere onderzoekshandeling.
Het hof acht zich voldoende ingelicht en de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor is niet gebleken. Op grond van het voorstaande wijst het hof het voorwaardelijk ingediende verzoek tot het horen van [getuige] dan ook af.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 10 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001524-23
Uitspraak : 10 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 mei 2023 in de strafzaak met parketnummer 03-202793-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte, met vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, ter zake van medeplegen van witwassen veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen sieraden aan de verdachte gelast.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit en subsidiair een voorwaardelijk verzoek gedaan om getuige [getuige] te horen. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd en verzocht om teruggave van het aangetroffen geldbedrag van € 15.000,00 zodat dit bedrag retour kan naar de rechtmatige eigenaar [getuige] en om teruggave van het geldbedrag van € 300,00, dat was gelegen tussen hoofddoeken in de kledingkast.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust.
Het hof zal, naar aanleiding van de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren, het vonnis waarvan beroep aanvullen met de navolgende overwegingen:
Aanvullende bewijsoverweging
Door de verdediging is ook ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is opnieuw aangevoerd dat de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het geld. De verdachte zou het geldbedrag in bewaring hebben genomen op verzoek van haar vriendin, [getuige] , die in een aanvullend proces-verbaal verhoor getuige PL2300-2021156477-3 d.d. 2 april 2022, in lijn met de verklaring van de verdachte heeft bevestigd dat het geld van haar afkomstig is, hetgeen tevens volgt uit de latere verklaring van [getuige] die is gehecht aan de door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota. Daarom kan niet zonder meer worden gezegd dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag waarop de verdenking ziet uit enig misdrijf afkomstig is, aldus de verdediging.
Het hof merkt op dat in de aan de pleitnota gehechte verklaring van [getuige] staat dat zij eind augustus 2021 aan de verdachte een geldbedrag in bewaring heeft weggegeven. De afschriften/screenshots die de getuige naar aanleiding van haar verklaring als getuige op 22 mei 2022 desgevraagd als bewijs dat het geld van haar was per e-mail de politie had doen toekomen betreffen echter deels de periode na augustus 2021. Bovendien, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen PL2300-2021156477-4 d.d. 2 april 2022, is op die afschriften/afbeeldingen niet te zien of het hier een aan [getuige] toebehorende bankrekening betreft en evenmin dat het geld, zoals zij heeft verklaard, door haar is gepind. Nadat zij hiermee door de verbalisant was geconfronteerd zegde zij toe opnieuw screenshots te maken van de gepinde bedragen, maar in het dossier zijn die door het hof niet aangetroffen. Ook bij de korte verklaring van [getuige] , aangehecht aan de op zitting in hoger beroep door de verdediging overgelegde pleitnota zijn deze destijds toegezegde screenshots die als bewijsstuk zouden kunnen dienen dat het haar geld betreft, niet toegevoegd.
Het hof is derhalve van oordeel dat de aanvullende verklaring van de getuige die is gehecht aan de door de raadsman overgelegde pleitnota, geen nieuwe feiten en omstandigheden bevat die tot een ander oordeel zouden moeten leiden dan in het vonnis is vermeld en verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Het hof acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde medeplegen van witwassen, heeft begaan.
Straftoemeting
In hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de strafoplegging heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een andere beslissing dan de rechtbank.
Beslag
Het hof verenigt zich met de beslissing op het beslag van de rechtbank. Van de door de verdediging vermelde geldbedragen van € 15.000,00 en € 300,00 ontbreekt een kennisgeving van inbeslagname in de onderhavige strafzaak. Derhalve zal het hof hierop geen beslissing nemen.
Voorwaardelijk verzoek
Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bij wijze van voorwaardelijk verzoek, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, verzocht om [getuige] als getuige te (doen) laten horen.
Het hof neemt bij de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek in aanmerking dat de verdediging meermaals de mogelijkheid heeft gehad om een verzoek in te dienen om [getuige] als getuige te (doen) laten horen, maar de verdediging heeft van deze mogelijkheden geen gebruik gemaakt. In hoger beroep is nimmer – noch bij appelschriftuur noch op een later moment – verzocht om het horen van [getuige] als getuige in de zaak van verdachte. Het had naar het oordeel van het hof in de rede gelegen het verzoek tot het horen van deze getuige reeds bij appelschriftuur in te dienen, althans op een eerder moment dan bij gelegenheid van pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep, te meer nu de verklaring van [getuige] al lang bekend was en er sinds het vonnis van de rechtbank niet van nieuwe feiten en omstandigheden is gebleken. Daarmee is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om de genoemde persoon als getuige te horen. Daarbij komt dat het hof tevens van oordeel is dat, nu de verdediging de wens tot het horen van de getuige heeft laten afhangen van de bewijsbeslissing van het hof met betrekking tot het tenlastegelegde en aldus gedaan in een laat stadium van het onderzoek ter terechtzitting - te weten ter gelegenheid van het pleidooi van de verdediging - het verzoek niet voldoet aan de aan een dergelijk verzoek te stellen eisen, te weten dat de verdediging tot het doen van een dergelijk verzoek het nodige initiatief neemt tot het doen van een stellig en duidelijk verzoek waaruit de noodzaak blijkt voor die nadere onderzoekshandeling.
Het hof acht zich voldoende ingelicht en de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor is niet gebleken. Op grond van het voorstaande wijst het hof het voorwaardelijk ingediende verzoek tot het horen van [getuige] dan ook af.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 10 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001524-23
Uitspraak : 10 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 mei 2023 in de strafzaak met parketnummer 03-202793-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte, met vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, ter zake van medeplegen van witwassen veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen sieraden aan de verdachte gelast.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit en subsidiair een voorwaardelijk verzoek gedaan om getuige [getuige] te horen. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd en verzocht om teruggave van het aangetroffen geldbedrag van € 15.000,00 zodat dit bedrag retour kan naar de rechtmatige eigenaar [getuige] en om teruggave van het geldbedrag van € 300,00, dat was gelegen tussen hoofddoeken in de kledingkast.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust.
Het hof zal, naar aanleiding van de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren, het vonnis waarvan beroep aanvullen met de navolgende overwegingen:
Aanvullende bewijsoverweging
Door de verdediging is ook ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is opnieuw aangevoerd dat de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het geld. De verdachte zou het geldbedrag in bewaring hebben genomen op verzoek van haar vriendin, [getuige] , die in een aanvullend proces-verbaal verhoor getuige PL2300-2021156477-3 d.d. 2 april 2022, in lijn met de verklaring van de verdachte heeft bevestigd dat het geld van haar afkomstig is, hetgeen tevens volgt uit de latere verklaring van [getuige] die is gehecht aan de door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota. Daarom kan niet zonder meer worden gezegd dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag waarop de verdenking ziet uit enig misdrijf afkomstig is, aldus de verdediging.
Het hof merkt op dat in de aan de pleitnota gehechte verklaring van [getuige] staat dat zij eind augustus 2021 aan de verdachte een geldbedrag in bewaring heeft weggegeven. De afschriften/screenshots die de getuige naar aanleiding van haar verklaring als getuige op 22 mei 2022 desgevraagd als bewijs dat het geld van haar was per e-mail de politie had doen toekomen betreffen echter deels de periode na augustus 2021. Bovendien, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen PL2300-2021156477-4 d.d. 2 april 2022, is op die afschriften/afbeeldingen niet te zien of het hier een aan [getuige] toebehorende bankrekening betreft en evenmin dat het geld, zoals zij heeft verklaard, door haar is gepind. Nadat zij hiermee door de verbalisant was geconfronteerd zegde zij toe opnieuw screenshots te maken van de gepinde bedragen, maar in het dossier zijn die door het hof niet aangetroffen. Ook bij de korte verklaring van [getuige] , aangehecht aan de op zitting in hoger beroep door de verdediging overgelegde pleitnota zijn deze destijds toegezegde screenshots die als bewijsstuk zouden kunnen dienen dat het haar geld betreft, niet toegevoegd.
Het hof is derhalve van oordeel dat de aanvullende verklaring van de getuige die is gehecht aan de door de raadsman overgelegde pleitnota, geen nieuwe feiten en omstandigheden bevat die tot een ander oordeel zouden moeten leiden dan in het vonnis is vermeld en verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Het hof acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde medeplegen van witwassen, heeft begaan.
Straftoemeting
In hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de strafoplegging heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een andere beslissing dan de rechtbank.
Beslag
Het hof verenigt zich met de beslissing op het beslag van de rechtbank. Van de door de verdediging vermelde geldbedragen van € 15.000,00 en € 300,00 ontbreekt een kennisgeving van inbeslagname in de onderhavige strafzaak. Derhalve zal het hof hierop geen beslissing nemen.
Voorwaardelijk verzoek
Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bij wijze van voorwaardelijk verzoek, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, verzocht om [getuige] als getuige te (doen) laten horen.
Het hof neemt bij de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek in aanmerking dat de verdediging meermaals de mogelijkheid heeft gehad om een verzoek in te dienen om [getuige] als getuige te (doen) laten horen, maar de verdediging heeft van deze mogelijkheden geen gebruik gemaakt. In hoger beroep is nimmer – noch bij appelschriftuur noch op een later moment – verzocht om het horen van [getuige] als getuige in de zaak van verdachte. Het had naar het oordeel van het hof in de rede gelegen het verzoek tot het horen van deze getuige reeds bij appelschriftuur in te dienen, althans op een eerder moment dan bij gelegenheid van pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep, te meer nu de verklaring van [getuige] al lang bekend was en er sinds het vonnis van de rechtbank niet van nieuwe feiten en omstandigheden is gebleken. Daarmee is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om de genoemde persoon als getuige te horen. Daarbij komt dat het hof tevens van oordeel is dat, nu de verdediging de wens tot het horen van de getuige heeft laten afhangen van de bewijsbeslissing van het hof met betrekking tot het tenlastegelegde en aldus gedaan in een laat stadium van het onderzoek ter terechtzitting - te weten ter gelegenheid van het pleidooi van de verdediging - het verzoek niet voldoet aan de aan een dergelijk verzoek te stellen eisen, te weten dat de verdediging tot het doen van een dergelijk verzoek het nodige initiatief neemt tot het doen van een stellig en duidelijk verzoek waaruit de noodzaak blijkt voor die nadere onderzoekshandeling.
Het hof acht zich voldoende ingelicht en de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor is niet gebleken. Op grond van het voorstaande wijst het hof het voorwaardelijk ingediende verzoek tot het horen van [getuige] dan ook af.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 10 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001524-23
Uitspraak : 10 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 mei 2023 in de strafzaak met parketnummer 03-202793-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte, met vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, ter zake van medeplegen van witwassen veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen sieraden aan de verdachte gelast.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit en subsidiair een voorwaardelijk verzoek gedaan om getuige [getuige] te horen. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd en verzocht om teruggave van het aangetroffen geldbedrag van € 15.000,00 zodat dit bedrag retour kan naar de rechtmatige eigenaar [getuige] en om teruggave van het geldbedrag van € 300,00, dat was gelegen tussen hoofddoeken in de kledingkast.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust.
Het hof zal, naar aanleiding van de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren, het vonnis waarvan beroep aanvullen met de navolgende overwegingen:
Aanvullende bewijsoverweging
Door de verdediging is ook ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is opnieuw aangevoerd dat de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het geld. De verdachte zou het geldbedrag in bewaring hebben genomen op verzoek van haar vriendin, [getuige] , die in een aanvullend proces-verbaal verhoor getuige PL2300-2021156477-3 d.d. 2 april 2022, in lijn met de verklaring van de verdachte heeft bevestigd dat het geld van haar afkomstig is, hetgeen tevens volgt uit de latere verklaring van [getuige] die is gehecht aan de door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota. Daarom kan niet zonder meer worden gezegd dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag waarop de verdenking ziet uit enig misdrijf afkomstig is, aldus de verdediging.
Het hof merkt op dat in de aan de pleitnota gehechte verklaring van [getuige] staat dat zij eind augustus 2021 aan de verdachte een geldbedrag in bewaring heeft weggegeven. De afschriften/screenshots die de getuige naar aanleiding van haar verklaring als getuige op 22 mei 2022 desgevraagd als bewijs dat het geld van haar was per e-mail de politie had doen toekomen betreffen echter deels de periode na augustus 2021. Bovendien, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen PL2300-2021156477-4 d.d. 2 april 2022, is op die afschriften/afbeeldingen niet te zien of het hier een aan [getuige] toebehorende bankrekening betreft en evenmin dat het geld, zoals zij heeft verklaard, door haar is gepind. Nadat zij hiermee door de verbalisant was geconfronteerd zegde zij toe opnieuw screenshots te maken van de gepinde bedragen, maar in het dossier zijn die door het hof niet aangetroffen. Ook bij de korte verklaring van [getuige] , aangehecht aan de op zitting in hoger beroep door de verdediging overgelegde pleitnota zijn deze destijds toegezegde screenshots die als bewijsstuk zouden kunnen dienen dat het haar geld betreft, niet toegevoegd.
Het hof is derhalve van oordeel dat de aanvullende verklaring van de getuige die is gehecht aan de door de raadsman overgelegde pleitnota, geen nieuwe feiten en omstandigheden bevat die tot een ander oordeel zouden moeten leiden dan in het vonnis is vermeld en verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Het hof acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde medeplegen van witwassen, heeft begaan.
Straftoemeting
In hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de strafoplegging heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een andere beslissing dan de rechtbank.
Beslag
Het hof verenigt zich met de beslissing op het beslag van de rechtbank. Van de door de verdediging vermelde geldbedragen van € 15.000,00 en € 300,00 ontbreekt een kennisgeving van inbeslagname in de onderhavige strafzaak. Derhalve zal het hof hierop geen beslissing nemen.
Voorwaardelijk verzoek
Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bij wijze van voorwaardelijk verzoek, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, verzocht om [getuige] als getuige te (doen) laten horen.
Het hof neemt bij de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek in aanmerking dat de verdediging meermaals de mogelijkheid heeft gehad om een verzoek in te dienen om [getuige] als getuige te (doen) laten horen, maar de verdediging heeft van deze mogelijkheden geen gebruik gemaakt. In hoger beroep is nimmer – noch bij appelschriftuur noch op een later moment – verzocht om het horen van [getuige] als getuige in de zaak van verdachte. Het had naar het oordeel van het hof in de rede gelegen het verzoek tot het horen van deze getuige reeds bij appelschriftuur in te dienen, althans op een eerder moment dan bij gelegenheid van pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep, te meer nu de verklaring van [getuige] al lang bekend was en er sinds het vonnis van de rechtbank niet van nieuwe feiten en omstandigheden is gebleken. Daarmee is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om de genoemde persoon als getuige te horen. Daarbij komt dat het hof tevens van oordeel is dat, nu de verdediging de wens tot het horen van de getuige heeft laten afhangen van de bewijsbeslissing van het hof met betrekking tot het tenlastegelegde en aldus gedaan in een laat stadium van het onderzoek ter terechtzitting - te weten ter gelegenheid van het pleidooi van de verdediging - het verzoek niet voldoet aan de aan een dergelijk verzoek te stellen eisen, te weten dat de verdediging tot het doen van een dergelijk verzoek het nodige initiatief neemt tot het doen van een stellig en duidelijk verzoek waaruit de noodzaak blijkt voor die nadere onderzoekshandeling.
Het hof acht zich voldoende ingelicht en de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor is niet gebleken. Op grond van het voorstaande wijst het hof het voorwaardelijk ingediende verzoek tot het horen van [getuige] dan ook af.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 10 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001524-23
Uitspraak : 10 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 mei 2023 in de strafzaak met parketnummer 03-202793-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte, met vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, ter zake van medeplegen van witwassen veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen sieraden aan de verdachte gelast.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit en subsidiair een voorwaardelijk verzoek gedaan om getuige [getuige] te horen. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd en verzocht om teruggave van het aangetroffen geldbedrag van € 15.000,00 zodat dit bedrag retour kan naar de rechtmatige eigenaar [getuige] en om teruggave van het geldbedrag van € 300,00, dat was gelegen tussen hoofddoeken in de kledingkast.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust.
Het hof zal, naar aanleiding van de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren, het vonnis waarvan beroep aanvullen met de navolgende overwegingen:
Aanvullende bewijsoverweging
Door de verdediging is ook ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is opnieuw aangevoerd dat de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het geld. De verdachte zou het geldbedrag in bewaring hebben genomen op verzoek van haar vriendin, [getuige] , die in een aanvullend proces-verbaal verhoor getuige PL2300-2021156477-3 d.d. 2 april 2022, in lijn met de verklaring van de verdachte heeft bevestigd dat het geld van haar afkomstig is, hetgeen tevens volgt uit de latere verklaring van [getuige] die is gehecht aan de door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota. Daarom kan niet zonder meer worden gezegd dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag waarop de verdenking ziet uit enig misdrijf afkomstig is, aldus de verdediging.
Het hof merkt op dat in de aan de pleitnota gehechte verklaring van [getuige] staat dat zij eind augustus 2021 aan de verdachte een geldbedrag in bewaring heeft weggegeven. De afschriften/screenshots die de getuige naar aanleiding van haar verklaring als getuige op 22 mei 2022 desgevraagd als bewijs dat het geld van haar was per e-mail de politie had doen toekomen betreffen echter deels de periode na augustus 2021. Bovendien, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen PL2300-2021156477-4 d.d. 2 april 2022, is op die afschriften/afbeeldingen niet te zien of het hier een aan [getuige] toebehorende bankrekening betreft en evenmin dat het geld, zoals zij heeft verklaard, door haar is gepind. Nadat zij hiermee door de verbalisant was geconfronteerd zegde zij toe opnieuw screenshots te maken van de gepinde bedragen, maar in het dossier zijn die door het hof niet aangetroffen. Ook bij de korte verklaring van [getuige] , aangehecht aan de op zitting in hoger beroep door de verdediging overgelegde pleitnota zijn deze destijds toegezegde screenshots die als bewijsstuk zouden kunnen dienen dat het haar geld betreft, niet toegevoegd.
Het hof is derhalve van oordeel dat de aanvullende verklaring van de getuige die is gehecht aan de door de raadsman overgelegde pleitnota, geen nieuwe feiten en omstandigheden bevat die tot een ander oordeel zouden moeten leiden dan in het vonnis is vermeld en verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Het hof acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde medeplegen van witwassen, heeft begaan.
Straftoemeting
In hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de strafoplegging heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een andere beslissing dan de rechtbank.
Beslag
Het hof verenigt zich met de beslissing op het beslag van de rechtbank. Van de door de verdediging vermelde geldbedragen van € 15.000,00 en € 300,00 ontbreekt een kennisgeving van inbeslagname in de onderhavige strafzaak. Derhalve zal het hof hierop geen beslissing nemen.
Voorwaardelijk verzoek
Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bij wijze van voorwaardelijk verzoek, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, verzocht om [getuige] als getuige te (doen) laten horen.
Het hof neemt bij de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek in aanmerking dat de verdediging meermaals de mogelijkheid heeft gehad om een verzoek in te dienen om [getuige] als getuige te (doen) laten horen, maar de verdediging heeft van deze mogelijkheden geen gebruik gemaakt. In hoger beroep is nimmer – noch bij appelschriftuur noch op een later moment – verzocht om het horen van [getuige] als getuige in de zaak van verdachte. Het had naar het oordeel van het hof in de rede gelegen het verzoek tot het horen van deze getuige reeds bij appelschriftuur in te dienen, althans op een eerder moment dan bij gelegenheid van pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep, te meer nu de verklaring van [getuige] al lang bekend was en er sinds het vonnis van de rechtbank niet van nieuwe feiten en omstandigheden is gebleken. Daarmee is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om de genoemde persoon als getuige te horen. Daarbij komt dat het hof tevens van oordeel is dat, nu de verdediging de wens tot het horen van de getuige heeft laten afhangen van de bewijsbeslissing van het hof met betrekking tot het tenlastegelegde en aldus gedaan in een laat stadium van het onderzoek ter terechtzitting - te weten ter gelegenheid van het pleidooi van de verdediging - het verzoek niet voldoet aan de aan een dergelijk verzoek te stellen eisen, te weten dat de verdediging tot het doen van een dergelijk verzoek het nodige initiatief neemt tot het doen van een stellig en duidelijk verzoek waaruit de noodzaak blijkt voor die nadere onderzoekshandeling.
Het hof acht zich voldoende ingelicht en de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor is niet gebleken. Op grond van het voorstaande wijst het hof het voorwaardelijk ingediende verzoek tot het horen van [getuige] dan ook af.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 10 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001524-23
Uitspraak : 10 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 mei 2023 in de strafzaak met parketnummer 03-202793-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte, met vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, ter zake van medeplegen van witwassen veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen sieraden aan de verdachte gelast.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit en subsidiair een voorwaardelijk verzoek gedaan om getuige [getuige] te horen. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd en verzocht om teruggave van het aangetroffen geldbedrag van € 15.000,00 zodat dit bedrag retour kan naar de rechtmatige eigenaar [getuige] en om teruggave van het geldbedrag van € 300,00, dat was gelegen tussen hoofddoeken in de kledingkast.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust.
Het hof zal, naar aanleiding van de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren, het vonnis waarvan beroep aanvullen met de navolgende overwegingen:
Aanvullende bewijsoverweging
Door de verdediging is ook ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is opnieuw aangevoerd dat de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het geld. De verdachte zou het geldbedrag in bewaring hebben genomen op verzoek van haar vriendin, [getuige] , die in een aanvullend proces-verbaal verhoor getuige PL2300-2021156477-3 d.d. 2 april 2022, in lijn met de verklaring van de verdachte heeft bevestigd dat het geld van haar afkomstig is, hetgeen tevens volgt uit de latere verklaring van [getuige] die is gehecht aan de door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota. Daarom kan niet zonder meer worden gezegd dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag waarop de verdenking ziet uit enig misdrijf afkomstig is, aldus de verdediging.
Het hof merkt op dat in de aan de pleitnota gehechte verklaring van [getuige] staat dat zij eind augustus 2021 aan de verdachte een geldbedrag in bewaring heeft weggegeven. De afschriften/screenshots die de getuige naar aanleiding van haar verklaring als getuige op 22 mei 2022 desgevraagd als bewijs dat het geld van haar was per e-mail de politie had doen toekomen betreffen echter deels de periode na augustus 2021. Bovendien, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen PL2300-2021156477-4 d.d. 2 april 2022, is op die afschriften/afbeeldingen niet te zien of het hier een aan [getuige] toebehorende bankrekening betreft en evenmin dat het geld, zoals zij heeft verklaard, door haar is gepind. Nadat zij hiermee door de verbalisant was geconfronteerd zegde zij toe opnieuw screenshots te maken van de gepinde bedragen, maar in het dossier zijn die door het hof niet aangetroffen. Ook bij de korte verklaring van [getuige] , aangehecht aan de op zitting in hoger beroep door de verdediging overgelegde pleitnota zijn deze destijds toegezegde screenshots die als bewijsstuk zouden kunnen dienen dat het haar geld betreft, niet toegevoegd.
Het hof is derhalve van oordeel dat de aanvullende verklaring van de getuige die is gehecht aan de door de raadsman overgelegde pleitnota, geen nieuwe feiten en omstandigheden bevat die tot een ander oordeel zouden moeten leiden dan in het vonnis is vermeld en verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Het hof acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde medeplegen van witwassen, heeft begaan.
Straftoemeting
In hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de strafoplegging heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een andere beslissing dan de rechtbank.
Beslag
Het hof verenigt zich met de beslissing op het beslag van de rechtbank. Van de door de verdediging vermelde geldbedragen van € 15.000,00 en € 300,00 ontbreekt een kennisgeving van inbeslagname in de onderhavige strafzaak. Derhalve zal het hof hierop geen beslissing nemen.
Voorwaardelijk verzoek
Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bij wijze van voorwaardelijk verzoek, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, verzocht om [getuige] als getuige te (doen) laten horen.
Het hof neemt bij de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek in aanmerking dat de verdediging meermaals de mogelijkheid heeft gehad om een verzoek in te dienen om [getuige] als getuige te (doen) laten horen, maar de verdediging heeft van deze mogelijkheden geen gebruik gemaakt. In hoger beroep is nimmer – noch bij appelschriftuur noch op een later moment – verzocht om het horen van [getuige] als getuige in de zaak van verdachte. Het had naar het oordeel van het hof in de rede gelegen het verzoek tot het horen van deze getuige reeds bij appelschriftuur in te dienen, althans op een eerder moment dan bij gelegenheid van pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep, te meer nu de verklaring van [getuige] al lang bekend was en er sinds het vonnis van de rechtbank niet van nieuwe feiten en omstandigheden is gebleken. Daarmee is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om de genoemde persoon als getuige te horen. Daarbij komt dat het hof tevens van oordeel is dat, nu de verdediging de wens tot het horen van de getuige heeft laten afhangen van de bewijsbeslissing van het hof met betrekking tot het tenlastegelegde en aldus gedaan in een laat stadium van het onderzoek ter terechtzitting - te weten ter gelegenheid van het pleidooi van de verdediging - het verzoek niet voldoet aan de aan een dergelijk verzoek te stellen eisen, te weten dat de verdediging tot het doen van een dergelijk verzoek het nodige initiatief neemt tot het doen van een stellig en duidelijk verzoek waaruit de noodzaak blijkt voor die nadere onderzoekshandeling.
Het hof acht zich voldoende ingelicht en de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor is niet gebleken. Op grond van het voorstaande wijst het hof het voorwaardelijk ingediende verzoek tot het horen van [getuige] dan ook af.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 10 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.